id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.777 Rolnummer: A. 178798/IX-5474 Zaak: Arrest 168777 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-16 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 17:25 Fiche Arrest nr 168.777 van 12 maart 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.777 van 12 maart 2007 in de zaak A. 178.798/IX-
(1)(p. 45) wordt niet vermeld waarover de brieven van genoemde correspondenten gaan. De auteur van de archivaris zegt enkel dat het brieven zijn die gericht zijn aan de audiëncier. Is er een samenhang, is die er niet? - Op p. 50/51 staat er nu eens ‘stukken uit de briefwisseling van ...’, dan weer ‘Briefwisseling van’. - Bij nr. 63 (p. 51) moet het zijn 20 december 1537 i.p.v. ‘30 december 1538'. - Nr. 66 bis (p. 51) moet zijn: Minuten van brieven van Nicolas Perrenot de Granvelle en van Maria van Hongarije aan Karel V i.p.v. ‘Brieven van Nicolas Perrenot de Granvelle aan Karel V’. - Nr. 83 (p. 51) moet zijn 1555-1556 (n.s.) i.p.v. ‘1555'. - Nr. 84 (p. 51) moet zijn 1550-1554; 1556-1558 i.p.v. ‘1551-1552, 1556-1558'. - Nrs. 1399/24 en 1603 (p. 71) : ‘Minuten ...’, maar materieel is het ‘1 stuk’; - Nr. 251 (p. 79 en p. 97) : bevat ‘originelen en minuten van beiden’; waarom is hier overigens geen pro-memorienummer gebruikt? IX-5474-7/22 - Nr. 832/5 (p. 90) : ‘Opdrachten aan de audiëncier...’ bij ‘Briefwisseling van de landvoogd’, net zoals nr. 1488/7 (p. 90) ‘Consulten waarvan de landvoogd de bewaring bevolen had’; - Hoofdstuk 3 vermeldt allerlei bescheiden die relatief gemakkelijk te koppelen zijn aan de taak van de audiëncier als ‘archivaris’ van de Raad van State (b.v. de notulen in nr. 778-783, p. 96-97) of als secretaris van de Geheime Raad, enzovoort. De manier waarop de Heer Deceulaer de consulten van de Raad van State beschrijft (p. 98-99), typeert ten volle hoezeer hij nog schatplichtig is aan de beschrijvingen van Nelis. Onder punt 5 in datzelfde hoofdstuk wordt veel te weinig rekening gehouden met de door de personen in kwestie uitgeoefende functie. De Heer Gustaaf Janssens benadrukt dat de Heer Deceulaer inziet dat zij als archiefvormer optraden, maar dat hij te weinig oog heeft voor het kader waarin dit gebeurde, en zich nauwelijks vragen stelt omtrent de reden waarom deze bescheiden deel uitmaken van het archief van de Audiëntie. - De heer Deceulaer heeft ook méér willen doen dan was gevraagd: het kernarchief van de Audiëntie hoeft niet de archiefbescheiden van de Raad van State te bevatten. Anderzijds zijn er ook gemiste kansen. Via dorsale notities (uit de tijd waarin het archief in de dynamische fase verkeerde) kan een poging gedaan worden om de oorspronkelijke orde gedeeltelijk te reconstrueren. Het is mogelijk om te weten welke dossiers tot in de 18de eeuw samen in één kast of lade hebben gezeten. Deze gegevens staan niet alleen op de stukken, zij worden ook in de handschriftelijke inventaris van Nelis vermeld. De heer Deceulaer heeft er echter geen gebruik van gemaakt. Ook werd geen voordeel gehaald uit de bestaande handschriftelijke (deel)inventarissen uit de dynamische fase van het archief. Mede door deze manco*s blijft het onduidelijk of voorliggend werkstuk het hele ‘kernarchief’ van de Audiëntie bevat. - Een index van persoons- en plaatsnamen ontbreekt vooralsnog: bij het maken ervan zullen ook de vele vraagtekens bij de plaatsnamen in nr. 618 (p.188-190) moeten worden opgelost. Na deze grondige toelichting, sluit de Heer Gustaaf Janssens zijn betoog af met de eindbeoordeling van het inventariseringswerk. Het werk van de heer Deceulaer is een eerste een stap naar een betere ontsluiting van een zeer belangrijk en erg complex archief. Het is zeker nog niet de definitieve inventaris van het ‘kernarchief’ van de Audiëntie. Hij geeft toe dat het gaat om een erg weerbarstig bestand, dat slechts mondjesmaat zijn geheimen prijsgeeft - niet in het minst door de vele moeilijk leesbare stukken - en een geduldige, aandachtige analyse vergt. De tijd van ca. 20 maanden, die de Heer Deceulaer aan dit werkstuk kon besteden, was duidelijk te kort voor een beginnend archivaris om tot een beter resultaat te komen. De Heer Gustaaf Janssens vindt het jammer dat de voorliggende inventaris nog niet aan de te verwachten kwaliteitsnorm voldoet.
