← België

Arrest 168370 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 01/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.370 Rolnummer: A. 107403/VII-25205 Zaak: Arrest 168370 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 01/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 45 - laatst gezien 2026-06-29 06:27 Fiche Arrest nr 168.370 van 1 maart 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.370 van 1 maart 2007 in de zaak A. 107.403/VII-25.

  1. In zake : Elke GRAMPELSBERGER, die woonplaats kiest bij advocaten M. MODRIKAMEN en O. BONHIVERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Italiëlaan 36a/10 tegen :
  2. de Belgische staat vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten M. UYTTENDAELE en E. MARON, kantoor houdende te BRUSSEL, Bronstraat 68,
  3. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1,
  4. Kind en Gezin, dat woonplaats kiest bij advocaat S. VERBOUWE, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Elke GRAMPELSBERGER op 12 juli 2001 heeft ingediend waarbij zij, op grond van artikel 11 van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State, een buitengewone schadevergoeding vordert van 25.322.500 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten te rekenen vanaf de dag van de indiening van het verzoekschrift; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-25.205-1/7 Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 waarbij de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier wordt gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. DEHAENE die, loco advocaat M. MODRIKAMEN verschijnt voor de verzoekster, van advocaat E. JACUBOWITZ die, loco advocaat M. UYTTENDAELE en E. MARON verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat N. DE CLERCQ die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de tweede verwerende partij en van advocaat S. VERBOUWE, die verschijnt voor de derde verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De feiten Verzoekster, van Duitse nationaliteit, is geboren op 17 april 1965 in het hospitaal van Tongeren. Op 12 oktober 1965, 16 november 1965 en 21 december 1965 werd zij ingeënt tegen diverse kinderziektes. Sedert eind 1966 lijdt zij aan een zeer ernstige cerebrale verlamming die een onherstelbare lichamelijke schade heeft veroorzaakt. Deze bestaat uit een zeer ernstige geestelijke achterstand (debiliteit), waaruit een onbekwaamheid van 100% voortvloeit. Deze toestand zou volgens haar te wijten zijn aan de vaccinaties. Verzoekster is in Duitsland gaan wonen waar zij rechtszaken aanspande tegen de Duitse overheid ten einde op grond van de Duitse wetgeving een vergoeding te krijgen. VII-25.205-2/7 Zij doorloopt in Duitsland verschillende procedures. In een arrest van 3 februari 1999 stelt het “Bundessozialgericht” dat zij geen recht heeft op een vergoeding, in essentie omdat het gaat om een vaccinatie die in het buitenland werd toegediend. Op 19 maart 2001 richt de raadsman van verzoekster een aangetekend schrijven naar de Federale Minister van Sociale Zaken, Volksgezond- heid en Leefmilieu, de Vlaamse Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gelijkheid der kansen en Kind & Gezin (het betreft één brief, gericht naar deze drie instanties). De brief heeft, aldus verzoekster, “tot doel, rekening houdend met de verbreking van de gelijkheid voor publieke lasten, de Vlaamse gemeenschap en ‘Kind en Gezin’ uit te nodigen de buitengewone schade die werd opgelopen (...) te vergoeden”. Met een aangetekende brief van 14 april 2001 antwoordt de Federale Minister van Volksgezondheid dat geen gevolg kan worden gegeven aan deze aanvraag. Beoordeling
  6. De rechtsmacht van de Raad van State 1.
  7. De Belgische Staat betoogt dat uit artikel 11 van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State duidelijk volgt dat de Raad van State slechts over een residuaire bevoegdheid beschikt. De gewone rechtbanken zijn bevoegd om de grenzen van hun bevoegdheid te bepalen, en het komt niet aan de Raad van State toe om te bepalen of een andere rechtbank in casu kennis kon nemen van voorliggend geschil en dat verzoekster moet aantonen dat geen enkele andere rechtbank bevoegd is, wat zij evenwel nalaat te doen. 1.
  8. Artikel 11 eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt wat volgt : "Als geen ander rechtscollege bevoegd is, doet de afdeling administratie naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang, bij wege van arrest uitspraak over de eisen tot herstelvergoe- ding voor buitengewone, morele of materiële schade, veroorzaakt door een administratieve overheid". De Raad van State beschikt dus over een residuaire bevoegdheid en is bevoegd om kennis te nemen van een eis tot herstelvergoeding wegens VII-25.205-3/7 buitengewone schade indien de betrokkenen niet via een ander rechtscollege een schadevergoeding kunnen verkrijgen. Te dezen beroept verzoekster zich niet op een fout van de overheid, en steunt zij haar eis niet op artikel 1382 van het burgerlijk wetboek. Het is niet vereist dat verzoekster zelf zou aantonen dat geen enkel ander rechtscollege bevoegd is. Van verzoekster kan evenmin geëist worden dat zij zich eerst tot de gewone rechtbanken in België wendde, vermits de bevoegdheid van de Raad van State niet ondergeschikt is aan de voorwaarde dat een vordering verworpen werd door de gewone rechtbank. De exceptie moet worden afgewezen.
