← België

Arrest 168594 - Milieuvergunningen - 08/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.594 Rolnummer: A. 100844/VII-23194 Zaak: Arrest 168594 - Milieuvergunningen - 08/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-16 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 17:08 Fiche Arrest nr 168.594 van 8 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.594 van 8 maart 2007 in de zaak A. 100.844/VII-23.

  1. In zake : de gemeente MOORSLEDE, die woonplaats kiest bij advocaat F. SOETAERT, kantoor houdende te KORTRIJK, Veemarkt 47/7 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE en J. COLPAERT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
  2. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaat B. ASSCHERICKX, kantoor houdende te BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente MOORSLEDE op 23 februari 2001 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerleg- ging van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 18 december 2000 waarbij het beroep van de n.v. AQUAFIN ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 22 juni 2000, houdende het weigeren van de vergunning aan de n.v. AQUAFIN om een nieuwe rioolwaterzuiveringsinstallatie, gelegen aan de Zonnebeeksestraat te Moorslede, te exploiteren, gegrond wordt verklaard en de vergunning wordt verleend; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van hetzelfde besluit; Gelet op het arrest nr. 103.899 van 21 februari 2002, waarbij het verzoek tot tussenkomst van de n.v. AQUAFIN in het administratief kort geding VII-23.194-1/3 wordt ingewilligd, de debatten worden heropend en de kosten van de tussenkomst ten laste van de tussenkomende partij worden gelegd; Gelet op de beschikking van 23 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE CONINCK, die, loco advocaat F. SOETAERT, verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. LOUAGE, die, loco advocaat G. MARTYN, verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. LEBBE, die, loco advocaat B. ASSCHERICKX, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het thans bestreden besluit door de Raad van State werd vernietigd bij arrest nr. 152.378 van 8 december 2005, gewezen in de zaak A. 100.884/VII-23.196; dat de vordering tot schorsing aldus zonder voorwerp is en moet worden verworpen; Overwegende dat artikel 70, § 1, vierde lid, van het algemeen procedurereglement aan de Raad van State de mogelijkheid biedt om, in geval een beroep doelloos wordt, in één arrest uitspraak te doen over de vordering tot schorsing en het annulatieberoep, zonder dat dat laatste beroep aanleiding geeft tot de betaling van enig recht; dat de kosten van de vordering tot schorsing ten laste van het Vlaamse gewest worden gelegd, VII-23.194-2/3 BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing en het annulatieberoep worden verworpen. Artikel
  5. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-23.194-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.594 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.899 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.