id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.998 Rolnummer: A. 179005/VII-36769 Zaak: Arrest 168998 - Milieuvergunningen - 15/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-26 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 17:49 Fiche Arrest nr 168.998 van 15 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.998 van 15 maart 2007 in de zaak A. 179.005/VII-36.769. In zake : 1. Cathy PORTIER, 2. Pascal MARTLÉ, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : 1. Patrick VEYS, 2. Donald DEGRYSE, die woonplaats kiezen bij advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te DE HAAN, Mezenlaan 9. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Cathy PORTIER en Pascal MARTLÉ op 29 november 2006 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit 21 september 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende inwilliging van het beroep van 24 april 2006, ingediend door Patrick Veys, tegen de beslissing van 24 maart 2006 van het college van burgemeester en schepenen waarbij de vergunning geweigerd wordt voor het exploiteren van een paardenfokkerij met 1 rund, 47 paarden, een buitenrijpiste voor het africhten van paarden, een stapmolen, de opslag van 160m3 dierlijke mest, het lozen van 90m3 huishoudelijk afvalwater, een stalplaats voor 8 voertuigen, de opslag van 3000 liter mazout en een verdeelslang, en een smidse met een totaal vermogen van 16,4 kW te Brugge, aan de Margareta van Vlaanderenstraat 25; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-36.769-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 22 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GOETHALS die, loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct-adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. BOUVE, die verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De tussenkomsten Met een verzoekschrift van 20 augustus 2006 vragen Patrick VEYS en Donald DEGRYSE om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Hun verzoek kan worden ingewilligd. 2. De feiten 2.1. De eerste tussenkomende partij, Patrick VEYS, exploiteert een kippenfokkerij in Waregem. 2.2. Op 12 december 2005 dient hij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verplaatsing van deze exploitatie naar Brugge, waarbij de kippenfokkerij zou worden omgevormd tot een paardenfokkerij, die niet door hem, maar door de tweede tussenkomende partij, Donald DEGRYSE, zou worden uitgebaat. VII-36.769-2/8 2.3. De inrichting zou, na herlocatie, volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 goedgekeurde gewestplan Brugge-Oostkust zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 2.4. Op 24 maart 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge aan de tweede tussenkomende partij de stedenbouwkundig vergunning te verlenen. 2.5. De aanvrager tekent tegen deze weigeringsbeslissing beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 2.6. Op 6 april 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen eveneens aan de eerste tussenkomende partij de milieuvergunning te verlenen. 2.7. Tijdens het openbaar onderzoek worden 18 bezwaren ingediend. 2.8. De aanvrager tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 24 april 2006 eveneens beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 2.9. Na het inwinnen van de nodige adviezen, verleent de bestendige deputatie op 21 september 2006 de vergunning aan de eerste tussenkomende partij voor een periode van 20 jaar. Dit is de bestreden beslissing. Deze is, onder meer, als volgt gemotiveerd : "Gelet op het gunstig advies dd. 1/06/2006 ten aanzien van het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij. Gelet op het gunstig advies ten aanzien van het beroep dd. 14/07/2006 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie; (...) Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het gewestplan Brugge-Oostkust dd. 07/04/1977 waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: (...) Overwegende dat (...) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Op de inrichting gelegen te Waregem, Galgewegel 54, is een vergunning aanwezig voor het exploiteren van 5.000 mestkippen. Het betreft een bestaande inrichting gelegen in woongebied. VII-36.769-3/8 Er wordt een verplaatsing van deze inrichting aangevraagd naar een nieuwe inrichting, gelegen in agrarisch gebied (landschappelijk waardevol). Op de site zelf is er bebouwing aanwezig die zal afgebroken en herbouwd worden. De inrichting komt in aanmerking om te verplaatsen want er is voldaan aan alle voorwaarden van art. 33 ter,§1, 1/
