← België

Arrest 168550 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.550 Rolnummer: A. 72732/X-7163 Zaak: Arrest 168550 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 16:57 Fiche Arrest nr 168.550 van 6 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.550 van 6 maart 2007 in de zaak A. 72.732/X-

  1. In zake : de n.v. ROMA, die woonplaats kiest bij advocaat N. BOLLEN, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Tichelrijstraat 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat C. LEMACHE, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Tongersesteenweg
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ROMA op 2 januari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 november 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij haar de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning aan de Hasseltsesteenweg te Sint-Truiden, kadastraal gekend onder sectie M, nr. 279/g/ex) en waarbij het besluit van 4 juli 1996 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden, houdende toekenning van de bouwvergunning, wordt vernietigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; X-7163-1/12 Gelet op de beschikking van 5 december 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 januari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BUTENAERTS, die loco advocaat N. BOLLEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. CLAES, die loco advocaat C. LEMACHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Feiten 1.
  4. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij dient op 1 maart 1996 bij het gemeente- bestuur van Sint-Truiden een aanvraag in tot het bouwen van een woning op een perceel gelegen aan de Hasseltsesteenweg, kadastraal bekend sectie M, nr. 279/g/ex. 1.
  6. Het betrokken perceel vormt lot II van een op 15 maart 1988 door het college van burgemeester en schepenen van Sint-Truiden verleende verkavelingsvergunning. Aangaande de inplanting stellen de stedenbouwkundige voor- schriften van deze vergunning: “Art. 8: Inplanting a. niet van toepassing. b. de vrijblijvende afgewerkte gevels op min 3m van de perceelsgrenzen. c. de voorgevel, evenwijdig met de voorliggende weg, op 21 m. achter de bestaande aslijn van de weg. d. langs de rijksweg N.
  7. De min. voorschriften v/h bestuur der Wegen zijn te volgen. Op dit min. wordt geen afwijking naar achter toegelaten”. X-7163-2/12 1.
  8. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden verleent op 19 april 1996 de gevraagde vergunning. 1.
  9. De administratie wegen en verkeer, afdeling wegen Limburg, verleent op 28 mei 1996 een ongunstig advies. Onder de hoofding “Bijzondere voorwaarden”stelt dit advies onder punt 6: “a. De gewestweg N722 behoort tot het primair net met een ontworpen rooilijn op 11 m uit de as van de weg. b. De grens van het openbaar domein is gelegen op 7,50 m uit de as van de weg. c. De bouwlijn is bepaald op 11 m + 8 m achteruitbouw = 19 m uit de bestaande wegas”. Dit advies besluit: “Ongunstig, er wordt niet voldaan aan bovenvermelde artikels. De afrit naar de garage is gelegen binnen de bouwvrije strook. (zie art. A. 4 - algemene voorwaarden van BRA 621)”. 1.
  10. Op 1 juli 1996 schorst de gemachtigde ambtenaar de vergunning van 19 april
  11. Deze beslissing wordt ondermeer als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een perceel gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling van 15 maart 1998 (sic) waarvoor de verkavelingsvergunning niet vervallen is; Overwegende dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen met de voorschriften van de verkavelingsvergunning niet in overeenstemming is op volgende punten:
  12. Het bewijs dient te worden geleverd dat de verkavelingsvergunning van 15 maart 1988 niet vervallen is overeenkomstig artikel 57 § 4 van de wet op de stedenbouw. De aangehaalde verkavelingsvergunning op het formulier B (van 19 april 1996) is onjuist.
