id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.992 Rolnummer: A. 84047/VII-18424 Zaak: Arrest 168992 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 15/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-28 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 17:47 Fiche Arrest nr 168.992 van 15 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.992 van 15 maart 2007 in de zaak A. 84.047/VII-18.
- In zake : de c.v.b.a. HARAS, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE-LEUVEN, Industrieweg 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v.b.a. HARAS op 10 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 11 maart 1999 van OVAM waarbij deze beslist tot de ambtshalve verwijdering van afvalstoffen, op kosten van de overtreder, op het terrein van de c.v.b.a. HARAS, gelegen Achter de Hovenstraat te Steenokkerzeel, kadastraal gekend Sectie B, nrs. 28, 42, 42b en 43b; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 28 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-18.424-1/17 Gelet op de beschikking van 15 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 februari 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. MAN die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- In de loop van de jaren zeventig en tachtig werd de eigendom van Karel VERSTREKEN, gelegen Achter de Hovenstraat te Steenokkerzeel, kadastraal gekend Sectie B, nrs. 28, 42, 42b en 43b, uitgebaat als stortplaats. Tussen 8 september 1980 en 27 maart 1986 beschikte de firma VAN DE VELDE over een vergunning om ter plaatse inerte afvalstoffen te storten. 1.
- Nadat OVAM Karel VERSTREKEN op 10 januari 1990 in gebreke had gesteld omdat hij had nagelaten de betrokken terreinen te saneren, werd op 25 april 1991 de procedure voor ambtshalve sanering ingeleid. 1.
- Na het overlijden van Karel VERSTREKEN wordt de verzoeken- de partij, die onroerende goederen beheert en valoriseert, op 2 juni 1992 eigenaar van de voornoemde terreinen. 1.
- Op 7 september 1994 stelt het bestuur Milieu-inspectie Vlaams-Brabant ter plekke vast dat op de terreinen "de sluikstortingen enorm zijn". Luidens het proces-verbaal nr. 94/0319 van diezelfde datum, VII-18.424-2/17 opgesteld door een inspecteur van de betrokken administratie, verklaart een bestuurder van de verzoekende partij het volgende : "U brengt mij op de hoogte van Uw vaststellingen. Wij zijn eigenaar geworden van dit terrein door overname van de nalatenschap van de heer VERSTREKEN Karel op 2 juni
- Uit een schattingsverslag bleek dat de waarde van genoemde percelen 0,- Bfr. was. Wij waren ons niet bewust van het feit dat op deze percelen een procedure ambtshalve sanering rustte. Ik kan U bevestigen dat wij daar niets gestort hebben. Al de afvalstoffen die u opmerkte zijn door derden gestort. Wij hebben zelfs een zware poort met hangslot aangebracht, die na één week al was vernield. Wij zullen terzake het nodige doen om te voorkomen dat er nog verder gesluikstort wordt en nagaan in hoeverre we gevolg kunnen geven aan de door u gevraagde saneringsmaatregelen". In hetzelfde procesverbaal stelt de inspecteur van het bestuur milieu-inspectie Vlaams-Brabant hetgeen volgt : "Aangezien het duidelijk is dat hier sprake is van het uitbaten van een illegale stortplaats is dit een overtreding artikel 12 en 14, § 1 van het Decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij Decreet van 20 april 1994 (B.S. 29/4/94). Tevens is dit een overtreding tegen artikel 5, § 1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning (...). Als saneringsmaatregelen worden opgelegd : - het terrein wordt onmiddellijk afgesloten zodat er geen stortaktiviteiten meer kunnen plaatsvinden, - alle afvalstoffen worden verwijderd naar daartoe vergunde inrichtingen tegen eind oktober 1994, - daarna wordt het terrein volledig genivelleerd en gesaneerd zodat het kan in gebruik genomen worden overeenkomstig het gewestplan (nabestemming landbouwgrond) tegen eind december 1994". Het proces-verbaal wordt op 8 september 1994 overgemaakt aan de Procureur des Konings en aan de verzoekende partij. 1.
- Op 20 september 1994 stuurt de verzoekende partij aan het bestuur Milieu-inspectie van Vlaams-Brabant de volgende brief : "Betreft PV/94/0319 Geachte, Bij deze melden wij u de ontvangst van het bovenvermelde proces verbaal van 8 sept.
- Mogen wij u er nogmaals aan herinneren dat, zoals reeds eerder vermeld in uw pv, wij eigenaar zijn geworden van de betreffende percelen, door overname van de nalatenschap van de heer Verstreken. Dit betekent echter niet dat wij het zullen nalaten om deze zaak proberen op te lossen. Er is ondertussen reeds een aannemer ter plaatse komen zien en wij verwachten kortelings een bestek. VII-18.424-3/17 Indien mocht blijken dat wij een overeenkomst bereiken met de aannemer, als die binnen onze mogelijkheden ligt, zullen wij u onmiddellijk op de hoogte brengen met eventueel een saneringsplan. Wij zullen verder zeker ook geen werken laten uitvoeren alvorens kontakt op te nemen met uw dienst". 1.
- Op 18 oktober 1994 stelt de verzoekende partij aan het bestuur Milieu-inspectie een saneringsplan voor. 1.
- Op 26 oktober 1994 antwoordt voornoemd bestuur dat akkoord kan worden gegaan “met de grote lijnen van de vooropgestelde sanering”. 1.
- Op 5 april 1995 deelt OVAM aan de verzoekende partij mee dat de terreinen bekend staan als een "black-point" en dat de manier waarop het terrein gesaneerd dient te worden slechts met een bodem- en saneringsstudie vastgesteld kan worden. 1.
- Op 16 mei 1995 legt de n.v. BOUWEN EN MILIEU een eindrapport neer over het oriënterend bodemonderzoek in opdracht van de verwerende partij. Hieruit blijkt dat er op de terreinen niet alleen inerte afvalstoffen maar ook een belangrijke hoeveelheid pathogeen ziekenhuisafval (operatie-afval, medicijnen, injectienaalden, bacteriekolonies...) werden gestort. 1.
