← België

Arrest 168471 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.471 Rolnummer: A. 73951/IX-1737 Zaak: Arrest 168471 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 05/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-16 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:28 Fiche Arrest nr 168.471 van 5 maart 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.471 van 5 maart 2007 in de zaak A. 73.951/IX-

  1. In zake : Antoine MIGOM, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN EECKHAUT, kantoor houdende te GENT, Recollettenlei 41 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, p.a. de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Antoine MIGOM op 10 april 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 12 februari 1997 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 3 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2007; IX-1737-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. SERRUS, die loco advocaat P. VAN EECKHAUT verschijnt voor verzoeker, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Op 2 februari 1967 wordt verzoeker opgenomen in de rijkswacht. Op 26 maart 1968 wordt hij benoemd in de graad van wachtmeester. Sinds 20 oktober 1975 is hij lid van de Bewakings- en Opsporingsbrigade (hierna : de BOB) te Brugge. Op 26 maart 1980 wordt hij benoemd in de graad van eerste wachtmeester. 1.
  5. Met ingang van 26 september 1995 wordt verzoeker door de minister van Binnenlandse Zaken preventief geschorst om reden dat hij in beslag genomen drugs verduisterd en in omloop gebracht zou hebben en vertrouwelijke politionele informatie verstrekt zou hebben aan derden. 1.
  6. Op 23 februari 1996 stelt de directeur Personeel en Logistiek (hierna : de DPL) van het district Brugge een inleidend verslag op ten laste van verzoeker. Hij wordt er vooreerst van beschuldigd als lid van de BOB Brugge in beslag genomen drugs te hebben verduisterd, drugs in omloop te hebben gebracht, verschillende andere in beslag genomen zaken te hebben verduisterd en het beroepsgeheim te hebben geschonden. Het inleidend verslag stelt dat alle vermelde feiten door verzoeker bekend werden. IX-1737-2/11 1.
  7. Met een nota van 4 maart 1996 meldt de directeur-personeel van het district Brugge aan verzoekers korpscommandant dat tuchtrechtelijk een strengere straf dan een waarschuwing of blaam noodzakelijk is. Hij stelt een ambtshalve ontslag voor. 1.
  8. Op 20 maart 1996 stelt verzoekers korpscommandant een aanvullend inleidend verslag op en roept hij verzoeker op om voor hem te verschijnen. Na verzoeker gehoord te hebben, adviseert de korpscommandant met een nota van 9 mei 1996 aan de voorzitter van de onderzoeksraad verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen. In zijn motivering stelt hij dat verzoeker zich schuldig gemaakt heeft aan ernstige inbreuken tegen de tuchtwet die regelrecht in strijd zijn met de deontologie en de waarden van de rijkswacht. 1.
  9. Op 17 oktober 1996 verschijnt verzoeker voor de onderzoeksraad. Hij betwist de feiten niet, maar stelt dat er een onevenredigheid bestaat tussen de straf en de feiten. Hij vraagt om een lichtere straf voor te stellen of om hem minstens zijn pensioenrechten te laten behouden en verwijst daarvoor naar een aantal verzachtende omstandigheden, zoals het berouw dat hij betoont en het besef dat hij een fout heeft begaan, naar het feit dat er medeverantwoordelijken zijn en het een gedeelde schuld betreft, en naar zijn familiale toestand en zijn onberispelijke loopbaan. 1.
  10. Op 21 oktober 1996 brengt de onderzoeksraad het volgende advies uit : “(...)
  11. Feit A1 Als lid van de BOB BRUGGE inbeslaggenomen drugs: a. te hebben verduisterd (...) b. In omloop te hebben gebracht (...)