  13. De afrit naar de garage is gelegen binnen de bouwvrije strook (zie artikel 4 - algemene voorwaarden van BRA 621).
  14. De inplanting van de woning dient te gebeuren op 19 m uit de bestaande wegas in plaats van 21 m”. 1.
  15. Op 4 juli 1996 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden de op 19 april 1996 aan de verzoekende partij verleende bouwvergunning in te trekken en de aanvraag te weigeren om de redenen uiteengezet in het schorsingsbesluit van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  16. Dezelfde dag verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden de gevraagde vergunning op basis van gewijzigde plannen. X-7163-3/12 De aanpassing betreft de inrit van de garage. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “- Gelet op het advies van administratie wegen en verkeer dd. 28.05.1996 waarin wordt gesteld dat de bouwlijn ligt op 19 meter uit de wegas; - Overwegende dat die afstand een minimum afstand is; - Gelet op de verkavelingsvergunning dd. 15.03.1988, art. 8c, waarin is voorgeschreven dat de voorgevel evenwijdig met de voorliggende weg op 21 meter achter de aslijn van de weg moet komen. - Overwegende dat een inplanting op 21 meter geen afwijking is op het minimum van 19 meter gesteld door de administratie wegen en verkeer. Besluit: De vergunning wordt afgegeven aan de NV ROMA die ertoe gehouden is: ...”. 1.
  17. Op 27 juli 1996 laat de verzoekende partij aan het gemeente- bestuur van Sint-Truiden weten de werken te zullen aanvangen op 5 augustus
  18. Tevens wordt gevraagd voor deze datum de lijnrichting uit te palen. 1.
  19. Op 4 oktober 1996 schorst de gemachtigde ambtenaar de beslissing van 4 juli
  20. Dit besluit is ondermeer als volgt gemotiveerd: “Gelet op de aanvraag ingediend door de NV ROMA met betrekking tot een perceel gelegen te Sint-Truiden sectie M nr. 279/ex - lot 2 en strekkende tot het bouwen van een woning; Gelet op de beslissing van 4 juli 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Sint-Truiden, waarbij aan de NV ROMA vergunning is verleend; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een perceel, gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling van 15 maart 1998 (sic); Overwegende dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen met de voorschriften van de verkavelingsvergunning niet in overeen- stemming is op volgende punten:
  21. Het bewijs dient te worden geleverd dat de verkavelingsvergunning van 15 maart 1988 niet vervallen is overeenkomstig artikel 57 § 4 van de wet op de stedenbouw.
  22. De inplanting van de woning dient te gebeuren op 19m uit de bestaande wegas in plaats van 21 m, gezien overeenkomstig artikel 8d van de stedenbouwkundige voorschriften geen afwijking naar achter wordt toegestaan op de Lijnrichting van de Administratie Wegen en Verkeer, Afdeling Wegen Limburg. Dossier is onvolledig: ontvangstbewijs ontbreekt. Overwegende dat de aangetekende brief waarbij het college zijn beslissing aan de gemachtigde heeft meegedeeld, door laatstgenoemde werd ontvangen op 19 juni 1996”. 1.
  23. Naar aanleiding van een schrijven van AROHM van 15 oktober 1996 waarin het college van burgemeester en schepenen op de hoogte wordt X-7163-4/12 gebracht van voormeld schorsingsbesluit en waarin gevraagd wordt mee te delen of de vergunning zal worden ingetrokken en zo niet te motiveren waarom niet tot intrekking wordt overgegaan, antwoordt het stadsbestuur van Sint-Truiden op 17 oktober 1996 het volgende: “Op 11 oktober 1996 nam ons college het besluit de bouwvergunning van de nv Roma dd. 04.07.1996 en geschorst door stedenbouw Hasselt op 04.10.96, niet in te trekken. Deze vergunning werd per aangetekend schrijven naar stedenbouw Hasselt gestuurd op 13.07.
