id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.474 Rolnummer: A. 178416/VII-37704 Zaak: Arrest 168474 - Energie - 05/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-12 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:28 Fiche Arrest nr 168.474 van 5 maart 2007 Economische zaken - Energie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.474 van 5 maart 2007 in de zaak A. 178.416/IX-5458. In zake : 1. de NV DISTRIGAS, 2. de CVA DISTRIGAS & C/, die woonplaats kiezen bij advocaten P. PEETERS en Th. VERSTRAETEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/6 tegen : de Commissie voor de Regulering van de Electriciteit en het Gas (CREG), die woonplaats kiest bij advocaten B. MARTENS en M. SCHURMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 106. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV DISTRIGAS en de CVA DISTRIGAS en C/ op 10 november 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de CREG van 14 september 2006 met inbegrip van de aangehechte analyses, zijnde ‘Analyse van de rol van Distrigas & CO/ inzake aardgasdoorvoer ten aanzien van de contracten van 1998 en 2000 tussen Fluxys (het vroegere Distrigas) en Distrigas & C/’ en ‘Toegang tot de hub van Zeebrugge: analyse van de toestand’ evenals van de nagezonden Studie (F)061019-CDC-572 van 19 oktober 2006 over de overdracht van transitactiviteiten van Distrigas & C/aan Fluxys”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5458-1/12 Gelet op de beschikking van 17 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 februari 2007 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaten P. PEETERS en Th. VERSTRAETEN, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en van advocaat M. SCHURMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.1. Overwegende dat voor de onderhavige betwisting het volgend reglementair kader van belang is : 1.1.1. De Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (de CREG) is overeenkomstig artikel 15/14, § 2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (hierna: de gaswet), ingevoegd bij artikel 15 van de wet van 29 april 1999, belast, enerzijds met een raadgevende taak ten behoeve van de overheid inzake de organisatie en de werking van de aardgasmarkt en anderzijds met een taak van toezicht en controle op de toepassing van de betreffende wetten en reglementen. Laatstgenoemde taak is nader bepaald in het tweede lid van artikel 15/14, § 2, van de gaswet. 1.1.2. Naast deze bijzondere opdrachten, die in een aantal gevallen het treffen van eenzijdige beslissingen impliceert, bepaalt artikel 20/2 van de gaswet - bepaling opgenomen in het hoofdstuk “sancties” : “Art. 20/2. Onverminderd de andere door deze wet voorziene maatregelen, kan de Commissie elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van specifieke bepalingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan binnen de termijn bepaald door de Commissie. Indien deze persoon bij het verstrijken van de termijn in gebreke blijft, kan de Commissie, op voorwaarde dat de persoon werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, een administratieve geldboete opleggen. De geldboete mag, per kalenderdag, niet lager zijn dan vijftigduizend frank, noch hoger zijn dan vier IX-5458-2/12 miljoen frank, noch, in totaal, hoger zijn dan tachtig miljoen frank of 3 procent van de omzet die de betrokken persoon heeft gerealiseerd op de nationale aardgasmarkt tijdens de laatste afgesloten boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is. De geldboete wordt ten gunste van de Schatkist geïnd door de administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, der registratie en domeinen.” Deze bepaling is door de wet van 29 april 1999 in de gaswet ingevoegd naar analogie met de wijziging aan artikel 31 van de wet houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, waarmee beoogd werd de CREG “de bevoegdheid (te verlenen) om administratieve boetes op te leggen na een aanmaning waaraan geen gevolg werd gegeven”, zulks naar het voorbeeld van artikel 103 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen (Parl. St. Kamer, doc. 2025/1-98/99, p. 20, ad art. 22 wat de gaswet betreft; Parl. St. Kamer, doc. 1933/1 -98/99, p. 28 ad art. 31 wat de elektriciteitswet betreft). 