id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.469 Rolnummer: A. 72264/IX-1702 Zaak: Arrest 168469 - Tucht (openbaar ambt) - 05/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-26 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:28 Fiche Arrest nr 168.469 van 5 maart 2007 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.469 van 5 maart 2007 in de zaak A. 72.264/IX-
- In zake : Theophiel VAN LOOY, wonende te HEVER, Guido Gezellestraat 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Theophiel VAN LOOY op 28 november 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van 12 september 1996 van de minister van Landsverdediging waarbij hem de statutaire maatregel van veertien dagen tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 3 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-1702-1/6 Gehoord de opmerkingen van kapitein V. DE SAEDELEER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Op 26 oktober 1970 treedt verzoeker in dienst van de Krijgsmacht. Op 26 juni 1974 wordt hij benoemd in de graad van sergeant en opgenomen in het kader van de beroepsonderofficieren. Op 26 september 1991 wordt hij bevorderd in de graad van adjudant. 1.
- Verzoeker heeft in de loop van zijn carrière bij het leger verschillende keren een militaire tuchtstraf opgelegd gekregen. Eén ervan, dagtekenend van 26 oktober 1995, betreft vier dagen eenvoudig arrest wegens het beledigen van een vrouwelijke ondergeschikte in het bijzijn van getuigen. 1.
- Op 3 juni 1996 formuleert de korpscommandant van verzoeker het voorstel hem bij tuchtmaatregel een tijdelijke ambtsontheffing op te leggen voor de duur van zeven dagen, om volgende redenen: “Adjt VAN LOOY werd, zoals uit zijn strafblad blijkt, regelmatig gestraft voor verschillende feiten. Hij heeft moeite met de aanwezigheid van vrouwen in het leger en laat zich denigrerend over hen uit. Nadat hij hiervoor gewaarschuwd en gestraft werd besloot het Comdo van de school om hem een andere funktie te geven zodat hij niet dagelijks met zijn vrouwelijke collega’s zou geconfronteerd worden. Dit blijkt geen echte oplossing te zijn geweest want Adjt VAN LOOY gaat, weliswaar buiten de kazerne, maar in militair milieu, verder met de verbale en seksistische beledigingen van zijn collega’s. De opgelopen straffen tonen aan dat disciplinaire maatregelen geen echt resultaat meer opleveren bij Adjt VAN LOOY en daarom stel ik voor om hem, overeenkomstig het Reg A2 Art 129 a, op non-activiteit bij tuchtmaatregel te plaatsen voor de duur van één week (7 dagen).” Verzoeker dient tegen dat voorstel een verweerschrift in. Daarin betwist hij onder meer dat hij moeite zou hebben met de aanwezigheid van vrouwen IX-1702-2/6 in het leger, dat de zogenaamde seksistische beledigingen niet meer zijn dan een subjectieve interpretatie van de betrokkenen en dat de korpscommandant zijn aanklacht steunt op geruchten die hij niet onderzocht heeft en waarvoor hij geen bewijzen aanbrengt. Waarna de korpscommandant zijn voorstel nader specifieert en uitvoerig uiteenzet op welke wijze verzoeker zich gedraagt en zich verbaal uit tegenover vrouwelijke collega’s. Hij blijft bij zijn voorstel van tuchtstraf. 1.
- Na gunstig advies van de verantwoordelijken van de verschillende militaire echelons, treft de minister van Landsverdediging op 12 september 1996 het thans bestreden besluit waarbij verzoeker de tuchtmaatregel van de tijdelijke ambtsontheffing voor de duur van veertien dagen wordt opgelegd. Het besluit is als volgt gemotiveerd: “Gelet op de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderof- ficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst, inzonderheid op artikel 19; Gelet op het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader, inzonderheid op artikel 23; Gelet op het voorstel van de Korpscommandant en de adviezen van de hiërarchische meerderen; Overwegende dat de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de opgelegde straffen afbreuk doen aan de waardigheid van zijn ambt van beroepsonderof- ficier; Overwegende dat de algemene houding bij de betrokkene, in het bijzonder ten opzichte van de vrouwelijke militairen, in hoge mate afwijkt van de houding die van een keuronderofficier terecht mag verwacht worden, zijnde het voorbeeld te geven aan ondergeschikten en hun waardigheid te eerbiedigen”; 1.