  24. Ze werd pas geschorst op 04.10.96”. 1.
  25. Op 6 november 1996 vernietigt de Vlaamse minister van openbare werken, vervoer en ruimtelijke ordening de aan de verzoekende partij verleende bouwvergunning van 4 juli
  26. Dit is het bestreden besluit. Het is voornamelijk als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de stedenbouwkundige voorschriften onder artikel 8, punt d stellen dat langs de rijksweg N. 722 de minimum voorschriften van het bestuur der wegen dienen gevolgd te worden; dat op dit minimum geen afwijking naar achter wordt toegelaten; dat de inplanting van de woning zich situeert op 21 m van de weg; dat de afdeling wegen Limburg in zijn advies van 28 mei 1996 stelt dat de bouwlijn bepaald is op 11 m + 8 m achteruitbouw = 19 m uit de bestaande wegas; dat de voorgestelde inplanting derhalve niet voor vergunning vatbaar is; dat de schorsingsbeslissing van de gemachtigde ambtenaar met reden werd genomen”;
  27. Ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat de verzoekende partij geen regelmatig bewijs heeft voorgelegd waaruit blijkt dat het statutair bevoegd orgaan van de vennootschap tijdig besliste om annulatieberoep in te stellen; Overwegende dat de verzoekende partij bij haar laatste memorie de tot dan ontbrekende stukken met betrekking tot haar statuten heeft gevoegd; dat thans uit het geheel der neergelegde stukken blijkt dat het statutair bevoegd orgaan tijdig heeft beslist om de voorliggende vordering in te leiden; dat de exceptie niet gegrond is; X-7163-5/12 X-7163-6/12
  28. Ten gronde 3.1.1.
  29. Overwegende dat het eerste middel in het verzoekschrift als volgt wordt ontwikkeld: “Eerste middel, genomen uit de schending van art. 45 par.2, eerste lid van de stedebouwwet, uit de schending van artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering der bestuurshandelingen, en uit de schending van de het continuïteits-, het gelijkheids- en het redelijkheids- beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en wegens gemis aan de rechtens feitelijke grondslag. Doordat de bestreden beslissing stelt dat de voorgestelde inplanting van de woning niet voor vergunning vatbaar is aangezien deze zich situeert op 21 meter van de wegas hetgeen in afwijking zou zijn met de minimum voorschriften van het bestuur der wegen waarin een minimum van 19 meter van de wegas wordt toegelaten. Dat zowel het verkavelingsplan (...) als art. 8c van de stedebouw-kundige voorschriften (...), gevoegd bij de verkavelingsvergunning (...), de voorgevel voorzien op 21 meter van de aslijn van de weg. Dat hiermede rekening werd gehouden bij het indienen van de aanvraag tot het bouwen van een woning. Dat de bestreden beslissing naar artikel 8d van voormelde stedenbouw- kundige voorschriften (...) verwijst, waarbij door het bestuur der wegen een minimum van 19 meter wordt voorgeschreven en waarbij geen afwijking naar achter wordt toegelaten. Dat vooreerst niet duidelijk blijkt wat met een afwijking naar achter wordt bedoeld; ofwel verder, ofwel korter naar de as van de weg toe. Dat bovendien in hetzelfde artikel de afstand van 19 meter als een minimum wordt omschreven hetgeen integendeel een uitbreiding in meer niet kan uitsluiten. Dat op deze wijze werd gemotiveerd door het College van Burgemeester en Schepenen van de stad Sint-Truiden ter gelegenheid van de aflevering van de bouwvergunning op 04 juli
  30. Dat er aldus mogelijk sprake is van een tegenstrijdigheid en van een probleem omtrent interpretatie. Dat bovendien artikel 8d dient samengelezen met artikel 8c waarbij ten opzichte van de voorgevel een afstand van 21 meter van de aslijn van de weg wordt voorgeschreven. Dat ook hiermee de bewering en/of interpretatie vanwege de tegenpartij in tegenspraak is. Dat in de vigerende rechtspraak en rechtsleer wordt aangenomen dat zich ingeval van problemen omtrent interpretatie deze dient uitgelegd ten voordele van diegene aan wie ze worden opgelegd, zijnde beroeper. Dat inzake evenwel duidelijk blijkt dat er enkel een minimum werd opgelegd en de vernietiging van de bouwvergunning aldus als onrechtmatig dient beschouwd. Dat bovendien bij nalezing der voorschriften blijkt dat art. 8c van de stedenbouwkundige voorschriften spreekt van een voorgevel op 21 meter, terwijl de voorschriften van het bestuur der wegen een bouwlijn voorzien op 19 meter. Dat in casu de voorgevel werd ingeplant op 21 meter van de wegas terwijl uit de plannen (bijlagen 10 en 11) blijkt dat de voorste lijn van het balkon boven de garage-inrit zich op 19 meter van de wegas bevindt. X-7163-7/12 Dat aldus in feite simultaan aan alle voorschriften en respectievelijke interpretatiemogelijkheden werd voldaan. Dat de bestreden beslissing elke zin voor redelijkheid mist. Dat uit het verkavelingsplan blijkt dat het hier vier aparte percelen met vrijstaande bebouwing betreffen. Dat het plaatsen van de voorgevel op een verdere afstand dan de voorgeschreven minimum-afstand van 19 meter van de aslijn van de weg geen enkel probleem kan of mag vormen voor het bestuur der wegen. Dat de (beperkt) achteruitliggende woning evenmin een nadeel kan vormen of storend kan genoemd worden voor de eigenaars en/of bewoners der belendende percelen wiens uitzicht integendeel geoptimaliseerd wordt”; 3.1.1.
