id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.537 Rolnummer: A. 172371/XIV-25383 Zaak: Arrest 168537 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 05/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 16:56 Fiche Arrest nr 168.537 van 5 maart 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.537 van 5 maart 2007 in de zaak A. 172.371/XIV-25.
- In zake : XXX, wonende te tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 16 september 1976 en van Iraanse nationaliteit, op 25 april 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 maart 2006 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 januari 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 31 maart 2006; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 28 april 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 24 juli 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-25.383-1/8 Gelet op de beschikking van 19 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 7 februari 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat N. VAN HOUCKE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché G. HABETS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 7 december 2005 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 24 januari 2006 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 maart 2006 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U beweerde de Iraanse nationaliteit te bezitten en van Turkse (Azari) origine te zijn. In 1379 (volgens de Perzische kalender; stemt overeen met 2000 volgens de Westerse tijdrekening) zou u uw studies grafische kunsten hebben beëindigd en zou u, met uw verloofde Behnam, rond de vijfde maand van 1379 (Perzische kalender; juli-augustus 2000 Westerse jaartelling) een fotowinkel hebben geopend in Teheran. Op een dag in de zevende maand van 1380 (september-oktober 2001) zou een gezin in uw winkel zijn langsgekomen om foto's van hun kind te laten nemen. De echtgenoot, Seyed Ali Rastegar, zou u tijdens het nemen van de foto's persoonlijke vragen hebben gesteld om uit te zoeken of u gehuwd was. De volgende dag zou Seyed de foto's zijn komen afhalen. Een aantal dagen later zou u in de winkel telefoon hebben gekregen van Seyed. Hij zou u hebben gevraagd hoe de zaken gingen en naar uw loon geïnformeerd hebben. Vervolgens zou hij u hebben meegedeeld dat hij bij Ettela'at (Ministerie van Informatie) werkte en u een job met een hoger inkomen kon bezorgen. U zou hebben gezegd dat u tevreden was met uw werk in de fotowinkel en dat u liever bij uw verloofde bleef werken. Sindsdien zou Seyed u voortdurend, om de twee à drie dagen, hebben opgebeld. In zijn telefoontjes zou Seyed u aanvankelijk hebben gezegd dat Behnam te min voor u was en dat hij u gelukkig zou maken. Na verloop van tijd zou hij kwaad zijn beginnen spreken over uw verloofde. U zou telkens getracht hebben hem te ontmoedigen door te zeggen dat u geen tijd had of dat er klanten wachtten, doch tevergeefs. Na een maand ongeveer zou hij u op een dag thuis hebben opgebeld. Aanvankelijk zou hij u thuis ook om de twee à drie dagen hebben gebeld maar na verloop van tijd zou dit frequenter zijn geworden. Via contact met uw familie in Iran zou u weten dat Seyed momenteel uw familie nog steeds telefonisch lastigvalt. Sinds hij u thuis belde, zouden de telefoontjes in de winkel gestopt zijn. In de elfde maand van 1380 XIV-25.383-2/8 (januari-februari 2002) zou Seyed in de winkel een hevige discussie over u hebben gehad met Behnam. Na dit incident zou Seyed zich niet meer in de winkel hebben vertoond. In de twaalfde maand van 1380 (maart-april 2002) zouden vier onbekende personen uw winkel vernield en Behnam geslagen hebben. Na hun vlucht zou u Behnam naar zijn ouders hebben gebracht, waarna zijn vader hem naar het ziekenhuis zou hebben gevoerd. De volgende dag zou Behnam het ziekenhuis hebben verlaten en zou hij naar Kalantary (lokale politie) zijn gegaan om klacht in te dienen tegen de daders. U en Behnam zouden in diezelfde periode eveneens telefonisch zijn bedreigd door Behnam zijn ex-vriendin. Daar jullie niet zeker wisten wie de daders waren, zou Behnam klacht hebben ingediend tegen zijn ex-vriendin alsook tegen Seyed Ali. De politie zou Behnam hebben gezegd dat er niemand was die bij Ettel'at werkte met de naam Seyed Ali Rastegar en er zou geen gevolg gegeven wordt aan de klacht. De eerste maand van 1381 (maart/ april 2002) zou de winkel terug opengegaan zijn. Op een dag in de derde maand van 1381 (mei-juni 2002) zou u van de vader van Behman hebben vernomen dat de politie in de winkel was binnengevallen en er ruim een