id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.371 Rolnummer: Zaak: Arrest 168371 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 01/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-28 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:28 Fiche Arrest nr 168.371 van 1 maart 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.371 van 1 maart 2007 in de zaken A. 128.741/VII-28.228 A. 135.920/VII-29.651 In zake : I + II Christina VAN DOMMELEN, wonende te BRECHT, Vaartlaan 34 tegen : I + II de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat P. SIFFERT, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 64 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christina VAN DOMMELEN op 30 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 september 2002 van de Minister van Volksgezondheid waarbij zij niet wordt toegelaten haar opleiding in de urologie aangevat op 1 januari 1992 verder te zetten en de door haar vervulde stages voor deze discipline niet worden goedgekeurd (A.128.741/VII-28.228); Gezien het verzoekschrift dat Christina VAN DOMMELEN op 25 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 februari 2003 van de Minister van Volksgezondheid waarbij zij niet wordt toegelaten haar opleiding in de urologie aangevat op 1 januari 1992 verder te zetten en de door haar vervulde stages voor deze discipline niet worden goedgekeurd (A. 135.920/VII-29.651); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; VII-28.228 en 29.651-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de memories van verzoekster; Gelet op de beschikking van 10 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. VAN BALLAER die, loco advocaat W. GONTHIER verschijnt voor verzoekende partij en van advocaat P. SIFFERT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De feiten 1.
- Verzoekster behaalde aan de Universiteit van Nijmegen op 28 oktober 1988 het artsdiploma. Aangezien in Nederland een opleiding tot geneesheer-specialist niet kan worden aangevat wanneer de betrokkene de leeftijd van dertig jaar heeft bereikt, dient zij op 4 december 1991 in België een aanvraag in voor de registratie van een opleiding tot geneesheer-specialist in de urologie. Het bij de aanvraag gevoegde stageplan voorziet in twee stageperiodes: de eerste bestrijkt 24 maanden bij Dr. Y. Gerard van het Algemeen Ziekenhuis Middelheim - Antwerpen en de tweede periode omvat 48 maanden bij Prof. Dr. L. Denis van hetzelfde ziekenhuis. 1.
- De Nederlandstalige Kamer van de Erkenningscommissie Urologie verstrekt op 11 december 1991 een gunstig advies nopens het ingediende stageplan. VII-28.228 en 29.651-2/7 1.
- Op 14 juni 1995 schrijft het diensthoofd-stagemeester Prof. Dr. Eyskens een brief aan de voorzitter van de Nederlandstalige Kamer van de Erkenningscommissie Urologie waarin hij stelt dat de opleiding van verzoekster “met de grootste moeilijkheden” verliep en “waarbij het onbehouwen gedrag van de kandidate ten aanzien van patiënten en haar collega’s GSO’s, het onttrekken aan haar verplichtingen in de wachtrol en de multiple klachten van patiënten en stafleden te weerhouden zijn”. Verder wordt in de brief ook gesteld dat het is "op grond van de door de kandidate ingeroepen gezondheidsredenen, als ook uit sociale en economische overwegingen, dat de aanwezigheid van de kandidate in de dienst wordt geduld tot het beëindigen van haar mandaat op 30/9/1995". 1.
- In 1995 brengt de Nederlandstalige Kamer van de Erkenningscommissie Urologie een overwegend ongunstig verslag uit over verzoekster. 1.
- Op 13 maart 1996 adviseert de Nederlandstalige Kamer van de Erkenningscommissie Urologie dat verzoekster haar opleiding tot geneesheer- specialist in de urologie moet stopzetten. 1.
- Op 2 juli 1996 tekent verzoekster tegen dit advies beroep aan bij de Nederlandstalige Kamer van de Hoge Raad voor Geneesheren-Specialisten en Huisartsen. 1.
- Verzoekster dringt herhaalde malen aan om een zittingsdatum te bekomen. Zij schrijft op 14 januari 1998 een brief waarin zij de Hoge Raad in gebreke stelt om een datum te bepalen waarop het beroep behandeld zou worden. De zitting wordt op 27 februari 1998 bepaald. 1.
- Op 19 februari 1999 brengt de Nederlandstalige Kamer van de Hoge Raad voor Geneesheren-Specialisten en Huisartsen een ongunstig advies uit. 1.
- Ingevolge het uitblijven van een formele beslissing, schrijft verzoekster op 11 augustus 1999 een brief aan de bevoegde minister van Volksgezondheid. In haar brief wijst zij o.a. op de onaanvaardbaar lange behandelingstermijn, hetgeen een schending uitmaakt van artikel 32, §2, van het koninklijk besluit van 21 april
- VII-28.228 en 29.651-3/7 1.
- Op 5 februari 2000 stuurt verzoekster een herinneringsbrief naar de minister. Ook deze brief blijft zonder reactie en zij dient op 1 augustus 2000 een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State wegens “de impliciet afwijzende beslissing over de voortzetting van haar opleiding tot geneesheer-specialist in de urologie”. In het arrest nr. 108.523 van 27 juni 2002 verwerpt de Raad van State dit beroep omdat de toepassingsvoorwaarden van artikel 14, §3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet vervuld waren. 1.
- Op 3 september 2002 wordt het besluit genomen, dat is ondertekend door de toenmalige minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu Magda Aelvoet. Dit is de eerste bestreden beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het beroep tot nietigverklaring gekend onder nr. A. 128.741/VII-28.
