id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.999 Rolnummer: A. 178069/VII-36717 Zaak: Arrest 168999 - Milieuvergunningen - 15/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 17:49 Fiche Arrest nr 168.999 van 15 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 168.999 van 15 maart 2007 in de zaak A. 178.069/VII-36.
(3)de opslag en afvoer van nevenproducten (onder andere mest, bloed, haar, botten en slachtafval); Overwegende dat de aanvoer wordt afgestemd op de stalcapaciteit; dat er 3.500 varkens per dag worden geslacht; dat de stalcapaciteit 1.440 varkens bedraagt; dat er een lijncapaciteit is van 400 varkens per uur; dat de maximale verblijfsduur van de varkens in de stal 2 uur bedraagt; dat de tijd van de varkens in het slachthuis bij gevolg geminimaliseerd wordt, zodat ook de mestproductie geminimaliseerd wordt; Overwegende dat een de exploitant afspraken maakt met de landbouwer en transporteur in verband met het aanleveren van uitgevaste dieren; Overwegende dat er momenteel geen inpanding gebeurt van het laden en lossen van de varkens, aangezien de varkens buiten worden gelost; dat dit relatief afgesloten gebeurt ten opzichte van de woningen langs de Bruggestraat; dat de exploitant plannen heeft om het lossen van de varkens in een gesloten gebouw te laten plaatsvinden; Overwegende dat een stagnatie van het afvalwater wordt vermeden om de geurhinder te beperken; VII-36.717-6/22 Overwegende dat, zoals reeds werd vermeld, de afvalstoffen die worden geproduceerd, op een dergelijke manier worden opgeslagen, zodat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; dat bovendien volgens de exploitant de opslag van het slachtafval en het darmslijm in een gesloten gebouw zal gebeuren, zodat de vrachtwagens volledig het gebouw kunnen binnenrijden, zodat ook bij het laden van deze afvalstoffen geurhinder wordt vermeden; Overwegende dat de afvalwaterzuiveringsinstallatie niet overdekt is; Overwegende dat er tijdens een plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op 12 april 2006 op het terrein van het slachthuis een indringende geur kon waargenomen worden; dat het niet duidelijk was vanwaar deze geur afkomstig was; dat deze geur ter hoogte van de woningen in de Bruggestraat niet meer kon waargenomen worden; Overwegende dat nog dient gesteld te worden dat de mestopslag van 200 m³ in een halfopen bebouwing gebeurt; Overwegende dat er in juni 2002 een studie werd uitgevoerd in opdracht van de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid, met betrekking tot het voorstellen van een geschikte methode om nuleffectniveaus van geurhinder te vertalen naar normen voor de slachthuissector; dat hieruit werd geconcludeerd dat 1 se/m³ (98-percentiel) kan beschouwd worden als het hinderniveau; dat hierbij wordt opgemerkt dat de niveau’s met de nodige voorzichtigheid dienen benaderd te worden; dat gezien het voorgaande en gezien de vaststellingen ter plaatse, kan geconcludeerd worden, dat ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen, de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; Overwegende dat wat het aspect geluidshinder betreft er in januari 1998 een akoestisch onderzoek werd uitgevoerd; dat hieruit geconcludeerd werd dat het specifiek geluid ten gevolge van vaste installaties beantwoordt aan de richtwaarden; dat het specifieke geluid ten gevolge van het bedrijfsverkeer nabij de dichtstbijzijnde woning aan de toegangsweg 66 dB(A) bedraagt; dat deze waarde de richtwaarde voor fluctuerend en incidenteel geluid overschrijdt; Overwegende dat de koelwagens de opdracht krijgen om de koelinstallatie uit te schakelen bij het betreden van de inrichting en pas terug aan te schakelen bij het vertrek uit de inrichting en dat de koelwagens zich tijdens het laden kunnen aansluiten op het elektriciteitsnet van het bedrijf; dat het gezien het voorgaande bijgevolg opportuun is dit op te leggen als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat er voor de aanvoer van de varkens maximaal 40 vrachtwagens per dag nodig zijn; dat er daarnaast 15 vrachtwagens per dag nodig zijn voor de afvoer van de varkenskarkassen, 16 per dag voor de afvoer van de versneden varkens, 30 per week voor de afvoer van slachtbijproducten, 1 per dag voor de afvoer van slachtafval en 3 per dag voor diverse doeleinden (bloed, beenderen,...); Overwegende dat