halve kilo heroïne en twee coltrevolvers had gevonden. Behnam zou hierop direct zijn gearresteerd en gedurende een maand zijn opgesloten bij Kalantary. Na een maand zou hij voor de Revolutionaire rechtbank zijn verschenen en wegens illegaal wapen- en drugsbezit tot 15 jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld. Sindsdien zou Behnam opgesloten zitten in de Ghasr-gevangenis. Daar jullie niet gehuwd waren, had u niet het recht het proces bij te wonen noch Behnam te bezoeken in de gevangenis. Via zijn vader zou Behnam u echter een brief hebben bezorgd waarin hij beweerde dat hij onschuldig werd veroordeeld. Seyed zou u ondertussen zijn blijven lastigvallen en u onder andere hebben gezegd dat hij uw problemen zou oplossen als u er ooit mocht hebben. Twee weken na Behnam zijn veroordeling zou u Seyed hierover hebben verteld. De volgende dag zou Seyed u hebben laten weten dat hij contact had gehad met rechter Mossavi en het dossier had gelezen. Hij zou u de dag nadien komen halen om samen bij de rechter de veroordeling te bekijken. Toen hij u kwam halen, zou u aan de nummerplaat hebben gezien dat hij met een auto van Ettela'at reed. Onderweg zou Seyed de hele tijd kwaad hebben gesproken over Behnam. Aangekomen bij de rechter zou Seyed u, nadat jullie het dossier hadden bekeken, hebben gezegd dat de straf voor Behnam kon gereduceerd worden indien u instemde met een tijdelijk huwelijk. U zou zich akkoord hebben verklaard onder de voorwaarde dat Behnam direct zou worden vrijgelaten. Seyed zou u echter hebben gezegd dat uw verloofde pas na twee à drie jaar zou vrijkomen. Toen u dit hoorde, zou u geweigerd hebben en probeerde u te vluchten. Seyed zou u hebben tegengehouden, u in een kamer hebben gesleurd en u hebben verkracht. Mossavi zou niet hebben gereageerd en Seyed zou u hebben gezegd dat deze hem zou komen helpen indien u niet stopte met schreeuwen. Na een viertal uur zou u de woning van Mossavi hebben verlaten en zou Seyed u terug naar huis hebben gebracht. Onderweg zou hij hebben verteld dat hij degene was die opdracht had gegeven om jullie winkel te vernielen. Toen u thuiskwam, zou u alles aan uw vader hebben verteld. Die nacht zou u geprobeerd hebben uzelf van het leven te beroven. Uw vader zou u hebben gevonden en u naar het ziekenhuis hebben gebracht. Na uw ontslag uit het ziekenhuis de dag nadien zou uw vader hebben besloten dat u beter een tijdje bij uw tante Zohre kon gaan wonen. In het begin van de vijfde maand van 1381 (juli 2002) zou uw vader u naar Tabriz gebracht hebben. Een tweetal maand na uw aankomst zou Seyed u hebben gebeld om te zeggen dat hij in Tabriz was en u wou zien. U zou de telefoon hebben neergelegd en direct uw vader hebben verwittigd. Seyed zou, tijdens uw verblijf bij uw tante, uw vader telefonisch hebben lastiggevallen waarop uw vader hem zou hebben beledigd. Op aanraden van uw vader zou u diezelfde dag nog het vliegtuig naar Teheran hebben genomen en van daaruit zijn doorgevlogen naar uw oom Reza in Shiraz. U zou uit schrik altijd binnen zijn gebleven en een depressie gekregen hebben. In de zevende maand van 1381 (september-oktober 2002) zou u bij uw oom thuis door Seyed zijn opgebeld. Hij zou opnieuw hebben gezegd dat hij u overal zou vinden en dat hij u desnoods 's nachts zou komen ontvoeren. Twee dagen na dit telefoontje zouden u en uw tante op straat zijn aangevallen door drie personen die u in een wagen wilden sleuren. Twee Afghanen zouden op het geschreeuw zijn afgekomen en zo hebben vermeden dat u werd meegenomen. Ze zouden er eveneens in geslaagd zijn één van uw belagers tegen te houden. U zou vervolgens uw oom gaan halen zijn waarna jullie de dader naar de politie zouden gebracht hebben. Uw oom zou hen hebben gezegd dat ze deze persoon onder geen beding mochten laten gaan. U zou hierna uw vader hebben gecontacteerd en hij zou naar Shiraz zijn gereisd. Na zijn aankomst de volgende dag zou u, met uw vader, naar Kalantary zijn gegaan. Daar zou u hebben gehoord dat de persoon die u had aangevallen, had verklaard dat hij een lid van de Bassidj (Mobilisatie van de Verdrukten) was en een prostituee moest arresteren, maar verkeerdelijk u had vastgegrepen. Na deze verklaringen zou hij zijn vrijgelaten. Toen jullie dit nieuws hoorden, zou uw vader contact hebben genomen met een advocaat in Shiraz, meester Sholehsaadi. Deze zou u hebben gezegd dat Seyed veel macht had en dat een klacht tegen hem niets zou uithalen. De enige oplossing was om u zo ver mogelijk uit zijn buurt te blijven. Hierna zouden jullie contact hebben opgenomen met uw zus, die in België woont en de Belgische