← België

Arrest 168584 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 07/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.584 Rolnummer: A. 144364/XIV-27223 Zaak: Arrest 168584 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 07/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-04 01:25 Fiche Arrest nr 168.584 van 7 maart 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.584 van 7 maart 2007 in de zaak A. 144.364/XIV-27.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. AKIF, kantoor houdende te 4000 LUIK, Mont Saint-Martin 20 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Armeense nationaliteit, op 24 november 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 26 november 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 februari 2007; XIV-27.223-1/9 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat J. AKIF verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  5. XXX en zijn echtgenote XXX, beide van Armeense nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 21 februari 2000 en hebben zich op 22 februari 2000 vluchteling verklaard. 1.
  6. Op 5 juni 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. De beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2001 tot weigering van verblijf, luiden als volgt: Wat de eerste verzoekende partij betreft: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Armeens staatsburger van Armeense origine en bent u gehuwd met XXX. Als lid van de Communistische Partij trad u bij de parlementsverkiezingen van 1999 op als vertrouwenspersoon van de communistische kandidaat in uw regio Sharik, Marzpetuni Markarian. Op de dag van de verkiezingen, 30 mei 1999, stelde u vast dat er fraude gepleegd werd door de aanhangers van een tegenkandidaat, Samvel Balasanian. U wendde zich tot de politie om dit aan te geven, waarop een heftige discussie met de vertrouwenspersonen van Balasanian ertoe leidde dat het kieskantoor n/ 63 een half uur werd gesloten. Korte tijd later werd u naar buiten geroepen en vroegen 3 mannen u in hun wagen te stappen. Deze personen boden u eerst geld aan om de fraude te negeren, maar toen u dit weigerde, werd u door hen geslagen. Rond 18.00u keerde u terug naar het kieslokaal, dat al gesloten was, en waar de politie u vroeg om de volgende dag terug te komen met uw klacht voor de aanval. XIV-27.223-2/9 Terwijl u diezelfde nacht op het hoofdkwartier van Markarian zijn overwinning bij deze verkiezingen aan het vieren was, vielen plots rond 4.00u ’s morgens een 10 à 15 aanhangers van Balasanian binnen, waaronder de 3 personen die u eerder die dag hadden aangevallen. Eén van hen, S., sloeg u bewusteloos met een champagnefles, maar u zag nog net hoe H. H., de tweede vertrouwenspersoon van Marzpetuni Markarian, werd neergestoken met een mes. H. en u werden naar het ziekenhuis gebracht, waar H. bezweken is aan zijn verwondingen. Daarop werd u met 3 andere partijleden van de Communistische Partij, naar het politiebureau gebracht voor een ondervraging. Daar had u sterk de indruk dat de politie u de schuld van dit gevecht in de schoenen wilde schuiven. Nadien vernam u dat de medestanders van Balasanian de ouders van H. ervan hebben overtuigd dat u de moordenaar van hun zoon was, zodat zij zelfs officieel een klacht tegen u hebben ingediend. Toen de politie u die avond – het was intussen al 31 mei 1999 – terug liet gaan, diende u ook nog een document te ondertekenen dat u de stad één maand lang niet zou verlaten. Na een klacht van Balasanian tegen de verkiezingsuitslag in zijn district van 30 mei 1999 werd deze uitslag omwille van ongeregeldheden geannuleerd en werden er voor dit district nieuwe verkiezingen uitgeschreven op 11 juli
