← België

Arrest 168780 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 12/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.780 Rolnummer: A. 71945/IX-2034 Zaak: Arrest 168780 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 12/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 17:27 Fiche Arrest nr 168.780 van 12 maart 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.780 van 12 maart 2007 in de zaak A. 71.945/IX-2034 In zake : Philippe VANDE CASTEELE, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe VANDE CASTEELE op 7 november 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 31 oktober 1996 van de commandant van de Koninklijke Militaire School waarbij verzoeker met ingang van 1 november 1996 voor onbepaalde duur de toegang tot de school wordt ontzegd; Gelet op het arrest nr. 63.054 van 14 november 1996 waarbij de afstand van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt toegewezen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 14 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-2034-1/8 Gelet op de beschikking van 18 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. VAN BALLAER, die loco advocaat G. VAN GRIEKEN verschijnt voor verzoeker, en van kapitein V. DE SAEDELEER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  2. Verzoeker is advocaat en ex-beroepsofficier. 1.
  3. Met een brief van 31 oktober 1996 meldt de kwartiercommandant van de Koninklijke Militaire School (hierna: de KMS) aan verzoeker: “Bij beslissing van de Commandant van de Koninklijke Militaire School hebt U geen toegang meer tot deze School, met ingang van 01 november 1996 en dit voor onbepaalde duur. Indien U dit verbod zou negeren zal ik mij verplicht zien de gepaste maatregelen te nemen.” 1.
  4. Op 31 oktober 1996 wordt ook dienstnota nr.38 uitgevaardigd, die luidt als volgt: “
  5. Bij beslissing van de Comd KMS heeft onderstaand persoon geen toegang meer tot de KMS. Het gaat om de Heer VANDE CASTEELE Philippe (burgerlijk- en handelsingenieur en advocaat), Vossendreef 6/8, 1180 BRUSSEL.
  6. Het is derhalve verboden om deze persoon uit te nodigen in de KMS.” 1.
  7. Verzoeker neemt op 5 november 1996 kennis van het toegangs- verbod. Hij reageert met een brief van 6 november 1996 aan de commandant van de KMS, waarin hij er zich over beklaagt aldus verstoken te blijven van deelname aan activiteiten. IX-2034-2/8 1.
  8. Op 7 november 1996 dient verzoeker een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot nietigverklaring -het hier besprokene- in. 1.
  9. Bij brief van 8 november 1996 wordt aan verzoeker medegedeeld: “De Commandant van de Koninklijke Militaire School heeft mij gelast u ter kennis te brengen dat hij zijn beslissing m.b.t. de toegang van de School, U medegedeeld met de brief van 31 oktober 1996, die ondertekend werd door Luitenant-Kolonel v/h Vliegwezen J. CREMERS, heeft opgeheven.” De verwerende partij stelt dat zij deze mededeling op 8 november 1996 naar verzoeker verstuurd heeft. In ieder geval is de brief persoonlijk aan verzoeker overhandigd op de openbare terechtzitting van de Raad van State van 12 november
  10. 1.
  11. Op 13 november 1996 wordt de dienstnota nr. 38 met onmiddellijke ingang opgeheven.
  12. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het voorwerp van zijn beroep uitgebreid heeft tot het in de dienstnota nr 38 vermelde verbod aan het personeel van de KMS om verzoeker in de school uit te nodigen; dat die uitbreiding ontvankelijk is; 3.
  13. Overwegende dat de auditeur-verslaggever, aangezien verzoeker op het ogenblik van de bestreden beslissing geen militair meer was maar advocaat en dat het toegangsverbod, dat hem op 5 november 1996 ter kennis gebracht was, op 8 november 1996 opgeheven is, aan verzoeker gevraagd heeft om zijn actueel belang te expliciteren; dat verzoeker daarop geantwoord heeft dat het bestreden verbod hem “precies in de hoedanigheid van advocaat bijzonder getroffen heeft”, dat de bestreden beslissing niet ingetrokken -alleen maar opgeheven- werd en dat hij geen toegang tot de KMS gehad heeft op het ogenblik dat “een belangrijk ophefmakend strafproces gevoerd werd omtrent het KMS-leven” en in een periode “waarin ook sociale activiteiten ingericht werden”; dat hij concreet erop wijst dat hij als gewezen assistent bij de leerstoel “Ballistiek” de beoordeling en voorstelling van de jaarlijkse afstudeerwerken niet heeft kunnen bijwonen en dat hij “zijn cliënten-leerlingen niet heeft kunnen bezoeken in de KMS op het ogenblik van het proces”; IX-2034-3/8 3.
  14. Overwegende dat de auditeur-verslaggever besloten heeft dat het belang van verzoeker bij de vernietiging van een verbod om gedurende drie of vier dagen toegang te krijgen tot de KMS “uiterst summier of zelfs onbestaande (is)”, dat verzoeker niet concreet aantoont welk nadeel de bestreden beslissing hem heeft berokkend gedurende de periode dat zij uitwerking heeft gekregen -de verwijzing naar de beoordeling van de afstudeerwerken en het niet bezoeken van zijn cliënten is te vaag en die beoordeling is bovendien op een later tijdstip kunnen doorgaan- en dat hij evenmin aantoont welk concreet voordeel een vernietiging hem nog kan opleveren; 3.