de geluidshinder naar de omgeving verbeterd werd doordat er één centraal koelsysteem in werking is; Overwegende dat de deuren van het slachthuis naar buiten toe geïsoleerd zijn; Overwegende dat, zoals reeds werd vermeld, de varkens buiten worden gelost, maar dat dit relatief afgesloten gebeurt ten opzichte van de woningen langs de Bruggestraat; dat de exploitant plannen heeft om het lossen van de varkens in een gesloten gebouw te laten plaatsvinden; Overwegende dat er in de bestreden beslissing werd opgelegd dat de aanvoer van levende varkens niet mag geschieden voor 5 uur ‘s morgens en dat het slachten verboden is voor 6 uur ‘s morgens; dat de eigenlijke slachtactiviteiten plaatsvinden tussen 6 uur 's morgens en 18 uur ‘s avonds; dat er meestal tot 14 uur geslacht wordt, waarna het reinigen begint; Overwegende dat er in de bestreden beslissing nog de volgende bijzondere voorwaarden werden opgelegd: VII-36.717-7/22 - de toegangspoort bij de in- en uitrit dient te worden verplaatst tot voorbij de waterzuiveringsinstallatie, teneinde het ochtendlijk lawaai voor de omwonenden te verminderen; - de toegangsweg achteraan is de enige in- en uitrit die mag gebruikt worden; - vrachtwagens die voor een gesloten toegangspoort staan, dienen de motoren stil te leggen; - de exploitant dient de rechtstreekse verbinding tussen de inrichting en de versnijderij Langeraet af te sluiten met een aparte toegangspoort; dat de toegangsweg die in het verleden werd gebruikt, werd afgesloten en dat het verkeer naar het slachthuis nu gebruik maakt van een toegangsweg die zich achteraan het slachthuis bevindt; Overwegende dat gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de geluidshinder, ter hoogte van de dichtstbijzijnde woningen, tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden"; 3. De ontvankelijkheid 3.1. Exceptie vanwege de verwerende partij, ten aanzien van de tweede en de derde verzoekende partij 3.1.1. De verwerende partij acht het beroep niet ontvankelijk in hoofde van de tweede en de derde verzoekende partij, omdat deze partijen geen administratief beroep hebben aangetekend tegen de in eerste aanleg genomen beslissing. 3.1.2. Het is niet nodig dat de indiener van een annulatieberoep zelf de mogelijkheid van een administratief beroep heeft uitgeput. Het volstaat dat de beslissing in laatste aanleg werd genomen, doordat een derde gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een administratief beroep in te dienen. De exceptie wordt verworpen. 3.2. Exceptie vanwege de tussenkomende partij, ten aanzien van de eerste verzoekende partij 3.2.1. De tussenkomende partij stelt dat te dezen geen geldige beslissing van de raad van beheer voorligt, die besluit tot het indienen van een schorsingsverzoek tegen de bestreden ministeriële milieuvergunningsbeslissing. De raad van beheer heeft immers op 16 september 2006 beslist om een verzoek tot voortzetting in te dienen in de zaak tegen het Vlaams Gewest - de gemeente Ruiselede en het exportslachthuis De Coster en er ligt duidelijk geen beslissing van de raad van beheer voor waaruit onomstotelijk en duidelijk blijkt dat deze tijdig zou besloten hebben een verzoekschrift tot schorsing in te dienen tegen het ministerieel VII-36.717-8/22 besluit dd. 7 juli 2006 houdende de verlening van de kwestieuze milieuvergunning. Zij meent dat bijgevolg moet aangenomen worden dat het verzoekschrift tot schorsing zonder mandaat van de eerste verzoekende partij en derhalve op onontvankelijke wijze werd ingediend 3.2.2. In de beslissing van 16 september 2006 van de raad van beheer staat letterlijk het volgende te lezen : "De Raad van bestuur beslist om een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen bij de Raad van State in de zaak tegen het Vlaams Gewest - de gemeente Ruiselede en het exportslachthuis De Coster e.a.: Opdracht wordt gegeven aan advocaat Sergeant, kantoorhoudende te Brugge, Zwijnstraat 3 om daartoe het nodige te doen". Daaruit kan niet met zekerheid worden afgeleid dat met ‘de voortzetting van de procedure (...) in de zaak tegen het Vlaams Gewest - de gemeente Ruiselede en het exportslachthuis De Coster e.a.’ een annulatieberoep tegen de beslissing van 7 juli 2006 werd bedoeld. Hoe dan ook kan uit de gebruikte bewoordingen onmogelijk worden afgeleid dat werd beslist om bij het annulatieberoep ook een vordering tot schorsing in te dienen. De vordering tot schorsing is onontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekende partij. 