  12. Feit A2 Als lid van de BOB BRUGGE ook verschillende andere zaken die in beslag waren genomen n.a.v. het gerechtelijk onderzoek te hebben verduisterd (...) c. Omschrijving van de feiten
  13. Tekortkomingen aan de ambtsplichten Overwegende dat de feiten A1.a. & A1.b met eenzelfde inzicht gepleegd werden en dat het past hun omschrijving globaal te formuleren; dat Feit A2 zoals Feit A1 b. tevens een verduistering van inbeslaggenomen voorwerpen betreft Overwegende dat de uitvoeringsregels van de dienst voor de personeelsleden van de rijkswacht vastgelegd zijn bij de wet van 27 december 1973 IX-1737-3/11 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, inzonderheid bij artikel 24/3; overwegende dat van de personeelsleden van de rijkswacht verwacht wordt dat zij blijk geven van een volstrekte onpartijdigheid, onkreukbaarheid en integriteit (Charter van de waarden van de rijkswacht, Art.3); dat het rijkswachtpersoneel erop gewezen werd dat zij hun houding en gedrag, zowel in de uitoefening van hun ambt als daarbuiten, permanent moeten afstemmen op de essentiële deontologische normen en er zorg moeten voor dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dit vlak (Onderrichting van de Commandant van de Rijkswacht Nr DPB/069 DK 670 van 15 maart 1993). dat 1WM MIGOM bekleed is met de hoedanigheid van agent van bestuurlijke politie en in hoofde van deze hoedanigheid bij het vervullen van zijn opdrachten ondermeer moet toezien op de naleving van de politiewetten en verordeningen, de voorkoming van misdrijven en de bescherming van personen en goederen; dat 1WM MIGOM tevens bekleed is met de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie en in hoofde van deze hoedanigheid bij het vervullen van zijn opdrachten ondermeer tot taak heeft de misdaden, de wanbedrijven en de overtredingen op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen, daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden, de daders ervan te vatten, aan te houden en ter beschikking te stellen van de bevoegde overheid; dat het verduisteren van inbeslaggenomen voorwerpen en het onrechtmatig ter beschikking stellen van drugs niet aanvaardbaar kan zijn in hoofde van een politieambtenaar, bekleed met de hoedanigheid van agent van bestuurlijke en gerechtelijke politie; dat dergelijk gedrag fundamenteel afbreuk doet aan de vereiste ondubbelzinnigheid op het vlak van de onkreukbaarheid en de integriteit; dat, om deze redenen, het gedrag van 1 WM MIGOM strijdig is met de statutaire wet, inzonderheid : C artikel 24/2, §2 dat bepaalt dat de personeelsleden zich gedragen naar de richtlijnen die in het belang van de dienst worden gegeven C artikel 24/3 dat bepaalt dat zij ten allen tijde en in alle omstandigheden bijdragen tot de eerbiediging van de wet oordeelt de Raad, bij stemming, dat de feiten een tuchtvergrijp uitmaken.
  14. Ernst van de tuchtvergrijpen Overwegende dat de normen en verwachtingen inzake de vereiste ondubbelzinnigheid op het vlak van de onkreukbaarheid en de integriteit, waarvan sprake bij punt C.
  15. van onderhavig advies, langs talrijke kanalen ter kennis gebracht werd van de personeelsleden, inzonderheid langs de infobladen, alsook bij de voortgezette vorming; dat de Rijkswacht als nationale politiedienst een specifieke rol te vervullen heeft, meer bepaald de goede werking van de instellingen van een democratische staat, zodat de overheid de mogelijkheid moet hebben de integrale integriteit te vrijwaren van dit korps; dat het vertrouwen dat de overheid stelt in haar politieambtenaar en het vertrouwen dat de Rijkswacht naar haar klanten moet uitstralen volledig teloorgaat zo men niet blindelings en zonder twijfel op de integriteit van de personeelsleden mag vertrouwen; dat inzonderheid het verduisteren en het onrechtmatig ter beschikking stellen van inbeslaggenomen drugs van die aard is dat de voor een lid van de Rijkswacht vereiste integriteit totaal verloren ging in hoofde van 1WM MIGOM. Overwegende dat 1WM MIGOM als lid van een BOB zich bewust moest zijn van het maatschappelijk gevaar van zijn handelingen, inzonderheid voor wat de drugsverhandelingen betreft; IX-1737-4/11 oordeelt de Raad, bij stemming, dat de tuchtvergrijpen uitzonderlijk zwaarwichtig zijn. d. Voorstel tot straf Overwegende dat de zeer goede staat van dienen van 1WM MIGOM niet belet dat geoordeeld wordt dat, rekening houdend met de uitzonderlijke ernst van de feiten, alleen de zwaarste tuchtstraf in de gegeven omstandigheden als passend kan beschouwd worden; dat zelfs de door de verdediging aangehaalde problemen van omkadering, NOOIT tot gevolg kunnen hebben dat kan aanvaard of verschoond worden dat één politieambtenaar op eigen houtje drugs verduistert en ter beschikking stelt van zijn informanten; dat de persoonlijkheid van 1WM MIGOM, de gebrekkige leiding en de gebrekkige ondersteuning bij het runnen van informanten, geen afbreuk doen aan het uitzonderlijk zwaarwichtig karakter van de tuchtvergrijpen. oordeelt de Raad, bij stemming, dat een ontslag van ambtswege moet opgelegd worden.” 1.