  8. In de aanloop naar deze tweede ronde werd u geïntimideerd door de clan van Balasanian om u niet meer in te zetten voor Markarian. Op 6 juni 1999 werd uw vrouw op straat agressief benaderd door enkele familieleden van H., maar met de hulp van enkele omstaanders slaagde ze er in te ontsnappen. Op 10 juli 1999 werd u in uw wagen beschoten door een voorbijrijdende wagen, waarin u de broer van H. herkende. U vluchtte onmiddellijk met uw ganse gezin naar het huis van een oom van uw vrouw, die in Alaverdi woonde. Daar bleef u enkele maanden wonen, en intussen vernam u dat Balasanian bij de tweede verkiezingsronde als overwinnaar uit de bus was gekomen en dat uw huis in de nacht van de verkiezingen was gevandaliseerd. Tijdens een feest van een pasgetrouwde nicht van uw vrouw op 12 februari 2000 kwam plots de broer van H. binnen, met enkele aanhangers van Balasanian, waaronder de drie mannen die u al eens hadden aangevallen. Omdat u daar met uw familie in de numerieke meerderheid was, slaagde u er in deze ongenode bezoekers buiten te zetten. U belde nadien nog naar Markarian, die u meedeelde dat de politie naar u op zoek was. Op 18 februari 2000 verliet u samen met uw vrouw, XXX, en uw beide kinderen, D. A. en D. A., Armenië, om op 21 februari 2000 aan te komen in België, waar u één dag later asiel aanvroeg bij de Belgische overheid. Op 10 april 2000 is uw vrouw hier in België nog bevallen van een tweede dochter, D. L.. B. Motivering U verklaart dat al uw problemen te maken hebben met Samvel Balasanian, de politieke tegenstander van het communistische partijlid Martzpetuni Markarian, waarvan u vertrouwenspersoon was. Wat betreft de persoonlijke problemen die u aanhaalt in verband met Balasanyan (aanval 30 mei 1999, aanval in de nacht van 30 op 31 mei 1999, dreigementen op 12 februari 2000), dient te worden vastgesteld dat u niet aannemelijk maakt dat u omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de (hogere) Armeense autoriteiten. Zo verklaart u voor de beide aanvallen – overdag en ’s nachts – van 30 mei 1999 een klacht te hebben ingediend bij de politie, die u zei dat ze uw klacht zouden onderzoeken (zie verhoorverslag CGVS, p. 15). Voor uw stelling dat de politie tot aan uw vertrek niets concreets heeft aangevangen met deze klacht, dat er geen officieel onderzoek werd geopend (zie verhoorverslag CGVS, p. 18), brengt u geen enkel element aan dat er op wijst dat deze inertie van de politie enig verband hield met uw ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Meer nog, gevraagd naar de reden waarom u gelooft dat het zinloos was elders een klacht in te dienen voor uw slagen en verwondingen, verwijst u enkel en alleen naar de corruptie van Balasanian (zie verhoorverslag CGVS, p. 18-19), wat evenwel een gegeven van louter gemeenrechtelijke aard is. Evenzo verklaart u voor de dreigementen van 12 februari 2000 op het feest van uw pasgetrouwde nicht geen klacht te hebben ingediend en herhaalt u hierbij nogmaals dat de corruptie van Balasanian de enige reden was waarom een klacht u zinloos leek (zie verhoorverslag CGVS, p. 25-26). Wat betreft de problemen die u hebt gekend met de familie van de vermoorde H. H. (intimidatie van uw vrouw op 6 juni 1999, beschieting op 10 juli 1999, dreigementen op 12 februari 2000), dient te worden opgemerkt dat deze problemen geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève. U stelt uitdrukkelijk dat u enkel XIV-27.223-3/9 problemen met hen kende omdat zij er door de aanhangers van Balasanian van overtuigd waren dat u verantwoordelijk was voor de moord op H. (zie verhoorverslag CGVS, p. 20). U brengt dan ook geen gegevens aan die er op wijzen dat u door deze mensen werd vervolgd omwille van uw ras, religie, geloof, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Gelet op bovenstaande vaststellingen kan niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De door u neergelegde documenten (lidkaart Communistische Partij, attest vertrouwenspersoon bij verkiezingen 30 mei 1999, attest deelname aan de verkiezingen 11 juli 1999, verkiezingsfolder Marzpetuni Markarian, video, attest van de Communistische Partij in verband met uw problemen, internetartikel “Nouvelles d’Arménie) zijn niet van die aard dat zij afbreuk kunnen doen aan deze vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...)”