  31. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert: “
  32. Vooreerst dient vastgesteld te worden dat eiseres geen rechtsmiddel aanwendde tegen de weigering en intrekking van de Bouwvergunning dd. 4/7/96 , waarin als redengeving werd vermeld dat de INPLANTING VAN DE WONING dient te gebeuren op 19 m uit de bestaande wegas in plaats van 21 m. Die beslissing, alsook haar redengeving, dient derhalve als definitief verworven te worden beschouwd opzichtens eiseres, die minstens op 17/7/96 van konkluante (...) kennis kreeg van de weigering der vergunning en dus de wettelijke beroepstermijnen liet voorbijgaan. Het middel van eiseres, gesteund op de aanvechting van dezelfde redengeving zoals vervat in een latere , geschorste en vernietigde beslissing, is dan ook ontoelaatbaar, bij gebreke aan wettig belang.
  33. Ondergeschikt wijst konkluante erop dat zelfs inzoverre de inplantings- afstand niet definitief verworven zou zijn door een definitieve administratieve beslissing, er geen enkele tegenstrijdigheid noch interpretatiemoeilijkheid bestaat omtrent de toepassing van inplantings- afstand van de woning zoals aangevraagd. Art. 8d van de stedebouwkundige voorschriften, toepasselijk op huidige aanvraag, vereist expliciet voor inplantingen lanqs de Rijksweg N 722, casus die thans voorligt, dat de voorschriften van het Bestuur der Wegen te volgen zijn zonder toelating van een afwijking NAAR ACHTER.(...) Het Bestuur der wegen specifieert op 28/5/96 dat de bouwlijn is bepaald op 11 m + 8m achteruitbouw = 19 m uit de bestaande wegas. (...) Wanneer op dit cijfer geen afwijking "naar achter', wordt toegelaten, impliceert zulks uiteraard een verbod op inplanting die méér "naar achter" dan 19 m zou geconcipieerd zijn, of zoals i.c. 21 m. Deze regels behoeven geen verdere interpretatie doch zijn van loutere grammaticale-metrieke toepassing. Art. 8d is trouwens een latere bepaling die op de voorgaande primeert, minstens specifieke regels voorziet, waarvan niet kan afgeweken worden. Het is terzake irrelevant en niet nader te motiveren of de ontworpen afwijking al dan niet aan de aangelanden hinder of schade zou veroorzaken”; 3.1.1.
  34. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dupliceert: X-7163-8/12 “
  35. Geen definitieve verworvenheid De stelling van verweerster als zou door het uitblijven van enig rechtsmiddel tegen de weigering van de bouwvergunning bij beslissing dd. 04.07.1996, de redengeving omtrent de afstand van de inplanting van de woning definitief verworven zijn, is volkomen onjuist. Deze bewuste intrekking van de bouwvergunning dd. 04.07.1996 werd namelijk onmiddellijk vervangen door een aflevering van een bouwvergunning B van dezelfde datum (...). Aldus werd deze weigering zonder voorwerp en had concluante bovendien geen enkel belang bij het instellen van rechtsmiddelen tegen een weigering die inmiddels werd ongedaan gemaakt en vervangen door een goedkeuring. De huidige procedure betreft het verzoek tot nietigverklaring van het Ministerieel Besluit dat betrekking heeft op de bouwergunning B dd. 04.07.1996 en heeft aldus sowieso niets te maken met de intrekking dd. 04.07.
