id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.782 Rolnummer: A. 115956/IX-3190 Zaak: Arrest 168782 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 12/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 17:27 Fiche Arrest nr 168.782 van 12 maart 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.782 van 12 maart 2007 in de zaak A.115.956/IX-
- In zake : Dirk EECKHOUT, wonende te MOL, Martelarenstraat 169 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Pensioenen, die woonplaats kiest bij advocaat D. GERARD, kantoor houdende te BRUSSEL, Bronstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk EECKHOUT op 23 januari 2002 met een ter post aangetekende zending heeft ingediend om een herstelvergoeding voor buitengewone schade van 15.373 EUR te vorderen van de Belgische Staat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 19 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2007, datum waarop de zaak in voortzetting is gesteld op de openbare terechtzitting van 26 februari 2007; IX-3190-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MARTENS die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat E. DE LANGE die, loco advocaat D. GERARD verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker kwam op 1 oktober 1976 in dienst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna RVA) als adjunct-controleur. Op 1 november 1983 treedt hij in dienst bij het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling, meer bepaald bij de Inspectie Sociale Wetten (hierna ISW) als adjunct-inspecteur, na te zijn geslaagd in een wervingsexamen voor die functie. Aangezien het een nieuwe werving betrof verloor hij de anciënniteit (7 jaar en 1 maand) die hij in zijn vroegere functie als adjunct-controleur bij de RVA had verworven. 1.
- Door het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 betreffende sommige graden waarvan de ambtenaren van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kunnen titularis zijn en tot vaststelling van de toegangsmodaliteiten tot sommige van deze graden, worden de graden van adjunct- controleur (rang 20), controleur (rang 22) en hoofdcontroleur (rang 24) bij de RVA omgevormd in de graden van adjunct-inspecteur tweede klasse (rang 22), adjunct- inspecteur eerste klasse (rang 24) en eerstaanwezend adjunct-inspecteur (rang 25), zijnde dezelfde graden als die welke bestaan bij de ISW. Er wordt bepaald dat de titularissen van de geschrapte graden van adjunct-controleur, controleur en hoofdcontroleur benoemd kunnen worden tot de nieuwe graden van adjunct- IX-3190-2/11 inspecteur tweede klasse, adjunct-inspecteur eerste klasse en eerstaanwezend adjunct-inspecteur, waarbij zij hun anciënniteit in de oude graad of graden geacht worden te hebben verkregen in de nieuwe graad. De controleurs en de hoofdcontroleurs en de adjunct-controleurs die geslaagd zijn voor een examen voor de betrekking van controleur of hoofdcontroleur worden vrijgesteld van de bijzondere beroepsproef die normaliter aan de benoeming in de carrière van de inspecteurs voorafgaat. 1.
- Door de nieuwe mobiliteitsregeling ingevoerd door de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenaren en door het toen vigerende koninklijk besluit van 3 november 1993 houdende uitvoeringsmaatregelen betreffende de mobiliteit van het personeel van sommige overheidsdiensten kunnen de inspecteurs van de RVA muteren naar de ISW. Dit gebeurt dan, luidens artikel 25 van voornoemd koninklijk besluit, met volledig behoud van hun anciënniteit. 1.