4. Ten gronde 4.1. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.2.1. In het tweede middel wordt de onwettigheid aangevoerd van het Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) "Bruggestraat". 4.2.1.1. Voor de duidelijkheid van de redenering wordt dit middel eerst onderzocht. In het eerste middel maken de verzoekende partijen immers abstractie van het bijzonder plan van aanleg. Als het tweede middel niet ernstig zou blijken, volgt daaruit dat het eerste middel voor een deel irrelevant wordt. VII-36.717-9/22 4.2.1.2. In een eerste onderdeel wordt gesteld dat het bijzonder plan van aanleg het gezag van gewijsde zou schenden van de arresten nrs. 52.263 van 16 maart 1995 en 56.423 van 23 november 1995 van de Raad van State, waarbij een eerder BPA werd geschorst en vernietigd. 4.2.1.3. In een tweede onderdeel wordt aangevoerd dat het BPA werd vastgesteld met schending van artikel 14, vierde lid, van het Stedenbouwdecreet, en met afwezigheid van formele en materiële motivering. Dit tweede onderdeel bestaat uit vier sub-onderdelen: - in een eerste sub-onderdeel wordt aangevoerd dat de in het BPA voorgestelde bestemming niet beantwoordt aan de op het ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en er geen dwingende behoefte bestaat aan een daaraan aangepaste nieuwe, afwijkende bestemming; - in een tweede sub-onderdeel wordt aangevoerd dat de veronderstelde planologische noden en behoeften niet duidelijk en goed gelokaliseerd zijn; - in een derde sub-onderdeel wordt aangevoerd dat niet vaststaat dat de bestemming in het gewestplan achterhaald is of niet meer verwezenlijkt kan worden; - in een vierde sub-onderdeel tenslotte wordt aangevoerd dat de afwijkende ordening duidelijk een middel is om het gewestplan te corrigeren. 4.2.1.4. In een derde onderdeel wordt betoogd dat het BPA werd vastgesteld met schending van artikel 14, vijfde lid, van het Stedenbouwdecreet, en met afwezigheid van formele en materiële motivering. Het onderdeel wordt subsidiair aangevoerd : "Verzoekende partij heeft er hierboven op gewezen dat geen enkel gegeven voorhanden is, waaruit zou blijken dat de Gemeenteraad toepassing zou willen maken hebben van art. 165 van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening van 18 mei 1999, en bijgevolg kan niet uitgegaan worden van de veronderstelling dat het bestreden BPA is vastgesteld met toepassing van art 14, (vijfde lid), van het Coördinatiedecreet. Voor zoveel Uw Raad toch zou aannemen dat ook/uitsluitend aan de criteria van art 14, (vijfde lid), van het Coördinatiedecreet moet getoetst worden, besluit verzoeker evenzeer tot schending van die wettelijke bepalingen. Art 14, (vijfde lid), van het Coördinatiedecreet stelt dat een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan ook kan worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, §1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis VII-36.717-10/22 van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei 2005. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geeft het algemene kader voor de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van de bestaande bedrijven buiten bedrijventerreinen (p.453). In verschillende hoofdstukken komen de uitgangspunten aan bod rondom verweving en versterking van multifunctionaliteit (p. 360), rondom het vrijwaren van het buitengebied voor de essentiële functies (p. 379), rondom differentiatie van bebouwingsmogelijkheden in de agrarische structuur (p. 394) en rondom locatieprincipes voor lokale bedrijventerreinen. De Memorie van Toelichting bij het ontwerp van BPA neemt grotendeels de tekst van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen over. Hiermee is uiteraard nog geen ruimtelijke afweging gebeurd op basis van de onderliggende principes". 4.2.1.5. Dit onderdeel telt vier sub-onderdelen: - in een eerste sub-onderdeel wordt de onwettigheid van de het BPA afgeleid uit de omzendbrief RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA - zonevreemde bedrijven; - in een tweede sub-onderdeel gaat het om het niet naleven van de procedure- voorschriften van dezelfde omzendbrief; - in een derde sub-onderdeel wordt aangevoerd dat geen ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, daar het bestreden BPA niet nagaat of de ruimtelijke draagkracht overschreden wordt; - in een vierde sub-onderdeel wordt aangevoerd ‘dat het bestreden BPA de ruimtelijke draagkracht overschrijdt’. 4.2.1.6. Het eerste sub-onderdeel wordt uiteengezet als volgt: "Dat zoals supra reeds aangehaald, de wijzigingsbepaling van art 165 van het decreet houdende de Organisatie van de ruimtelijke ordening van 18 mei 1999 tot doel had de regeling van de omzendbrieven m.b.t. afwijkende BPA’s decretaal te verankeren. De (bepalingen van