- Op 1 maart 1996 stelt OVAM de verzoekende partij in gebreke om de afvalstoffen op voornoemde terreinen te verwijderen. 1.
- Met een brief van 21 maart 1996 vraagt de verzoekende partij een kopie van het proces-verbaal waarin de overtreding zou vastgesteld zijn. De verzoekende partij stelt dat zij geen afvalstoffen achtergelaten of verwijderd heeft en dat uit de ontvangen studie niet blijkt dat er een direct of indirect gevaar zou uitgaan van de beweerde verontreiniging. 1.
- Op 16 april 1996 verstuurt de verwerende partij aan de verzoeken- de partij een “gemotiveerde uitnodiging tot hoorzitting” in het kader van de door verwerende partij overwogen ambtshalve verwijdering van afvalstoffen op de betrokken percelen. Uit het proces-verbaal van de hoorzitting, die plaats vond op 3 mei 1996, blijkt dat namens de verzoekende partij in essentie wordt verwezen naar de sub 1.11 vermelde brief van 21 maart 1996, die volgens de verzoekende partij onbeantwoord is gebleven. VII-18.424-4/17 1.
- Op 19 november 1996 verstuurt de verwerende partij aan de verzoekende partij een brief waarin onder meer het volgende wordt gesteld : "De OVAM heeft inderdaad geen enkel document waarin vermeld staat dat u afvalstoffen zelf stort. Daarentegen wijzen wij u wel op dat u eigenaar bent van het terrein waarop een serieus gebrek aanwezig is. Daarom wordt u ook door de OVAM aangeschreven en aangemaand. Het niet-ontvangen van processen-verbaal is niet te wijten aan de werking van OVAM. Gelet op de bewezen feiten, menen wij dat dit niet voldoende is om te twijfelen aan de grond van de zaak, noch aan de bedoelingen van de OVAM. Het risico voor hinder en schade aan de volksgezondheid en het milieu is wat betreft uw stortplaats evident. Hiertoe stellen wij dat de verwerking van ziekenhuisafvalstoffen steeds via verbranding verloopt.(...)". 1.
- Met een brief van 3 december 1996 antwoordt de raadsman van de verzoekende partij onder meer hetgeen volgt : "De overweging dat cliënte door OVAM aangeschreven en aangemaand is omdat zij eigenaar is van een terrein waarop een serieus gebrek aanwezig is, bevreemdt. Het is immers geenszins duidelijk hoe OVAM op grond van deze vaststelling er toe komt om de N.V. Haras aan te manen op grond van het afvalstoffendecreet". 1.
- Op 21 oktober 1997 laat het parket van Brussel aan de raadsman van de verwerende partij weten dat het opsporingsonderzoek ten laste van de verzoekende partij afgesloten is bij een beslissing van zonder gevolg. 1.
- Op 11 maart 1999 neemt de verwerende partij de thans bestreden beslissing tot ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen op het terrein van de verzoekende partij. De inhoud ervan luidt als volgt : "Gelet op artikel 12 en artikel 37 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij decreet van 20 april 1994; verder afvalstoffendecreet genoemd; Overwegende dat de NV Haras eigenaar is van de terreinen kadastraal gekend als: Steenokkerzeel : sectie B nrs. 28, 42, 42 b en 43 b; Overwegende dat volgens de gegevens in het bezit van de OVAM op bovenvermelde percelen afvalstoffen werden gestort door de heer Verstreken ; dat dit ondermeer blijkt uit het Pro-Justitie opgemaakt door de OVAM op 28 september 1989; Overwegende dat volgens het Proces-verbaal nr. 94/0319 dd. 7 september 1994 opgesteld door het Bestuur Milieu-Inspectie Vlaams-Brabant, de NV Haras eigenaar en exploitant is van een stortplaats gelegen op de bovenvermelde percelen; dat volgens de vaststellingen in voornoemd P.V. ondermeer afbraakmateriaal, grote hoeveelheden steengruis, kasseistenen, oud ijzer, kleding, plastiek en dergelijke op willekeurige wijze werd achtergelaten; dat er derhalve sprake is van een illegale stortplaats en het illegaal achterlaten van afvalstoffen; VII-18.424-5/17 Overwegende dat op grond van een ambtshalve bevolen bodemonderzoek van de bovenvermelde percelen door “BOUWEN & MILIEU” einde 1995, waarvan de nv Haras een afschrift werd bezorgd, een aantal sleuftrekkingen werden uitgevoerd; Overwegende dat na het uitvoeren van de sleuftrekkingen de aanwezigheid van een ernstige hoeveelheid laboratoriumafval werd vastgesteld; dat uit het voornoemd onderzoek is gebleken dat de dikte van het ziekenhuisafval ongeveer 2 meter bedraagt op een oppervlakte van 1 hectare, hetzij ongeveer 20.000 m³ ziekenhuisafvalstoffen dat van patltogne aard is (operatie-afval, medicijnen, injectienaalden, bacteriekolonies en dergelijke); dat verder werd vastgesteld dat de inerte afvalstoffen die gemengd zijn met ziekenhuisafval, kunnen geraamd worden op 5.000 m³ gemengde afvalstoffen (huishoudelijke afvalstoffen vermengd met ziekenhuisafval) en 5.000 m³ ongemengd huishoudelijk afval; Overwegende dat de nv Haras zowel van het oriënterend onderzoek als van de stand van zaken d.m.v. de brieven nrs. RS-S/EVD-VK-IB-95/2171 dd. 24 april 1995 en RS-S/EVO-VK-lB-95/3567 dd. 8 september 1995 en diverse vergaderingen op de hoogte werd gehouden; Overwegende dat reeds tijdens de graafwerken de OVAM de nv Haras formeel d.m.v een brief van 21 november 1995 met referte RS-S/EVD-VK-IB95/4767 inlichtte van de vaststellingen van de toezichthoudende ambtenaar van de aanwezigheid van ziekenhuisafval in elke gegraven sleuf; Overwegende dat de Nv