  36. De woning is volgens de voorschriften ingeplant Onverminderd hetgeen hieromtrent reeds werd gesteld in het verzoekschrift dient het volgende vermeld. Verweerster verwijst naar artikel 8d der stedenbouwkundige voorschriften waarin wordt gestipuleerd dat de minimumvoorschriften van het Bestuur der Wegen zijn te volgen. Met betrekking tot deze wordt verder verwezen naar het advies van dit Bestuur dd. 28.05.1996 waarbij de bouwlijn wordt bepaald op 19m uit de bestaande wegas. Vooreerst dient gesteld dat verzoekster nergens uit kan opmaken op welke wettelijke grond dit advies is gesteund, op basis waarvan deze afstand als werkelijk bindend dient beschouwd. De bouwaanvraag dateert van 01.03.
  37. Het advies van het Bestuur der wegen dateert van drie maanden later. Waren deze minimumvoorschriften op het ogenblik van de bouwaanvraag vastgelegd? Overigens dient herhaald dat minimumvoorschriften onmogelijk te rijmen vallen met het verbod van afwijkingen naar achter. Aangezien men optelt vanuit de wegas had men in zulk geval dienen te spreken van maximumvoorschriften. Buiten het feit dat de bepaling zich volkomen tegenspreekt valt ook op te merken dat het Bestuur der wegen er enkel belang bij heeft dat het tracé der wegen zoveel mogelijk onaangetast blijft. De bedoeling is aldus grenzen vanuit de wegas te bepalen waarbinnen geen bebouwing mag gebeuren. Daarom spreekt men ook van minimumvoorschriften. Doch zelfs inzoverre de redenering van verweerster blijft weerhouden kan verzoekster niets verweten worden. Zoals uit het vergunde bouwaanvraagplan dd. 05.07.1996 (...) blijkt, is de bouwlijn bepaald en uitgevoerd op precies 19 meter. Daar vat namelijk het balkon boven de garage-inrit aan. Dit balkon is verankerd aan de woning en maakt aldus sowieso deel uit van de voorgevel. Zoals men kan zien op dit bouwaanvraagplan werd alles wat zich vóór de lijn van 19 meter bevindt weggelaten op verzoek van de overheidsinstanties. Indien het betreffende balkon zich vóór de negentien-meter lijn had bevonden (en de voordeur aldus op 19 meter), zou deze geweigerd worden wegens overschrijding van de minimumvoorschriften, te meten vanuit de wegas. X-7163-9/12 Er kan aldus niet gesteld worden dat de bouwlijn zich in de huidige constructie op 21 meter bevindt. Elke wijze van inplanting zal ingevolge de onduidelijk en zich tegen- sprekende voorschriften vatbaar blijven voor opmerkingen vanwege de diverse instanties. Concluante heeft, zoals blijkt, beoogt om de inplanting conform de voorschriften te laten geschieden doch haar goede trouw inzake wordt beschaamd door diverse interpretaties die aan deze voorschriften gegeven worden. Concluante is echter niet de auteur van deze voorschriften zodat intrepretaties in haar nadeel sowieso niet kunnen weerhouden (...)”; 3.1.2.
  38. Overwegende dat de verzoekende partij er geen belang bij had de weigeringsbeslissing van 4 juli 1996 aan te vechten, nu zij de zelfde dag een nieuwe vergunning, op basis van gewijzigde plannen, had verkregen; dat het middel ontvankelijk is; 3.1.2.