nationalteit heeft. Ze zou u een uitnodiging hebben gestuurd en u zou met uw vader naar de Belgische ambassade in Teheran zijn gegaan om een visum aan te vragen. In afwachting zou u bij uw oom zijn blijven wonen. Seyed zou u er nog een aantal keer hebben gebeld maar u zou niet met hem gesproken hebben. In de negende maand van 1381 (november-december 2002) XIV-25.383-3/8 zou u met het vliegtuig Iran hebben verlaten en via Amsterdam naar België zijn gereisd, waar u op 16 november 2003 zou aangekomen zijn. Na uw aankomst hier zou u hebben vernomen dat Seyed nog af en toe naar uw vader belt om te horen waar u bent en met problemen te dreigen indien u niet naar Iran terugkeert. In december 2005 zou uw vader zijn opgepakt en gedurende twee à drie maand zijn opgesloten op beschuldiging een royalist te zijn aangezien hij tijdens het regime van de Shah als kolonel in het leger werkte. In maart 2006 zou hij zijn vrijgelaten tegen afgifte van de eigendomsakte van de woning als borg. Uw vader zou na zijn vrijlating bij uw broer in Teheran gaan wonen zijn. Sindsien zou uw vader telefonisch worden lastiggevallen door Seyed, die ermee dreigt de woning inbeslag te nemen indien u niet terugkeert. Gezien de situatie nog steeds niet is verbeterd, besloot u op 7 december 2005 hier een asielaanvraag in te dienen. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag beschikte u over volgende documenten : een kopie van uw identiteitsbewijs, dd. 11/7/1355 (03/10/1976), uitgereikt te Shiraz en uw internationaal paspoort, dd. 14/1/2002, uitgereikt te Teheran, voorzien van een Belgisch Schengen-visum, geldig vanaf 16/11/
- B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u pas in december 2005, dit is bijna twee jaar nadat uw Schengenvisum in februari 2004 vervallen was, een asielaanvraag heeft ingediend. Uw bewering dat iedereen u aanvankelijk aanraadde om geen asiel te vragen in België omdat u dan toch geweigerd zou worden, is helemaal geen aanvaardbare uitleg voor uw bijzonder laattijdige aanvraag. Voorts moet worden opgemerkt dat uw opeenvolgende verklaringen geenszins eensluidend zijn waardoor de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas ernstig in het gedrang komt. Zo beweerde u tijdens uw eerste verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (27-28/12/2005) dat u tot eind november 2005 in Iran heeft verbleven en dat de problemen waarvoor u uw land verliet zich afspeelden in de periode eind 2004 - november
- U verklaarde hierbij eveneens dat u illegaal met de hulp van een smokkelaar het land verliet. (verhoor DVZ, vragen 40 en 41) Tijdens een bijkomend verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (24/01/2006) stelde u daarentegen dat u Iran reeds in november 2003 verlaten hebt met uw paspoort en een geldig visum voor België. U stelde eveneens dat enkel de jaartallen waarin u uw problemen situeerde foutief waren, doch dat u wel degelijk de aangehaalde problemen meemaakte. Op het Commissariaat-generaal stelde u eveneens dat de aanvankelijk op de Dienst Vreemdelingenza- ken aangehaalde jaartallen niet kloppen met de werkelijkheid en situeerde u uw problemen aanvankelijk in 1379-1380 (2000-2001) (verhoor CGVS, p. 12). Later beweerde u dat u zich vergiste en dat alle problemen zich afspeelden in 1380-1381 (2001-2002) (verhoor CGVS, p. 34). U beweerde toen ook dat u in de negende maand van 1381 (november / december 2002) Iran verliet (verhoor CGVS, p. 39). Overeenkomstig de stempels in uw paspoort bent u echter pas in november 2003 uit Iran vertrokken. Ook uw verklaringen aangaande de problemen die u in Iran zou hebben gehad, zijn op verschillende punten tegenstrijdig waardoor de geloofwaardigheid ervan bijkomend wordt ondermijnd. Zo stelde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat Seyed u gedurende een periode van tien dagen niet meer belde in de winkel en dat u zo dacht dat hij u niet meer zou lastigvallen. Op het Commissariaat-generaal ontkende u daarentegen uitdrukkelijk dat er een periode was waarin Seyed u niet telefonisch lastig viel (verhoor CGVS p. 13). Overeenkomstig uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken ging u uit veiligheidsoverwegingen reeds voor het incident met de vier vandalen (rond nieuwjaar) niet meer alle dagen in de winkel werken. Op het Commissariaat-generaal stelde u daarentegen uitdrukkelijk dat u voor nieuwjaar fulltime in de winkel werkte en pas na nieuwjaar, dus na laatstgenoemd incident, nog slechts twee dagen per week (verhoor CGVS p. 19-20). Volgens uw beweringen op de Dienst Vreemdelingenzaken werd Behnam opgepakt nadat de ordediensten drugs en een