- Terwijl verzoeker bij zijn aanwerving als adjunct-inspecteur bij de ISW in 1983 zijn voorheen als adjunct-controleur bij de RVA verworven anciënniteit niet heeft kunnen meenemen, kunnen na al de hiervóór aangegeven wijzigingen in de reglementering de adjunct-inspecteurs van de RVA in het kader van de mobiliteit muteren naar een betrekking van adjunct-inspecteur bij de ISW zonder enig verlies van anciënniteit. Deze anomalie wordt in 1996 door de secretaris-generaal van het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid onder de aandacht van de minister van Ambtenarenzaken gebracht. Deze antwoordt dat mobiliteit en aanwerving twee totaal verschillende situaties zijn zodat er geen sprake is van een ongelijkheid en dat er geen plannen bestaan om dat onderscheid op te heffen. Op 11 augustus 1997 antwoordt hij aan het ACOD dat het onjuist is om de situatie van een ambtenaar die in een gemene graad wordt aangeworven in een ministerie na te zijn geslaagd in een wervingsexamen, te vergelijken met deze van een ambtenaar die heeft kunnen genieten van een vrijwillige mobiliteit. Naar aanleiding van de omzendbrief nr. 481 van 24 september 1999, “Bijzondere graden - Anomalieën, specifieke kenmerken”, waarin aan de besturen en de andere diensten van de federale ministeries en aan de instellingen van openbaar nut gevraagd wordt de ingevolge de invoering van het niveau 2+ vastgestelde anomalieën waaraan tot dan toe niet tegemoet gekomen is mee te delen, wordt de voormelde verschillende behandeling opnieuw meegedeeld aan de minister van Tewerkstelling en Arbeid. IX-3190-3/11 Deze legt het probleem op 10 november 1999 voor aan de minister van het Openbaar Ambt. In deze brief wordt uiteengezet dat de verschillende behandeling een onrechtvaardigheid meebrengt bij de toekenning van de weddeschaal 28J die maar kan worden toegekend aan 15% van alle sociale controleurs die voorzien zijn in het kader. Door hun grotere anciënniteit komen de adjunct-inspecteurs die in het kader van de mobiliteit van de RVA zijn overgekomen naar de ISW eerder in aanmerking voor deze weddeschaal dan zij die, na eerst een loopbaan als adjunct-controleur te hebben doorlopen bij de RVA, langs een wervingsexamen zijn overgegaan naar de ISW. De minister van Arbeid stelt als oplossing voor de anciënniteit te herstellen van die controleurs RVA die vóór 19 augustus 1992 naar de ISW zijn overgegaan langs een wervingsexamen en dezen tezamen met die adjunct-inspecteurs RVA die langs de mobiliteit zijn overgegaan naar de ISW buiten het 15% quotum voor de weddeschaal 18J te stellen. Zij vermeldt nog dat het slechts gaat om 9 ambtenaren die in het kader van de mobiliteit zijn overgekomen en 4 die langs een wervingsexamen bij de ISW in dienst zijn gekomen. Deze démarche blijft echter zonder gevolg. 1.
- Op 10 oktober 2001 stelt verzoeker de minister van Arbeid en Tewerkstelling in gebreke. Hij geeft eerst een uiteenzetting van het probleem en van de verschillende acties die in het verleden reeds werden gevoerd om te proberen een oplossing daarvoor te bereiken en stelt dan dat gezien elke regeling uitblijft hij met toepassing van artikel 11, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een eis indient teneinde het geldelijk verlies te recupereren waarvan hij door de voormelde omstandigheden reeds jaren het slachtoffer is. Hij begroot dat verlies op 15.373 euro. Hierop verkrijgt verzoeker geen antwoord;
- Over de ontvankelijkheid van de vordering 2.
- Overwegende dat de verwerende partij als eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid aanvoert dat verzoeker onredelijk lang heeft gewacht om zijn vraag tot herstelvergoeding in te dienen; dat volgens de verwerende partij de regels van de billijkheid de volledige procedure inzake de herstelvergoeding moeten leiden en dat dit betekent dat verzoeker al het nodige moet doen om de administratieve overheid toe te laten tot de noodzakelijke onderzoeken over te gaan; dat de verwerende partij stelt dat hoewel in casu de buitengewone schade volgens IX-3190-4/11 verzoeker wordt veroorzaakt door het feit dat er geen wet of koninklijk besluit werd uitgevaardigd waardoor een einde werd gesteld aan de ongelijke behandeling waarvan verzoeker het slachtoffer is geworden door de uitvaardiging van het genoemde koninklijk besluit van 19 augustus 1992, de genoemde wet van 22 juli 1993 en het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveau’s 2, 3 en 4, verzoeker 7 jaar heeft gewacht alvorens zijn verzoekschrift tot herstelvergoeding in te dienen, zonder dat hij een verzoekschrift tot vernietiging van het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 of dat van 14 september 1994 heeft ingediend; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert gedurende al die jaren niet te hebben stilgezeten maar integendeel verscheidene stappen te hebben ondernomen om in deze problematiek tot een minnelijke oplossing te komen; dat gelet hierop, het meer dan logisch is dat verzoeker meer dan 7 jaar heeft gewacht om zijn verzoekschrift tot herstelvergoeding in te dienen en er dan ook wettige redenen zijn die de vertraging rechtvaardigen; dat hij ook geen verzoek tot nietigverklaring indiende tegen de genoemde koninklijke besluiten aangezien deze op zich volkomen rechtmatig zijn; 2.