1.1.3.1. Met de wet van 27 juli 2005 tot organisatie van de mogelijkheden tot beroep tegen de beslissingen genomen door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, is in de gaswet een hoofdstuk IV-septies ingevoegd, waarbij de voorheen bestaande beroepsmogelijkheden tegen beslissingen van de CREG worden gewijzigd, in die zin dat voor een aantal met name genoemde beslissingen een beroepsmogelijkheid ingevoerd wordt bij het hof van beroep te Brussel en dat voor een aantal andere beslissingen beroep mogelijk wordt gemaakt bij de Raad voor de Mededinging. Blijkens de parlementaire voorbereiding van deze wet was vastgesteld dat de tot dan bestaande situatie van “het gemeenrecht”, “niet meer aangepast (was) aan de huidige praktijk die onder meer blijkt in andere sectoren van het recht” en drong een nieuwe regeling zich op “omwille van de nood voor efficiëntie en de snelheid van uitspraak die noodzakelijkerwijze verbonden is aan de energiesector” (Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer, Doc. 51 1895/001, p. 4 en 6). Het was volgens de wetgever ook gebleken dat “de Raad van State tot op heden niet de best uitgeruste instelling (
- is)om het hoofd te bieden aan beroepen tegen beslissingen van de CREG, rekening houdend enerzijds met het specifiek karakter van de beoogde materie en de termijnen eigen aan de procedure voor de hoge administratieve instelling” en anderzijds met de omstandigheid dat de procedure bij de Raad van State, wegens de bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke orde om over subjectieve rechten uitspraak te doen en het feit dat die problemen in de energiemarkt niet gemakkelijk opgelost kunnen worden, “in de IX-5458-3/12 huidige stand van teksten” uitmondt in positieve en negatieve bevoegdheidsgeschil- len (loc. cit., p. 8). Naar analogie met de gewijzigde wetgeving in de sectoren van de financiën en de telecommunicatie en vanuit de behoefte om ten aanzien van de beslissingen van de CREG over “een effectief beroep” te beschikken, heeft de wetgever daarom “geschillen met betrekking tot een groot deel van de beslissingen van de CREG over de gas- en elektriciteitsmarkt” onder de bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel gebracht en heeft hij de geschillen met betrekking tot beslissingen “die nauw verbonden zijn met de bescherming van de economische mededinging binnen de markt” aan de Raad voor de Mededinging toevertrouwd (loc. cit., p. 9). In het kader van deze nieuwe geschillenregeling heeft de wet van 27 juli 2005, met het nieuwe artikel 15/20, 7/ van de gaswet, het hof van beroep te Brussel bevoegd gemaakt voor beroepen tegen beslissingen van de CREG “genomen met toepassing van artikel 20/2 betreffende de administratieve boeten”. 1.1.3.2. Laatstgenoemde bepaling is door artikel 126 van de wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen, verfijnd tot beslissingen “genomen met toepassing van artikel 20/2 om een administratieve boete op te leggen”. Blijkens de parlementaire voorbereiding van deze wetswijziging zou de oorspronkelijke bepaling “kunnen betekenen dat het niet alleen gaat over de beslissingen van de CREG om een administratieve boete op te leggen maar ook over de beslissingen waardoor de CREG de overtreder belast zich te schikken naar een wettelijke of reglementaire bepaling (ingebrekestellingen), hetgeen mutatis mutandis strijdig zou zijn met de rechtspraak van de Raad van State die ervan uitgaat dat dergelijke soort beslissingen geen handeling is waartegen beroep mogelijk is. Bijgevolg wordt voorgesteld de draagwijdte van het beroep te beperken tot de beslissingen van de CREG om een administratieve geldboete op te leggen.” (Parl. St. Kamer, Doc. 51 2518/001, p. 89-90; zie ook Doc. 51 2518/027, p. 18). 