- de)omzendbrieven worden derhalve mèèr dan slechts wetstoelichtingen (die vanzelfsprekend de draagwijdte van de wetgeving niet mogen wijzigen), doch algemene verordende voorschriften met bindende kracht. De omzendbrief RO 97/01 van 27 februari 1997 reikte het kader aan, waarbinnen sectorale BPA’s voor zonevreemde bedrijven kunnen opgestart worden. In de omzendbrief RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven werd verder uitgewerkt in welke mate kon afgeweken worden van de bestemmingen van het gewestplan. Deze laatste omzendbrief stelt dat sectoraal BPA vooral bedoeld is als een voorafname op het gemeentelijke structuurplanningsproces ten behoeve van dringende, ruimtelijke problematieken, welke niet kunnen wachten op de afronding van het gemeentelijke structuurplanningsproces. Het is duidelijk dat de problematiek van de slachthuissite geen dringende ruimtelijke problematiek is, doch een probleem dat reeds jaren aansleept, geen ad hoc oplossing verdraagt, en - voor zoveel deze al niet het gemeentelijke VII-36.717-11/22 niveau overstijgt en wijziging van het gewestplan noodzaakt - gekaderd dient te worden in de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. De omzendbrief stelt expliciet dat bedrijven met een bovenlokaal niveau niet kunnen worden opgenomen in een sectoraal BPA, en dat deze taakstelling is weggelegd voor de provinciale of gewestelijke overheid via de opmaak van provinciale of gewestelijke RUP’s. Het slachthuiscomplex is een zaak van de provinciale of gewestelijke overheid. Verder leest men ook in diezelfde omzendbrief dat “het sectoraal BPA als planningsinstrument bij voorkeur (wordt) ingezet in de bestemmingen van de open ruimte, in casu de bestemmingen van het landelijke gebied conform de voorschriften van het KB. van 28 december 1972.(...) Binnen de grenzen van een woongebied is de problematiek van verwevenheid echter geen voorwerp van de sectorale benadering van een BPA-zonevreemde bedrijven, maar moet dit worden opgelost via een meer algemene, planmatige aanpak van het betrokken woongebied." Uit het voorgaande blijkt dan ook dat een afwijkend BPA niet het aangewezen instrument is om de problematiek te regelen van een industrieel complex dat èn geur- en lawaai- en verkeershinder veroorzaakt, bovendien milieubelastend is - meer nog, milieuovertredingen begaat -, èn binnen een woongebied ligt. De omzendbrief RO 2000/01 stelt verder nog expliciet dat de doelstelling van een sectoraal BPA (...) het opmaken (
- is)van een volwaardige ruimtelijke afweging en niet van het regulariseren van een bouwmisdrijf. 'Een plan mag niet zijn opgemaakt onder de druk van ‘voldongen feiten'. Dit is in casu nochtans het geval. Zoals hogerop uiteengezet heeft EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER zich nooit iets gelegen gelaten aan wat door de Bestendige Deputatie bij het afleveren van de vergunning dd 09.11.1989 (stuk 16) overwogen werd, m.n. dat herlocalisatie in het vooruitzicht diende te worden gesteld". 4.2.1.7. Het tweede sub-onderdeel luidt als volgt: "Dat de memorie van toelichting onder de hoofding 5. Procedure geen toelichting geeft over de wijze waarop zij de problematiek onderzocht heeft Dat, zoals vereist door de omzendbrief RO 2000/01 gèèn inventaris voorligt van zonevreemde bedrijven en een classificatie per bedrijf. Dat nog volgens de omzendbrief de memorie volgende elementen moet bevatten om het BPA te motiveren en toe te lichten: - Voor het onderzochte gebiedsdeel een grafisch document (schaal 1/10.000 of groter), dat naast de bestaande fysische en juridische toestand alle geselecteerde bedrijven weergeeft met per bedrijf de aanduiding van de klasse waarin het bedrijf is opgenomen. - Een minimale ruimteboekhouding om zicht te hebben op de oppervlakte die voor de bedrijfsvoering (inclusief