← België

Arrest 168555 - Plannen van aanleg - 06/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.555 Rolnummer: A. 58061/X-9374 Zaak: Arrest 168555 - Plannen van aanleg - 06/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 16:59 Fiche Arrest nr 168.555 van 6 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.555 van 6 maart 2007 in de zaak A. 58.061/X-

  1. In zake : de b.v.b.a. VULSTOFFENEXPLOITATIE, (VULEX), die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN DER CRUYSSE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4a tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat
  2. tussenkomende partij : de n.v. BUNGALOWPARK DE MAASVALLEI, die woonplaats kiest bij advocaat G. SCHIEPERS, kantoor houdende te 3700 TONGEREN, Darenbergstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. VULSTOFFENEXPLOITATIE op 21 mei 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 1 december 1993 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem en Maasmechelen ter plaatse “Teutelberg, Vierveld en Vuchterbosheide”, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 1994; Gelet op het arrest nr. 49.643 van 13 oktober 1994 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 91.171 van 29 november 2000 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het verder onderzoek van de zaak; X-9374-1/6 Gelet op het arrest nr. 117.515 van 25 maart 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het verder onderzoek van de zaak; Gezien het tweede aanvullend verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 25 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het tweede aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het tweede aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 8 januari 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 2 februari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. ROTS, die loco advocaat K. VAN DER CRUYSSE verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. SCHIEPERS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de relevante feiten zijn uiteengezet in 's Raads arrest nr. 49.643 van 13 oktober 1994; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar “memorie van antwoord” een ontvankelijkheidsexceptie opwerpt; dat deze in het auditoraatsverslag werd onderzocht en weerlegd; dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie hierop niet heeft gerepliceerd, en zelfs vraagt het verzoekschrift tot nietigverklaring X-9374-2/6 “ontvankelijk doch ongegrond” te verklaren; dat dit niet anders kan worden begrepen dan als een afstand van de exceptie; Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel afleidt uit de schending van de uitdrukkelijke motiveringsverplichting van de administratie- ve rechtshandeling zoals bepaald door de wet van 29 juli 1991, aangezien “het besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Limburgs-Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem en Maasmechelen ter plaatse ‘Teutelberg, Vierveld en Vuchterbos- heide’ niet gemotiveerd is zoals voorzien door de wet van 29 juli 1991”; dat zij stelt dat o.m. de ingeroepen dringende noodzakelijkheid niet wordt gemotiveerd zoals is vereist in de wet van 29 juli 1991; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord o.m. stelt dat het tweede middel ongegrond is, aangezien “enerzijds het bestreden besluit klaarblijkelijk een verordend karakter heeft (...) en anderzijds de motiveringsplicht, zoals deze verwoord wordt door de wet van 29.07.1991 niet geldt voor reglementaire besluiten”, en dat derhalve “het dossier doet blijken van een motivering die in alle opzichten als toereikend kan worden beschouwd”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord en laatste memorie niets wezenlijks aan het voorgaande toevoegt; Overwegende dat de tussenkomende partij dezelfde argumenten bijbrengt als de verwerende partij en daaraan niets wezenlijks toevoegt; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie in essentie doet gelden dat de verzoekende partij in het tweede middel enkel verwijst naar artikel 3, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat verder “op geen enkele wijze (...) in het middel duidelijk (wordt) gemaakt waarom op het vlak van de dringende noodzakelijkheid het bestreden besluit een gebrek aan motivering zou vertonen”, en dat bovendien “nergens melding wordt gemaakt in het verzoekschrift van artikel 3, §1 van de gecoördineerde wetten”; dat de verwerende partij zich voorts nog de vraag stelt of de besluiten tot vaststelling van de gewestplannen reglementen zijn in de zin van voormeld artikel 3, §1, in die zin dat het in casu gaat om de vaststelling van aanvullende voorschriften “die eigen zijn aan één bepaald gewestplan en derhalve (...) niet de algemene draagwijdte (hebben), die X-9374-3/6 eigen is aan de bestemmingen