- De Heer Gustaaf Janssens komt tot een genuanceerde eindbeoordeling. Hij is van oordeel dat de Harald Deceulaer een gewaardeerde collega is wiens werkijver, inzet en doorzettingsvermogen voor iedereen duidelijk is. Hij streeft ernaar snel en efficiënt te werken en komt zijn afspraken na. Zijn paleografische kennis is er door de dagelijkse omgang met vaak erg moeilijk leesbare documenten zeer sterk op vooruitgegaan. Inzake externe dienstverlening toont hij zich een bekwaam medewerker, zowel voor het beantwoorden van schriftelijke vragen als in de leeszaal. De Heer Gustaaf Janssens signaleert dat Harald Deceulaer een cursus Spaans volgde, wat zijn geschiktheid voor de omgang met de archieven van de centrale instellingen uit de Spaanse Periode alleen maar zal toenemen. Maar, zijn drang naar snelle resultaten speelt hem echter geregeld parten in die zin dat hij weinig belang hecht aan wat in zijn ogen bijkomstig is. Dit komt zowel tot uiting bij IX-5474-8/22 het uitvoeren van inspectieopdrachten, het opstellen van inspectierapporten en het inventariseren. Hierdoor ontsnapt hem soms het significante detail. Ook de weloverwogen, nauwkeurige en correcte verwoording en beschrijving - een basisvereiste voor een wetenschapper in het algemeen en voor een archivaris in het bijzonder - lijden onder dit “snelle werk”. Geduld is niet zijn sterkste kwaliteit, en het streven naar de perfecte afwerking al evenmin. De Heer Gustaaf Janssens stelt vast dat Harald Deceulaer bovendien vrij eigenzinnig is, om niet te zeggen koppig. Het is nl. niet makkelijk om hem tot andere inzichten te brengen, in sommige opzichten is zelfs de omschrijving ‘hardleers’ op hem van toepassing. Hij is bijgevolg niet zo makkelijk te begeleiden. Deze vaststelling is een feit, ook al moet er begrip worden opgebracht voor de wijze waarop de mandaatperiode is verlopen, wat inhield dat de heer Deceulaer gedurende twee jaar zo goed als helemaal aan zijn lot is overgelaten en dat hij op archivistisch gebied nauwelijks enige opleiding heeft genoten. Ook de moeilijkheidsgraad van de opdracht speelt hem kennelijk gedurig parten. De Heer Gustaaf Janssens is ervan overtuigd dat Harald Deceulaer talent heeft om een goed archivaris te worden, op voorwaarde dat hij niet te snel tevreden is met het bereikte resultaat. Geen van beide werkstukken die hier voorliggen, is immers in de huidige vorm publiceerbaar. Zij zijn niet ‘af’. Aangezien de heer Deceulaer volgens de Heer Gustaaf Janssens duidelijk ‘gegroeid’ is, aangezien hij eigenlijk twee jaar verloren heeft en nog niet bewezen heeft dat hij de hem toegewezen opdrachten zelfstandig en volgens alle regels van de archivistiek tot een goed einde kan brengen, stelt hij de vergadering voor om aan de heer Deceulaer nog een bijkomende stageperiode van twee jaar toe te kennen. De heer Karel Velle dankt de Heer Gustaaf Janssens voor de eerlijke, grondige en genuanceerde rapportering over het wetenschappelijk werk van Harald Deceulaer maar betreurt de zeer talrijke onvolkomenheden in het werk dat werd voorgelegd. Hij toont zich weinig enthousiast over het resultaat van de door de Heer Deceulaer uitgevoerde inspecties en over de zeer magere resultaten van de primaire ontsluiting van de enkele neergelegde seriële bestanden. Hij vindt het jammer dat Harald Deceulaer, die een wetenschappelijke anciënniteit van 12 jaar kan voorleggen, kennelijk niet in staat is een publiceerbaar en wetenschappelijk verantwoord archivistisch eindproduct af te leveren. Hij wijst erop dat afdeling 4 (archieven van het Ancien Régime) wellicht uit slechts 3 tot 4 archivarissen zal kunnen bestaan en dat het voor de instelling belangrijk is dat de collega*s op relatief korte tijd maximaal inzetbaar zijn en autonoom kunnen functioneren. De Heer Axel Tixhon heeft eveneens woorden van lof voor de degelijkheid van de rapportering van de Heer Janssens, verwondert zich over het feit dat de heer Deceulaer na een mandaat van vier jaar niet tot publiceerbare resultaten kan komen en sluit zich aan bij de analyse van de Heer Karel Velle. Hij is van oordeel dat de verlenging van het mandaat met twee jaar een zware hypotheek legt op het functioneren van de afdeling waartoe hij behoort. De Heer Luc François sluit zich bij deze beoordeling aan en stelt zich de vraag of de manifeste koppigheid van de Heer Deceulaer nog tijdens een eventueel derde mandaat valt te remediëren. Na deliberatie besluit de commissie, met consensus van de aanwezige leden, om negatief advies te verlenen over het wetenschappelijk werk dat de heer Harald Deceulaer tijdens zijn tweede mandaat heeft verricht en om de Minister daarom te adviseren hem niet te bevestigen in rang A. De onvolkomenheden in zijn werk zijn dermate ernstig dat een derde mandaat van twee jaar, naar de verwachting van de commissie, geen optie is die hem IX-5474-9/22 zal toelaten zich te kwalificeren als archivaris. De commissie adviseert de Minister dan ook om een einde te stellen aan het mandaat van de heer Harald Deceulaer”. 1.
- Verzoeker reageert hierop met een brief van 25 juli 2006, waarin hij aan de Algemeen Rijksarchivaris de algemene context van zijn twee opeenvolgende mandaten, inzonderheid de omvang en de complexiteit van zijn opdracht en de uitzonderlijke omstandigheden waarin deze diende te worden uitgevoerd, toelicht. Hij schetst de resultaten van de inventarisatie die hij heeft verricht, hij repliceert op de fouten die hem worden verweten en hij stelt oplossingen voor. Hij besluit dat het hem voorkomt dat de jury “in haar beoordeling niet echt rekening heeft gehouden met de uitzonderlijke omstandigheden waarin het mandaat is uitgevoerd moeten worden” en verzoekt de commissie om “wegens uitzonderlijke omstandigheden het mandaat te verlengen met een periode van één jaar”. 1.