bedrijfswoning, bufferstroken, verhardingen,...) door het BPA wordt bestemd. Deze ruimteboekhouding geeft hierbij een vergelijking tussen de oppervlakte per bestemming vóór de inwerkingtreding van het BPA met de oppervlakte van het betrokken bedrijf of betrokken bedrijven, welke in het BPA wordt vastgelegd. Daarnaast dienen volgens de omzendbrief ook steeds de volgende elementen te worden aangegeven: - Per bedrijf op perceelsniveau een weergave van de bestaande en de juridische toestand van het bedrijf en de beoogde uitbreiding, waarbij een overzicht is gegeven van de afgegeven stedenbouwkundige vergunningen en met een toelichting van de vergunningenhistoriek (ook cartografisch). VII-36.717-12/22 - Per bedrijf op perceelsniveau een weergave van het bedrijf en de beoogde uitbreiding en de gewenste bestemming, waarbij de stedenbouwkundige voorschriften tevens specifiek ingaan op het betrokken bedrijf en de toegelaten activiteiten. Nu deze gegevens niet voorliggen (...), en de omzendbrieven ze expliciet (vermelden) als noodzakelijk voor een afdoende motivering, staat meteen een schending van de motiveringsplicht vast". 4.2.1.8. Het derde sub-onderdeel, dat aanvoert dat "geen ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, daar het bestreden BPA niet nagaat of de ruimtelijke draagkracht overschreden wordt", wordt als volgt uiteengezet: "In het hoofdstuk over de gebieden voor economische activiteiten, gaat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen onder lit. 3.2.6. in op de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen: De ontwikkelingsperspectieven van bedrijven en economische activiteiten buiten de bedrijventerreinen worden vooral bepaald door de aard en het karakter van het bedrijf zelf en nog meer door de ruimtelijke draagkracht van de omgeving. Voor het principe ruimtelijke draagkracht kunnen geen algemeen geldende objectieve en meetbare maatstaven voor heel Vlaanderen worden aangereikt. Ruimtelijke draagkracht is afhankelijk van de ruimtelijke structuur, van het ruimtelijk functioneren van een gebied en is eveneens afhankelijk van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied en van de aard en het karakter van het bedrijf en haar activiteit. De gemeente zal de ruimtelijke draagkracht van de betrokken omgeving kwalitatief moeten bepalen omdat dit niet in een algemene norm is vast te leggen. Volgende principes staan voorop bij de beoordeling van de ontwikkelings- en uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven buiten de bedrijventerreinen: - het principe goed nabuurschap - het principe dat alle mogelijkheden en voorzieningen (op milieuhygiënisch vlak, qua mobiliteitsproblematiek,...) voor ontwikkeling op de bestaande locatie uitputtend worden aangewend - het principe dat de ruimtelijke implicaties bij een herlokalisatie worden afgewogen tegenover de ruimtelijke implicaties van een ontwikkeling op de bestaande locatie - het principe ruimtelijke draagkracht - het principe van maximale beleidszekerheid en beleidscontinuïteit Het bestreden BPA laat zich niet verstaan met het principe dat de ruimtelijke draagkracht niet mag worden overschreden. Reeds eerder was door Uw Raad besloten dat m.b.t. de milieuvergunning van het slachthuis dd 03.04.1997 voor de laatste uitbreiding, geen afweging door de bestuurlijke overheid was gebeurd m.b.t. de ruimtelijke draagkracht en de gevolgen van de voorziene verweving van functies (stuk 5 blz 15). Nu het BPA de zonering wil afstemmen op de slachthuissite volgens die laatste uitbreiding waarvoor door EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER op 03.04.1997 een milieuvergunning werd aangevraagd, wordt andermaal niet afdoende gemotiveerd dat de ruimtelijke draagkracht niet overschreden wordt. De memorie overweegt op blz 12, specifiek daaromtrent, het volgende: VII-36.717-13/22 - Het slachthuis is historisch gegroeid binnen in de gemeente Ruiselede. Het bedrijf is historisch gegroeid binnen zijn mogelijkheden en heeft zijn (ruimtelijke) grenzen bereikt. - De ruimtelijke draagkracht wordt niet overschreden. De toelichting bij het gewestplan Roeselare-Tielt (KB 17-12-1979) citeert daaromtrent: 'Om de bestaande bedrijven buiten de industriegebieden meer gewaarborgde ontwikkelingskansen te bieden, werden zij in het gewestplan, vastgelegd door Koninklijk Besluit, zoveel mogelijk