  15. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie benadrukt dat “de beschouwingen die verband houden met de aantasting van zijn beroepsuitoefening en van zijn beroepsreputatie” overeind blijven en dat daarmee zijn belang terdege wordt aangetoond, dat hij slechts op 12 november 1996 kennis gekregen heeft van de nota waarbij het bestreden toegangsverbod werd opgeheven en dat die nota pas vanaf 14 november 1995 uitwerking gekregen heeft zodat het bestreden besluit veel langer uitwerking gehad heeft dan de drie of vier dagen waarnaar het auditoraatsverslag verwijst, dat de verdediging van de afstudeerwerken van de leerstoel Bewapening plaatsgevonden heeft op 8 november 1996 , dat hij daarop “persoonlijk was uitgenodigd” en die bijeenkomst niet heeft kunnen bijwonen; dat hij voorts betoogt dat het arrest nr. 117/99 van het Arbitragehof noopt tot een ernstige bezinning aangaande de draagwijdte van het belang, doordat artikel 19 van de Raad van State-wet enkel verwijst naar het bestaan van een belang bij het indienen van het beroep en de vereiste van het actueel belang een toevoeging aan de wet uitmaakt, die overigens te dezen, waar het de uitoefening van het beroep van advocaat betreft, neerkomt op een miskenning van artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens; dat hij, ten aanzien van dat actueel belang, wijst op een “moreel en materieel belang” doordat de bestreden beslissing uitgevoerd is, doordat hij het odium waarmee hij belast werd weggewerkt wenst te zien en doordat een vernietigingsarrest hem zal toelaten de fout van de administratie bij de burgerlijke rechter aan te tonen; dat er volgens hem reden is om aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen over de conformiteit van artikel 19 van de Raad van State-wet met de grondwet wanneer deze bepaling aldus geïnterpreteerd wordt dat een annulatieberoep, waarbij de verzoeker aanvankelijk belang heeft, toch onontvankelijk wordt wanneer de bestreden akte opgeheven wordt; IX-2034-4/8 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie herhaalt dat verzoeker de verschillende aspecten van zijn nadeel niet concreet omschrijft; dat zij aldus erop wijst dat verzoeker niet uiteenzet welke leerlingen uit de school hij moest bijstaan of waarom hij zijn cliënten persé moest ontmoeten in de gebouwen van de KMS, dat hij niet aantoont dat hij gepoogd heeft zijn cliënten te spreken volgens de gebruikelijke procedure, met name in de spreekkamer, dat hij ook niet aantoont welke onderzoeksdaden hij niet zou hebben kunnen bijwonen, dat hij niet duidelijk maakt hoe een toegangsverbod van amper zeven dagen zijn imago geschonden kan hebben of welke sociale activiteiten hij niet zou kunnen bijwonen hebben en op welke uitnodigingen hij niet is kunnen ingaan; dat zij tenslotte ook stelt dat de vernietiging, teneinde de fout van het bestuur gemakkelijker te kunnen bewijzen, een onrechtstreeks belang vormt; 3.5.
  17. Overwegende dat, blijkens het verzoekschrift, verzoeker het nadeel dat hem door het bestreden besluit berokkend werd legt in de onmogelijkheid om leerlingen bij te staan voor de deliberatiecommissies van de KMS, in de onmogelijkheid om zijn cliënten, die in een strafprocedure betrokken zijn, te bezoeken en om de gerechtelijke onderzoeksdaden en plaatsbezoeken bij te wonen, in de onmogelijkheid om sociale activiteiten, ingericht door verenigingen van ingenieurs of door de KMS bij te wonen en in de onmogelijkheid om in te gaan op uitnodigingen van kaderleden van de KMS; dat hij ook verwijst naar het aantasten van zijn imago; dat hij verduidelijkt dat het toelatingsverbod hem verhindert in te gaan op de uitnodiging om op 8 november 1996, als gewezen assistent, aanwezig te zijn bij de verdediging van de afstudeerwerken van de leerlingen van de leerstoel ballistiek, om aanwezig te zijn op een receptie van de vzw van ingenieurs van 19 november 1996 en op de afscheidsceremonies van 26 november 1996, om bijstand te verlenen aan leerlingen die omstreeks 15 november 1996 voor de deliberatiecommissie moeten verschijnen en aan leerlingen die op 12 november 1996 in hoger beroep in een strafproces moeten terechtstaan; 3.5.