- Op 28 juli 2006 wordt verzoeker, bijgestaan door een vertrouwenspersoon, door de Commissie voor Werving en Bevordering gehoord. De commissie bevestigt echter haar besluit van 5 juli 2006 in de volgende bewoordingen : “Nadat de Heer Harald Deceulaer en Mevr. Rolande Depoortere omstreeks 14u45 de vergaderzaal hebben verlaten, neemt de deliberatie een aanvang. De heer Voorzitter benadrukt dat de hamvraag is of de Heer Harald Deceulaer nieuwe elementen heeft aangebracht in het dossier die voldoende zwaar wegen om de beslissing van de Commissie van 5 juli 2006 te herzien, met andere woorden, of de bezwaren die de Heer Harald Deceulaer heeft geuit kunnen worden bijgetreden of integendeel weerlegd kunnen worden. Verschillende leden van de vergadering dringen erop aan dat ook het diensthoofd, de Heer Michel Oosterbosch, zou gehoord worden, alvorens een definitieve beslissing te nemen. Omstreeks 14u50 neemt de Heer Michel Oosterbosch deel aan de zitting en volgt een korte gedachtewisseling over de kans op verbetering in de attitude van de Heer Deceulaer en over het belang van vorming en begeleiding tijdens het mandaat. De Heer Oosterbosch verlaat de vergadering omstreeks 15u10, waarna de deliberatie wordt verder gezet. Na beraadslaging is de Commissie van oordeel dat er onvoldoende nieuwe elementen aan bod zijn gekomen die de Commissie ertoe verplichten een ander standpunt in te nemen. Derhalve bevestigt de Commissie unaniem het standpunt zoals ingenomen op 5 juli 2006 en wel op grond van de volgende overwegingen :
- Van een lid van het wetenschappelijk personeel van een Federale Wetenschappelijke Instelling met een zeer aanzienlijke wetenschappelijke anciënniteit en die bovendien houder is van een diploma van doctor, moet worden verwacht dat hij 1/ de nodige discipline aan de dag kan leggen om binnen redelijke termijn kwalitatief goede teksten persklaar aan te bieden en IX-5474-10/22 2/ zelf bepaalde keuzes kan maken en oplossingen voor methodologische problemen kan bedenken en die ook kan verantwoorden.
- Een aantal bezwaren die door de Heer Harald Deceulaer werden aangereikt doen minder terzake omdat ze geen verband houden met de initiële taakstelling van het tweede mandaat (nl. de inspectieopdracht en de ontsluiting van het kernarchief van de Audiëntie).
- De normen, opgenomen in de publicaties van Herman Coppens, waarnaar in het bezwaarschrift uitgebreid wordt verwezen, zijn indicatief maar wegen als argument te licht om aan te tonen waarom in de inleiding tot het ontwerp van inventaris geen grondige analyse van de institutionele context aan bod kwam en evenmin waarom de ontsluiting niet kon worden beëindigd.
- Er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat de heer Harald Deceulaer niet de attitude of de ingesteldheid heeft om van een historicus te evolueren naar het beroep van rijksarchivaris, terwijl andere collega*s, die ook doctor in de geschiedenis zijn en bovendien vaak een dienst moeten leiden, deze evolutie wel op korte termijn kunnen doormaken”. 1.
- Met een brief van 28 augustus 2006 aan de voorzitter van de Commissie voor Werving en Bevordering maakt verzoeker enkele opmerkingen over het voornoemd verslag. Hij stelt voorts dat het onduidelijk is welke mening diensthoofd Michel OOSTERBOSCH ten aanzien van de commissie heeft geformuleerd, maar dat het vooral onaanvaardbaar is dat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen om met kennis van diens mening aan de commissie toelichting te geven. 1.
- Met een brief van 5 september 2006 antwoordt de voorzitter van de Commissie voor Werving en Bevordering dat zorgvuldigheidsoverwegingen de commissie ertoe hebben gebracht om Michel OOSTERBOSCH als directe hiërarchische meerdere van verzoeker en rechtstreekse getuige te horen over de feiten, dat dit verhoor geen nieuwe feiten heeft opgeleverd en dat het diensthoofd na het verhoor de vergadering heeft verlaten en niet heeft deelgenomen aan de beraadslaging. De voorzitter wijst er voorts op dat de leden van de commissie hun eventuele opmerkingen bij de notulen van de vergadering hebben kunnen kenbaar maken en dat aldus de nodige waarborgen aanwezig zijn voor een juiste weergave van het verhoor en van het uiteindelijke standpunt van de commissie. 1.
