id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.644 Rolnummer: A. 140532/XIV-27196 Zaak: Arrest 168644 - Dienst Vreemdelingenzaken - 08/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 17:10 Fiche Arrest nr 168.644 van 8 maart 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.644 van 8 maart 2007 in de zaak A. 140.532/XIV-27.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sierra Leoonse nationaliteit, op 4 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 februari 2007; XIV-27.196-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Sierra Leoonse nationaliteit, is België binnengekomen op 31 juli 2000, waar zij zich dezelfde dag een eerste maal vluchteling heeft verklaard. Haar eerste asielaanvraag werd afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
- Verzoekster verklaart zich op 12 maart 2003 een tweede maal vluchteling. Op 25 maart 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering tot in overwegingname van een asielaanvraag. 1.
- Op 9 mei 2003 dient zij bij de burgemeester van Middelkerke een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 4 juli 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing. Zij berust op volgende overwegingen: “Redenen: De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor XIV-27.196-2/5 Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) op 05/02/2001 en kennis gegeven op 07/02/
- Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Daarenboven gaf zij geen gevolg aan de oproep om inlichtingen van het CGVS. Hierdoor kunnen haar problemen in Sierra Leone sterk betwijfeld worden aangezien zij naliet haar asielrelaas te verdedigen. Het feit dat zij niet over de nodige financiële middelen beschikt om terug te keren is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Zij kan beroep doen op de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) ten einde haar terugkeer voor te bereiden.”. 1.
- Op 13 september 2004 wordt verzoekster in het bezit gesteld van een Bewijs van inschrijving in het Vreemdelingenregister met beperkte duur.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “(...) III.
- Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991) en schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, schending van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij Wet van 26 juni 1953 en schending van de artikelen 9 e.v. van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980; III.
- Verzoekster wordt geconfronteerd met een beslissing van het MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, Algemene Directie van de Dienst vreemdelingzaken, dd. 04.07.2003 waarbij haar regularisatie-aanvraag ex art. 9,3/ van de Wet van 15 december 1980 geweigerd werd. In de motivering stelt het MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, Algemene Directie van de Dienst vreemdelingzaken dat de uitzonderlijke toestand niet kan aanvaard worden en dat de medische problemen -na controler - een terugkeer niet verhinderen. III.
- Dat de beslissing zichzelf tegenspreekt. Dat men stelt dat de redenen die mijn verzoekster aanhaalt niet buitengewoon zijn. Dat vooreerst er in 2001 een beslissing werd getroffen door het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (05.02.2001), maar dat dit enkel sloeg op de toestand anno
- Het verzoek dat voorligt dateert van 02.05.2003 en het volstaat dus niet te verwijzen naar een beslissing die maar liefst 27 maand voor de aanvraag dateert. Dat haar toestand van gevaar voor haar in haar land als alleenstaande moeder door de beslissing geenszins besproken wordt, laat staan in argumentatie ontmoet wordt. Vervolgens heeft het MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, Algemene Directie van de Dienst vreemdelingzaken, dd. 04.06.2003 de toestand van integratie geenszins besproken, tedit duidelijk als argument werd aangehaald in het verzoek dd. 25.07.
- Tenslotte werd de medische toestand van mijn verzoekster volledig dubbelzinnig behandelt. Enerzijds wordt deze niet weerhouden (en ook niet besproken), maar maakt wel het voorwerp uit van een verlening van het bevel om het grondgebied te verlaten. III.
- In zijn beslissing dd. 04.06.2003 heeft het MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN, Algemene Directie van de Dienst vreemdelingzaken in zijn motivering deze feiten niet besproken, noch eventueel weerlegd. Daardoor is in deze beslissing niet voldaan aan de artikelen 2 en 3 van XIV-27.196-3/5 de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S., 12 september 1991). Het feit dat met bepaalde elementen, aangebracht door verzoekster in de motivering, geen rekening werd gehouden en dat in de motivatie staat dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, terwijl deze er duidelijk zijn, maakt een schending uit van de boven vermelde wetsartikelen. R. v. St. nr. 44.801, 3 november 1993, T. Vreemd., 1994, 95; T. Vreemd., 1994, 56; Rev. Dr. Etr., 1994, 29;”; 2.
- Overwegende dat artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit de uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat in de aanvraag tot voorlopig verblijf, op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, verzoekster onder meer aanvoert dat zij zwanger is en in haar land van herkomst niet de nodige medische hulp en verzorging kan krijgen; dat aldus blijkt dat verzoekster expliciet haar zwangerschap heeft aangevoerd als een buitengewone omstandigheid die het indienen van de aanvraag in België volgens haar verantwoordde; dat uit de motivering van de bestreden beslissing echter niet blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken op dit element heeft geantwoord; dat hieromtrent in de motivering van de bestreden beslissing geen enkele overweging is te vinden, alhoewel de Minister wel degelijk bewust was van de situatie van verzoekster, nu hij in de brief aan de gemeente Middelkerke waarin de beslissing betreffende verzoekster werd meegedeeld, de instructie geeft om, gelet op haar zwangerschap, het aan verzoekster gegeven bevel om het grondgebied te verlaten te verlengen; dat verzoekster dan ook kan worden bijgetreden dat haar medische toestand volledig dubbelzinnig werd behandeld; dat bijgevolg dient te worden besloten tot een schending van de motiveringsplicht, vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat het middel, in die mate, gegrond is; dat er geen grond meer is om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, XIV-27.196-4/5 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 2003 waarbij de aanvraag van verzoekster om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-27.196-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.