id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.442 Rolnummer: A. 181271/XIV-28431 Zaak: Arrest 168442 - Dienst Vreemdelingenzaken - 02/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 16:53 Fiche Arrest nr 168.442 van 2 maart 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.442 van 2 maart 2007 in de zaak A. 181.271/XIV-28.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat Y. BI, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 349/20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 24 februari 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 februari 2007; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid voorlopige maatregelen te vragen; Gelet op de beschikking van 26 februari 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 februari 2007 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. SCHOUTEN en advocaat K. DE HAES, die loco advocaat Y. BI verschijnen voor de verzoekende partij en van XIV-28.431-1/5 advocaat S. DE VRIEZE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid 1.
- Overwegende dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk enkel is gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van 19 februari 2007; dat er derhalve geen reden is om ook de stad Antwerpen als verwerende partij aan te duiden, zoals de verzoekende partij in het verzoekschrift vraagt; 1.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 10, 12bis en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 5 en 8 van het E.V.R.M., van het voorzichtigheidsbeginsel, het zorgvuldigheids- eginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en de kennelijke beoordelingsfout opwerpt; dat de verzoekende partij in essentie aanvoert dat zij op grond van artikel 10, 4/, van de Vreemdelingenwet over een verblijfsrecht in België beschikt, dat dit recht door de verwerende partij is erkend door op 6 februari 2006 aan de Belgische ambassade in Beijing opdracht te geven om een visum type D aan de verzoekende partij uit te reiken, dat dit visum op 6 maart 2006 in het paspoort van de verzoekende partij werd aangebracht, dat de verzoekende partij door de onwettige houding van de stad Antwerpen haar verblijfsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, dat de verzoekende partij en haar familie zich bij de stad Antwerpen hebben aangeboden om op XIV-28.431-2/5 grond van artikel 12bis van de Vreemdelingenwet hun inschrijving in het vreemdelingenre- gister te vragen, dat aan de verzoekende partij in strijd met artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en met de ministeriële omzendbrief van 28 februari 1995 geen bijlage 15bis noch een bijlage 15ter werd gegeven, dat de stad Antwerpen in de plaats daarvan een nieuw onderzoek aan het Openbaar Ministerie heeft gevraagd terwijl dergelijk onderzoek reeds was gedaan voor de beslissing om het visum type D af te geven, dat de stad Antwerpen derhalve geen appreciatiebevoegdheid over de ontvankelijkheid van de verblijfsaanvraag van de verzoekende partij had en gehouden was de verzoekende partij in het vreemdelingenregister in te schrijven, dat de beslissing van 1 september 2006 tot weigering van de overschrijving van het huwelijk van de vader van de verzoekende partij onwettig was omdat zij de verzoekende partij de inschrijving ontzegde waar zij recht op had, dat met die beslissing overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet geen rekening mag worden gehouden, dat geen beslissing is genomen over de aanvraag op grond van artikel 26 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zodat de verzoekende partij nog steeds een beslissing afwacht, dat zij zich derhalve niet illegaal op het grondgebied bevond zodat het bestreden bevel niet wettig is gemotiveerd, dat de verwerende partij een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan en het gewettigd evertrouwen van de verzoekende partij heeft geschonden, dat de bestreden beslissing de verzoekende partij verhindert het uit artikel 10, 4/, van de Vreemdelingenwet geputte verblijfsrecht uit te oefenen, dat die onwettige verhindering een schending van artikel 8 van het E.V.R.M vormt en dat om dezelfde reden ook de vrijheidsberoving van de verzoekende partij in strijd is met artikel 5 van het E.V.R.M.; 1.3.
- Overwegende dat het op 6 maart 2006 uitreiken van het visum type D aan de verzoekende partij prima facie geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Antwerpen om de registratie van het huwelijk van de vader van de verzoekende partij te weigeren nadat de huwelijksakte aldaar was aangeboden; dat die registratie is geweigerd op 1 september 2006 en dat de betrokkenen tegen die beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand blijkbaar geen beroep hebben aangetekend; dat zich alleszins geen spoor van dergelijk beroep in het administratief dossier of in de stukken van de verzoekende partij bevindt en dat de verzoekende partij ook niet aanvoert dat dergelijk beroep zou zijn aangetekend; Overwegende dat het de vraag is of de stad Antwerpen aan de verzoekende partij geen bijlage 15bis of minstens een bijlage 15ter had moeten afgeven toen zij aldaar met toepassing van artikel 12bis van de Vreemdelingenwet haar inschrijving vroeg; dat die vraag in casu echter niet meer dienend is; dat ingevolge de weigering van de registratie van het huwelijk van haar vader, weigering die blijkbaar definitief is geworden, de verzoekende partij zich hoe dan ook thans niet meer op dat huwelijk kan beroepen om XIV-28.431-3/5 aanspraak op een verblijfstitel te maken; dat de verzoekende partij derhalve geen belang meer lijkt te hebben bij het middel; Overwegende dat de verzoekende partij op het eerste gezicht evenmin een schending van artikel 8 van het E.V.R.M. kan opwerpen, omdat er is beslist tot weigering van de registratie van het huwelijk van de vader van de verzoekende partij en noch de vader van de verzoekende partij, noch de verzoekende partij of andere familieleden thans op basis van dat huwelijk enig verblijfsrecht kunnen doen gelden; Overwegende dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om zich uit te spreken over de vrijheidsberoving van de verzoekende partij; dat dit tot de rechtsmacht van de gewone rechtbanken behoort; dat het middel in die mate en om die reden evenmin ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen;
- de vordering tot het horen bevelen van voorlopige maatregelen Overwegende dat de vordering om voorlopige maatregelen te horen bevelen en de vordering om een dwangsom te horen opleggen een accessorium van de vordering tot schorsing vormen; dat zij omwille van de afwijzing van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid eveneens dienen te worden afgewezen in de mate dat zij tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 19 februari 2007 zijn gericht; dat zij niet-ontvankelijk zijn in de mate dat de vrijlating van de verzoekende partij wordt gevraagd omdat zulks, zoals hierboven reeds is aangehaald, tot de rechtsmacht van de gewone rechtbanken behoort; dat zij evenmin ontvankelijk zijn in de mate dat de registratie van het huwelijk van de vader van de verzoekende partij wordt gevraagd, omdat tegen de weigering daarvan eveneens een beroep bij de gewone rechtbanken openstond, XIV-28.431-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vorderingen tot schorsing en voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee maart tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-28.431-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.442 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.