- Met een aangetekende brief van 22 september 2006 schrijft de Minister die het federaal wetenschapsbeleid onder zijn bevoegdheid heeft, aan verzoeker wat volgt : “Bij het einde van uw tweede mandaat van twee jaren als assistent bij het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën heeft de Commissie voor Werving en Bevordering van deze instelling, in haar vergaderingen van 5 juli 2006 en 28 juli 2006, haar advies gegeven over uw wetenschappelijke IX-5474-11/22 verdiensten. Uittreksels uit deze procesverbalen, voor zover ze U betreffen, zijn U laten geworden door de algemeen directeur van het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën. De Commissie was hierbij van oordeel dat U niet hebt blijk gegeven van de vereiste bekwaamheid voor het vervullen van de opdrachten waarmee U was belast ingevolge uw aanwerving als assistent met mandaat. Om die reden heeft de Commissie besloten geen gunstig advies te geven aan de voortzetting van uw loopbaan als statutair wetenschappelijk assistent bij voormelde instelling. Mij aansluitend bij de motivering die aan de grondslag ligt van dit advies en die wordt uiteengezet in het P.V. van de vergadering van 28 juli 2006 moet ik U tot mijn spijt meedelen dat uw tewerkstelling als statutair wetenschappelijk personeelslid met mandaat bij het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën eindigt op de avond van 16 augustus
- Het C4 formulier voor het bekomen van de werkloosheidsuitkering zal U per afzonderlijke aangetekende brief worden bezorgd. De uitbetaling van het maandloon waarop U recht had op 16 augustus 2006 zal U verder worden uitgekeerd voor de periode van 17 augustus 2006 tot en met 31 oktober 2006.”;
- De gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de eerste voorwaarde in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 7, 9, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat (hierna : het koninklijk besluit van 21 april 1965), doordat de minister die het federaal wetenschapsbeleid onder zijn bevoegdheid heeft, met de bestreden beslissing een einde maakt aan de tewerkstelling van verzoeker als statutair wetenschappelijk personeelslid, terwijl alleen de Koning, die verzoeker in de voormelde hoedanigheid voor een tweede mandaat van twee jaar heeft benoemd, bevoegd is om na de afloop van dat mandaat op grond van de wetenschappelijke verdiensten die verzoeker tijdens dat mandaat heeft laten blijken, te beslissen of betrokkene opnieuw kan worden benoemd voor een bijkomend mandaat of kan worden bevestigd in zijn ambt; dat hij hierbij uiteenzet dat de Koning hem met toepassing van de artikelen 7 en 9 van het koninklijk besluit van 21 april 1965 heeft aangeworven in een betrekking van het wetenschappelijk personeel van rang A; dat de Koning hem bij besluiten van 26 mei 2002 en 31 januari 2005 telkens heeft IX-5474-12/22 benoemd als assistent voor een mandaat van twee jaar; dat een dergelijk mandaat bedoeld is om de wetenschappelijke verdiensten van het personeelslid te kunnen beoordelen en dat het personeelslid een aantal mandaten moet uitoefenen alvorens in rang A te kunnen worden bevestigd; dat de omstandigheid dat de Commissie voor Werving en Bevordering een negatieve beoordeling uitbrengt van de wetenschappelijke verdiensten van het personeelslid, niet met zich brengt dat de minister zich kan onttrekken aan de uitoefening van zijn voordrachtplicht die de Koning moet toelaten zijn bevoegdheid uit te oefenen; dat zelfs indien de minister zich het advies van de commissie eigen maakt, hij nog een voordracht moet doen aan de Koning tot weigering van de toekenning van een bijkomend mandaat of van een bevestiging in rang, opdat laatstgenoemde zijn bevoegdheid zou kunnen uitoefenen; dat, in casu, de minister, door geen voordracht te doen, zich een bevoegdheid van de Koning heeft aangematigd; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker werd tewerkgesteld als mandaathouder bij een federale wetenschappelijke instelling; dat een dergelijk mandaathouder, overeenkomstig het voornoemde koninklijk besluit van 21 april 1965, zich in een statutaire toestand bevindt, maar niet vast benoemd is; dat de verlenging van het mandaat geen verplichting is; dat de Commissie voor Werving en Bevordering bij het einde van het mandaat een advies dient uit te brengen over de wetenschappelijke verdiensten van het betrokken personeelslid; dat indien dit advies gunstig is, de minister het betrokken personeelslid aan de Koning voordraagt voor een volgend mandaat van twee jaar of, desgevallend, voor een bevestiging in rang A of een bijkomend mandaat van één jaar; dat de Koning alsdan een benoemingsbesluit neemt; dat indien het voormelde advies ongunstig is, de minister het betrokken personeelslid op de hoogte brengt van het feit dat zijn mandaat afloopt bij het verstrijken ervan; dat de minister aldus slechts uitvoering geeft aan het oorspronkelijke benoemingsbesluit en zijn grondwettelijke bevoegdheid niet overschrijdt; dat het mandaat hoe dan ook automatisch verstrijkt; dat het koninklijk besluit van 21 april 1965 niet aan de Koning de bevoegdheid verleent om het betrokken personeelslid daarvan op de hoogte te brengen; dat, in casu, de Commissie voor Werving en Bevordering een ongunstig advies verleende over de wetenschappelijke verdiensten van verzoeker, waardoor diens mandaat bij het verstrijken van de toegekende periode van twee jaar, op 16 augustus 2006, werd beëindigd en de minister verzoeker hiervan met een brief van 22 september 2006 in kennis heeft gesteld; IX-5474-13/22 2.1.
- Overwegende dat de artikelen 7, 9, 10 en 11 van het koninklijk besluit van 21 april 1965, als volgt luiden : “Art.
- §
- De leden van het wetenschappelijk personeel worden in de rang A aangeworven in een betrekking van het wetenschappelijk personeel. Onverminderd de bepalingen betreffende de controle op de lichamelijke geschiktheid, kan niemand worden aangeworven indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1/ Belg zijn indien de uit te oefenen betrekking al dan niet rechtstreeks deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhoudt en werkzaamheden omvat strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de Staat, ofwel, in de overige gevallen, Belg zijn of burger van een Staat die deel uitmaakt van de Europese economische ruimte; 2/ de burgerlijke en politieke rechten genieten; 3/ aan de dienstplichtwetten voldaan hebben; 4/ een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking; 5/ (...) 6/ houder zijn van een einddiploma dat na ten minste vier jaar studie is uitgereikt door een universiteit of door een van de instellingen die ermede gelijkgesteld zijn door één van de Gemeenschappen of door een examencommissie die voor het toekennen van de academische graden door de Staat of één van de Gemeenschappen is ingesteld; 7/ de eventueel door de commissie vastgestelde speciale wetenschappelijke geschiktheid bezitten. §
- In geval van aanwerving van een burger van een Staat die deel uitmaakt van de Europese economische ruimte houder van een diploma zoals bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel uitgereikt door een andere dan een Belgische instelling, moet de commissie vooraf de geldigheid van het door de kandidaat voorgelegde diploma nagaan, overeenkomstig de procedure die omschreven is in bijlage I, hoofdstuk II, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. Art.