1.2.1. Op 1 oktober 1998 sluiten de verzoekende partijen, de NV DISTRIGAS -thans FLUXYS- en de cva DISTRIGAS & C/, opgericht op 29 september 1998, een overeenkomst “Agreement related to transit services through the Belgian transit System” (het VTN-contract genaamd). Op 10 januari 2000 sluiten dezelfde partijen een overeenkomst “Agreement related to transit IX-5458-4/12 services through the Belgian transit System between ZPT and Blaregnies” (het TROLL-contract genaamd). 1.2.2. Met een brief van 15 juni 2006 deelt de CREG aan de tweede verzoekende partij mee dat een onderzoek werd ingesteld naar de rol van DISTRIGAS & C/ op de gasmarkt in het licht van het VTN- en het TROLL- contract. Met toepassing van artikel 20/2 van de gaswet (“En application de l’article 20/2 de la loi du 12 avril 1965 ...”), wordt de tweede verzoekende partij gevraagd om binnen de kortst mogelijke termijn in overleg met FLUXYS een einde te stellen aan de vastgestelde onwettigheden en de contracten te beëindigen, aangezien enkel de NV FLUXYS officieel als vervoersnetbeheerder aangewezen is en die rol niet overgedragen kan worden aan de cva DISTRIGAS & C/. Uit het antwoord van 30 juni 2006 van de eerste verzoekende partij en uit de nagevolgde briefwisseling blijkt dat de verzoekende partijen in eerste instantie betwisten dat zij onwettigheden zouden begaan. Met een brief van 20 juli 2006 komt de verwerende partij terug op de zaak. Er wordt gevraagd dat de tweede verzoekende partij geen doorvoercontracten meer zou sluiten vanaf 1 oktober 2006 en dat zij met de NV FLUXYS de nodige amendementen zou redigeren opdat de NV FLUXYS vanaf die datum zelf de contracten zou kunnen afsluiten. Voorts wordt nu ook een analyse gegeven van de door de verzoekende partijen uitgewerkte regeling aangaande de toegang tot de “hub” van Zeebrugge, die volgens de verwerende partij niet voldoet aan de regelgeving. Gevraagd wordt om de onregelmatige situatie te beëindigen tegen 31 december 2006. 1.2.3.1. Op 14 september 2006 zendt de verwerende partij aan de verzoekende partijen een brief met volgende inhoud : “Hierbij verwijzen wij naar onze briefwisseling van 15 juni, 30 juni, 20 juli, 7 augustus en 1 september 2006 en inzonderheid naar de analyse van de rol van de CVA distrigas & C/ op de markt van de gasdoorvoer in België en op de markt van het gasvervoer van en naar de hub van Zeebrugge te aanzien van de contracten van 1 oktober 1998 (hierna : het contract van 1998) en van 10 januari 2000 (hierna : het contract van 2000), gesloten tussen laatstgenoemde en de vroegere NV DISTRIGAS (vandaag de NV FLUXYS). Door de contracten van 1998 en 2000 heeft de vroegere NV DISTRIGAS het geheel van haar rechten en plichten die voortvloeien uit de doorvoer- contracten, die ze met shippers heeft afgesloten op de leidingen Troll en VTN, overgedragen aan de CVA DISTRIGAS & C/. Door diezelfde contracten verleent de vroegere NV DISTRIGAS de CVA DISTRIGAS & C/ het recht om IX-5458-5/12 zelf alle latere doorvoercontracten met de shippers te sluiten. Door de contracten van 1998 en 2000 verbindt de vroegere NV DISTRIGAS zich verder tegenover de CVA DISTRIGAS & C/ ertoe om haar alle noodzakelijke operationele diensten te verstrekken voor de uitvoering van de doorvoer- contracten overgedragen aan of gesloten door de CVA DISTRIGAS & C/ met de shippers. Volgens de verklaringen van de NV FLUXYS en de CVA DISTRIGAS & C/ zou deze laatste op de primaire markt de capaciteit op beide leidingen verworven hebben krachtens de contracten van 1998 en 2000, en zouden deze contracten doorvoercontracten zijn, gesloten overeenkomstig artikel 3, § 1, van richtlijn 91/296/EG (hierna : doorvoerrichtlijn), die genieten van de uitzondering bepaald in artikel 32, § 1, van richtlijn 2003/55/EG (hierna : gasrichtlijn). De CVA DISTRIGAS & C/ zou dan de doorvoer op de secundaire markt commercialiseren. Volgens de analyse van de CREG, (...), kunnen de contracten van 1998 en 2000 niet beschouwd worden als doorvoercontracten in de zin van artikel 3, § 1, van de doorvoerrichtlijn, noch zelfs als vervoerscontracten in de zin van de sectorale wetgeving. (...). Deze door de contracten van 1998 en 2000 gecreërde toestand is strijdig met artikelen 8 en 8/1 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen (hierna : gaswet) volgens dewelke slechts één enkel onderneming officieel kan benoemd worden als VNB voor de uitoefening van de functies die haar wettelijk toegekend worden : in dit geval de NV FLUXYS. De toestand die voortvloeit uit de twee contracten is tevens strijdig met artikelen 8/2 tot 8/5 van de gaswet voor zover de CVA DISTRIGAS & C/ niet voldoet aan de erin vermelde onafhankelijkheidsvoorwaarden. Verder zouden, volgens de NV FLUXYS en de CVA DISTRIGAS & C/, de contracten van 1998 en 2000 de CVA DISTRIGAS & C/ tevens het recht verlenen om vervoerscontracten van en naar de hub van Zeebrugge met de shippers te sluiten (in de plaats van de NV FLUXYS). Volgens de analyse van de CREG, (...) is het feit dat de CVA DISTRIGAS & C/ tegenpartij is in dergelijke contracten in strijd met artikelen 8 en 8/1, en 8/2 tot 8/5 van de gaswet en dit om dezelfde redenen als de eerder aangehaalde. (...) Bijgevolg beslist de CREG hierbij haar conclusies te bevestigen inzake de rol van de CVA DISTRIGAS & C/ ten aanzien van haar contracten van 1 oktober 1998 en van 10 januari 2000, op de markt van de gasdoorvoer in België en op de markt van het gasvervoer van en naar de hub van Zeebrugge, evenals haar conclusies inzake het reglementaire kader dat van toepassing is op het gasvervoer van en naar de hub van Zeebrugge, alsook van haar conclusies inzake de contracten gesloten door de CVA DISTRIGAS & C/ en die de shippers toegang verlenen tot de hub van Zeebrugge. Met toepassing van artikel 20/2 van de gaswet, maant de CREG de CVA DISTRIGAS & C/ aan zich te conformeren aan artikelen 8, 8/1, 8/2, 8/3, 8/4 en 8/5, van dezelfde wet door uiterlijk tegen 31 december 2006 een einde te stellen aan de contracten van 1998 en 2000 en door tegen dezelfde datum de NV FLUXYS alle contracten over te dragen die tot op heden met netgebruikers werden gesloten, evenals alle contracten die door de CVA DISTRIGAS & C/ met netgebruikers zullen gesloten worden alvorens een einde wordt gesteld aan de contracten van 1998 en 2000. De over te dragen contracten die door deze aanmaning worden beoogd zijn die welke naar de CVA DISTRIGAS & C/ werden overgedragen met toepassing van artikel 41 van de contracten van 1998 en 2000, evenals de contracten gesloten met toepassing van artikel 43 van het contract van 1998 en/of het contract van 2000 en die op heden nog niet vervallen zijn. IX-5458-6/12 De CREG herinnert u eraan dat ze, met toepassing van artikel 20/2 van de voornoemde gaswet, elke in België gevestigde natuurlijke of rechtspersoon kan verplichten de bepalingen van de gaswet na te leven, op straffe van een administratieve geldboete in de veronderstelling dat u, bij het verstrijken van de voornoemde termijn die u werd toegekend, in gebreke zou blijven, zal de CREG u oproepen voor een hoorzitting, na afloop waarvan ze de mogelijkheid zal hebben u een administratieve geldboete op te leggen. Overeenkomstig artikel 20/2 