- Het ministerieel besluit wordt op 28 oktober 1996 ter kennis van verzoeker gebracht. Het is uitgevoerd van 28 oktober 1996 tot 10 november 1996; 2.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat het bestreden besluit niet afdoende gemotiveerd is; dat hij het middel als volgt uiteenzet: een vage verwijzing naar een “algemene houding ten overstaan van vrouwelijke militairen die afwijkt van de houding die van een keuronderofficier verwacht mag worden”, naar adviezen en naar “feiten die aanleiding gegeven hebben tot de opgelegde straffen”, zonder dat het besluit zelf of het dossier daarvan de bewijzen bevat, kan de zware tuchtstraf die hem opgelegd is, niet deugdelijk verantwoorden; bovendien wordt geen melding gemaakt van de objectieve criteria die de minister ertoe gebracht hebben het voorstel van zeven dagen tuchtschorsing op veertien dagen te brengen; IX-1702-3/6 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat artikel 23 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader de minister toelaat een tuchtstraf op te leggen “wanneer de betrokken onderofficier ‘herhaalde tuchtstraffen heeft ondergaan’”, dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat rekening gehouden is met het voorstel van de korpscommandant van verzoeker, met de adviezen van de hiërarchische meerderen en met de feiten waarvoor verzoeker reeds werd bestraft; dat zij, wat laatstgenoemd motief betreft, een samenvatting geeft van het strafblad van verzoeker; dat zij voorts stelt dat de meerderen van verzoeker het voorstel van de korpscommandant gunstig geadviseerd hebben omdat zij van oordeel waren dat de feiten afbreuk deden aan de waardigheid van het ambt en dat de opgelegde tuchtstraf in de lijn van het voorstel en de adviezen ligt; dat zij besluit dat de bestreden beslissing een “omstandige en adequate motivering” bevat, dat verzoeker niet in onwetendheid gelaten is van stukken die bij de besluitvorming in aanmerking genomen zijn en dat de opgelegde straf van dezelfde aard is -met name een tijdelijke schorsing- als deze voorgesteld door de korpscommandant; 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat het voorstel om hem een tuchtstraf van zeven dagen schorsing op te leggen uitsluitend ingegeven was door zijn “algemene houding, in het bijzonder ten opzichte van vrouwelijke militairen”, dat hij in het verleden slechts één lichte straf voor zulk beweerd gedrag opgelegd gekregen heeft en dat uit niets blijkt dat de andere feiten waarvoor hij bestraft werd de waardigheid van het ambt in het gedrang zouden hebben gebracht; dat hij ook herhaalt dat de minister niet uiteenzet waarom hij het voorstel van zeven dagen tuchtschorsing verzwaart tot veertien dagen; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in het middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling; dat in dat kader onderzocht moet worden of de redenen vermeld in het bestreden besluit en die hiervoor sub 1.
- geciteerd zijn, de beslissing kunnen dragen; 2.4.
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of de minister van Landsverdediging in het bestreden besluit wel regelmatig kon verwijzen naar de adviezen van de hiërarchische meerderen van verzoeker in zoverre hij daarmee ook het advies van 3 juli 1996 van de commandant van de Divisie Gevechtssteun, IX-1702-4/6 waarvan verzoeker de inhoud niet kende, tot grondslag van zijn besluit aanwees, in ieder geval vastgesteld wordt dat in het bestreden besluit, ook al wordt er gewezen op het ernstig karakter van de feiten, niet op afdoende wijze verantwoord wordt waarom het voorstel van de korpscommandant om verzoeker gedurende zeven dagen te schorsen, dat nochtans bijgevallen was in twee adviezen van de hiërarchische meerderen van verzoeker en dat ook was overgenomen in het voorstel van de Divisie Personeel, verzwaard diende te worden tot een schorsing van veertien dagen; dat de omstandigheid dat de minister de aard van de tuchtstraf -een tijdelijke ambtsontheffing- niet gewijzigd heeft, niet tot gevolg kan hebben dat de minister geen uitleg verschuldigd zou zijn wanneer hij dergelijke tuchtstraf, door de verlenging van haar duur, verzwaart; dat het middel, wat dat betreft, gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 12 september 1996 van de minister van Landsverdediging waarbij aan Theophiel VAN LOOY de statutaire maatregel van veertien dagen tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel wordt opgelegd. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1702-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 maart 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1702-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.469 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.