- Overwegende dat uit het feitenrelaas blijkt dat verzoeker sinds de wijziging van de reglementering in 1993 meerdere keren heeft gepoogd om tot een regeling van de toestand te komen; dat na te hebben moeten vaststellen, niettegenstaande de zaak voor de derde keer werd aangekaart bij de minister van Ambtenarenzaken, de laatste keer zelfs door zijn eigen minister, dat er geen oplossing kwam en de gevolgen van de verschillende behandeling steeds ingrijpender werden, hij zijn minister heeft aangemaand; dat wanneer er daarop na zeven maanden geen antwoord kwam, verzoeker een verzoekschrift indient bij de Raad van State, terwijl artikel 4 van het algemeen procedurereglement hem daarvoor een termijn van drie jaar geeft; dat in die omstandigheden aan verzoeker niet verweten kan worden te lang te hebben gewacht om zijn verzoekschrift in te dienen; dat de eerste exceptie wordt verworpen; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij als tweede exceptie aanvoert dat de schade bestaat uit een verlies aan loon en verzoeker in gebreke blijft om aan te tonen dat die schade niet behoort tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht terwijl hij dit bewijs moet aanbrengen; IX-3190-5/11 3.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet dat de Raad van State bevoegd is aangezien hij geen vordering tot schadevergoeding kan instellen bij de burgerlijke rechtbank omdat de handelwijze van de tegenpartij strikt genomen geen fout inhoudt; dat aangezien de administratieve overheid geen fout heeft begaan verzoeker zich niet tot de burgerlijke rechtbank kan wenden; 3.
- Overwegende dat artikel 11, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de afdeling administratie van de Raad van State bevoegd is om uitspraak te doen over de eisen tot herstelvergoeding voor buitengewone schade, “als geen ander rechtscollege bevoegd is”; dat niet blijkt dat verzoeker zich beroept op de schending van een recht, noch op een onwettig optreden van de overheid; dat het enkele feit dat de aangevoerde schade bestaat in het verlies van loon niet volstaat om te kunnen besluiten dat het om een geschil zou gaan waarvoor de gewone rechter bevoegd is; dat verzoeker immers niet beweert recht te hebben op dat loon, maar integendeel betoogt dat, hoewel de reglementering op zich wettig is en geen fout in zich draagt, zij abnormale gevolgen heeft in een welbepaald geval, met name het zijne; dat de tweede exceptie eveneens wordt afgewezen;
- Over de gegrondheid van de vordering 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift stelt dat na eerst een carrière als controleur bij de RVA te hebben doorlopen, zijn indiensttreding bij de ISW in 1983 na het slagen in een wervingsexamen een nieuwe werving betrof; dat hij daardoor al de anciënniteit verloor die hij voordien bij de RVA had verworven; dat de werving langs een examen toen voor hem de enige mogelijke manier was om bij de ISW te kunnen worden benoemd; dat door latere wijzigingen in de reglementering de graden van controleur bij de RVA werden opgewaardeerd, wat gepaard ging met de omvorming tot de graad van adjunct-inspecteur zoals die ook bestond bij de ISW, en de mogelijkheid werd ingevoerd om bij wege van mobiliteit te muteren naar andere departementen zonder verlies van anciënniteit; dat nadien adjunct-inspecteurs bij de RVA met behoud van hun anciënniteit konden overgaan naar de ISW en daar een grotere graadanciënniteit konden laten gelden dan verzoeker, wat hen carrièrevoordelen gaf, zoals het vlugger opklimmen in de financiële loopbaan; dat deze abnormale situatie volgens verzoeker een buitengewone schade teweegbrengt; IX-3190-6/11 4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de schade van verzoeker is veroorzaakt door een latere wijziging van de reglementering en dergelijke problematiek door de Raad reeds werd behandeld in het arrest nr. 16.446, OBYN, van 28 mei 1974; dat volgens de verwerende partij in dit arrest werd beslist dat een ambtenaar geen buitengewone schade lijdt wanneer deze bestaat in de nadelen die het gewone gevolg zijn van een bestuurshandeling van algemene toepassing op het ogenblik van de feiten, zelfs als nadien in deze bepalingen veranderingen werden aangebracht waarvan verzoeker niet meer kan genieten; dat de verwerende partij verder meent dat het