aangeduid. Daarenboven werden, waar mogelijk, hun terreinen waar uitbreiding voorzien is, opgenomen als gebied voor beperkte industriële uitbreiding (aanvullend stedenbouwkundig voorschrift). Bij de uitbreiding van bestaande bedrijven binnen het woongebied kan rekening gehouden worden met de economische functie die deze bedrijven vervullen. De uitbreiding zal in overweging genomen worden indien ze geen overlast meebrengt voor de woonfunctie'. - Op basis van een doorgevoerde conceptuele herinrichting van de bedrijfssite en gelet op het feit dat alle mogelijke maatregelen werden genomen en de best beschikbare technieken werden geïmplementeerd, kan - in alle redelijkheid - aanvaard worden dat een inpassing van het bedrijf in de betrokken omgeving op deugdelijke ruimtelijke motieven is gesteund. Het is duidelijk dat deze motivering niet relevant is om te besluiten dat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden. Allereerst is de historische verankering niet juist te noemen. De bewoning in de Bruggestraat was er eerder en het industrieel karakter van het slachthuis dateert pas van het eind van de jaren 70 tengevolge van schaalvergroting. In den beginne betrof het een melkerij en toen was er effectief nog een werkelijke band met de landbouw. Het bedrijf is hoedanook buiten de grenzen van de zone voor milieubelastende industrie getreden, en wenst nog verder uit te breiden en zones van landschappelijk waardevol agrarisch gebied en woongebied in te nemen. De tweede alinea van de motivering poneert enkel dat de ruimtelijke draagkracht niet wordt overschreden. Het citaat uit de toelichting bij het gewestplan waar gesteld wordt dat uitbreiding zal in overweging genomen worden indien ze geen overlast meebrengt voor de woonfunctie, motiveert op zich nog niet dat in voorliggend BPA geen overlast voorhanden is voor de woonfunctie. Wat meer is, uit het citaat blijkt dat uitbreiding slechts mogelijk is wanneer uitbreiding voorzien is. In casu is nooit uitbreiding voorzien. Het ging om een melkerij waar nadien slachtactiviteiten bijkwamen. Ook de derde alinea poneert veel en motiveert weinig, en lijkt, inzoverre verwezen wordt naar de best beschikbare technieken, meer te maken te hebben met het laatste principe van maximale beleidszekerheid en beleidscontinuïteit waaromtrent in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen gesteld wordt dat de verwachte ontwikkeling en uitbreiding van het bedrijf moeten goed ingeschat worden, evenals de bedrijfseconomische implicaties volgens het BATNEEC-principe (Best Available Techniques Not Entailing Excessive Costs). Concluderend liggen geen elementen voor waaruit blijkt dat de noodzakelijke ruimtelijke afweging is gebeurd". 4.2.1.9. In het vierde sub-onderdeel wordt dan uiteengezet waarom het BPA de ruimtelijke draagkracht overschrijdt: "Niet alleen kan uit de Memorie van Toelichting niet blijken of de noodzakelijke ruimtelijke afweging gebeurd is, deze afweging valt ook negatief uit. Men heeft het ten deze maar steeds over maximale verweving van economische activiteiten doch vermeldt er niet bij dat de decreetgever een heel VII-36.717-14/22 ander soort zonevreemde bedrijvigheid in woonzone en landschappelijk waardevol agrarisch gebied voor ogen had dan een industrieel slachthuis. Bij de besprekingen die tot het decreet van 19 juli 2002 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 geleid hebben, kwam de problematiek van de zonevreemde bedrijven uitgebreid aan bod. In bespreking in de Commissie voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening werd omtrent verwevenheid ondermeer het volgende gesteld: 'Een groot aantal economische activiteiten vindt plaats in agrarisch of in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In vele Vlaamse gemeenten liggen de kerk, de pastorie en de dorpsherberg in geel gebied, dus in agrarische zone, ingekleurd. Alle lokale economische activiteiten in die gebieden, zoals kappers, architectenbureaus, verzekeringskantoren, en dergelijke zijn dus in feite illegaal, terwijl iedereen van oordeel is dat ze er thuis horen om redenen van verwevenheid'. Zoals verzoekster in haar bezwaarschrift liet gelden wordt herhaaldelijk gesproken over 'verweving van functies maar het aspect hinder wordt ten onrechte vergeten bij de beoordeling (er mag geen overlast gecreëerd worden naar de