van de gaswet mag deze geldboete, per kalenderdag, niet lager zijn dan 1.239,47 EUR (vijftigduizend frank) noch hoger zijn dan 99.157,41 EUR (vier miljoen frank) noch, in totaal, hoger zijn dan 1.983.148,20 EUR (tachtig miljoen frank) of 3 procent van de omzet die de betrokken persoon heeft gerealiseerd op de nationale aardgasmarkt tijdens het laatste afgesloten boekjaar, indien dit laatste bedrag hoger is. De CREG beslist dat de CVA DISTRIGAS & C/ haar binnen de 5 werkdagen volgend op de sluiting ervan een kopie moet bezorgen : - van elk doorvoer- of vervoerscontract of van elk aanhangsel aan een bestaand of toekomstig doorvoer- of vervoerscontract, dat u zou gesloten hebben sinds uw laatste brief aan de CREG, daterend van 18 augustus 2006, of dat zou afgesloten worden of zijn vanaf nu tot het ogenblik dat er een einde wordt gesteld aan de contracten van 1998 en 2000; - van elk contract of contractueel amendement dat met de NV FLUXYS zou afgesloten worden of zijn en dat de bewoordingen zou wijzigen of een weerslag zou hebben op de uitvoering van contracten van 1998 en 2000 vooraleer hieraan een einde gesteld wordt Verder wil de CREG u ervan in kennis stellen dat ze een gelijkaardige aanmaningsbrief naar de NV FLUXYS heeft verstuurd Wij verzoeken u de CREG regelmatig op de hoogte te houden van de maatregelen die u overweegt te nemen om aan de hierboven gestelde eisen te voldoen, (...). Bovendien vestigen wij uw aandacht op het feit dat de u toegekende termijn om u aan de gaswet te conformeren zodanig werd geraamd dat het u mogelijk is alle nodige voorbereidingen te treffen om een einde te stellen aan de vast- gestelde onwetmatigheden. Niettemin bent u van nu af aan in kennis gesteld van de aan de kaak gestelde onwettigheden. Wij verzoeken u bijgevolg om, van bij de ontvangst van deze brief, geen doorvoer- of vervoerscontracten meer af te sluiten die vervallen na 31 december 2006. De CREG waarschuwt u alvast dat, in de veronderstelling dat u niet op deze laatste eis zou ingaan, zij alles in het werk zal stellen om sancties te treffen tegen de eventuele doorvoer- en vervoerscontracten die u vanaf de ontvangst van dit schrijven nog zou sluiten en die gevolg zouden hebben na 31 december 2006. (...) De CREG meent dat de markt het recht heeft te weten wie de VNB’s zijn en waar de primaire markt ophoudt. De resultaten van haar analyse moeten door het publiek gekend, te meer daar de NV FLUXYS en DISTRIGAS beurs- genoteerd zijn en dat een asymmetrie bij de informatie van de aandeelhouders een verstoring van de financiële markt zou vormen. Met inachtneming van de vertrouwelijkheid, beveelt de CREG de grootst mogelijke transparantie aan wat de marktwerking en haar evolutie betreft. De CREG is dus voornemens de markt in te lichten over de voornaamste besluiten van haar analyses en over het feit dat ze de CVA DISTRIGAS & C/ en de NV FLUXYS heeft aangemaand zich uiterlijk tegen 31 december 2006 te conformeren aan het wettelijke en reglementaire kader. Dit schrijven geldt onverminderd elke maatregel die door de CREG zou kunnen genomen worden in verband met de doorvoercontracten gesloten door of overgedragen aan de CVA DISTRIGAS & C/ krachtens de contracten van 1998 en 2000. De CREG zal zich de komende weken onder andere bezighouden IX-5458-7/12 met de vraag welk wettelijk en reglementair kader van toepassing moet zijn op de contracten die rechtstreeks door de CVA DISTRIGAS & C/ werden gesloten met de netgebruikers, evenals met de vraag aangaande de geldigheid van de contracten die door de CVA DISTRIGAS & C/ werden gesloten toen ze reeds onwettig als VNB handelde, alsook aangaande de geldigheid van sommige contractclausules, meer bepaald die met betrekking tot de verlenging van de langlopende contracten. (...) Wat betreft de bewering van de CVA