nadeel dat verzoeker ondergaat niet het vereiste speciale karakter heeft omdat verzoeker niet aantoont dat hij anders is behandeld dan de andere ambtenaren die zich in dezelfde situatie als hij bevonden; dat het integendeel voor alle RVA-ambtenaren die vóór het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 naar de ISW zijn overgestapt zo was dat zij geen gebruik konden maken van de mogelijkheid om te muteren naar de ISW met behoud van hun graadanciënniteit omdat die mogelijkheid toen nog niet bestond; dat het daarbij van geen belang is dat het slechts om een beperkt aantal ambtenaren gaat; dat de verwerende partij ook betoogt dat er geen causaal verband bestaat tussen de wijzigingen van de reglementering en de aangevoerde schade aangezien verzoeker op 1 november 1983 vrijwillig in dienst is getreden bij de ISW, na te zijn geslaagd in een toegangsexamen, en dat hij daarbij afstand heeft gedaan van elke nuttige anciënniteit die hij in zijn vroegere functie bij de RVA had vergaard; dat de schade die hij heeft geleden te wijten is aan zijn eigen vrijwillige overstap naar de ISW en niet aan de wijziging van de reglementering; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat de nadelige situatie die voor hem door de gewijzigde reglementering is ontstaan verregaande abnormale gevolgen en een ernstige ongelijke behandeling inhoudt; dat het daarbij ongewilde neveneffecten van de nieuwe reglementering zijn die eigenlijk meer wijzen op een lacune in de reglementering; dat het arrest nr. 16.446, OBYN, van 28 mei 1974, waarnaar de verwerende partij verwijst betrekking heeft op een situatie die totaal niet te vergelijken is met deze van verzoeker aangezien er daar sprake was van een gewoon gevolg van een bestuurshandeling met algemene draagwijdte terwijl dit in casu niet het geval is; dat wat het speciale karakter van de schade betreft, artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet handelt over speciale schade maar alleen over buitengewone schade, wat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet op de Raad van State werd omschreven als “elk abnormaal uitzonderlijk nadeel dat uit zijn IX-3190-7/11 aard of belang de hinder overtreft of de gewone opofferingen die het leven in de maatschappij en het vredelievend behoud dezer maatschappij vergen”; dat volgens de rechtspraak de schade maar buitengewoon is indien zij abnormaal, direct en zeker is en indien zij geïndividualiseerd is; dat de schade die niet één of enkele individuen treft maar een hele categorie van personen niet buitengewoon is maar een openbare last is; dat gelet op haar omvang de schade zeker abnormaal is; dat er ook een causaal verband is met de gewijzigde reglementering aangezien de schade pas is ontstaan wanneer en doordat de reglementering veranderde; dat vooraleer deze nieuwe reglementering tot stand kwam de ongelijke behandeling nog niet bestond; 4.
- Overwegende dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de organieke wet van 23 december 1946 op de Raad van State werd voorgesteld het vage begrip “buitengewone schade” te omschrijven als “elk abnormaal, uitzonderlijk nadeel, dat uit zijn aard of belang de hinder overtreft of de gewone opofferingen die het leven in de maatschappij en het vredelievend behoud dezer maatschappij vergen”; dat daaruit blijkt dat de grondslag van het vergoedingscontentieux te vinden is in de theorie van de gelijkheid van de burgers tegenover de openbare lasten; dat de beoordeling van het buitengewoon karakter in wezen een feitenkwestie is waarover geval per geval moet worden geoordeeld; dat de schade echter in elk geval actueel en zeker moet zijn, in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet staan tot een overheidshandeling of een stilzitten van de overheid, en een bijzonder karakter moet hebben; 4.
- Overwegende dat de door verzoeker aangevoerde schade, te weten het verschil in behandeling tussen hemzelf en de adjunct-inspecteurs bij de RVA die, na hem, met behoud van hun anciënniteit zijn kunnen overgaan naar de ISW, en de uit dat verschil voortvloeiende gevolgen, is ontstaan doordat de reglementering is veranderd; dat de schade aldus rechtstreeks door een optreden van de overheid is veroorzaakt, en dat ze, op het ogenblik van het instellen van de vordering, zeker en actueel was; 4.