- 1.
- Bij koninklijk besluit van 28 augustus 2002 wordt het ontslag van mevrouw Magda Aelvoet uit het ambt van minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu aanvaard en wordt Josef Tavernier in die hoedanigheid benoemd. 1.
- Op 18 februari 2003 wordt een - aan het besluit van 3 september 2002 identiek zijnde - beslissing genomen, met dat verschil, dat het nu ondertekend wordt door minister Josef Tavernier. Dit besluit maakt het voorwerp uit van het beroep tot nietigverklaring gekend onder nr. A. 135.920/VII-29.
- Dit is de tweede bestreden beslissing.
- De verknochtheid De beide beroepen zijn dermate verknocht dat het, in het raam van een goede rechtsbedeling, past ze samen te voegen.
- De ontvankelijkheid 3.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de Raad van State niet de bevoegdheid heeft om te “zeggen dat de redelijke termijn is overschreden en dat dit een schadeverwekkend feit is”. Volgens de verwerende partij kan de Raad hoogstens stellen, in het kader van de beoordeling van de gegrondheid van de middelen, dat de redelijke termijn al dan niet overschreden is. Vervolgens VII-28.228 en 29.651-4/7 stelt de verwerende partij dat het al dan niet uitmaken van een schadeverwekkend feit door de gewone burgerlijke rechtbanken moet worden beoordeeld. 3.
- Op grond van artikel 14, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is de bevoegdheid van de Raad beperkt tot de mogelijkheid om administratieve rechtshandelingen nietig te verklaren. De Raad van State is dus niet bevoegd zich uit te spreken over een vordering tot schadevergoeding. De exceptie is gegrond in de mate van de Raad van State gevraagd wordt te verklaren dat de schending van een rechtsregel of -principe een schadeverwekkend feit is.
- De gegrondheid van de beroepen 4.
- In een derde onderdeel van het derde middel voert verzoekster aan dat er sprake is van bevoegdheidsoverschrijding en van een schending van de redelijke termijn. Zij stelt hieromtrent het volgende: “Daar door verzoekster geoordeeld werd dat de uiteenzetting in de memorie van antwoord van de Minister betekend aan Raad van State kon worden beschouwd als kennis krijgen van de beslissing van de minister, is een annulatieverzoek tegen de in haar memorie van antwoord kenbaar gemaakte beslissing ingediend. Op 27 juni 2002 oordeelt de Raad van State dat de twee annulatieberoepen ingediend door verzoekster onontvankelijk zijn. Uiteindelijk heeft de bevoegde Minister een beslissing genomen en aan verzoekster betekend op 3 september 2002, hetzij zes jaar en twee maanden nadat het beroep tegen de uitspraak van de Erkenningscommissie was ingediend en dit ondanks het herhaaldelijk en aanhoudend oproepen tot voortzetting van de zaak.(...) Op 3 september 2002 ondertekent mevr. Magda Aelvoet een ministerieel besluit waarbij aan verzoekster niet toegelaten is haar opleiding in de urologie verder te zetten. Dit ministerieel besluit is genomen met overschrijding van bevoegdheid daar mevr. M. Aelvoet op 28 augustus 2002 haar ontslag had ingediend en dezelfde dag opgevolgd werd door dhr J. Tavernier. De ondertekening en de betekening van een nietig ministerieel besluit heeft niettemin verzoekster ertoe gedwongen een annulatieverzoek in te dienen dat zonder voorwerp is geworden ingevolge het ministerieel besluit genomen op 18 februari 2003 door de thans wel bevoegde minister J. Tavernier. Deze foutieve handeling is, samen met de overschrijding van de redelijke termijn, van aard schadelijk te zijn voor verzoekster. Het is onmiskenbaar dat de redelijke termijn lang is overschreden en verzoekster in de onzekerheid is gelaten over de mogelijkheid al of niet haar opleiding in de urologie verder te zetten om uiteindelijk het beroep van uroloog uit te oefenen.”. VII-28.228 en 29.651-5/7 4.
- In de memorie van antwoord gaat de verwerende partij niet in op de door verzoekster aangevoerde schending van de redelijke termijnvereiste. 4.
- Een vernietiging op grond van dit middelonderdeel zou beletten dat de verwerende partij nog een nieuwe beslissing neemt over de toelating aan verzoekster om haar stage verder te zetten. Daardoor wordt verzoekster evenwel nog niet erkend als uroloog, wat zij uiteindelijk ambieert. Zij kan evenmin zonder meer haar stage verder zetten, gelet op het ongunstige advies terzake van de Erkenningscommissie Urologie. Zij heeft dan ook geen belang om de beweerde schending van de redelijke termijn aan te voeren. Het middelonderdeel is bijgevolg niet ontvankelijk. 4.
- Aangezien het auditoraatsverslag werd beperkt tot de bespreking van het derde onderdeel van het derde middel past het een aanvullend onderzoek van de zaken te bevelen. BESLUIT: Artikel
- De zaken, gekend onder de nummers A.128.741/VII-28.228 en A. 135.920/VII-29.651 worden samengevoegd. Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangegeven lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. VII-28.228 en 29.651-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op een maart tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-28.228 en 29.651-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div