  39. Overwegende dat de bestreden beslissing in essentie gesteund is op de vaststelling dat de aanvraag strijdig is met de stedenbouwkundige voor- schriften opgenomen in artikel 8, punt d, van de verkavelingsvergunning; dat, met de verwerende partij, dient vastgesteld te worden dat die regel duidelijk is; dat hij inhoudt dat de “bouwlijn” langs de rijksweg N 722 op 19 meter uit de wegas wordt bepaald; dat het bepaalde in artikel 8, punt c van de verkavelingsvoorschriften hieraan geen afbreuk doet; dat die verkavelingsvoorschriften definitief zijn, en de wettigheid ervan naar aanleiding van de voorliggende bouwaanvraag niet meer betwist kan worden; dat de gevraagde bouwvergunning niet in strijd met de verkavelingsvoorschriften kan worden afgeleverd; dat uit het voorgaande volgt dat de afstanden opgenomen in de inplantingsregels vervat in artikel 8 van de verkavelingsvoorschriften gemeten dienen te worden vanaf de voorgevel; dat niet wordt betwist dat de voorgevel zelf op 21 meter wordt ingeplant; dat het feit dat “de voorste lijn van het balkon boven de garage-inrit” zich op 19 meter van de wegas bevindt, daaraan geen afbreuk doet; dat het middel niet gegrond is; 3.2.
  40. Overwegende dat het tweede middel als volgt is geformuleerd: “Tweede middel, genomen uit de schending van artikelen 45, 46 en 54 van de stedebouwwet, uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, betreffende de motivering der bestuurshandelingen, en uit de schending van het continuïteits- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat de bouwvergunning B dd. 04 juli 1996 (...) van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden aan beroeper werd overgemaakt op 13.07.
  41. X-7163-10/12 Dat onder artikel 3 van deze vergunning wordt medegedeeld dat zowel een afschrift aan de aanvrager (beroeper) alsmede aan de gemachtigde ambtenaar wordt overgemaakt. Dat onder artikel 1,4e van deze vergunning de aanvrager wordt verzocht slechts gebruik te maken van de vergunning na het verstrijken van een periode van 20 dagen vanaf de kennisgeving, dit aangezien het gedurende die periode aan de gemachtigde ambtenaar van Stedebouw toekomt de vergunning te schorsen. Dat na het verstrijken van deze 20 dagen door beroeper bij aangetekend schrijven dd. 08 augustus 1996 (...) aan de stad Sint-Truiden werd verzocht tot het uitzetten van de voorbouwlijn. Dat op 19 augustus 1996 de werken werden aangevat. Dat op 4 oktober 1996, nadat de werken reeds bijna twee maanden in uitvoering zijn, door de gemachtigde ambtenaar van Stedebouw een beslissing tot schorsing van de bouwvergunning wordt genomen. Dat zulks volkomen laattijdig gebeurde. Dat ROHM-Limburg op eenzijdige wijze en zonder enige staving of aanbod hiertoe, beweert slechts op 26 september 1996 in kennis te zijn gesteld terwijl de stad SintTruiden staande houdt dat de de kennisgeving van de bouw- vergunning plaatsvond op 13 juli 1996, dit zowel naar de aanvrager als ROHM-Limburg toe. Dat beroeper inderdaad op die datum in kennis werd gebracht van de bouwvergunning en hierbij rekening hield met de in art. 54 par.2 van de Stedenbouwwet voorgeschreven termijn van 20 dagen. Dat aldus de bouwwerken door beroeper op volkomen rechtmatige wijze werden aangevat en uitgevoerd. Dat integendeel het besluit tot schorsing van de gemachtigde ambtenaar van Stedenbouw volkomen laattijdig gebeurde en op geen enkele wijze kan of mag invloed hebben op de aan beroeper afgeleverde bouwvergunning en daaruit opzichtens hem voortspruitende rechten en verplichtingen”; dat de verzoekende partij hier in haar memorie van wederantwoord niets aan toevoegt; 3.2.
  42. Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verwerende partij terecht doet gelden dat zij pas van de bouwvergunning en de erbij horende plannen in het bezit werd gesteld per ter post aangetekend schrijven van 26 september 1996; dat het middel feitelijke grondslag mist, BESLUIT: Artikel
  43. Het beroep wordt verworpen. X-7163-11/12 Artikel
  44. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-7163-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.550 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.