Haras op 1 maart 1996 door de OVAM met referte RS-S/EVD-VK-IB-96/0902 bij aangetekend schrijven behoorlijk ingebreke werd gesteld wegens overtreding van artikel 12 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, zoals gewijzigd door het Decreet van 29 april 1994 en waarbij de de NV Haras werd aangemaand deze afvalstoffen onmiddellijk over te brengen naar een hiertoe vergunde verwerkingsinrichting; dat de nv Haras binnen de maand volgend op ontvangst van de formele ingebrekestelling een werkplan aan de OVAM diende voor te leggen; Overwegende dat de Nv Haras heeft nagelaten om het gevraagde werkplan voor te leggen en de opgelegde maatregelen na te leven binnen de gestelde termijn; Overwegende dat de OVAM overeenkomstig artikel 37 van het afvalstoffendecreet wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, deze afvalstoffen ambtshalve kan verwijderen; Overwegende dat zo mogelijk de overtreder vooraf wordt gehoord; Overwegende dat de NV Haras bij aangetekend schrijven van 16.04.1996 met ref. RS-S/ EVD-VK-IB-96/1881 werd uitgenodigd voor een hoorzitting op 03.05.96 ten kantore van de OVAM te Mechelen; Overwegende dat de heer Buelens Johan, bestuurder van de NV Haras, op de hoorzitting dd 3 mei 1996 het hiernavolgende verklaarde: 'Ik ben bestuurder van de nv Haras. lk verklaar dat ik eigenaar ben van de gronden in kwestie. Uit het rapport dat mij door de OVAM werd toegezonden ben ik te weten gekomen dat er zich afvalstoffen bevonden op mijn terrein. Ik wens een antwoord te krijgen op mijn schrijven van 21 maart jl. Tot dan lijkt het ons niet zinvol om verklaringen af te leggen. Ik voel mij geenszins verantwoordelijk voor het achterlaten van afvalstoffen daar ik nooit afvalstoffen heb gestort noch heb laten storten'. Overwegende dat de NV Haras minstens d.m.v. de uitnodiging tot hoorzitting verstuurd per aangetekend schrijven met referte VII-18.424-6/17 RS-S/EVD-lB-96/1881 dd. 16 april 1996 op de hoogte werd gesteld van de op het terrein aanwezige afvalstoffen; Overwegende dat artikel 12 van het afvalstoffendecreet verbiedt om afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan; Overwegende dat het achterlaten van afvalstoffen niet alleen bestaat in het daadwerkelijk deponeren van afvalstoffen maar ook in het verzuim om de zich op het terrein bevindende afvalstoffen te beheren; dat artikel 13 van het Afvalstoffendecreet bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die afvalstoffen beheert of verwijdert, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder, schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; dat de nv Haras op 1 maart 1996 door de OVAM aangemaand werd deze afvalstoffen die zich op het terrein bevinden onmiddellijk over te brengen naar een hiertoe vergunde verwerkingsinrichting; dat de nv Haras binnen de maand volgend op ontvangst van de formele ingebrekestelling een werkplan aan de OVAM diende voor te leggen; dat de Nv Haras heeft nagelaten om het gevraagde werkplan voor te leggen en de opgelegde maatregelen na te leven binnen de gestelde termijn; Overwegende dat de NV Haras aldus afvalstoffen achterlaat en artikel 12 overtreedt; Overwegende dat de achtergelaten afvalstoffen een risico van hinder of schade voor de mens en het leefmilieu inhouden en dit omwille van de volgende redenen:
- De vernietiging van het medisch afval dient omwille van bacteriologische redenen zo snel mogelijk te worden uitgevoerd in een geschikte verbrandingsinrichting gelet op het aanwezige risico van besmetting, wat versterkt wordt door de onvoldoende afdekking van de stortplaats en het niet afgesloten zijn van het terrein dal vrij kan betreden worden;
- De aanwezigheid van huisvuil en industriële afvalstoffen in een daartoe niet geschikte inrichting is een bedreiging voor de bodem en het grondwater;
- De stortplaats situeert zich in een landbouwzone zoals in casu en vormt een verstoring van het landschap en een potentiële bedreiging van de teelten rondom de niet afgesloten stortplaats. Overwegende dat de ambtshalve verwijdering plaatsvindt op kosten van de overtreder; Op basis van de voorgaande overwegingen besluit de OVAM lastens de nv Haras tot een ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen over te gaan van de afvalstoffen die zich bevinden op de bovenvermelde percelen";
- De ontvankelijkheid 2.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat het beroep niet ontvankelijk is, in essentie omdat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij een illegale exploitatie uitbaat van opslag van afvalstoffen, terwijl de decreetgever door de strafbaarstelling van het wederrechtelijk achterlaten van afvalstoffen in artikel 5 van het afvalstoffendecreet niet alleen het sluikstorten, doch elk achterlaten in strijd met het decreet heeft willen strafbaar stellen en dit voortdurend misdrijf blijft bestaan zolang aan de wederrechtelijke VII-18.424-7/17 toestand geen einde werd gesteld, dat de verzoekende partij, die nooit is overgegaan tot de opruiming van de op haar terrein gestorte afvalstoffen, met haar verzoekschrift tot nietigverklaring eigenlijk de verderzetting van haar activiteiten beoogt, terwijl zij deze niet mag of kan uitoefenen, en dat dit geen geoorloofd en onwettig belang is; 2.