. Wat de tweede verzoekende partij betreft: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen en deze van uw echtgenoot bent u een Armeens staatsburger van Armeense origine en bent u gehuwd met XXX. Als lid van de Communistische Partij trad uw man bij de parlementsverkiezingen van 1999 op als vertrouwenspersoon van de communistische kandidaat in uw regio Sharik, Marzpetuni Markarian. Op de dag van de verkiezingen, 30 mei 1999, stelde uw man vast dat er fraude gepleegd werd door de aanhangers van een tegenkandidaat, Samvel Balasanian. Uw man wendde zich tot de politie om dit aan te geven, waarop een heftige discussie met de vertrouwenspersonen van Balasanian ertoe leidde dat het kieskantoor n/ 63 een half uur werd gesloten. Korte tijd later werd uw man naar buiten geroepen en vroegen 3 mannen hem in hun wagen te stappen. Deze personen boden uw man eerst geld aan om de fraude te negeren, maar toen hij dit weigerde, werd hij door hen geslagen. Rond 18.00u keerde uw man terug naar het kieslokaal, dat al gesloten was, en waar de politie uw man vroeg om de volgende dag terug te komen met zijn klacht voor de aanval. Terwijl uw man diezelfde nacht op het hoofdkwartier van Markarian de overwinning bij deze verkiezingen aan het vieren was, vielen plots rond 4.00u ’s morgens een 10 à 15 aanhangers van Balasanian binnen, waaronder de 3 personen die uw man eerder die dag hadden aangevallen. Eén van hen, Serob, sloeg uw man bewusteloos met een champagnefles, maar hij zag nog net hoe H. H., de tweede vertrouwenspersoon van Marzpetuni Markarian, werd neergestoken met een mes. H. en uw man werden naar het ziekenhuis gebracht, waar H. bezweken is aan zijn verwondingen. Daarop werd uw man met 3 andere partijleden van de Communistische Partij, naar het politiebureau gebracht voor een ondervraging. Daar had uw man sterk de indruk dat de politie hem de schuld van dit gevecht in de schoenen wilde schuiven. Nadien vernam uw man dat de medestanders van Balasanian de ouders van H. ervan hebben overtuigd dat hij de moordenaar van hun zoon was, zodat zij zelfs officieel een klacht tegen uw man hebben ingediend. Toen de politie uw man die avond – het was intussen al 31 mei 1999 – terug liet gaan, diende hij ook nog een document te ondertekenen dat hij de stad één maand lang niet zou verlaten. XIV-27.223-4/9 Na een klacht van Balasanian tegen de verkiezingsuitslag in zijn district van 30 mei 1999 werd deze uitslag omwille van ongeregeldheden geannuleerd en werden er voor dit district nieuwe verkiezingen uitgeschreven op 11 juli
  9. In de aanloop naar deze tweede ronde werd uw man geïntimideerd door de clan van Balasanian om zich niet meer in te zetten voor Markarian. Op 6 juni 1999 werd u zelf op straat agressief benaderd door enkele familieleden van H., maar met de hulp van enkele omstaanders slaagde u er in te ontsnappen. Op 10 juli 1999 werd uw man in zijn wagen beschoten door een voorbijrijdende wagen, waarin hij de broer van H. herkende. U vluchtte onmiddellijk met uw ganse gezin naar het huis van een oom van u, die in Alaverdi woonde. Daar bleef u enkele maanden wonen, en intussen vernam u dat Balasanian bij de tweede verkiezingsronde als overwinnaar uit de bus was gekomen en dat uw huis in de nacht van de verkiezingen was gevandaliseerd. Tijdens een feest van een pasgetrouwde nicht van u op 12 februari 2000 kwam plots de broer van H. binnen, met enkele aanhangers van Balasanian, waaronder de drie mannen die uw man al eens hadden aangevallen. Omdat u daar met uw familie in de numerieke meerderheid was, slaagde u er in deze ongenode bezoekers buiten te zetten. Uw man belde nadien nog naar Markarian, die hem meedeelde dat de politie naar hem op zoek was. Op 18 februari 2000 verliet u samen met uw man, XXX, en uw beide kinderen, D. A. en D. A., Armenië, om op 21 februari 2000 aan te komen in België, waar u één dag later asiel aanvroeg bij de Belgische overheid. Op 10 april 2000 bent u hier in België nog bevallen van een tweede dochter, D. L.. U bent in het bezit van een lidkaart van de bibliotheek van de Franse ambassade. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u zich voor uw asielaanvraag volledig baseert op de problemen die uw echtgenoot aanhaalt in het kader van zijn asielaanvraag. Zo verklaart u dat al uw problemen het gevolg zijn van de problemen van uw echtgenoot en beweert u verder geen persoonlijke problemen te hebben gekend die volledig los staan van de problemen van uw echtgenoot (zie verhoorverslag CGVS, p. 2). Aangezien in zijn hoofde werd besloten tot het nemen van een bevestigende beslissing van weigering van verblijf omwille van het kennelijk ongegronde karakter van zijn asielaanvraag, kan ook voor u niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De door u neergelegde lidkaart van de bibliotheek van de Franse ambassade is niet van die aard dat zij afbreuk kan doen aan deze vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...)”.