woonfunctie toe). De Gemeenteraad heeft in haar zitting van 8 april 2004 hierop geantwoord als volgt (stuk 11 - blz 10): 'Overwegende de omschrijving van de doelstelling met betrekking tot het behoud van het slachthuis, wordt ondermeer in de deelnota gewenste economische structuur het volgende aangehaald: '... Om een dergelijk bedrijf verzoenbaar te maken met de omgeving moet de hinder die een dergelijk bedrijf kan veroorzaken tot een aanvaardbaar niveau beperkt worden. Een hele reeks milieu-investeringen werden uitgevoerd, de verkeersproblematiek werd aangepakt door het aanleggen van een nieuwe toegangsweg en het bedrijf werd ruimtelijk beter ingepast in de omgeving door de aanleg van bufferstroken...'; Overwegende dat als randvoorwaarden bij de ontwikkelings- perspectieven voor het slachthuis ondermeer wordt aangehaald dat milieuhinder tot een minimum beperkt dient te worden; dat de visuele impact op de omgeving zo klein mogelijk gehouden moet worden en dat een hogere verkeersdynamiek vermeden dient te worden en dat er blijvend moet gezocht worden naar maatregelen die de verkeersoverlast beperken. In het kader van het mobiliteitsplan worden momenteel 3 mogelijke alternatieven onderzocht om in het centrum van de gemeente het doorgaand verkeer uit de kern te weren; Overwegende dat de stedenbouwkundige voorschriften omtrent de slachthuiszone in die zin opgevat zijn dat een minimum aan hinder ten aanzien van de omliggende omgeving gegarandeerd wordt'; Dat wat de milieuhinder in het algemeen betreft, verzoekster er vooreerst op wijst dat bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge dd 28.10.1997 dhr DE COSTER en de NV EXPORTSLACHTHUIS correctioneel veroordeeld werden ten nadele van diverse buurtbewoners omwille van diverse milieudelicten. Dat uit dat vonnis blijkt dat het slachthuis er zelfs niet voor terugdeinsde om bloed in de Poekebeek te lozen en dat de overlast voor het landschappelijk waardevol agrarisch gebied vast staat. Dat wat de geurhinder in het bijzonder betreft, verzoekster verwijst naar de processen-verbaal die terzake opgesteld zijn door de Rijkswacht. Dat de Rijkswacht zelve, wiens burelen gelegen zijn op een 200-tal meter van het slachthuis, stellen dat tijdens de zomer het regelmatig gebeurt dat de openstaande voordeur dient dicht te worden gedaan omwille van de walgelijke geur, en verder: 'Buiten is er regelmatig geurhinder waar te nemen. Soms kan VII-36.717-15/22 het echt onuitstaanbaar zijn. De frequentie van voorkomen is zeer regelmatig. Het tijdstip is moeilijk te bepalen zowel bij dag als bij nacht. Ook zowel tijdens het WE als in de week. Het is telkens dezelfde soort geur die afkomstig is van de ingewanden van de dieren' (stuk 17) Dat uit àlle bezwaarschriften, die tegen het ontwerp van BPA zijn geformuleerd, blijkt dat deze geurhinder nog aanwezig is. Dat wat de verkeershinder in het bijzonder betreft, er niet ontkend wordt dat er verkeersoverlast is doch de Gemeenteraad zich beperkt met een verwijzing naar het Mobiliteitsplan. Dat het doel van de motiveringsplicht niet bereikt wordt door verwijzing naar een document dat niet ter inzage lag voor openbaar onderzoek, en blijkens de notulen van de Gemeenteraad ook nog geen definitief beslag heeft gekregen ('worden momenteel 3 mogelijke alternatieven onderzocht'). Dat overigens reeds in het verleden duidelijk gebleken is dat geen behoorlijk antwoord kàn gegeven worden aan de verkeersoverlast die een slachthuiscomplex, gelegen in het centrum van een landelijke gemeente, veroorzaakt. Verzoeker verwijst naar hetgeen terzake in het schorsingsarrest van Uw Raad van 16.03.95 (stuk 2) werd overwogen: dat reeds in vergadering van 20.10.92 van het hoofdbestuur van de stedenbouw gesteld werd dat aanleg van een nieuwe toegangsweg slechts een afdoende maatregel zou zijn, indien deze een onderdeel zou vormen van een noordelijke omlegging Bruggestraat- Aalterstraat en dat diè omlegging enkel mogelijk was nà voorafgaande wijziging van het gewestplan (stuk 2 - blz 5-6), en dat dan ook vragen moeten gesteld worden bij de alternatieven die de Gemeente in het kader van het Mobiliteitsplan vooropstelt. Aangezien verzoekster dan ook volhardt dat het bestreden BPA de ruimtelijke draagkracht overschrijdt". 