  16. Met een brief van 4 februari 1997 verleent de minister van Justitie gunstig advies aan de minister van Binnenlandse Zaken met betrekking tot de voorgestelde disciplinaire maatregel. 1.
  17. Op 12 februari 1997 beslist de minister van Binnenlandse Zaken verzoeker de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege op te leggen. Het besluit is als volgt gesteld : “ONDERWERP : Definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege Betreft: Eerste wachtmeester MIGOM Antoine (...) (...)
  18. Ik heb kennis genomen van de feiten uiteengezet voor de onderzoeksraad en de tenlasteleggingen hiervan aan Eerste wachtmeester MIGOM. Meer bepaald : Feit 1 als lid van de BOB BRUGGE inbeslaggenomen drugs: a. te hebben verduisterd : Uit het onderzoek uitgevoerd door de BOB BRUGGE en door het Vast Comité P is gebleken dat Eerste wachtmeester MIGOM betrokken was in een actie, waarbij op 23 april 1994 twee vissersboten werden onderschept met een lading hasj aan boord, gevolgd door een bijkomende inbeslagneming in het raam van dezelfde actie hetgeen de totaal inbeslaggenomen hoeveelheid op ± 11820 kg bracht, verdeeld over 442 pakken van elk ± 25 kg. De inbeslaggenomen drugs werden opgeslagen in het district BRUGGE. Gelet op de grote hoeveelheid werd door het Parket beslist een representatief staal te nemen uit elk pak en dit te samen met twee volledige pakken neer te leggen ter griffie. De rest diende te worden overgebracht naar de afvalverbrandingsoven van de Intercommunale voor verbranding van BRUGGE en Ommeland (IVBO). Tijdens het overladen van de drugs op de vrachtwagens die de drugs naar de verbrandingsoven moesten brengen heeft Eerste wachtmeester MIGOM van de gelegenheid gebruik gemaakt om een deel van de drugs te verstoppen met het doel ze naar zijn woning te brengen. IX-1737-5/11 Gevraagd naar de motieven van zijn daad, verklaart Eerste wachtmeester MIGOM dat hij daar geen antwoord kan op geven maar dat hij met het idee speelde een bepaalde persoon te plezieren met wat verdovende middelen. b. In omloop te hebben gebracht : Na de ontvreemding heeft hij een kleine hoeveelheid hasj gegeven aan een persoon, van wie hij wist dat ze druggebruiker was. In samenspraak met deze persoon heeft hij haar dan op 25 augustus 1995 10 plaketten hasj ter beschikking gesteld met het doel deze te verkopen aan een persoon die de drugs zou kopen voor 100000 Fr om ze daarna naar Groot-Brittannië uit te voeren. Feit 2 Als lid van de BOB BRUGGE ook verschillende andere zaken die in beslag waren genomen n.a.v. het gerechtelijk onderzoek te hebben verduisterd: Uit het onderzoek dat n.a.v. deze feiten werd gevoerd is tevens gebleken dat Eerste wachtmeester MIGOM ook andere zaken, die in beslag waren genomen ingevolge gerechtelijke onderzoeken of tussenkomsten, aan hun feitelijke bestemming heeft onttrokken en deze zaken thuis heeft bewaard zoals : - 12 telefoonkaarten van PTT/TELECOM van 25 gulden - videocassette met erotische inslag - twee originele Belgische nummerplaten (DSR708 en CBC099) en een vreemde nummerplaat (5868PZ62).