- c)5 van het mestdecreet, met name: - de aanvrager van de nieuwe veeteeltinrichting is reeds meer dan 5 jaar houder van de milieuvergunning van de stop te zetten veeteeltinrichting; - de bestaande inrichting zal volledig worden stopgezet; - er werd door de exploitant geen stopzettingsvergoeding aangevraagd. Tevens wordt een omvorming van kippen naar 47 paarden en 1 rund gevraagd. Er is een vergunde mestproductie van 3100 kg N en 1450 kg P205, overeenkomstig de mestproductie van 5000 slachtkuikens. De gewenste vergunde mestproductie bedraagt 3088 kg N en 1420 kg P205, overeenkomstig de mestproductie van 1 rund Er is dus geen stijging van de vergunde mestproductie. De inrichting is een bestaande veeteeltinrichting. De laatste drie kalenderjaren werd voldaan aan de aangifteplicht van het mestdecreet. In het verleden werd de opgegeven mestproductie afgezet conform de bepalingen van het mestdecreet. De aanvrager is dezelfde natuurlijke persoon als degene die bij de mestbank gekend is als producent. (...) Voorts is ook volledig voldaan aan Vlarem II: Er worden enkel nieuwe paardenstallen gebouwd. Op de lijst van toegelaten systemen voor ammoniakemissiereductie uit varkens- en pluimveestallen zijn geen bepalingen omtrent dergelijke stallen opgenomen zodat deze voorwaarde hierop dan ook niet van toepassing is; Inzake mestopslagcapaciteit meldt de exploitant dat een deel van de mest in de boxen zelf zal opgeslagen worden. De milieuhinder kan beperkt blijven : De oorspronkelijke voorziene openingen in de stal (doorkijkluiken voor de paarden) langs de zijde van de perceelsgrens van de klagende buur zullen dicht uitgevoerd worden. De mestafval is voorzien dicht langs de zijde van dezelfde buur en ligt op zeer geringe afstand van zijn woning. De mestafval dient daarom wat meer op te schuiven in noordwestelijke richting zodanig dat hij komt te liggen op 25 m van de naburige woning. Dit betreft geen echt inhoudelijke wijziging (stalconstructie zelf blijft staan, mestopslag blijft eraan verbonden maar dan wel wat verder weg van de buur, zij het niet op een manier die maakt dat dieper in het landschap moet worden gedrongen); dit maakt het ook mogelijk dat de mestopslag ook afdoende visueel gebufferd wordt. De concrete inkleding van de site dient conform de eventuele bouwvergunning te gebeuren. De looppiste en stapmolen zullen enkel overdag gebruikt worden. Lawaai afkomstig hiervan is verwaarloosbaar en niet groter dan voorbijgaande paarden op straat. De smidse zal enkel gebruikt worden voor het aanbrengen van hoefijzers voor de paarden. Het betreft geen smidse voor het vervaardigen van metalen voorwerpen. De muren van de smidse zijn geluidswerend door de isolatie met polyurethaan; ook het dak is geïsoleerd met polyurethaan. De piste zal uitgevoerd worden door een gespecialiseerde firma in het aanleggen van paardenpistes. Het betreft zwaar zand gemengd met polyestervlokken. Deze nemen water op om de piste veerkrachtig te houden. Het betreft dus een ondergrond waarbij weinig stof vrijkomt of waardoor de Malelei zou verontreinigd worden. Toch lijkt het noodzakelijk, om absoluut zeker verontreiniging van de Malelei tegen te gaan, dat het dichtste punt van de looppiste op minimaal 8 m VII-36.769-4/8 van de kruin van de Maleleie ingeplant wordt (waardoor die gemiddeld op 10 m van de piste zal liggen, wat overeenstemt met wat hierover door de Provinciale Milieuvergunningscommissie is vooropgesteld). Dit wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd. Roethinder valt niet te verwachten gezien het smissevuur slechts een paar uur per week gebruikt wordt. De schouw komt een meter boven de nok op een hoogte van 8 meter. Via een systeem van zuurstofrecuperatie is er een optimale verbranding zodat geen hinder te verwachten valt. De exploitant bevestigt tijdens de vergadering van de milieuvergunningscommissie dat de aanvraag een paardenfokkerij betreft waar veulens gedurende 3 à 4 jaar worden opgekweekt. Ook paarden van derden kunnen daar opgeleerd worden. In de aanvraag wordt geen cafetaria of manège voorzien. Dit betekent dat het aantal transportbewegingen van en naar deze inrichting zullen beperkt blijven. De afstand naar de andere woningen is ver genoeg om te verzekeren dat er geen hinder zal ontstaan (eerstvolgende vreemde woning ligt op ca. 30 m van stapmolen en op 50 m van looppiste), Wat betreft het stedenbouwkundige luik : Het dossier werd voorafgaand aan de bespreking in de milieuvergunningscommissie beoordeeld door AROHM die in de vergadering heeft laten weten dat ze zich akkoord kunnen verklaren met een inplanting van een paardenfokkerij op die plaats. Eveneens voorafgaand aan de bespreking werd n.a.v. het corresponderend bouwberoep een plaatsbezoek verricht door de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar die zich eveneens akkoord heeft verklaard met de gekozen inplantingsplaats. Een paardenfokkerij met bijhorende looppiste beantwoordt aan de vigerende gewestplanbestemming. De aanvraag verstoort geenszins de goede ruimtelijke ordening • op meso-niveau : de overzijde is groen (met laan en toegang bos), en overzijde straat is onaangetast. Deze zijde is dit echter niet (de aanvraag sluit aan op een woonlint van open bebouwing, rechts is er een woning, links een plantenkwekerij). Een dergelijke niet-intensieve inrichting (amper 47 dieren) verstoort de omgeving niet; de inplantingsplaats is goed gekozen (net ver genoeg van de vreemde woningen, maar anderzijds net dicht genoeg om niet nodeloos open ruimte aan te tasten) • op micro-niveau : links is er een hoge populierenrij waartegen de stal zou komen en de nieuwe paardenstal sluit aan op de bedrijfsgebouwen van de naastgelegen plantenkwekerij; de gekozen inplantingsplaats is dus goed te noemen; hierboven is al aangegeven dat met een beperkte verschuiving van de mestvaalt en wat