- Overwegende dat de Raad van State zich niet kan uitspreken over de vraag of de verzoekende partij een voortdurend misdrijf pleegt in de strafrechtelijke zin van het woord; dat voorts de beoordeling van het belang niet kan worden losgezien van de gegrondheid van het eerste middel, waarin de verzoekende partij precies aanvoert dat zij geen afvalstoffen heeft achtergelaten of verwijderd in de zin van het afvalstoffendecreet; dat dienvolgens zal worden overgegaan tot de beoordeling van de grond van de zaak;
- De gegrondheid 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel het volgende aanvoert : "Genomen uit de schending van het Decreet van de Vlaamse Raad van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, meer bepaald de artikelen 12, 13 en 37 zoals deze gewijzigd zijn door artikel 4 van het Decreet van 20 april 1994, uit de machtsoverschrijding, doordat op grond van de artikelen 12 en 37 van het Afvalstoffendecreet, OVAM in de bestreden beslissing besluit tot de ambtshalve verwijdering van afvalstoffen lastens verzoekende partij stellende dat 'het achterlaten van afvalstoffen niet alleen bestaat in het daadwerkelijk deponeren van afvalstoffen maar ook in het verzuim om de zich op (...) het terrein bevindende afvalstoffen te beheren; dat artikel 13 van het Afvalstoffendecreet bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die afvalstoffen beheert of verwijdert, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder, schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken', terwijl, eerste onderdeel, krachtens artikel 12 van het Afvalstoffendecreet het verboden is afvalstoffen 'achter te laten of te verwijderen'; dat artikel 37 van het Afvalstoffendecreet stipuleert dat 'wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, ... de OVAM deze afvalstoffen ambtshalve (kan) verwijderen', dat bij gebrek aan een definitie in het Afvalstoffendecreet zelf, de begrippen 'achterlaten' en 'verwijderen' in hun spraakgebruikelijke betekenis moeten verstaan worden; dat volgens het Van Dale-woordenboek onder het achterlaten van voorwerpen moet verstaan worden het 'laten staan of liggen, terwijl men andere wegneemt, meeneemt' en onder 'verwijderen' wordt verstaan 'op een afstand, verder plaatsen, afzonderen, wegnemen'; dat uit deze omschrijvingen VII-18.424-8/17 blijkt dat er een actie moet uitgaan van een persoon, nl. hij dient een bepaalde handeling gesteld te hebben; dat in huidig geval verzoekende partij eigenaar is van een stuk grond dat vroeger blijkbaar als stortplaats werd gebruikt; dat verzoekende partij in het verleden nooit een stortplaats heeft uitgebaat of afvalstoffen heeft beheerd; dat OVAM in haar brief van 19 november 1996 zelf erkent dat zij niet in het bezit is van enig document, dat het tegendeel bewijst; dat verzoekende partij bovendien nooit heeft gehandeld in afvalstoffen en ook nooit maar het kleinste deel van de afvalstoffen, teruggevonden op het litigieuze perceel, heeft aangebracht of gestort; dat verzoekende partij op geen enkele wijze actief heeft meegewerkt aan het storten van de afvalstoffen ter plaatse; dat verzoekende partij geen afvalstoffen heeft verwijderd of achtergelaten zoals dit moet worden begrepen in de zin van de artikelen 12 en 37 van het Afvalstoffendecreet; dat bijgevolg verwerende partij in strijd met de artikelen 12 en 37 heeft besloten tot een ambtshalve verwijdering van afvalstoffen lastens verzoekende partij, en terwijl, men onder 'achterlaten' of 'verwijderen' ook niet kan begrijpen 'het verzuim om de zich op het terrein bevindende afvalstoffen te beheren', zoals verwerende partij het stelt in de bestreden beslissing; dat, indien we er zouden van uitgaan dat verzoekende partij afvalstoffen heeft beheerd, wat niet het geval is, het verzuim van een daad van beheer geen aanleiding kan geven tot toepassing van de artikelen 12 en 37 van het Afvalstoffendecreet; dat, zoals reeds gezegd, 'achterlaten' of 'verwijderen' een actieve daad veronderstelt, waarbij de betrokkene afvalstoffen aanbrengt of wegneemt; dat het louter beheer van afvalstoffen niet valt onder toepassing van artikel 12 en 37 van het Afvalstoffendecreet, blijkt trouwens uit het feit dat een apart artikel in het Afvalstoffendecreet de toestand regelt van degene die afvalstoffen beheert, nl. artikel 13; dat dit laatste artikel louter beveiligingsmaatregelen oplegt en hieruit geen ambtshalve sanering kan volgen; terwijl, tweede onderdeel artikel 37 van het Afvalstoffendecreet alleen een ambtshalve verwijdering van afvalstoffen toelaat in geval artikel 12 van het Afvalstoffendecreet van toepassing is, nl. wanneer de belanghebbende het verbod heeft genegeerd om afvalstoffen achter te laten of te verwijderen; dat verwerende partij, zoals zij in huidig geval deed, geen beroep kon doen op artikel 13 van het Afvalstoffendecreet, teneinde toepassing te maken van artikel 37 van het Afvalstoffendecreet; dat dit laatste artikel, als gevolg van de dwangmaatregel die hieruit volgt, restrictief dient te worden geïnterpreteerd en enkel kan worden toegepast in de door de wet opgesomde gevallen; dat artikel 37 geen ambtshalve sanering toelaat, wanneer iemand zijn afvalstoffen slecht zou hebben beheerd in de zin van artikel 13 van het Afvalstoffendecreet; zodat, verwerende partij, door lastens verzoekende partij tot een ambtshalve verwijdering van afvalstoffen te besluiten en daarbij beroep te doen op artikel 13 van het Afvalstoffendecreet terwijl verzoekende partij geen afvalstoffen heeft achtergelaten of verwijderd, de in het middel aangehaalde bepalingen schendt"; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert als volgt : "Elkeen die afvalstoffen produceert of beheert is verplicht alle nodige maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen gevraagd worden om het gevaar voor de gezondheid van de mens of het gevaar voor verontreiniging van