  9. De bekwaamheid van verzoekster 2.
  10. In haar memorie van antwoord vraagt de Belgische staat zich af of verzoekster, gelet op de ernstige intellectuele deficiëntie die zij zelf aanvoert, wel voldoende bekwaam is. Ook in de memorie van antwoord van Kind en Gezin wordt de vraag gesteld of verzoekster wel bekwaam is om in rechte te treden, gelet op de door haar gegeven beschrijving van haar geestelijke vermogens. Kind en Gezin stelt zich de vraag of verzoekster wel bekwaam is, gelet op de toepasselijke regels van het Duitse recht. In de memorie van wederantwoord wordt gesteld dat verzoekster, gelet op haar statuut volgens het Duitse recht, niet onbekwaam is. Voor de Duitse gerechten is verzoeksters eis steeds ontvankelijk bevonden. 2.
  11. De Belgische Staat en Kind en Gezin geven niet precies aan op grond van welke regels van het Duitse recht -waarvan zij de toepasselijkheid niet betwisten- verzoekster onbekwaam zou zijn om de voorliggende vordering in te stellen. De exceptie is dan ook onvoldoende uitgewerkt om te kunnen worden aangenomen.
  12. De verjaring 3.
  13. De Vlaamse gemeenschap wijst er op dat de vordering verjaard is, gelet op artikel 100 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit, dat ook op haar van toepassing is. VII-25.205-4/7 3.
  14. Bij een eis tot vergoeding wegens buitengewone schade gaat het niet om het afdwingen van een bepaald recht, of het laten erkennen van een vooraf bestaand recht. Slechts wanneer de Raad van State via een arrest een vergoeding toekent wegens buitengewone schade ontstaat er een subjectief recht. Nog anders uitgedrukt : de (financiële) schuld van de overheid t.o.v. de particulier ontstaat slechts door het arrest. Uiteraard kan er slechts sprake zijn van schuldvorderingen als er een schuld bestaat. Zolang er geen schuld is ontstaan kan er geen sprake zijn van een verjaring van de schuldvordering. Artikel 100 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij K.B. van 17 juli 1991 luidt als volgt : "Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onvermin- derd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1/ de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2/ de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1/ bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3/ alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan. Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de [tienjarige] verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito- en Consignatiekas". Deze bepaling heeft duidelijk betrekking op schuldvorderingen. Vermits, zoals hoger uiteengezet, de schuld nog niet ontstaan is, kan er ook geen sprake zijn van een schuldvordering en a fortiori niet van een verjaring van de schuldvordering.
  15. Ten gronde 4.
  16. De Belgische Staat en Kind & Gezin stellen in essentie dat, vermits het niet om een verplichte vaccinatie ging (zij was slechts aanbevolen), men niet kan staande houden dat een administratieve overheid de enige veroorzaker is van de schade, hoewel dit nochtans is vereist om een schadevergoeding te kunnen bekomen. VII-25.205-5/7 4.
  17. Artikel 11 van de gecoördineerde wetten vereist dat de schade rechtstreeks en uitsluitend veroorzaakt moet zijn door toedoen (of nalaten) van de administratieve overheid. Te dezen blijkt dat de inentingen die verzoekster kreeg niet verplicht waren, hetgeen verzoekster als zodanig ook niet betwist. Er was met andere woorden geen reglementaire bepaling of een bindende instructie voorhanden op grond waarvan de dokter die de inenting gaf of de ouders verplicht zouden zijn geweest zich aan de inenting te onderwerpen en de zaak verschilt dan ook van andere zaken waarbij de Raad van State een buitengewone schadevergoeding toekende ten gevolge van schade die te wijten was aan inentingen, vermits het in die gevallen om verplichte inentingen ging. Dit betekent dat de dokter, rekening houdend met alle specifieke omstandigheden, en in overleg met de ouders, in volle vrijheid een beslissing kon nemen om al of niet de inentingen toe te dienen. Het blijkt niet dat de geneesheer, die de inentingen heeft verricht, een ambtenaar was van het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn of dat hij een aangestelde was zonder enige beoordelingsvrijheid zodat de door verzoekster in de laatste memorie ingeroepen theorie van het orgaan niet kan worden toegepast. Het is dus te dezen niet uitsluitend aan het optreden van een administratieve overheid te wijten dat de schade zich voordeed, vermits geen enkele administratieve overheid de inenting verplicht stelde. De schade is dus niet het uitsluitend gevolg van een overheidsop- treden. De eis tot vergoeding van een buitengewone schade moet om die reden worden verworpen. Om deze redenen is het ook overbodig na te gaan wie in deze zaak als verwerende partij moet worden beschouwd. BESLUIT: Artikel
  18. De vordering wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van de vordering, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. VII-25.205-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-25.205-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.