meer afstand tot de beek er geen hinder te verwachten valt voor mens of milieu. De exploitant heeft zich bereid verklaard om de groenaanleg te voorzien zoals de overheid dit wenst; de gekozen inplantingsplaats biedt de nodige ruimte om de nodige groenafscherming te voorzien; het feit dat de Bestendige Deputatie gevat is door het corresponderend bouwberoep levert het voordeel op dat dit bouwtechnisch aspect daar uitgebreid kan aan bod komen. • Architectuur : de materiaalkeuze is aanvaardbaar te noemen; het betreft relatief kleinschalig volumes zodat er geen verstoring van de andere in de omgeving aanwezige functies hoeft verwacht te worden; de volumes zijn functioneel voor de gevraagde activiteiten (fokkerij en piste) zodat niet hoeft gevreesd te worden voor niet-gevraagde (en op deze plaats trouwens niet aangewezen) functies zoals cafetaria, manège of metaalbewerkingsbedrijf. Gelet op de ligging moet ook de nodige aandacht besteed worden aan de visuele kwaliteit van de afrastering van de looppiste. Dit wordt verder uitgewerkt in de corresponderende stedenbouwkundige vergunning. Wat betreft de watertoets wordt in de eerste plaats verwezen naar wat hierover in de eventuele bouwvergunning wordt gesteld; wel dient nu al gesteld VII-36.769-5/8 dat de inrichting de toets doorstaat (er is relatief weinig verharding voorzien op het terrein, en de site ligt buiten risicogebied voor overstromingen)". 3. Beoordeling 3.1. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2. De verzoekende partijen zijn aanpalende buren van de bouwheer. In hun verzoekschrift beweren zij lawaai-, stof-, geur- en verkeershinder te zullen ondervinden van de geherlocaliseerde inrichting. De verzoekende partijen voeren ook aan dat de kwestieuze inrichting visuele hinder zal veroorzaken. Zij zetten daarover het volgende uiteen : "Achter de woningen van de verzoekers bevindt zich een uniek open en panoramisch landschap, waarvan de bedrijfssite deel uitmaakt, en dat gegrepen ligt tussen, eensdeels, de Abdij van Male (St.-Trudo Abdij) en, anderdeels, het domein Ryckevelde (stuk 10 en 11). De percelen van de tweede verzoekende partij en van de exploitant worden gescheiden door een waterloop van derde categorie, genaamd Maleleie, waardoor dit gebied het karakter heeft van een overflow-gebied met een bijzondere ecologische waarde wat fauna en flora betreft. Stedenbouwkundig is het gebied in die zin beschermd dat het de overdruk landschappelijk waardevol agrarisch gebied heeft bekomen. Vanuit het handhavingsrecht wordt het dus geacht een kwetsbaar gebied te zijn. In werkelijkheid is het een uniek natuurgebied. Dit uniek zicht en deze unieke natuurbeleving zullen niet alleen bedorven worden door te moeten uitkijken op een gebouwengroep met een langgerekte loods van 66m lang en 7,38m hoog, maar ook door de bestendige confrontatie met rondjes draaiende paarden. Het idyllisch en panoramisch uitzicht van verzoekers op een uitzonderlijk mooi natuur-hinterland zal er totaal door gedomineerd worden. De knotwilgen zijn niet wintergroen en zijn de helft van het jaar bladerloos". 3.3. De geherlocaliseerde paardenfokkerij zal worden geëxploiteerd in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekende partijen hebben er echter zelf voor geopteerd om te wonen in dergelijk beheersingsgebied, zodat van hen een grotere tolerantie mag worden verwacht ten opzichte van de hinder die voortspruit uit agrarische of para-agrarische activiteiten. Zij hebben het in hun betoog over lawaai-, stof-, geur- en verkeershinder, maar maken het niet aannemelijk dat deze hinder de perken zou te buiten gaan van wat in een VII-36.769-6/8 landschappelijk waardevol agrarisch gebied aanvaardbaar zou moeten worden geacht. 3.4. Uit het administratief dossier blijkt dat de heer en mevrouw DEGRYSE-VAN CAPPEL, zijnde de exploitanten van de geherlocaliseerde paardenfokkerij, op 28 september 2006 een bouwvergunning hebben verkregen van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Aan deze bouwvergunning worden een tiental voorwaarden gehecht, waaronder de afrastering van de looppiste, de afstand waarop de mestopslag moet worden ingeplant, alsook de verplichting tot het optrekken van een groenscherm. Ook bij het verlenen van de milieuvergunning heeft het bestuur onderzocht en op omstandige wijze gemotiveerd waarom de inrichting de goede ruimtelijke ordening niet verstoort. Het beweerde visueel nadeel vindt niet zozeer zijn oorsprong in de bestreden milieuvergunning die aan de heer VEYS - zijnde de eigenaar van de te herlocaliseren inrichting- werd verleend, maar eerder in de op 28 september 2006 verleende bouwvergunning. De tussenkomende partijen laten overigens terecht opmerken dat de ruimte achter de woningen van de verzoekende partijen open blijft en dit wordt door de verzoekende partijen ter terechtzitting niet weerlegd. 3.5. Er is bijgevolg niet voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Patrick VEYS en Donald DEGRYSE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. VII-36.769-7/8 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-36.769-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.998 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div