het leefmilieu te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. VII-18.424-9/17 Artikel 37 van het gewijzigde afvalstoffendecreet bepaalt dat, wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in strijd met de bepalingen van het decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of voor het leefmilieu, de OVAM deze afvalstoffen ambtshalve kan verwijderen op kosten van de overtreder. Artikel 12 van het Afvalstoffendecreet stelt een algemene verbodsbepaling in met betrekking tot het onbeheerd achterlaten van afval en het verwijderen ervan. Uit de parlementaire handelingen van de Vlaamse Raad blijkt ondermeer dat het begrip achterlaten in verband dient te worden gebracht met sluikstorten (Parl. Hand., Vlaamse Raad, 1980-1981, 131, nr. 8, p. 11). Ook het Hof van Cassatie volgt deze zienswijze nu het reeds eerder aangaf dat het niet alleen strafbaar was vuilnis en (afval)aan te voeren en te deponeren op daarvoor niet-wettelijk gereserveerde plaatsen, maar ook het verzuim die vuilnis of afval weg te voeren (Cass., 2 oktober 1984-1985, 2775-2776). In tegenstelling tot wat verzoekende partij wil doen geloven dienen de begrippen verwijderen en achterlaten conform de wil van de decreetgever in hun meest brede zin te worden geïnterpreteerd en slaat dit niet enkel op het actief storten van afvalstoffen ter plaatse. Het achterlaten van afvalstoffen bestaat niet alleen in het daadwerkelijk deponeren van afvalstoffen maar ook in het verzuim om de zich op dat terrein bevindende afvalstoffen te beheren. Hoewel niet bewezen lijkt dat verzoekende partij zelf bepaalde afvalstoffen gestort heeft op de kwestieuze gronden blijkt uit de feiten, zowel uit de geschriften als uit de houding van verzoekende partij zelf, duidelijk dat zij steeds nagelaten heeft de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen zodat de illegale stortactiviteiten verhinderd werden. Hierdoor dient vastgesteld dat verzoekende partij minstens gedoogd heeft dat de afvalstoffen in casu op haar terrein gestort werden zodat zij in deze zin minstens verantwoordelijk is voor het achterlaten van afvalstoffen door omissie. Verzoekende partij heeft op een continue manier geweigerd de op haar terrein gestorte afvalstoffen te verwijderen, ondanks de op haar wegende wettelijke en decretale verplichtingen en de verschillende toezeggingen en beloftes gedaan aan diverse overheden. Een ambtshalve verwijdering conform artikel 37 van het afvalstoffendecreet is dan ook de enige mogelijkheid om de gezondheid van mens en milieu ter zake te vrijwaren. Het eerste middel faalt bijgevolg volkomen zowel in rechte als in feite zodat het als ongegrond dient te worden verworpen"; 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog doet gelden wat volgt : "In het eerste onderdeel van het eerste middel, wordt door verzoekster gesteld dat de begrippen 'achterlaten' en 'verwijderen' vernoemd in artikel 12 van het Afvalstoffendecreet, bij gebrek aan definitie, in hun spraakgebruikelijke betekenis moeten worden verstaan, met als gevolg dat deze begrippen een actieve handeling uitgaande van een bepaalde persoon impliceren. Tegenpartij beweert ten onrechte dat de begrippen verwijderen en achterlaten in hun meest brede zin dienen te worden geïnterpreteerd, en niet enkel slaat op het actief storten van afvalstoffen, maar ook het verzuim om de zich op dat terrein bevindende afvalstoffen te beheren. Noch uit het Decreet zelf, noch uit de parlementaire handelingen blijkt dat de voorgenoemde begrippen ruim dienen te worden geïnterpreteerd. Het feit dat, volgens tegenpartij, uit de parlementaire handelingen blijkt dat het begrip VII-18.424-10/17 achterlaten in verband dient te worden gebracht met sluikstorten., is begrijpbaar, vermits het sluikstorten in se een actieve handeling, die erin bestaat vuilnis of afval achtergelaten door een derde, impliceert. Daarenboven is het Afvalstoffendecreet van openbare orde, minstens van dwingend recht (zie verwerende partij op blz. 13 van haar memorie), wat wil zeggen dat de regels van het Afvalstoffendecreet eng dienen te worden. geïnterpreteerd. Luidens artikel 12 is het verboden afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbepalingen ervan. In samenlezing met artikel 37 wordt een zware saneringsmaatregel opgelegd indien artikel 12 wordt overtreden. Met andere woorden, de begrippen achterlaten en verwijderen dienen strikt te worden geïnterpreteerd. Overigens is artikel 13 van toepassing met betrekking tot het verzuim om gestort afval op te ruimen. Tevens wil verzoekende partij nogmaals op wijzen dat in de door verwerende partij op blz. 15 van haar memorie aangehaalde arrest van Cass. dd. 2 oktober 1984, het ging over een schending van artikel 1 van het Politiereglement van de gemeente Aalter van 9 mei 1978, waarin werd gesteld dat het verboden is vuilnis te storten én achter te laten op het grondgebied van de gemeente. Ten aanzien van de dader, diegene die het vuilnis heeft gedeponeerd én verzuimd heeft om het terug op te ruimen, maakt het een voortdurend misdrijf uit. In dat geval, staat het ene begrip staat niet los van het andere, vermits beide termen opeenvolgend worden gebruikt. In het huidig geval kan verzoekster niet aanzien worden als de dader, vermits zij noch het vuilnis heeft gedeponeerd, noch heeft verzuimd om het door haar gestorte vuilnis weg te ruimen. In casu, dient het begrip achterlaten, bij gebrek aan definitie in het Decreet zelf, in haar spraakgebruikelijke betekenis te worden geïnterpreteerd. Verzoekende partij heeft in die betekenis dan ook nooit artikel 12 van het Afvalstoffendecreet geschonden. Dat het eerste onderdeel van het eerste middel derhalve ontvankelijk en gegrond is. In het tweede onderdeel werpt verzoekende partij op dat artikel 37 van het Afvalstoffendecreet alleen een ambtshalve verwijdering van afvalstoffen toelaat in geval artikel 12 van het betrokken Decreet van. toepassing is, nl. de verbodsbepaling om afvalstoffen achter te laten of te verwijderen wordt overtreden. Verwerende partij citeert artikel 37 op een gebrekkige wijze door op blz. 15 van haar memorie te stellen dat : 'wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in strijd met de bepalingen van het decreet ...'