  10. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  11. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: XIV-27.223-5/9 “Verzoekers stellen volgende middelen tot schorsing, onverminderd al de eventuele andere middelen, aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier dan wel ambtshalve op te werpen door de Raad van State: De middelen zijn afgeleid uit de schending van het algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur en meer bepaald de motiveringsplicht, artikel 1 A 2 van het Verdrag van Genève, en artikels, 52 en 62 van de wet van 15.12.
  12. Bespreking Verwerende partij motiveert haar beslissing van 30.10.2003 door te stellen dat: “Wat betreft de persoonlijke problemen die U aanhaalt in verband met Balasanyan dient te worden vastgesteld dat u niet aannemelijk maakt dat u omwille van een van de criteria van de Conventie van Genève niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de Armeense autoriteiten. Zo verklaart u voor beide aanvallen, overdag en ' s nachts, van 30 mei 1999 een klacht te hebben ingediend bij de politie, die zei dat ze uw klacht zouden onderzoeken. Voor uw stelling dat de politie tot aan uw vertrek niets concreets heeft aangevangen met deze klacht, dat er geen officieel onderzoek werd geopend, brengt u geen enkel element aan dat er op wijst dat deze inertie van de politie enig verband hield met uw ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Meer nog, gevraagd naar de reden waarom u gelooft dat het zinloos was elders een klacht in te dienen voor uw slagen en verwondingen, verwijst u enkel en alleen naar de corruptie van Balasanian, wat evenwel een gegeven van louter gemeenrechterlijke aard is. Evenzo verklaart u voor de dreigementen van 12 februari 2000 op het feest van uw pasgetrouwde nicht geen klacht te hebben ingediend en herhaalt u hierbij nogmaals dat de corruptie van Balasanian de enige reden was waarom een klacht u zinloos leek.” “Wat betreft de problemen die u hebt gekend met de familie van de vermoorde H. H. dient te worden opgemerkt dat deze problemen geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève. U stelt uitdrukkelijk dat u enkel problemen met hen kende omdat zij er door de aanhangers van Balasanian van overtuigd waren dat u verantwoordelijk was voor de moord op H.. U brengt dan ook geen gegevens aan die er op wijzen dat u door deze mensen werd vervolgd omwille van uw ras, religie, geloof, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.” Artikel 1, A, 2 van het Verdrag van Genève betreffende de status van Vluchtelingen definieert de vluchteling als volgt: "Elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde groep, zich buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of uit hoofde van bovenvermelde vrees niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit...” Met vervolging wordt onder andere bedoeld: een bedreiging van leven of vrijheid, schending van fundamentele mensenrechten, zoals toegang tot onderwijsinstellingen, recht op arbeid. De vervolging kan uitgaan van de overheden van het land van herkomst of van medeburgers of bepaalde groepen waarbij de overheid van het land van herkomst hiertegen geen bescherming kan of wil bieden. De verwerende partij bestwist niet dat eerste verzoeker tweemaal op 30 mei 1999 werd geslagen, dat de wagen van eerste verzoeker beschoten werd door een voorbijrijdende wagen en dat het huis verzoekers gevandaliseerd werd. Uit de verklaringen van eerste verzoeker blijkt dat hij meerdere malen in zijn physische integriteit werd aangetast. Alhoewel eerste verzoeker nog niet veroordeeld werd door een rechtbank voor de moord van H. H. werd hij verschillende keren door de familie van H. benaderd en een keer het slachtoffer van een poging tot moord zonder dat de politie eerste verzoeker heeft beschermd. Er is wel degelijk een vervolging in de zin van het verdrag van Genève. De vervolging is afkomstig van medeburgers en ook de politieke tegenstanders van eerste verzoeker en de overheid kan niet optreden. Eerste verzoeker heeft uiteraard verklaard dat hij een klacht heeft ingediend, welke nooit onderzocht werd. Ten onrechte oordeelde dan ook de verwerende partij dat verzoekers de bescherming van het Verdrag van Genève niet kunnen bekomen. Op grond van de feiten die zij bewezen achtte, kon de verwerende partij niet besluiten dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestond. XIV-27.223-6/9 Er dient dan ook een schending van de motiveringsplicht als opgelegd door artt. 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artt. 52 en 62 van de Vreemdelingenwet vastgesteld te worden. Verwerende partij heeft met voldoende redenen aangehaald om de bescherming van art. 1A2 van de Conventie van GENÈVE af te wijzen.”; 2.