colt in de winkel hadden gevonden. Op het Commissariaat-generaal sprak u in dit verband over twee colts die werden aangetroffen in de winkel (verhoor CGVS p. 22). Op de Dienst Vreemdelingenzaken stelde u dat Seyed u, na uw ontslag uit het ziekenhuis en voor uw vertrek naar Tabriz, thuis opbelde en dat uw vader harde taal sprak tegen Seyed. Op het Commissariaat-generaal stelde u dat uw vader in de periode dat u bij uw tante ondergedoken leefde, telefoon kreeg van Seyed en hem beledigde (verhoor CGVS p. 33). Nog volgens uw beweringen op de Dienst Vreemdelingenzaken stopte er plots een wagen toen u en uw tante thuis aankwamen na het boodschappen doen en probeerden de inzittenden u te ontvoeren. Op het Commissari- aat-generaal heeft u dan weer gezegd dat een wagen in het begin van de straat geparkeerd stond toen jullie de straat inliepen (verhoor CGVS p. 35). Op de Dienst Vreemdelingenzaken repte u met geen woord over het feit dat Seyed u telefonisch lastigviel bij uw oom, terwijl u op het Commissariaat-generaal stelde dat Seyed u bij uw oom ook meermaals opbelde (verhoor CGVS p. 39 en 40). Tot slot verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw vader na uw vertrek onderdook bij uw broer in Teheran. Ettela'at zou daar zijn binnengevallen en uw vader hebben gearresteerd op beschuldiging van politieke activiteiten voor de CPI (Monarchistische Partij). Luidens uw beweringen op het Commissariaat-generaal werd uw vader echter thuis opgepakt op beschuldiging een royalist te zijn aangezien hij ten tijde van de Shah als kolonel in het leger was (verhoor CGVS p. 41-43). XIV-25.383-4/8 Uw verklaring dat het verhoor op de Dienst Vreemdelingezaken twee weken eerder plaatsvond en dat u het zich niet meer kon herinneren alsook uw bewering dat je na twee à drie jaar details vergeet, zijn helemaal geen afdoende uitleg om bovenstaande tegenstrijdigheden te verklaren. De door u neergelegde documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen daar deze enkel uw identiteit, afkomst en nationaliteit bevestigen alsook het feit dat u in 2003 met een geldig visum naar België bent gereisd, en deze feiten bovendien op zich helemaal niet worden betwist. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag laattijdig werd ingediend. U diende uw aanvraag immers zonder verantwoording in na het verstrijken van de in artikel 50, eerste lid bepaalde termijn. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981: artikel 113 quater §2.). (...).”. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Schending van de algemene beginselen van het behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredig- heidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het algemeen beginsel dat de overheid respect gebiedt te hebben voor de rechten van de verdediging inzonderheid de hoorplicht of het audi et alteram partem- beginsel. Tijdens het interview dd. 13 maart 2006 bij het CGVS heeft verzoekster niet de kans gekregen om haar verhaal en haar vlucht uit Iran op een afdoende manier uit de doeken te doen. De interviewer begon aan het interview met vooroordelen tegenover verzoekster. Gedurende het interview werd verzoekster verschillende malen op ruwe wijze onderbroken. De interviewer had geen of weinig geduld met de antwoorden - die verzoekster op haar vragen formuleerde en uitte op meerdere ogenblikken duidelijk haar ongenoegen door veelvuldig te zuchten en blazen. De objectiviteit van de interviewer wordt ernstig in vraag gesteld.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.1 Eerste middel: schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het algemeen beginsel dat de overheid respect gebiedt te hebben voor de rechten van de verdediging inzonderheid de hoorplicht of het audi et alteram partem-beginsel. Verweerder wijst er op dat verzoekende partij zich in haar eerste middel beperkt tot een aantal onbewezen insinuaties over het verloop van het gehoor op het Commissariaat-generaal en tot het in vraag stellen van de objectiviteit van de interviewer, zonder op enigerlei wijze aan te tonen dat de bestreden beslissing gesteund zou zijn op onjuiste feiten of op kennelijk onredelijke wijze tot stand gekomen zou zijn. Dit is des te merkwaardiger nu uit het administratief dossier blijkt dat verzoeksters raadsman bij het gehoor, dat bijna vier uur duurde, aanwezig was en na het gehoor te kennen gaf dat hij niets toe te voegen had en dat verzoekster een uitgebreider relaas had kunnen doen dan tegenover hemzelf (gehoorverslag p.48). De concrete motieven van de bestreden beslissing worden door verzoekende partij niet ontkend of weerlegd en