DISTRIGAS & C/ als zouden de inlichtingen vervat in haar brief van 1 september 2006 vertrouwelijk zijn, stelt de CREG vast dat deze geen enkele verduidelijking noch verantwoording bevatten die deze bewering kan staven. (...) Gezien het gebrek aan verantwoording vanwege de CVA DISTRIGAS & C/ in haar voornoemde brief, kent de CREG u een termijn van 10 werkdagen vanaf de ontvangst van de onderhavige brief toe om een gegrond verzoek tot vertrouwelijkheid in te dienen. Dit houdt in dat de CVA DISTRIGAS & C/ duidelijk aangeeft welke elementen van haar brief als vertrouwelijk dienen beschouwd te worden en wat de precieze redenen zijn waarom elk van deze elementen als dusdanig beschouwd dient te worden. De CREG verzoekt u u daarbij te laten leiden door de indicatoren aangegeven in haar voornoemde mededeling. Wij hopen dat u de CREG niet zal verplichten haar toevlucht te nemen tot de voornoemde sancties.” 1.2.3.2. Met een brief van 26 oktober 2006 geeft de verwerende partij aan de verzoekende partijen kennis van “de studie van het directiecomité (...) betreffende de overdracht van de doorvoeractiviteiten van DISTRIGAS & C/ naar FLUXYS”. Gevraagd wordt mede te delen welke gegevens ervan als vertrouwelijk worden aanzien met het oog op de publicatie van de studie op de website van de verwerende partij. 1.2.4. De mededelingen vervat in de brieven van 14 september 2006 en van 26 oktober 2006 vormen het voorwerp van de onderhavige vordering. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij een aantal excepties aanvoert; dat zij, wat de eerste bestreden beslissing -de brief van 14 september 2006- betreft, onder meer betoogt dat het slechts gaat om een aanmaning; dat zij te dien aanzien uiteenzet wat volgt: met toepassing van artikel 20/2 van de gaswet wordt aan de verzoekende partijen gevraagd om zich te conformeren aan de artikelen 8, 8/1, 8/2, 8/3, 8/4 en 8/5 van de gaswet door uiterlijk tegen 31 december 2006 een einde te stellen aan de contracten van 1998 en 2000 die zij met elkaar gesloten hebben en door tegen die datum alle contracten met netgebruikers aan de NV FLUXYS over te dragen en voorts worden de verzoekende partijen eraan herinnerd dat het in gebreke blijven zal leiden tot een hoorzitting, waarna een administratieve geldboete opgelegd zal kunnen worden; de aanmaning om binnen een welbepaalde termijn de wetgeving na te leven is een voorafgaande maatregel in IX-5458-8/12 het kader van het opleggen van een administratiefrechtelijke sanctie; de omstandigheid dat met de beslissing geen administratieve geldboete opgelegd wordt en dat zij derhalve niet valt onder de aangelegenheden waarvoor artikel 15/20 van de gaswet - in het bijzonder het punt 7/- het hof van beroep te Brussel bevoegd gemaakt heeft, betekent niet dat zij onder de algemene annulatiebevoegdheid van de Raad van State valt, aangezien zij als een voorbereidend besluit in het kader van het opleggen van een administratieve geldboete betrokken kan worden bij het geding over de administratieve geldboete waarvoor het hof van beroep te Brussel bevoegd gemaakt is en aangezien een voorbereidende maatregel niet door de Raad van State vernietigd kan worden; Overwegende dat de verwerende partij, wat de tweede bestreden beslissing betreft -vervat in de brief van 19 oktober 2006- stelt dat het niet gaat om een administratieve rechtshandeling, aangezien er slecht kennis wordt gegeven van een studie, die overigens ook geen bijlage vormt bij de brief van 14 september 2006; 2.2. Overwegende dat de raadsman van de verzoekende partijen ter terechtzitting nog betoogt dat de brief van 14 september 2006 wel degelijk een uitvoerbare administratieve rechtshandeling vormt die rechtstoestanden beoogt te wijzigen, met name doordat de tweede verzoekende partij erdoor verplicht wordt een einde te stellen