  13. Overwegende dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer bepaald wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever gebruik werd gemaakt in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat dit artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van artikel 52, §2, van de Vreemdelingenwet, kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van de Vreemdelingenwet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk zijn of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit de motieven van de bestreden beslissingen in casu blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen de asielaanvragen aan een individueel onderzoek heeft onderworpen en heeft beslist dat de asielmotieven geen verband houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat uit de bestreden beslissing ten aanzien van de eerste verzoekende partij blijkt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hij, omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève, niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de Armeense autoriteiten; dat voor de stelling dat de politie niets concreets heeft aangevangen met zijn klacht en er geen officieel onderzoek werd geopend, de eerste verzoekende partij geen enkel element aanbrengt dat erop wijst dat deze inertie van de politie enig verband hield met zijn ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep; dat verzoeker verwijst naar de corruptie als verklaring voor de inertie doch de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelt dat dit een gegeven van louter gemeenrechtelijke aard is; dat eerste verzoeker zijn verklaringen bevestigt en stelt dat de overheid hem geen bescherming kan bieden; dat dit argument van eerste verzoeker zijn visie over het gebrek aan bescherming in zijn land van herkomst betreft, maar geen kritiek inhoudt op de motieven van de bestreden beslissing; dat corruptie een gegeven is van gemeenrechtelijke aard; dat, wat verzoekers problemen betreft met de familie XIV-27.223-7/9 van de vermoorde H. H. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen eveneens vaststelt dat deze problemen geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève; dat verzoeker immers uitdrukkelijk verklaarde dat deze problemen het gevolg waren van de overtuiging van de betrokken familie dat hij verantwoordelijk was voor de moord; dat verzoeker dan ook geen gegevens aanbrengt die erop wijzen dat hij door de familie werd vervolgd omwille van zijn ras, religie, geloof, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep; dat verzoeker verzuimt uit te leggen waarom hij omwille van één van de criteria van de Conventie van Genève niet zou kunnen rekenen op de bescherming van de Armeense autoriteiten en waarom zijn problemen met de familie onder één van de criteria van het Vluchtelingenverdrag zouden ressorteren; dat het feit dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met de appreciatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissingen is; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat in een eerste deel de feiten gedetailleerd en precies worden weergegeven die resulteren uit de neerslag van de verklaringen van de verzoekende partijen tijdens het verhoor voor het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en staatlozen; dat in een tweede deel hun verklaringen op nauwkeurige wijze onderzocht worden; dat de juistheid en pertinentie van de aangevoerde motieven niet wordt weerlegd door de verzoekende partijen; dat de motiveringen de beslissingen blijken te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk zijn; dat in zoverre de verzoekende partijen willen aantonen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd zou hebben beoordeeld, in herinnering moet worden gebracht dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat de verzoekende partijen zich in wezen beperken tot het uiteenzetten van hun standpunt en een herhaling van de aangevoerde feiten waarbij zij voorbijgaan aan de bevindingen van de bestreden beslissingen en waarbij zij op die manier geen individuele vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aannemelijk maken; dat het enig middel ongegrond is;
  14. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. XIV-27.223-8/9 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven maart tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-27.223-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.584 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.