  18. Overwegende dat het toegangsverbod en het verbod om verzoeker in de KMS uit te nodigen ingegaan is op 1 november 1996; dat uit de brief van 6 november 1996 van verzoeker aan de commandant van de KMS blijkt dat verzoeker op 5 november 1996 ’s avonds in kennis gesteld is van het toegangsverbod; dat, aangezien verzoeker niet stelt dat hij vóór die kennisneming op enige wijze geremd zou geweest zijn in zijn toegang tot de school of in zijn contacten met het personeel, aangenomen mag worden dat de bestreden beslissingen IX-2034-5/8 vóór die datum geen enkele uitwerking gekregen hebben en er dan ook geen enkel materieel nadeel uit is kunnen voortvloeien; dat de commandant van de KMS met een brief van 8 november 1996 aan verzoeker medegedeeld heeft dat het toegangsverbod opgeheven werd; dat verzoeker niet concreet aantoont dat hij vanaf die datum nog enige hinder ondervonden heeft van de beslissing om toegang te krijgen tot de school; dat de nadelige gevolgen van het bestreden toegangsverbod dan ook beperkt zijn tot de periode van woensdag 6 tot vrijdag 8 november 1996; dat de opheffing van het uitnodigingsverbod weliswaar slechts ter kennis van de personeelsleden van de KMS gebracht is op 13 november 1996, maar dat verzoeker geen enkel gegeven overlegt waaruit blijkt dat hij in de periode van 6 tot 13 november 1996 daadwerkelijk voor een of andere aangelegenheid door een personeelslid van de KMS uitgenodigd was en dat hij precies wegens de beslissing van de commandant op die uitnodiging niet is kunnen ingaan; 3.5.
  19. Overwegende, wat de nadelige gevolgen die de bestreden toelatingsbeslissing voor verzoeker gehad zouden hebben in de periode tussen 6 en 8 november 1996, dat uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt dat hij uitgenodigd was om op 8 november 1996 de verdediging van de afstudeerwerken van de leerlingen ballistiek bij te wonen en dat op 12 november 1996 het Militair Gerechtshof in beroep een strafzaak behandelde waarin verzoeker optrad als raadsman van een aantal beklaagden; dat niet blijkt dat het toegangsverbod in de periode van 6 tot 8 november 1996 enig gevolg gehad heeft voor bijeenkomsten die op een latere datum gepland waren; Overwegende dat, wat de bijstand aan strafrechtelijk vervolgde leerlingen van de KMS betreft, verzoeker niet uiteenzet waarom hij zijn cliënten uitsluitend in de gebouwen van de school kon ontmoeten; dat, wat het bijwonen van de bijeenkomst van 8 november 1996 betreft, verzoeker wel een persoonlijke uitnodiging overlegt, maar dat hij niet bewijst dat hij zich, overeenkomstig de termen van de uitnodiging, voor die bijeenkomst ingeschreven had en evenmin dat hij zich daadwerkelijk op de bijeenkomst aangeboden heeft; dat verzoeker voorts ook niet aantoont dat hij wegens de bestreden verboden niet heeft kunnen deelnemen aan enige vergadering van een vereniging die haar bijeenkomsten in de KMS houdt; dat, wat betreft de bijstand, als raadsman, aan leerlingen bij de presentatie van hun afstudeerwerk, verzoeker voorts ook niet concreet aantoont op welk vlak het toegangsverbod van drie dagen hem belet heeft leerlingen te begeleiden die voor de deliberatiecommissie moesten verschijnen; dat aldus bezien IX-2034-6/8 de bestreden beslissingen de rechtstoestand van verzoeker niet nadelig beïnvloed hebben; dat, eveneens bij gebrek aan concrete aanwijzingen, de Raad van State ook niet kan aannemen dat het toegangs- en contactverbod gedurende drie dagen de beroepsreputatie van verzoeker aangetast heeft of zijn imago gekrenkt heeft; dat bij die vaststelling rekening gehouden wordt met het feit dat de commandant van de KMS, nadat verzoeker een annulatieberoep had ingediend, de bestreden beslissingen formeel opgeheven heeft; dat, besluitend, uit de door verzoeker overgelegde stukken niet opgemaakt kan worden dat hij het vereiste belang bezit om de vernietiging te vorderen van de bestreden beslissingen; Overwegende bovendien dat verzoeker niet aantoont op welke wijze de vernietiging van de bestreden beslissingen hem thans nog een voordeel kunnen opleveren; dat de mogelijkheid om met een vernietigingsarrest gemakkelijker een eis tot schadeloosstelling te kunnen onderbouwen een onrechtstreeks belang vormt; dat verzoeker met de bijkomende inlichtingen die hij verstrekt heeft, niet bewijst dat hij nog een tastbaar voordeel te verwachten heeft van een vernietigingsarrest; dat, binnen de grenzen die het Arbitragehof met zijn arresten nr. 117/99 van 10 november 1999 en nr. 13/04 van 21 januari 2004 afgebakend heeft om de vereiste van het actueel belang nog te kunnen verzoenen met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, de Raad van State thans vaststelt dat het actueel belang niet aangetoond is; dat, rekening houdend met het standpunt dat het Arbitragehof reeds heeft aangenomen, er geen reden is om nogmaals een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; dat het beroep bij gebrek aan aangetoond persoonlijk belang niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2034-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 maart 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN IX-2034-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.780 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.63.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.