aan afgesloten contracten en de eerste verzoekende partij erdoor verplicht wordt zelf als vervoersnetbeheerder op te treden, welke verplichtingen op zich -ongeacht de omstandigheden dat daar ook een administratieve geldboete kan op volgen- nadelige gevolgen hebben voor de verzoekende partijen; dat hij ook nog aanstipt dat de verwerende partij de zogenaamde aanmaning van 14 september 2006 toch als een echte beslissing op haar website bekendgemaakt heeft en dat er na de aan artikel 15/20, 7/ van de gaswet gebrachte wijziging, geen twijfel meer over kan bestaan dat de bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel nog alleen betrekking heeft op de beslissing om een administratieve boete op te leggen wat dan betekent dat de algemene annulatiebevoegdheid van de Raad van State ten aanzien van andere administratieve beslissingen onverkort blijft bestaan; 2.3.1. Overwegende dat de wet van 27 juli 2005 tot organisatie van de mogelijkheden tot beroep tegen de beslissingen genomen door de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas voorzien heeft in een bijzondere beroepsmogelijkheid tegen een aantal beslissingen van de CREG, hetzij bij het hof van beroep te Brussel, hetzij bij de Raad voor de Mededinging; dat blijkens het opzet van de regering, zoals hiervoor sub 1.1.3.1. aangehaald, de bijzondere IX-5458-9/12 bevoegdheidstoewijzing aan het hof van beroep te Brussel geïnspireerd was door de vaststelling dat de beroepsmogelijkheden van gemeen recht -inzonderheid het beroep bij de Raad van State- geen “effectief beroep” vormde, terwijl de Raad voor de Mededinging als de geëigende instantie werd gezien om geschillen te beslechten met betrekking tot een aantal beslissingen die verband houden met de economische mededinging; dat aldus, daargelaten de vraag of de wetgever daarmee globaal genomen niet alle beslissingen die de CREG als administratieve overheid eenzijdig kan treffen aan het algemeen vernietigingstoezicht van de Raad van State onttrokken heeft, hij in ieder geval de beslissingen die hun rechtsgrond vinden in de in artikel 15/20 van de gaswet vermelde bepalingen, uitgesloten heeft van de algemene vernietigingsbevoegdheid die de Raad van State overeenkomstig artikel 14 van zijn gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 bezit; 2.3.2. Overwegende dat, overeenkomstig artikel 15/20, §1, 7/, van de gaswet, het hof van beroep te Brussel bevoegd is voor de betwistingen over beslissingen genomen met toepassing van artikel 20/2 van de gaswet; dat artikel 20/2 van de gaswet, naar blijkt uit de sub 1.1.2. aangehaalde parlementaire voorbereiding, specifiek betrekking heeft op het opleggen van een administratieve boete; dat die bepaling aldus één geheel vormt, wat betekent de aan de CREG geboden mogelijkheid om aan ondernemingen bepaalde verplichtingen op te leggen -die beantwoorden aan een bepaalde interpretatie van de reglementering door de CREG- tot dat kader en die finaliteit beperkt is en er, daarbuiten, geen enkel ander rechtsgevolg mag aan gehecht worden; dat de verzoekende partijen ten onrechte stellen dat de verplichting waarnaar de wet verwijst, op zich, andere rechtsgevolgen tot stand brengt die hen een nadeel berokkenen en die daarom van de bestreden beslissing een vernietigbare handeling maken in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat de bestreden beslissing, die uitdrukkelijk verwijst naar artikel 20/2 van de gaswet, neerkomt op de vaststelling door de wettelijk bevoegde overheid, dat de verzoekende partijen volgens haar een inbreuk op de bestaande wetgeving plegen en op de mededeling van de wijze waarop die onregelmatigheden kunnen hersteld worden, willen de verzoekende partijen alsnog een administratieve boete ontlopen; dat dergelijke beslissing louter voorbereidend is ten aanzien van