  19. Tevens heb ik kennis genomen van het advies van de onderzoeksraad omtrent de omschrijving van de feiten. Ik ben, zoals de onderzoeksraad in zijn advies stelt, eveneens van oordeel dat de feiten een tuchtvergrijp uitmaken en dat die tuchtvergrijpen uitzonderlijk zwaarwichtig zijn. Ik sluit mij dan ook bij het uitgebrachte advies aan.
  20. Bijgevolg, wegens de redenen vermeld in het advies van de onderzoeksraad, leg ik Eerste wachtmeester MIGOM de definitieve ambtsontheffing door ontslag van ambtswege op. (...)” 1.
  21. Op 29 april 1997 wordt verzoeker door de correctionele rechtbank te Brugge veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan achttien maanden met uitstel gedurende een termijn van drie jaar. 2.
  22. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; dat hij betoogt dat de minister hem de zwaarst mogelijke sanctie opgelegd heeft, terwijl hij een onberispelijke staat van dienst heeft, terwijl de specifieke context van zijn verhouding met de informant en van de werking van de dienst niet uit het oog verloren mag worden en terwijl die tuchtstraf voor hem een bijkomende sanctie vormt op familiaal, op individueel- psychologisch en op sociaal-economisch vlak; dat hij van oordeel is dat er te dezen een kennelijke onevenredigheid bestaat tussen de ernst van de tuchtrechtelijke feiten en de onredelijk zware en onnodig vernederende tuchtsanctie; IX-1737-6/11 Overwegende, wat zijn onberispelijke staat van dienst betreft, dat verzoeker uiteenzet dat zijn dertigjarige loopbaan bij de rijkswacht vlekkeloos verlopen is en gekenmerkt wordt door loyauteit tegenover het korps en door “algehele voldoening in al zijn eenheden”, dat zijn chefs lovend over hem spreken, dat hij een blanco strafverleden en tot voor de feiten ook een blanco tuchtverleden heeft; dat, wat de specifieke context betreft waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld, hij stelt dat de feiten gepleegd werden met één welbepaald oogmerk, met name zijn informante iets terug te geven voor de verkregen informatie, maar dat hij niet over voldoende persoonlijkheid beschikte om zijn informante in de hand te houden, dat hij evenwel voor dit alles noch geld ontvangen heeft noch om geld gevraagd heeft en dat zonder de slordigheid in de werking van de BOB de feiten onmogelijk waren geweest; dat hij, wat de bijkomende gevolgen op familiaal, op individueel-psychologisch en op sociaal-economisch vlak betreft, stelt dat de tuchtmaatregel onredelijk en overdreven schadeverwekkend is, doordat elke bron van inkomsten nu wegvalt en hij ook geen pensioen zal verkrijgen, en dat zijn leeftijd, gekoppeld aan de huidige sociaal-economische conjunctuur, hem grote zorgen baart met het oog op het vinden van een nieuwe, geschikte job; dat hij besluit dat de Raad van State zich bij het beoordelen van de strafmaat niet in de plaats van de tuchtoverheid kan stellen, maar dat zelfs in dat geval de kennelijke disproportie tussen de gepleegde feiten en de straf vastgesteld kan worden; 2.
