id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.801 Rolnummer: A. 134673/XIV-14400 Zaak: Arrest 168801 - Dienst Vreemdelingenzaken - 12/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 17:29 Fiche Arrest nr 168.801 van 12 maart 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Bevolen Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.801 van 12 maart 2007 in de zaak A. 134.673/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. DELVAUX, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, stationsstraat 10 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 26 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 februari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-14.400-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DELVAUX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 10 oktober 2000 en zich op 11 oktober 2000 vluchteling verklaart; dat op 1 december 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 29 november 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; Overwegende dat de verzoekende partij op 21 februari 2003 via de burgemeester van de stad Sint-Truiden een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag op dezelfde dag niet-ontvankelijk verklaart; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene een beroep tot schorsing en nietigverklaring heeft ingediend bij de Raad van State, heeft geen opschortende werking. De aangehaalde problemen in zijn land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, de aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkene reeds twee jaar en half in België verblijft, de Nederlandse taal beheerst en zich hier volledig geïntegreerd heeft, zijn op zich niet uitzonderlijk en verantwoorden niet dat de aanvraag tot regularisatie op grond van art. 9 in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van de asielprocedure en dat hij bij een negatieve beslissing het land diende te verlaten. (...).”;
- Betreffende de toepassing van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli
- 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, van de ministeriële XIV-14.400-2/6 omzendbrief van 15 december 1998 over de toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van “de algemene rechtsbeginselen zoals het recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak” en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur opwerpt; dat de verzoekende partij aanvoert dat de motivering van overheidsbeslissingen juist en juridisch aanvaardbaar moet zijn, dat de verzoekende partij haar aanvraag op 21 februari 2003 bij de burgemeester heeft ingediend, dat haar raadsman per fax een kopie van het verzoekschrift, zonder stukken, aan de dienst Vreemdelingenzaken heeft overgemaakt, dat de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op dezelfde dag om 16.40u heeft gemeld dat geen gunstig gevolg aan de aanvraag kon worden gegeven, dat de minister van Binnenlandse Zaken derhalve geen rekening heeft gehouden met bij de burgemeester neergelegde stukken, vermits de minister bij het nemen van de beslissing nog niet over die stukken beschikte, dat de bestreden beslissing niet naar behoren is gemotiveerd, dat de verzoekende partij als reden voor haar aanvraag de zeer ongunstige toestand in Kosovo aanhaalt zoals deze in het verslag van UNMIK van 21 december 2002 is uiteengezet, dat de stelling van de minister van Binnenlandse Zaken, met name dat de aangevoerde problemen reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van de asielaanvraag die werd verworpen, waardoor de aangevoerde problemen geen buitengewone omstandigheden zouden vormen, niet kan worden aanvaard, dat immers het kennelijk ongegrond (doch niet bedrieglijk) bevinden van de asielaanvraag niet betekent dat de problematiek van de verzoekende partij als Gorani niet aan de grondslag van een machtiging tot verblijf kan liggen, dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bovendien geen rekening heeft gehouden met het verslag van UNMIK van 21 december 2002, waarin de moeilijke situatie van de Gorani in Krusevo wordt uiteengezet als verantwoording van buitengewone omstandigheden om de aanvraag om machtiging tot verblijf in België in te dienen, dat er in Krusevo aldus een aantoonbaar veiligheidsprobleem bestaat en dat de aangehaalde bepalingen en beginselen zijn geschonden door daar geen rekening mee te houden in de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of plaats van oponthoud in het buitenland; dat het overeenkomstig artikel 9, derde lid, van diezelfde wet in buitengewone omstandigheden is toegelaten die aanvraag in te dienen via de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat die buitengewone omstandigheden, die het voor de vreemdeling onmogelijk zouden maken om de verblijfsmachtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger in het buitenland aan te vragen, niet mogen worden verward met de argumenten ten gronde om de verblijfsmachtiging in België te bekomen; XIV-14.400-3/6 Overwegende dat de verzoekende partij in het middel in essentie aanvoert dat de minister van Binnenlandse Zaken omtrent de aangevoerde problemen in het land van herkomst slechts verwijst naar de bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 november 2002 en dat daarmee onvoldoende wordt geantwoord op de door de verzoekende partij aangehaalde elementen, waaronder een verslag van UNMIK van 21 december 2002; dat in de bestreden beslissing het volgende wordt overwogen: “De aangehaalde problemen in zijn land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, de aangehaalde redenen kunnen derhave niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen.”; Overwegende dat uit stuk 81 van het administratief dossier blijkt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk ongegrond is verklaard, onder meer omdat zij onvoldoende feiten had aangehaald waaruit blijkt dat zij Kosovo uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) had verlaten of dat zij die vrees alsnog diende te hebben bij een eventuele terugkeer naar haar land; Overwegende dat het toepassingsgebied van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet verschilt van het toepassingsgebied van artikel 1, A, 2) van de Vluchtelingenconventie; dat de asielinstanties in het licht van dat verdrag onderzoeken of de vreemdeling in zijn land van herkomst het slachtoffer is geworden van een gegronde vrees voor vervolging op basis van zijn ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep; dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, echter een ruimere inhoud hebben; dat, ook als is in het kader van de asielaanvraag beslist dat de verzoekende partij aangehaalde moeilijkheden voor de Gorani in Krusevo geen verband houden met de criteria van de Vluchtelingenconventie, dit niet betekent dat het geen buitengewone omstandigheden in de zin van het voornoemde artikel 9, derde lid, kunnen vormen; dat dit des te meer klemt nu de verzoekende partij bij de aanvraag om machtiging tot verblijf een verslag van UNMIK van 21 december 2002 betreffende de toestand voor de Gorani in Krusevo heeft neergelegd, waar de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van zijn beslissing betreffende de asielaanvraag op 29 november 2002 niet eens kennis van kon hebben; dat hieruit blijkt dat het middel niet kennelijk ongegrond is in de mate dat het betrekking heeft op de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel;
- Betreffende de vordering tot schorsing. XIV-14.400-4/6 3.
- Overwegende dat het auditoraat in het verslag oordeelt dat, indien de kamer geen toepassing maakt van meergenoemd artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de vreemdelingen, de vordering tot schorsing moet worden verworpen wegens gebrek aan ernstige middelen, met toepassing van artikel 7, § 2 van hetzelfde koninklijk besluit; Gezien de nota’s van de verwerende partij; 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat hierboven sub 2.2, laatste considerans werd geoordeeld dat het enige middel niet ongegrond lijkt; dat uit de bespreking ervan integendeel blijkt dat het middel op het eerste gezicht gegrond kan zijn en derhalve ernstig is; 3.2.
- Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat de verzoekende partij aanvoert dat “een gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst impliceert dat verzoeker bloot gesteld kan worden aan vervolging, zoals hierboven uiteengezet wordt en bevestigd wordt door de verklaring van Unmik dd. 21.12.2002 betreffende de algemene toestand in de regio Dragash en aldus zeer zware gevolgen voor zijn persoon kan hebben”; dat de verzoekende partij aldus in casu met voldoende concrete en precieze gegevens aannemelijk maakt dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan bezorgen; 3.
- Overwegende dat aan de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden voor een schorsing van de tenuitvoerlegging is voldaan, BESLUIT: Artikel
- XIV-14.400-5/6 Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 februari 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt voortgezet overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzonder procedureregeling inzake geschillen over de beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf maart tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.400-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.801 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.