- §
- Na onderzoek van de ontvankelijkheid van de ingediende kandidaturen, rangschikt de commissie de gegadigden volgens hun titels en wetenschappelijke verdiensten. §
- De rangschikking wordt gemotiveerd en per bij de post aangetekende brief schriftelijk betekend aan elke gegadigde die geldig zijn kandidatuur heeft ingediend. §
- De gegadigde die zich benadeeld acht kan, binnen de 10 werkdagen na de betekening, per bij de post aangetekende brief een geschreven klacht indienen bij de voorzitter van de commissie. Hij wordt op zijn verzoek door de commissie gehoord. In dat geval verschijnt hij persoonlijk: hij kan zich niet laten bijstaan of vertegenwoordigen. Indien de gegadigde, hoewel regelmatig opgeroepen, zonder geldige verontschuldiging afwezig is, wordt de procedure in verband met hem als afgesloten beschouwd. Zelfs wanneer de kandidaat een geldige verontschuldiging heeft, spreekt de commissie zich uit op grond van de geschreven klacht, zodra de klacht in een tweede zitting besproken wordt. §
- Als de commissie, ingevolge het onderzoek van de klacht, de oorspronkelijke rangschikking niet wijzigt, zal deze beslissing enkel betekend worden aan de gegadigde die klacht heeft ingediend. Indien de commissie daarentegen een nieuwe rangschikking opmaakt, wordt deze betekend aan alle kandidaten per bij de post aangetekende brief die geldig hun kandidatuur hadden ingediend. IX-5474-14/22 Indien er opnieuw een kandidaat is die zich benadeeld acht, kan hij een geschreven klacht indienen volgens de in § 3 bepaalde procedure. Na een nieuwe beraadslaging betekent de commissie de definitieve rangschikking aan alle kandidaten die geldig hun kandidatuur hebben ingediend en overhandigt ze aan de bevoegde minister. Art.
- De personeelsleden van rang A worden benoemd voor een mandaat van twee jaar volgens de rangschikking bedoeld in voormeld artikel
- Dit mandaat kan tweemaal hernieuwd worden. Wanneer uitzonderlijk geachte omstandigheden zulks vereisen, mag aan het personeelslid een bijkomend mandaat van één jaar toegekend worden, dat ten hoogste driemaal kan hernieuwd worden. Na afloop van elk van bovenbedoelde mandaten brengt de commissie ten gerieve van de bevoegde Minister een advies uit over de wetenschappelijke verdiensten van het betrokken personeelslid. Bovengenoemde mandaten worden door Ons toegekend op de voordracht van de bevoegde Minister. Art.
- Elk personeelslid van rang A dat erom verzoekt mag door Ons worden bevestigd in een functie van rang A op de voordracht van de bevoegde minister in zoverre het de volgende voorwaarden vervult : 1/ tenminste zijn tweede mandaat beëindigd hebben, overeenkomstig artikel 10, of ten minste 7904 uur gepresteerd hebben, voor de ambtenaren aan wie werd toegestaan verminderde prestaties te verrichten of die op non-activiteit werden gesteld; 2/ houder zijn van een doctorsdiploma dat behaald werd na verdediging in het openbaar van een verhandeling of het bewijs leveren dat hij, in de tak der wetenschap waarop het ambt betrekking heeft, wetenschappelijk werk heeft verricht dat met een doctoraatsverhandeling kan vergeleken worden luidens een gunstig en met redenen omkleed advies van de commissie.”; 2.1.
- Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat alhoewel de Commissie voor Werving en Bevordering na afloop van elk mandaat “ten gerieve van de bevoegde Minister” een advies uitbrengt over de wetenschappelijke verdiensten van het betrokken personeelslid, het nochtans aan de Koning behoort om “op de voordracht van de bevoegde Minister” een nieuw mandaat toe te kennen, dan wel om -indien de voorwaarden daartoe vervuld zijn- het personeelslid dat erom verzoekt, te bevestigen in een functie van rang A; dat bijgevolg op het eerste gezicht de Koning de bevoegdheid heeft om aan het betrokken personeelslid geen nieuw mandaat toe te kennen en om betrokkene niet te bevestigen in een functie van rang A; dat zulks des te meer kan gelden wanneer de beslissing om geen nieuw mandaat toe te kennen of niet te bevestigen in een functie van rang A nadat de Koning voordien het betrokken personeelslid wel geschikt heeft bevonden en het mandaat heeft hernieuwd; dat, in deze, verzoeker door de Koning, respectievelijk bij koninklijke besluiten van 26 mei 2002 en 31 januari 2005, benoemd is tot assistent bij het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, telkens voor een mandaat van twee jaar; dat ook al verstreek het tweede mandaat van verzoeker op 16 augustus 2006, toch lijkt te moeten worden aangenomen dat de IX-5474-15/22 Koning krachtens voornoemd artikel 11 van het koninklijk besluit van 21 april 1965 een beslissing diende te nemen over verzoekers aanvraag van een bevestiging in rang A; dat deze beslissing bijgevolg niet tot de bevoegdheid van de minister behoorde en hij slechts vermocht een “voordracht” te doen aan de Koning, die als benoemende overheid de beslissing betreffende het al dan niet voortzetten van de tewerkstelling van verzoeker diende te nemen; dat de brief van 22 september 2006 in die zin dan ook meer is dan een loutere kennisgeving van het verstrijken van het mandaat waarin verzoeker bij koninklijk besluit van 31 januari 2005 was benoemd; dat hiermee immers impliciet ook kennis is gegeven dat verzoeker niet wordt bevestigd in rang A en dat hij niet meer in aanmerking komt voor een nieuw mandaat; dat het middel ernstig is in de mate dat het de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van