verzoekende partij maakt dan ook geen schending aannemelijk van de door haar genoemde beginselen. Het eerste middel is niet gegrond.”; XIV-25.383-5/8 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van “ de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredig- heidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het algemeen beginsel dat de overheid respect gebiedt te hebben voor de rechten van de verdediging inzonderheid de hoorplicht of het audi et alteram partem-beginsel”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat zij tijdens “het interview dd. 13 maart 2006 bij het CGVS (...) niet de kans (heeft) gekregen om haar verhaal en haar vlucht uit Iran op een afdoende manier uit de doeken te doen”; dat uit het administratief dossier blijkt dat het verslag van het verhoor op het Commissariaat-generaal niet minder dan 48 pagina’s beslaat en 4 uur en 38 minuten heeft geduurd; dat de advocaat van de verzoekende partij op het einde van dit verhoor verklaarde dat hij niets meer had toe te voegen en dat de verzoekende partij voor het Commissariaat- generaal een uitgebreider relaas had gedaan dan aan hem; dat ook de verzoekende partij uitdrukkelijk verklaarde alles te hebben gezegd; dat de verzoekende partij bovendien niet aangeeft welke verklaringen zij alsnog had willen afleggen en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing hadden vermogen om te buigen; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij gewaagt van vooroordelen in hoofde van de interviewer en van incidenten tijden het verloop van het verhoor; dat de verzoekende partij zich beperkt tot algemene en vage beweringen, doch nalaat deze te staven met een begin van bewijs; dat bij aanvang van het verhoor op het Commissariaat-generaal werd afgesproken om eventuele problemen tijdens het verhoor onmiddellijk te melden; dat uit het administra- tief dossier blijkt dat de verzoekende partij en/of haar Advocaat desbetreffend geen enkele opmerking heeft gemaakt; dat, gelet op de ernst van de aantijgingen, nochtans redelijkerwijze mocht worden verwacht dat de verzoekende partij en/of haar Advocaat melding zou hebben gemaakt van de incidenten tijdens het verhoor die in het verzoekschrift worden aangevoerd; dat de verzoekende partij tenslotte evenmin kan worden gevolgd waar zij de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij zich beperkt tot het summier aanhalen van de beginselen die zij geschonden acht, zonder aan te duiden op welke wijze die beginselen door de bestreden beslissing zouden worden geschonden; dat de verzoekende partij zich beperkt tot een algemene en vage bewering, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op haar persoonlijke situatie; dat de verzoekende partij haar grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens, en als dusdanig geen schending van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur” aannemelijk maakt; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: XIV-25.383-6/8 “Schending van de Taalwet in Bestuurszaken Het feit dat de voorziene tolk geen Nederlands sprak, maar de woorden van verzoekster uit het Iraans naar het Frans vertaalde, waarop de Nederlandstalige interviewer vervolgens zelf deze woorden naar het Nederlands vertaalde en opschreef, schendt de Taalwet in Bestuurszaken daar de interviewer niet geschikt of bevoegd is om vertalingen uit het Frans naar het Nederlands te verrichten.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “2.2 Tweede middel: schending van de Taalwet in bestuurszaken. Verweerder wijst er op dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet in een bijzondere regeling voorziet op het taalgebruik inzake de erkenningsprocedure als vluchteling. Bijgevolg zijn de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, waar verzoekende partij ogenschijnlijk op doelt, niet toepasselijk (R.v.St. nr. 128.685 van 2 maart 2004). Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van “de Taalwet in Bestuurszaken”; 2.2.
- Overwegende dat artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) voorziet in een bijzondere regeling op het taalgebruik inzake de erkenningprocedure als vluchteling; dat derhalve de schending van de gecoördi- neerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken niet dienstig wordt aangevoerd; dat het tweede middel onontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-25.383-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf maart tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-25.383-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.537 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.