  23. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker de schending van het evenredigheidsbeginsel inroept zonder te verduidelijken op welke wijze de bestreden beslissing dit beginsel schendt, zodat het middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verwerende partij ten gronde antwoordt dat de onberispelijke staat van dienen niet van aard is om de bestreden beslissing als manifest onredelijk te beschouwen, aangezien van een ambtenaar verwacht mag worden dat hij een onberispelijke staat van dienen heeft; dat, wat de specifieke context betreft waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld, opgemerkt moet worden dat de richtlijnen van de minister van Justitie uitdrukkelijk vermelden op welke wijze met informanten omgegaan wordt, dat verzoeker manifest die richtlijn geschonden heeft, dat hij zeker niet in het belang van de dienst gehandeld heeft en dat het niet ontvangen van geld geen afbreuk doet aan de tuchtrechtelijke inbreuk; dat, wat de bijkomende gevolgen op familiaal, op individueel-psychologisch en op sociaal-economisch vlak betreft, dient opgemerkt dat de Raad van State zich bij de IX-1737-7/11 beoordeling van de bestreden beslissing niet in de plaats van de overheid mag stellen, dat het opleggen van de zwaarst mogelijke tuchtstraf, waarbij de band tussen de partijen volledig en definitief verbroken wordt, enkel verantwoord is wanneer de overheid oordeelt dat het verder in dienst houden van het personeelslid onmogelijk is, dat, afgezien van het feit dat de volledige hiërarchische keten, met inbegrip van de divergent samengestelde onderzoeksraad, de tuchtvergrijpen als uitzonderlijk zwaarwichtig beoordeelt, verzoeker onmiddellijk in opdracht van de procureur des Konings te Brugge aangehouden werd, en de minister van Binnenlandse Zaken hem een tijdelijke ambtsontheffing door schorsing bij ordemaatregel opgelegd heeft, hetgeen duidelijk wijst op een fundamenteel verlies aan vertrouwen vanwege de autoriteiten, zeker gezien de ruime publiciteit die de zaak gekregen heeft, dat bij de bepaling van de strafmaat niet alleen rekening gehouden moet worden met de persoonlijke situatie van de ambtenaar, maar ook met de verstoring van de goede werking van de dienst, met de verbroken vertrouwensrelatie tussen de overheid en haar ambtenaar en met het vertrouwen dat de rijkswacht naar haar klanten moet uitstralen; dat de onderzoeksraad zich overigens met eenparigheid van stemmen heeft uitgesproken over de “ernst van het tuchtvergrijp”, en ook de correctionele rechtbank bij de veroordeling van verzoeker gesteld heeft dat een strenge straf zich opdrong; 2.
  24. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat de tuchtstraf in een redelijke verhouding moet staan tot de in aanmerking genomen fout, dat zij verantwoord moet zijn en niet van willekeur mag doen blijken en dat de Raad van State een kennelijk in wanverhouding tot de fout staande straf als onwettig kan beschouwen wanneer het in redelijkheid ondenkbaar is dat de overheid ze voor die fout zou opleggen; dat hij van oordeel is dat de feiten een disciplinaire sanctie rechtvaardigen, maar dat de zwaarste sanctie, die hem opgelegd werd overdreven is, zeker gezien de context waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld; dat hij in dat verband er nog op wijst dat de correctionele rechtbank het grootste deel van zijn straf, met name 18 maanden van de twee jaar gevangenisstraf, met uitstel opgelegd heeft; 2.
  25. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de zeer ernstige omstandigheden van de inbreuk erkent, maar dat hij ook stelt dat de straf hem in zijn pensioenrechten treft, waarvoor hij gedurende dertig jaar betaald heeft, en dat het kennelijk onevenredig is hem nu ook nog zijn pensioen af te nemen, terwijl hij gedurende drie decennia ten voordele van de Staat goed gepresteerd IX-1737-8/11 heeft; 2.