. Hierdoor, wil zij ten onrechte laten uitschijnen dat zowel artikel 12 als 13 hieronder zouden kunnen vallen. Doch, niets is minder waar. Luidens artikel 37 van het Afvalstoffendecreet kan, wanneer afvalstoffen worden achtergelaten of verwijderd in overtreding van artikel 12 van dit decreet, en er hierdoor risico bestaat van hinder of schade voor de mens of het leefmilieu, de O.V.A.M. deze afvalstoffen ambtshalve verwijderen. Met andere woorden, enkel in geval van overtreding van artikel 12, dewelke strikt dient te worden geïnterpreteerd (zie eerste onderdeel), kan de O.V.A.M. ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen bevelen. In het huidig geval kan geen overtreding van artikel 12 in hoofde van verzoekende partij worden vastgesteld, zodat het bestreden besluit duidelijk de voorgenoemde artikelen van het Afvalstoffendecreet heeft geschonden. Verwerende partij heeft als dusdanig haar bevoegdheid overschreden door op grond van de artikelen 12 en 37 de verwijderingsmaatregel ambtshalve, op kosten van verzoekende partij, te bevelen"; VII-18.424-11/17 3.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het eerste middel in essentie stelt dat artikel 37 van het afvalstoffendecreet niet kon worden toegepast omdat de verzoekende partij niet zelf de actieve handeling van het storten heeft gesteld, doch enkel eigenaar is van een terrein waarop anderen afvalstoffen hebben gestort; dat evenwel moet worden vastgesteld dat de verwerende partij de verzoekende partij niet verwijt dat zij zelf afvalstoffen op de terreinen heeft gestort, maar wel dat zij verzuimd heeft om het op de terreinen gedeponeerde afval te verwijderen; Overwegende dat het Hof van Cassatie in een arrest van 22 februari 2005 het volgende heeft geoordeeld : "Overwegende dat krachtens artikel 12 Afvalstoffendecreet, het verboden is afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten. Dat bij ontstentenis van nadere bepaling bij wet, 'achterlaten' zijn gewone betekenis heeft, dit is niet alleen het laten staan of liggen van een voorwerp waarvan men zich ontdoet, maar ook het veroorzaken en laten voortduren van de aldus ontstane toestand nadat de voortbrengende werking heeft opgehouden; aldus met 'achterlaten' niet alleen het storten, maar ook het verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen wordt bedoeld"; dat de Raad van State zich daarbij aansluit; dat -anders dan de verzoekende partij voorhoudt- met het woord "achterlaten" in de artikelen 12 en 37 van het afvalstoffendecreet dus niet alleen het storten zelf wordt bedoeld, maar ook het verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen; dat de verzoekende partij aan dit laatste voorbijgaat; dat zij niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat men alleen geacht kan worden afval "achter te laten" wanneer men zelf op actieve wijze de afvalstoffen deponeert; dat het argument van de verzoekende partij in haar laatste memorie dat “in casu (...) de beweerde delictuele toestand geenszins door verzoekende partij in het leven (is) geroepen (verzoekende partij heeft geen afval gedeponeerd, hetgeen door verwerende partij erkend wordt) (,zodat) in haren hoofde (...) er dan ook geen sprake (kan) zijn van een bestendiging van een door haar in het leven geroepen delictuele toestand” geen afbreuk doet aan het hierboven gestelde, zodat dat het eerste onderdeel van het eerste middel moet worden verworpen; Overwegende dat, aangezien het tweede onderdeel van het eerste middel voortbouwt op het gegrond bevinden van het eerste onderdeel, ook dit onderdeel moet worden verworpen; VII-18.424-12/17 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel uiteenzet dat luidt als volgt : "Genomen uit de schending (van) het Decreet van de Vlaamse Raad van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, meer bepaald artikel 55, §2, lid 2, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het beginsel dat elke administratieve rechtshandeling dient te steunen op deugdelijke motieven en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat, verwerende partij er in de bestreden beslissing vanuit gaat dat verzoekende partij eigenaar en exploitant is van een stortplaats en op die grond besluit tot een ambtshalve verwijdering van afvalstoffen ten laste van verzoekende partij, dat verwerende partij de bestreden beslissing steunt op het Proces-Verbaal nr. 94./0319 dd. 7 september 1994 opgesteld door het Bestuur Milieu-inspectie Vlaams-Brabant, terwijl, eerste onderdeel, verzoekende partij nooit een uitbater van een stortplaats geweest is noch in het verleden, noch in het heden; dat verzoekende partij bovendien verscheidene malen heeft betoogd nooit zelf afvalstoffen te hebben. gestort (zie verklaring van 7/9/1994 : 'Ik kan u bevestigen dat wij daar niets gestort hebben' ; zie brief van 21/3/1996; zie brief 19/11/1996 : 'Wij nemen er nota van (dat) Ovam niet betwist dat cliënte geen stoffen, afvalstoffen of andere zelf gestort heeft', dat verwerende partij is uitgegaan van een verkeerde voorstelling van zaken, waardoor de bestreden beslissing noodzakelijkerwijze steunt op onjuiste feitelijk gegevens; dat deze onjuiste feiten (eigenaar van een stortplaats, storten van afvalstoffen) de redenen blijken te zijn van de bestreden beslissing; dat deze onjuiste redenen niet draagkrachtig zijn om de bestreden beslissing te kunnen schragen, waardoor de bestreden beslissing onrechtmatig is, terwijl, tweede onderdeel, krachtens artikel 55, §2, lid 2 van het Afvalstoffendecreet het afschrift van