- Overwegende, in verband met de vraag of de door verzoeker geleden schade bijzonder is, dat het feit dat er slechts enkele personen in de gewraakte situatie zijn, op zich niet voldoende is om te stellen dat het om een bijzondere schade gaat; dat het voorts weliswaar niet uitzonderlijk is dat ingevolge een wijziging van de reglementering na verloop van tijd wijzigingen optreden in de statutaire situatie, waardoor vanaf een bepaald ogenblik mogelijk wordt wat tot dan IX-3190-8/11 niet mogelijk was; dat het in casu vóór de wijziging van de regelgeving niet mogelijk was om bij wege van mutatie over te gaan van een openbare instelling naar een ministerie; dat het weliswaar niet abnormaal is, ook al is een andere oplossing denkbaar, dat een ambtenaar bij werving geacht wordt een nieuwe carrière te beginnen en dat hij de graad- en niveau-anciënniteit die hij opgebouwd heeft in zijn vorige, beëindigde carrière, niet meeneemt in zijn nieuwe carrière; dat dit in het geval van verzoeker des te meer aanvaardbaar was, nu het ging om een bijzondere carrière waarvoor een specifiek wervingsexamen moest worden afgelegd; dat het ook logisch is dat wanneer een ambtenaar bij wege van mutatie overgaat, hij de anciënniteit behoudt verworven in de graad waarin hij overgaat; dat de situatie die verzoeker aanklaagt evenwel van zeer specifieke aard is: het is alleen ten overstaan van vroegere RVA-controleurs, die, zoals verzoeker, overgaan naar de ISW, maar dit na augustus 1992 doen bij wege van mutatie in het kader van de mobiliteit in plaats van hun carrière te moeten herbeginnen middels een wervingsexamen, dat verzoeker een onbillijk voorbijstreven ervaart nu zij hem in de ISW meteen in graadanciënniteit voorbijgaan, met negatieve gevolgen voor verzoekers loopbaan; dat daardoor de voor verzoeker onbillijke situatie is ontstaan; dat slechts drie andere, met naam in het dossier geïdentificeerde personen zich in dezelfde situatie bevinden; dat het feit dat verzoeker niet de enige is die schade heeft geleden niet uitsluit dat het om een buitengewone schade gaat, die niet een hele categorie van personen treft; dat de schade die verzoeker heeft geleden als bijzonder, in de zin van de wet, kan worden beschouwd; 4.
- Overwegende, gelet op het voorgaande, dat verzoeker aanspraak kan maken op een vergoeding van de door hem geleden schade;
- Over het bedrag van de herstelvergoeding 5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift de door hem geleden schade op 1 oktober 2001 begroot op 15.373 euro, en dat die schade volgens hem nog steeds is aangegroeid; Overwegende dat verzoeker zijn schade heeft berekend uitgaande van het gederfde brutoloon voor de periode vanaf augustus 1992, daarbij telkens per maand het verschil berekenend tussen de wedde die hij effectief genoten heeft en die welke hij zou hebben ontvangen indien hij zijn anciënniteit had mogen meenemen; IX-3190-9/11 Overwegende dat de verwerende partij geen opmerkingen maakt over het gevorderde bedrag; dat dit bedrag in de gegeven omstandigheden ook als billijk voorkomt; 5.
- Overwegende dat verzoeker ter terechtzitting aanvoert dat zijn schade is toegenomen sinds de inwerkingtreding, op 1 januari 2007, van het koninklijk besluit van 22 november 2006 houdende diverse maatregelen inzake de loopbaan van het Rijkspersoneel van de niveaus A, B, C en D; dat hij in een nota uiteenzet dat artikel 63, § 4, van dit koninklijk besluit bepaalt dat het rijkspersoneel dat houder is van de graad van technisch deskundige, voorheen bekleed met de graad van sociaal controleur of eerstaanwezend sociaal controleur en met een graadanciënniteit van meer dan vierentwintig jaar, wordt bezoldigd in de weddenschaal BT3; dat de ambtenaren die aan die voorwaarden voldoen aldus vanaf 1 januari 2007 overgaan van weddenschaal BT2 naar weddenschaal BT3; dat verzoeker, door het feit dat zijn anciënniteit bij de RVA niet in aanmerking wordt genomen, niet op 1 januari 2007, maar pas op 1 november 2007 de vereiste anciënniteit zal hebben; dat hij daardoor gedurende tien maanden een loonverlies lijdt van 261,37 euro per maand, of in totaal 2613,70 euro; Overwegende dat de vordering tot het verkrijgen van een herstelvergoeding wegens buitengewone schade op grond van artikel 11, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts ontvankelijk is als de verzoeker een verzoekschrift om vergoeding bij de administratieve overheid heeft ingediend en die overheid het verzoek heeft afgewezen of verzuimd heeft om daarover binnen een termijn van 60 dagen te beslissen; dat een vordering tot het verkrijgen van een herstelvergoeding waarvoor de verzoeker geen voorafgaand verzoekschrift tot de overheid heeft gericht, daarentegen onontvankelijk is; Overwegende dat de bijkomende vordering niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorafgaand verzoekschrift bij de verwerende partij; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat die vordering onontvankelijk is, IX-3190-10/11 BESLUIT: Artikel
- De Belgische Staat wordt veroordeeld om aan Dirk EECKHOUT een vergoeding voor buitengewone schade te betalen van 15.373 euro. Artikel
- De vordering wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 maart 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3190-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.782 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.