en voorschriften, vervat in het besluit van 28 december 1972”; dat de verwerende partij hiertoe een parallel trekt met de beschermingsbesluiten die in uitvoering van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten worden genomen, welke evenmin verordenend zijn; dat de verwerende partij ten slotte ten subsidiaire titel o.m. eraan toevoegt dat “rekening houdend met de wettelijke en decretale voorschriften inzake het vaststellen van gewestplannen enerzijds, die op zichzelf al geruime tijd vergen, en anderzijds de noodzaak om de nieuwe bestemming, die inherent is aan de vaststelling van het nieuwe besluit, en vooral de sanering van de site die er onlosmakelijk mee verbonden is, zo snel als mogelijk te kunnen realiseren, dient te worden vastgesteld dat de opgegeven motieven in dit geval naar hun redelijkheid geïnterpreteerd op afdoende wijze motiveren waarom het te nemen besluit dringend noodzakelijk was”; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie stelt dat op de door artikel 3, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verplichte raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State uitzondering kan worden gemaakt, o.a. in het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, en dat in casu de bestreden beslissing de ingeroepen hoogdringendheid uitgebreid motiveert; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat het bestreden besluit een bestemmingsplan met aanvullende stedenbouwkundige voorschriften voor delen van de kaartbladen 26/2, 26/3, 26/6 en 26/7 gedeeltelijk vaststelt waardoor de kwestieuze terreinen van de verzoekende partij een bestemmingswijziging ondergaan; dat ingevolge het bestreden besluit de terreinen als “natuurontwikkelingsgebied” worden bestempeld; dat het voorschrift, dat niet voorkomt in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de toepassing en de inrichting van ontwerpgewestplannen en gewestplannen, niet voorafgaandelijk voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State is toegestuurd; Overwegende dat het aangehaalde aanvullend stedenbouwkundig voorschrift, zoals alle voorschriften van de plannen van aanleg, krachtens artikel 2, § 1, van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, verordenende kracht bezit; dat het besluit van de Vlaamse regering, dat hieraan bindende kracht verleent, krachtens artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, buiten het met bijzondere redenen omklede geval van X-9374-4/6 hoogdringendheid, dienvolgens aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State dient te worden onderworpen; Overwegende dat de bestreden gewestplanwijziging toepassing maakt van het bestemmingsvoorschrift “Zone voor natuurontwikkeling”; dat dit bestemmingsvoorschrift door het bestreden besluit is vastgesteld als artikel 15 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat dit voorschrift niet aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd onderworpen; dat over het ontwerp betreffende het voormeld besluit van 1 december 1993 het advies van de afdeling wetgeving niet is ingewonnen, onder verwijzing naar de dringende noodzakelijkheid; dat evenwel in strijd met het artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die aangevoerde dringende noodzakelijkheid niet met bijzondere redenen werd omkleed; dat in die omstandigheden het bestemmingsvoorschrift onwettig is én de wettigheid van de aangevochten gewestplanwijziging, die er toepassing van maakt, aantast; dat de argumentatie van de verwerende partij dat de niet afdoende motivering van de niet raadpleging van de afdeling wetgeving niet kan worden afgeleid uit het opgeworpen tweede middel, niet kan worden bijgetreden aangezien, afgezien van de vraag of een middel ontleend aan de schending van artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de openbare orde raakt en derhalve desgevallend ambtshalve, wanneer de verzoekende partij nalaat dit op te werpen in haar middelen, moet worden opgeworpen, een middel om ontvankelijk te zijn weliswaar duidelijk moet bepalen welke rechtsregel is geschonden en hoe, maar dat daartoe niet noodzakelijk is vereist dat daarbij de rechtsregel uitdrukkelijk wordt aangewezen; dat het middel gegrond is, X-9374-5/6 BESLUIT: Artikel
  4. Vernietigd wordt het besluit van 1 december 1993 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van een gedeelte van het gewestplan Limburgs Maasland op het grondgebied van de gemeenten Dilsen-Stokkem en Maasmechelen ter plaatse “Teutelberg, Vierveld en Vuchterbosheide”. Artikel
  5. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9374-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.555 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.171 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.117.515 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.