het meergenoemd koninklijk besluit van 21 april 1965; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het materieel motiveringsbeginsel; dat hij uiteenzet dat de vier overwegingen die de Commissie voor Werving en Bevordering op 28 juli 2006 ertoe hebben gebracht haar negatief advies van 5 juli 2006 over de wetenschappelijke verdiensten van verzoeker te bevestigen en die door de bestreden beslissing worden bijgevallen, strijden met de voormelde wettelijke bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur; dat hij in een vierde onderdeel toelicht dat het tegenstrijdig is, eensdeels het verslag van 5 juli 2006 van de Commissie voor Werving en Bevordering bij te vallen en anderdeels te stellen dat hij onmogelijk kan evolueren naar het beroep van rijksarchivaris; dat in het verslag van 5 juli 2006 commissielid Gustaaf JANSSENS immers precies het tegengestelde voorhoudt; dat de voormelde commissie bovendien diensthoofd Michel OOSTERBOSCH heeft gehoord over de attitude van verzoeker, terwijl verzoeker niet de mogelijkheid heeft gehad om “terzake” zijn standpunt uiteen te zetten en dat het onaanvaardbaar is dat hij zijn hoorrecht niet heeft kunnen uitoefenen; dat dit des te meer klemt wijl het “gebrek aan attitude” van verzoeker als een decisief argument wordt ingeroepen; dat hij in een derde middel ook de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het materieel motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur aanvoert, doordat de bestreden beslissing steunt op het advies van 5 juli 2006 van de Commissie voor IX-5474-16/22 Werving en Bevordering en derhalve gebaseerd is op “intern strijdige overwegingen”, aangezien het beschikkende gedeelte van dit advies, dat op 28 juli 2006 door de voornoemde commissie werd bevestigd, niet strookt met de eraan voorafgaande overwegingen, inzonderheid het rapport van commissielid Gustaaf JANSSENS, terwijl een beslissing slechts rechtsgeldig op een voorafgaand advies kan worden gesteund, voorzover dat advies de genomen beslissing afdoende schraagt en die beslissing duidelijk motiveert waarom bepaalde andersluidende overwegingen van het advies niet worden gevolgd; dat hij dit middel als volgt adstrueert : “
- Uit het verslag dd. 5 juli 2006 van Commissielid JANSSENS blijkt dat de heer DECEULAER, minstens wat betreft de inventerisatiewerkzaamheden tijdens zijn tweede mandaat, geconfronteerd is met een uitzonderlijk moeilijke taak. Commissielid JANSSENS stelt dat het werkstuk onbevredigend is, doch dat het beter is dan de vorige versies. Commissielid JANSSENS bevestigt dat het werk van de heer DECEULAER een eerste stap - en dus blijkbaar in de goede richting - is naar een betere ontsluiting van een erg complex archief. Hij bevestigt dat het gaat om een erg weerbarstig bestand met vele moeilijk leesbare stukken. Hij bevestigt eveneens dat een mandaatduur van 20 maanden duidelijk te kort is voor een beginnend archivaris om tot een beter resultaat te komen. Te algemenen titel bevestigt Commissielid JANSSENS de werkijver, de inzet en het doorzettingsvermogen van de heer DECEULAER, alsook de sterke vooruitgang van zijn paleografische kennis. Commissielid JANSSENS stelt het gebrek aan begeleiding van de heer DECEULAER aan de kaak. Als minpunten vermeldt Commissielid JANSSENS de drang naar snel werk en het eigenzinnig karakter van de heer DECEULAER. Niettemin oordeelt Commissielid JANSSENS dat de heer DECEULAER het talent heeft om te evolueren naar een goed archivaris en om hem dus een bijkomende stageperiode toe te kennen.
- De Commissie - en zo ook de minister - heeft zich de motieven van dit verslag eigen gemaakt. De Commissieleden VELLE, TIXHON en FRANCOIS hebben de degelijke verslaggeving van Commissielid JANSSENS zelfs geprezen. De door hen op 5 juli 2006 geformuleerde kritiek, nl. dat de toekenning van een bijkomend mandaat aan de heer DECEULAER de goede werking van de dienst niet dient en dat de heer DECEULAER manifest koppig is, vormen algemene en vage beschouwingen die onvoldoende de teneur van het precies en genuanceerde verslag van Commissielid JANSSENS ontkrachten. Commissielid JANSSENS heeft immers duidelijk gewezen op de progressie die de heer DECEULAER als archivaris heeft gemaakt en die laat vermoeden dat hij kan evolueren naar een goed archivaris. Hij heeft de moeilijkheidsgraad van het te ontsluiten archief van de Audiëntie concreet aangegeven als verantwoording waarom de opgegeven opdracht binnen het tijdsbestek van 20 maanden door een beginnend archivaris onmogelijk tot een beter einde zou kunnen worden gebracht. Commissielid JANSSENS heeft anderzijds wel bevestigd dat de heer DECEULAER koppig kan zijn, doch koppigheid is niet per se een negatief gegeven, en zeker niet indien zij zich manifesteert onder de vorm van IX-5474-17/22 werkijver, inzet en doorzettingsvermogen. Het is onduidelijk waarom de Commissie deze laatste karaktertrekken zonder meer buiten beschouwing laat. Dit laatste klemt des te meer nu de heer DECEULAER in zijn bezwaarschrift meermaals mogelijke oplossingen voor de door de Commissie aangeven punten van kritiek, aanreikt. Het aanreiken van mogelijke oplossingen duidt veeleer op een inschikkelijkheid in hoofde van de heer DECEULAER dan op een stuurse koppigheid. Ten overvloede wordt erop gewezen dat de vermeende karaktertrekken van de heer DECEULAER op geen enkele wijze worden gestaafd door een concreet voorbeeld of voorval.