een proces-verbaal binnen de veertien dagen ter kennis worden gebracht van de belanghebbende op straffe van nietigheid, dat in huidig geval verzoekende partij geen afschrift heeft gekregen van het proces-verbaal binnen de door het afvalstoffendecreet voorgeschreven termijn van veertien dagen; dat verwerende partij dit trouwens niet ontkende toen verzoekende partij haar hierop wees in haar brief van 21 maart 1996; dat verwerende partij enkel stelde : 'Het niet ontvangen van processen-verbaal is niet te wijten aan de werking van de OVAM. Gelet op de bewezen feiten, menen wij dat dit niet voldoende is om te twijfelen aan de grond van de zaak, noch aan de bedoelingen van OVAM'; dat bijgevolg, op grond van artikel 55, §2, lid 2 van het Afvalstoffendecreet, het proces-verbaal van 7 september 1994 nietig is; dat verwerende partij zich in de bestreden beslissing niet kon steunen op dit nietig proces-verbaal; dat de bestreden beslissing aldus steunt op een motief, dat niet rechtsgeldig is, waardoor de rechtmatigheid van de bestreden beslissing zelf is aangetast; zodat verwerende partij door haar beslissing te steunen op het feit dat verzoekende partij eigenaar is van een stortplaats, afval heeft gestort en bovendien zich steunt op het proces-verbaal van 7 september 1994, de in het middel aangehaalde bepalingen schendt"; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert als volgt : VII-18.424-13/17 "In Hoofdorde : Niet-ontvankelijkheid van het middel. Verwerende partij ziet niet goed in welk geoorloofd belang verzoekende partij kan hebben bij het inroepen van dit middel. De kwalificatie als exploitant doet immers niets af aan de verplichtingen die hoe dan ook wegen op de eigenaar van een perceel waarop afvalstoffen gestort werden en die weigert, ondanks het klaarblijkelijk risico voor mens en milieu, over te gaan tot een sanering van desbetreffend perceel. Het feit dat verzoekende partij geen exploitant van de stortplaats in kwestie zou zijn, kan dan ook niets veranderen aan de door OVAM genomen beslissing zodat dit onderdeel van het middel als onontvankelijk moet worden afgewezen. Daarenboven kwalificeert de OVAM verzoekende partij niet als exploitant maar wel als eigenaar. Enkel het P.V. van 7 september 1994 kwalificeert verzoekende partij als exploitant van de betrokken stortplaats. Verzoekende partij heeft geen belang bij het inroepen van de nietigheid van het Proces-Verbaal van 7 september 1994 daar uit het dossier afdoende blijkt dat zij als eigenaar van het perceel op de hoogte was van de zich daarop bevindende afvalstoffen. De enkele beweerde nietigheid van dit Proces-Verbaal doet trouwens niets af aan de rechtmatigheid van de bestreden beslissing in deze zin dat zij uitdrukkelijk gebaseerd is op andere overwegingen die op zichzelf afdoende in staat zijn de bestreden beslissing te dragen. Het dient bovendien opgemerkt dat verzoekende partij niets onverlet heeft gelaten om de diverse overheden een rad voor de ogen te draaien aangaande haar intenties ten einde tijd te winnen en zich aan haar verplichtingen conform het afvalstoffendecreet te onttrekken. Het zich nu beroepen op de zogezegde, en door de OVAM niet controleerbare, niet-mededeling van één van de vele opgestelde P.V.'s lijkt dan ook een zoveelste aflevering te zijn in de soap waarbij verzoekende partij het algemeen belang zonder verpinken ondergeschikt maakt aan haar eigen belang en de overheid een wortel voor de neus houdt als zoethoudertje. Zodat het middel als onontvankelijk dient te worden afgewezen. Subsidiair : Ten gronde. De OVAM definieert verzoekende partij niet als exploitant van een stort nu zij in de aanhef van de bestreden beslissing en in voorgaande administratiefrechtelijke beslissingen uitdrukkelijk stipuleert dat verzoekende partij enkel eigenaar is van kwestieuze percelen. Het is dan ook voor éénieder duidelijk dat de OVAM er bij het nemen van de bestreden beslissing niet is van uit gegaan dat verzoekende partij ook als exploitant van de betrokken site diende te worden aangemerkt. Zodat de in het tweede middel aangevoerde beginselen niet geschonden zijn. Het is daarnaast makkelijk vast te stellen dat de OVAM haar beslissing niet louter ent op een door verzoekende partij als nietig gekwalificeerd Proces-Verbaal van 7 september
- Deze vaststelling op zichzelf is al voldoende voor het besluiten tot de ongegrondheid van dit onderdeel van het middel. Het doet er immers weinig toe dat de OVAM in haar beslissing verwijst naar een eventueel nietig Proces-Verbaal wanneer zij in dezelfde beslissing uitdrukkelijke en afdoende motieven naar voor brengt die de beslissing kunnen dragen (Zie in die zin R.v.St., 24 februari 1983, nr. 22.980.). De OVAM heeft daarbij zijn beslissing gesteund op -op diverse wijzen- zorgvuldig onderzochte, en aan verzoekende partij meegedeelde, gegevens. Het eventueel niet ontvangen van processen-verbaal is bovendien niet te wijten- noch te controleren- door OVAM. Verwerende partij besluit dan ook dat dit middel niet ontvankelijk is, minstens niet gegrond is, zodat het in zijn geheel dient te worden verworpen"; VII-18.424-14/17 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog het volgende aanvoert : "