de beslissing waarbij een administratieve boete wordt opgelegd; Overwegende dat de omstandigheid dat de verwerende partij de brief van 14 september 2006 als een beslissing op haar website bekendgemaakt zou IX-5458-10/12 hebben, het bewijs niet bevat dat de verwerende partij er specifieke rechtsgevolgen, die geen verband houden met het opleggen van een administratieve boete, aan verbindt; 2.3.3. Overwegende dat de verzoekende partijen een argument vinden in de wijziging van artikel 15/20, 7/, van de gaswet, doordat de oorspronkelijke verwijzing naar beslissingen genomen met toepassing van artikel 20/2 “betreffende de administratieve boeten” beperkt is tot de beslissingen genomen met toepassing van artikel 20/2 “om een administratieve boete op te leggen”; dat gewis bij een eerste lezing van deze wetswijziging de indruk kan ontstaan dat de wetgever de bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel ingeperkt heeft tot de uitsluitende eindbeslissing waarbij de administratieve boete wordt opgelegd; dat evenwel uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2006, hiervoor sub 1.1.3.2. geciteerd, duidelijk blijkt dat de wetgever niet wenste te raken aan de bevoegdheid van het hof van beroep met betrekking tot de beslissingen genomen overeenkomstig artikel 20/2, maar dat hij enkel wou verduidelijken dat het hof van beroep zich, naar analogie met de rechtspraak van de Raad van State, niet hoefde in te laten met beslissingen die een voorbereidend karakter hebben; dat de verzoekende partijen dan ook ten onrechte uit de wetswijziging menen te kunnen afleiden dat de formele inperking van de bevoegdheid van het hof van beroep inhoudt dat de Raad van State bevoegd wordt voor betwistingen met betrekking tot beslissingen die geen ander rechtsgevolg hebben dan het opleggen van een administratieve geldboete voor te bereiden; 2.4. Overwegende dat de beslissing van de CREG waarbij de verzoekende partijen verplicht worden om, op gevaar af een procedure voor het opleggen van een administratieve geldboete tegen zich opgestart te zien, een bepaalde gedraging, die de CREG als een inbreuk op de bestaande regelgeving beschouwt, te beëindigen, de eerste stap vormt in het besluitvormingsproces dat leidt tot het opleggen van een administratieve boete; dat, binnen het geschetste wettelijk kader, deze beslissing geen andere rechtsgevolgen heeft; dat het hof van beroep te Brussel bevoegd is om betwistingen over eindbeslissingen inzake administratieve boetes in het kader van de gaswet te beslechten; dat de Raad van State, die te dien aanzien geen enkele bevoegdheid meer heeft, zich ook niet mag inlaten met beslissingen die daar de voorbereiding van vormen en die op zich de rechtstoestand van de verzoekende partijen niet wijzigen; dat overigens het hof van beroep de regelmatigheid van dergelijke voorbereidende beslissingen kan betrekken bij zijn onderzoek naar de wettigheid van het eindbesluit; IX-5458-11/12 2.5. Overwegende, wat de tweede bestreden beslissing betreft, dat een studie die de CREG heeft uitgevoerd in het kader van de haar door artikel 15/14, § 2, 2/ van de gaswet toegewezen bevoegdheid, geen rechtssituaties wijzigt; dat noch dergelijke studie, noch de kennisgeving ervan, een administratieve beslissing is in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden gezien; 3. Overwegende dat de door de verwerende partij aangevoerde en hiervoor besproken excepties een dermate graad van ernst vertonen dat er reden is om reeds in de huidige stand van de rechtspleging de vordering tot schorsing als niet ontvankelijk af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 maart 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5458-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.474 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div