- Met de beraadslaging van de Commissie op 28 juli 2006 wordt het op 5 juli 2006 ingenomen standpunt en dus ook het verslag van Commissielid JANSSENS opnieuw bijgevallen. Nochtans zijn de overwegingen van de beraadslaging van 28 juli 2006 onverzoenbaar met de inhoud van het verslag van Commissielid JANSSENS. Minstens blijkt niet dat de Commissie op 28 juli 2006 rekening heeft gehouden met : - het weerbarstig en ontoegankelijk karakter van het archief - de beperkte mandaatduur van 20 maanden - de onmogelijkheid om in de gestelde omstandigheden tot een beter resultaat te komen - de prille ervaring van de heer DECEULAER als archivaris - de vastgestelde progressie van de heer DECEULAER als archivaris - het gebrek aan begeleiding door het bestuur. Dit gebrek aan motivering tast de regelmatigheid van het ministerieel besluit eveneens aan”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij op het vierde onderdeel van het tweede middel antwoordt dat het verslag van commissielid Gustaaf JANSSENS slechts één element is betreffende de beoordeling van de wetenschappelijke verdiensten van verzoeker, naast het werk van de betrokkene zelf en de opinie van de vijf andere leden van de commissie; dat Gustaaf JANSSENS tijdens het eerste mandaat van verzoeker geen departementshoofd van betrokkene was en niets te maken had met de begeleiding en sturing van verzoeker, zodat zijn mening over de evolutie op wetenschappelijk gebied van verzoeker dan ook fragmentarisch en zelfs onvolledig is; dat het tweede mandaat aan het betrokken personeelslid de mogelijkheid biedt om te groeien op basis van de tijdens het eerste mandaat opgedane kennis en vaardigheden; dat de commissie, wijl zij diende vast te stellen dat verzoeker tijdens zijn tweede mandaat geen significante vooruitgang had geboekt, afdoende heeft gemotiveerd dat de toekenning van een bijkomend mandaat geen enkele zin heeft en dat zij een ongunstig advies diende te geven met betrekking tot de bevestiging van verzoeker in rang A; dat de commissie het opportuun vond om, alvorens over te gaan tot de beraadslaging, diensthoofd Michel OOSTERBOSCH te horen, die uitstekend geplaatst was om de wetenschappelijke verdiensten van verzoeker tijdens het eerste en het tweede mandaat te beoordelen; dat uit het verslag van de commissie blijkt dat het diensthoofd geen andere IX-5474-18/22 elementen naar voor heeft gebracht dan degene die reeds aan het licht waren gebracht door het verslag van commissielid Gustaaf JANSSENS; dat verzoeker de kans heeft gehad om daarop reeds in zijn bezwaarschrift te antwoorden; dat wat het derde middel betreft de verwerende partij verwijst naar haar uiteenzetting bij het verslag van Gustaaf JANSSENS; dat voorts de opmerkingen over de koppigheid en de hardleersheid van verzoeker werden geuit door personen waarmee verzoeker dagelijks heeft samengewerkt en die hem hebben begeleid tijdens zijn mandaat; dat deze karaktertrek een invloed heeft gehad op de wetenschappelijke verdiensten van verzoeker; dat verzoekers koppigheid te maken had met bepaalde methodologische keuzes en dat daarvan niets op papier is gezet, aangezien dat niet gebruikelijk was; 2.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing in wezen steunt op het negatieve advies van 5 juli 2006 van de Commissie voor Werving en Bevordering met betrekking tot de wetenschappelijke verdiensten van verzoeker, hetwelk door de voornoemde commissie op 28 juli 2006 werd bevestigd; dat ook de minister zich aansluit “bij de motivering die aan de grondslag ligt van dit advies”; dat een bestuurshandeling rechtsgeldig kan worden gemotiveerd door verwijzing naar een advies, indien dat advies zelf op afdoende wijze is gemotiveerd; dat in deze het negatieve advies van 5 juli 2006 van de Commissie voor Werving en Bevordering steunt op de uitvoerige en “genuanceerde rapportering” van commissielid Gustaaf JANSSENS, die de verscheidene tekortkomingen van verzoeker uiteenzet; dat hierbij onder meer wordt gewezen op gebrekkige resultaten van inventarisatieopdrachten, een geringe aandacht voor het bijkomstige, een gebrek aan geduld en streven naar perfecte afwerking, en op de eigenzinnigheid van verzoeker; dat het verslag evenwel ook oog heeft voor zijn kwaliteiten, zoals zijn werkijver, zijn inzet en doorzettingsvermogen, zijn streven naar snel en efficiënt werk en nakomen van afspraken, zijn vooruitgang van paleografische kennis, voor de complexiteit van de opdracht die aan verzoeker werd gegeven, de ontsluiting van het omvangrijke kernarchief van de Audiëntie en voor de moeilijke omstandigheden waarin hij die opdracht heeft moeten uitvoeren, waarbij gewezen wordt op het gebrek aan begeleiding tijdens het eerste mandaat en “de tijd die duidelijk te kort (was) voor een beginnend archivaris om tot een beter resultaat te komen”; dat het genoemde verslag besluit dat verzoeker “talent heeft om een goed archivaris te worden, op voorwaarde dat hij niet te snel tevreden is met het bereikte resultaat” en dat hij “in de afgelopen twee jaar (...) duidelijk gegroeid (is); dat dit verslag ook voorstelt om verzoeker “een bijkomende stageperiode van twee jaar toe te kennen”, “aangezien hij eigenlijk twee jaar verloren heeft en nog niet bewezen heeft dat hij IX-5474-19/22 de hem toegewezen opdrachten zelfstandig en volgens alle regels van de archivistiek tot een goed einde kan brengen”; dat ook andere leden van de Commissie voor Werving en Bevordering enerzijds de genuanceerde rapportering hebben geprezen doch wel betreuren dat verzoeker , ondanks zijn wetenschappelijke anciënniteit, er niet in geslaagd is een “publiceerbaar en wetenschappelijk verantwoord archivistisch eindprodukt af te leveren”; dat alhoewel de Commissie voor