  26. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift op afdoende en op duidelijke wijze de schending aanvoert van het beginsel dat een tuchtstraf aangepast moet zijn aan de ernst van de gepleegde feiten en aan de verstoring die zij binnen de dienst teweeggebracht hebben; dat het middel ontvankelijk is; Overwegende dat de Raad van State zich bij de beoordeling van de bestreden beslissing niet in de plaats van de overheid mag stellen, maar dat hij enkel bevoegd is om na te gaan of de overheid niet kennelijk onredelijk gehandeld heeft; dat verzoeker de hem ten laste gelegde feiten -met name als lid van de BOB in beslag genomen drugs verduisterd en in omloop gebracht te hebben en ook andere naar aanleiding van het gerechtelijk onderzoek in beslag genomen goederen verduisterd te hebben-, bekend heeft en dat die feiten zowel door zijn hiërarchisch meerderen als door de onderzoeksraad unaniem “ernstig” of “uitzonderlijk zwaarwichtig” bevonden zijn; dat dergelijke feiten gepleegd door een lid van de rijkswacht, uitzonderlijk ernstig zijn; dat de verwerende partij terecht van oordeel kon zijn dat wegens deze feiten de vertrouwensrelatie met verzoeker verbroken was; dat de omstandigheid dat binnen de onderzoeksraad uiteenlopende meningen bestonden over de gepastheid van de tuchtsanctie -vier leden stemden voor en één lid tegen het ontslag van ambtswege- er enkel op wijst dat het ambtshalve ontslag zich niet evident opdrong, maar niet dat het zich evident niet opdrong; dat de omstandigheid dat verzoeker kan verwijzen naar een onberispelijke staat van dienst, aan de feiten hun bijzonder ernstig karakter niet ontneemt; dat, wat de specifieke context betreft waarbinnen de feiten zich hebben afgespeeld, verzoeker tijdens het verhoor op 6 september 1995 door de leden van de dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten verklaard heeft dat zijn handelwijze “volledig verkeerd” was, dat niet wordt ingezien hoe verzoeker het belang van de dienst voor ogen gehad kan hebben toen hij in beslag genomen drugs verduisterde en in omloop bracht en andere in beslag genomen goederen achterhield, dat zijn verwijzing naar zijn eigen gebrek aan persoonlijkheid irrelevant is, dat verzoeker de op één na grootste anciënniteit bezat in de functie die hij bekleedde, dat hij in leeftijd de op één na oudste was van de BOB te Brugge en over bijna twintig jaar ervaring bij de BOB beschikte zodat hij een voorbeeldfunctie had voor zijn jongere collega’s, dat de verwerende partij terecht opmerkt dat het niet ontvangen van geld geen afbreuk doet aan de tuchtrechtelijke inbreuk en dat het wel ontvangen van geld die inbreuk nog ernstiger zou hebben gemaakt; dat, wat de zogenaamde slordigheid IX-1737-9/11 in de werking van de BOB betreft, het tot de persoonlijke verantwoordelijkheid behoort van ieder individuele rijkswachter om zijn politionele opdracht op de meest integere wijze uit te oefenen en dat de verwerende partij er terecht op wijst dat verzoeker geen deel uitmaakte van de cel die zich bezig hield met de informanten, maar dat hij zelf gevraagd had om zich persoonlijk bezig te houden met de betrokken informante; dat, wat de gevolgen op familiaal, op individueel- psychologisch en op sociaal-economisch vlak betreft, de verwerende partij terecht kon oordelen dat het in aanmerking nemen van deze gevolgen moet wijken voor de overweging dat het verder in dienst houden van verzoeker niet meer mogelijk is, dat ook de strafrechter geoordeeld heeft dat verzoeker “uitermate zware feiten” gepleegd heeft, dat het wegvallen van elke bron van inkomsten, het verlies van pensioenrechten en de problematiek van het vinden van een nieuwe job weliswaar ernstige nadelen zijn, maar dat dit nog niet betekent dat er een kennelijke wanverhouding zou bestaan tussen de feiten en de bestreden beslissing; dat de kennelijke oneven-redigheid ook niet bewezen wordt door het loutere feit dat de verwerende partij een lichtere tuchtstraf kon opleggen, noch door het feit dat verzoeker gedurende dertig jaar onberispelijk binnen de rijkswacht gefunctioneerd heeft; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken, door zich aan te sluiten bij het gemotiveerd advies van de onderzoeksraad en na een afweging gemaakt te hebben van de specifieke context waarbinnen de feiten zich afgespeeld hebben, van de persoonlijke toestand van verzoeker en van het belang van de dienst, de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet overschreden heeft door aan verzoeker de zwaarst mogelijke tuchtsanctie op te leggen; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-1737-10/11 IX-1737-11/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 maart 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1737-12/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.471 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.