- Verwerende partij antwoordt op het tweede middel in haar geheel en besluit op blz. 17 van haar memorie verkeerdelijk tot de onontvankelijkheid van dit middel. Zij gaat er vanuit dat, zelfs indien verzoekende partij geen eigenaar of exploitant is van de stortplaats, een eigenaar van een perceel waarop afvalstoffen werden gestort en die weigert over te gaan tot sanering, de O.V.A.M. ambtshalve kan optreden om de verwijdering van de afvalstoffen te bevelen. Alhoewel verwerende partij nu ten onrechte wil laten uitschijnen dat het bestreden besluit de verzoekende partij niet als exploitant van de stortplaats kwalificeerde, maar als eigenaar van een perceel waarop afvalstoffen worden achtergelaten, doet dit niets af aan het feit dat het niet de eigenaar is, die hoe dan ook moet opdraaien voor de kosten van sanering. Artikel 37 zegt duidelijk dat de sanering gebeurt op kosten van de overtreder, namelijk diegene die artikel 12 heeft geschonden. Verzoekende partij heeft nooit artikel 12 geschonden. In het huidig geval, is het bestreden besluit uitgegaan van verkeerde feitelijke gegevens, namelijk dat verzoekende partij eigenaar en exploitant is van de stortplaats. Dat deze gegevens doorslaggevend zijn geweest om te constateren dat : 'derhalve sprake is van een illegale stortplaats en het illegaal achterlaten van afvalstoffen' (zie stuk 4). Dat dit proces-verbaal uitdrukkelijk is opgenomen in de motivering van het bestreden besluit om alzo de overtreder aan te duiden. Vervolgens werpt zij op dat verzoekster geen belang zou hebben bij het inroepen van de nietigheid van het betrokken proces-verbaal (wat overigens door verwerende partij niet wordt betwist), daar reeds uit het dossier afdoende blijkt dat zij als eigenaar van het perceel op de hoogte was van de zich daarop bevindende afvalstoffen en dat de beweerde nietigheid van het proces-verbaal niets afdoet aan de rechtmatigheid van de bestreden beslissing, daar zij uitdrukkelijk gebaseerd is op andere overwegingen (dewelke evenwel niet door verweerster worden meegedeeld). Ten eerste, blijkt uit het dossier enkel dat men verzoekende partij ten onrechte heeft aanzien als de eigenaar én exploitant van een illegale stortplaats, en dit terwijl verzoekster helemaal geen stortplaats uitbaat op de betrokken percelen. Verzoekende partij heeft zich hiertegen meermaals verzet (zie stuk 11 en 13), vermits het geenszins duidelijk is hoe O.V.A.M. er toe komt om verzoekster aan te manen op grond van artikel 12 van het Afvalstoffendecreet. Daarenboven, tast de nietigheid van het proces-verbaal zeer zeker de rechtmatigheid van de bestreden beslissing aan, vermits het besluit zich op dit enig stuk steunt om aan te tonen dat verzoekende partij eigenaar en exploitant is van een stortplaats, dat op de betrokken percelen afvalstoffen werden achtergelaten en dat derhalve sprake is van een illegale stortplaats en het illegaal achterlaten van afvalstoffen. Indien men met dit proces-verbaal geen rekening zou hebben gehouden, dan blijkt uit het bestreden besluit dat de afvalstoffen werden gestort door de heer VERSTREKEN en dat het laboratoriumafval dateert van de periode 1969-1972, afkomstig van het laboratorium van Pathologie van de Katholieke Universiteit van Leuven, zoals blijkt uit het oriënterend bodemonderzoek einde
- Tot slot, ingaand op de door verweerster ten onrechte beweerde ongegrondheid van het tweede middel, herhaalt verwerende partij nogmaals dat de O.V.A.M. verzoekende partij nooit heeft aanzien als exploitant, maar als eigenaar van de kwestieuze percelen en dat het bestreden besluit niet enkel is geënt op een nietig proces-verbaal, maar ook op andere afdoende motieven, VII-18.424-15/17 waarvan verweerster evenwel nalaat deze in haar memorie te vernoemen. In casu, zijn er geen andere afdoende motieven, waaruit zou blijken dat verzoekende partij eigenaar en exploitant van de stortplaats zou zijn. De verwijzing van verweerster naar het arrest van de Raad van State van 24 februari 1983, nr. 22.980 is dan ook irrelevant. Verder wenst verzoekster te verwijzen naar de bovenstaande uiteenzetting met betrekking tot de ontvankelijkheid van het tweede middel, om alzo te antwoorden op de door verweerster ten onrechte ingeroepen ongegrondheid van het tweede middel"; 3.2.
- Overwegende dat moet worden vastgesteld dat de bewering van de verzoekende partij dat zij niet binnen de veertien dagen een afschrift van het proces-verbaal nr. 94/0319 van 7 september 1994 heeft ontvangen feitelijke grondslag mist; dat uit de gegevens van de zaak immers blijkt dat de verzoekende partij op 20 september 1994 aan het bestuur Milieu-inspectie Vlaams-Brabant een brief heeft geschreven waarin zij uitdrukkelijk de ontvangst van het bedoelde afschrift van het proces-verbaal meldt; dat zij dit overigens in haar laatste memorie niet betwist en zich terzake gedraagt naar de wijsheid van de Raad; Overwegende dat uit de sub 1.16 geciteerde bestreden beslissing blijkt dat wordt geconcludeerd dat "de NV Haras aldus afvalstoffen achterlaat en artikel 12 overtreedt; dat de achtergelaten afvalstoffen een risico van hinder of schade voor de mens en het leefmilieu inhouden (...)" en dat "op basis van de voorgaande overwegingen (...) de OVAM lastens de n.v. HARAS (besluit) tot een ambtshalve verwijdering van de afvalstoffen over te gaan"; dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel is gebleken, de bestreden beslissing is gesteund op een interpretatie van het begrip "achterlaten van afvalstoffen" in de artikelen 12 en 37 van het afvalstoffendecreet en dat de verwerende partij terecht heeft overwogen dat de bedoelde artikelen in casu toepassing konden vinden; dat de stelling in de laatste memorie van de verzoekende partij, met name dat "het allesbehalve een uitgemaakte zaak (is) dat het louter eigenaar zijn van de desbetreffende percelen een afdoende grond biedt voor het besluit tot ambtshalve verwijdering” wordt weerlegd onder verwijzing naar de bespreking van het eerste middel; dat dienvolgens het feit dat in het bestreden besluit bij de feitenuiteenzetting gewag wordt gemaakt van een proces-verbaal waarin de verzoekende partij niet alleen als eigenaar maar ook -verkeerdelijk- als exploitant van een stortplaats wordt aangemerkt, niet determinerend was en aldus geen weerslag kon hebben op de conclusies van het bestreden besluit; VII-18.424-16/17 Overwegende dat het tweede middel in zijn beide onderdelen ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.424-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div