Werving en Bevordering na deliberatie beslist om “met consensus” een negatief advies te geven over het wetenschappelijke werk van verzoeker, niet blijkt waarom geen rekening kon worden gehouden met de kwaliteiten die het commissielid Gustaaf JANSSENS in verzoeker heeft onderkend, noch met de complexiteit van verzoekers opdracht en de omstandigheden waarin die opdracht diende te worden uitgevoerd; dat de beslissing die verwijst naar het ontbreken van een “publiceerbaar en weten-schappelijk verantwoord archivistisch eindprodukt” en naar de vrees voor de weerslag van een verlenging van het mandaat van verzoeker op de dienst, te vaag en te hypothetisch is om in de gegeven omstandigheden het negatieve advies te verantwoorden; dat dit advies bijgevolg niet op afdoende wijze is gemotiveerd; dat uit de nadien, op 28 juli 2006, genomen beslissing tot bevestiging van dat advies ook niet blijkt waarom geen rekening kon worden gehouden met de gegevens en omstandigheden die het commissielid Gustaaf JANSSENS ertoe hadden gebracht een hernieuwing van verzoekers mandaat voor te stellen; dat overigens de commissie op 28 juli 2006 pas tot een besluit is gekomen nadat diensthoofd Michel OOSTERBOSCH was gehoord over “de kans op verbetering in de attitude van (verzoeker) en over het belang van vorming en begeleiding tijdens het mandaat”; dat verzoeker in dat verband terecht aanvoert dat hij niet meer in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt kenbaar te maken, terwijl de elementen die Michel OOSTERBOSCH heeft aangebracht klaarblijkelijk de Commissie voor Werving en Bevordering er toe hebben gebracht om het negatieve advies te handhaven; dat Michel OOSTERBOSCH als diensthoofd van verzoeker nochtans uitstekend geplaatst was om de wetenschappelijke verdiensten van verzoeker te beoordelen; dat het vierde onderdeel van het tweede middel en het derde middel ernstig zijn; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, aanvoert dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kennelijk een negatieve invloed heeft op zijn inkomen en leidt tot een ernstige vermindering van zijn levensstandaard; dat de motieven van deze beslissing zijn eer IX-5474-20/22 en goede naam als doctor in de geschiedenis duidelijk aantasten; dat die motieven kennelijk kwetsend zijn en hem in een slecht daglicht plaatsen; dat bij gebreke aan een schorsing van de bestreden beslissing, hij in de positie zal komen dat hij, na een vernietigingsarrest, zijn carrière bij het Rijksarchief niet opnieuw kan opnemen, “bijvoorbeeld wegens een niet meer geactualiseerde kennis”; dat de motieven van de bestreden beslissing hun weerslag hebben gevonden in het hem uitgereikte formulier C4, waardoor zijn mogelijkheden om een gelijkwaardige baan te vinden worden gehypothekeerd; dat ten slotte de Raad van State het moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft aanvaard in hoofde van een collega die zich in een vergelijkbare situatie bevond; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker niet in concreto uiteenzet en aantoont dat hij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel kan lijden; dat verzoeker de definitieve afloop in zijn mandaat afwachtte alvorens “enige stap te ondernemen”; dat verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid om nog vóór zijn effectieve uitdiensttreding en de afloop van de drie maanden tijdens dewelke hij nog een maandloon ontving, een schorsing van de bestreden beslissing te vorderen; dat een spoedprocedure nochtans had kunnen voorkomen dat hij nu terugvalt op een werkloosheidsuitkering; 2.3.
- Overwegende dat de tewerkstelling van verzoeker als assistent bij het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, ingevolge de bestreden beslissing na twee opeenvolgende mandaten van twee jaar beëindigd wordt op grond van beroepsongeschiktheid; dat verzoeker hierdoor niet alleen zijn beroepsinkomen verliest, waardoor het aannemelijk is dat zijn levensstandaard op een niet onbelangrijke wijze wordt verminderd; dat bovendien het motief van de bestreden beslissing, met name de beroepsongeschiktheid van verzoeker, van aard is om zijn kansen op een gelijkwaardige tewerkstelling op de arbeidsmarkt aanzienlijk te hypothekeren; dat dergelijk motief ook aannemelijk maakt dat hij hierdoor dermate moreel wordt geraakt dat een dergelijk moreel nadeel nog bezwaarlijk door een vernietigingsarrest kan worden goedgemaakt; dat ten slotte de loutere omstandigheid dat verzoeker geen vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingediend, aan de ernst en het moeilijk te herstellen karakter van het aangevoerde nadeel geen afbreuk vermag te doen; IX-5474-21/22
- Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan de beide voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voldaan, dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering toe te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing dd. 22 september 2006 van de minister van Federaal Wetenschapsbeleid houdende de beëindiging van de tewerkstelling als statutair wetenschappelijk personeelslid met mandaat bij het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën van de heer DECEULAER, per 16 augustus 2006, en houdende de impliciete weigering om de heer DECEULAER aan de Koning voor te dragen voor de hernieuwing van het mandaat als assistent bij het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën of voor de bevestiging in rang A”. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 maart 2007, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5474-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.777 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.312 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div