4.2.2.1. De tweede en derde verzoekende partij hebben het BPA niet bestreden met een annulatieberoep. Dit ontneemt hen evenwel niet het recht om er thans een onwettigheidsexceptie tegen in te brengen, maar er mag van die exceptie thans wel zeer een hoge mate van ernst worden geëist. De schorsingsprocedure is immers een uitzonderingsprocedure, waarin de mogelijkheid van verweer door het bestuur en door de tussenkomende partij beperkter zijn. De verzoekende partijen hebben zelf de kans laten liggen de wettigheid van het bijzonder plan van aanleg te laten beoordelen volgens de gewone procedure. Thans voeren zij in hun tweede middel aan dat dit bijzonder plan van aanleg onwettig is. Het middel is bovendien zeer onlogisch en ingewikkeld geconstrueerd en laat de Raad van State, in de prima faciebeoordeling die eigen is aan de vordering tot schorsing, amper toe het ernstig karakter ervan te beoordelen. 4.2.2.2. De verzoekende partijen beweren dat "in voorliggende zaak nergens terug te vinden (
- is)dat de Gemeenteraad toepassing zou willen maken hebben van art. 165 en bijgevolg kan niet uitgegaan worden van de veronderstelling dat het bestreden BPA is vastgesteld met toepassing van artikel 14, (vijfde lid), van het Coördinatiedecreet". VII-36.717-16/22 Ze voeren evenwel geen enkele rechtsnorm aan die zou eisen dat in het bijzonder plan van aanleg expliciet zou worden gemeld of er toepassing wordt gemaakt van artikel 14, derde, dan wel vijfde lid. In de zaak die leidde tot het arrest waarnaar zij verwijzen waren er geheel andere feitelijke omstandigheden. Artikel 14, vijfde lid, werd pas ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, terwijl het in de bewuste zaak betwiste BPA reeds op 29 juni 1998 door de gemeenteraad voorlopig was aangenomen. Uit de toelichting bij het betreffende BPA bleek duidelijk dat steun werd gezocht in artikel 14, vierde lid. Dit bleek ook uit het aanvankelijk verweer van zowel de gemeente als het Vlaams gewest, die pas later in de procedure naar artikel 14, vijfde lid, verwezen. Geen van deze omstandigheden speelt in voorliggende zaak. Integendeel, de memorie van toelichting bij het ontwerp-BPA verwijst uitdrukkelijk naar artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 (pagina 37). Er blijkt dus duidelijk dat het BPA toepassing bedoelde te maken van artikel 14, vijfde lid. In het verzoekschrift wordt enerzijds aangevoerd, in het derde en vierde sub-onderdeel, dat niet blijkt dat werd onderzocht of de ruimtelijke draagkracht niet werd overschreden, maar anderzijds wordt gezegd dat de motivering terzake niet relevant is, of niet afdoende, of feitelijk onjuist. Wie de motieven die in een beslissing zijn terug te vinden bekritiseert, kan echter niet tegelijk stellen dat de motieven niet in de beslissing zijn terug te vinden. Wat de kritiek op de motieven betreft werpt de tussenkomende partij terecht tegen dat de verzoekende partijen erg selectief citeren uit de toelichting bij het BPA, en dat zij zich in hoofdzaak beroepen op feiten uit het verleden. Daardoor is het voor de Raad van State niet mogelijk om met de eerder aangegeven noodzakelijke gestrengheid prima facie te beoordelen of bij het vaststellen van het BPA werd uitgegaan van de juiste voorstelling van de feiten, en of niet een kennelijke onredelijke beoordeling van de ruimtelijke draagkracht werd gemaakt. Het derde en vierde sub-onderdeel zijn niet ernstig. 4.2.2.3. Uit één zin uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat artikel 14, vijfde lid, heeft ingevoegd, meer bepaald: VII-36.717-17/22 "Deze wijzigingsbepaling heeft tot doel de afwijkende BPA’s, zoals toegelicht in de omzendbrieven RO 93/01, RO 97/01 en RO 98/05, decretaal te verankeren", leiden de verzoekende partijen af dat de toepassing van de nieuwe decreetsbepaling volledig afhankelijk is van alle voorwaarden die in de vermelde omzendbrieven waren gesteld, en dat ook de procedurevoorschriften van de omzendbrieven integraal van toepassing zijn. Dit blijkt echter niet uit de tekst van de decreetsbepaling. Het eerste en tweede sub-onderdeel zijn evenmin ernstig. 4.2.2.4. Aangezien het BPA werd vastgesteld bij toepassing van artikel 14, vijfde lid, van het Stedenbouwdecreet, is het tweede onderdeel van het tweede middel, dat de schending aanvoert van artikel 14, vierde lid, irrelevant. De verzoekende partijen voeren weliswaar aan dat de rechtspraak van de Raad van State betreffende de toepassing van artikel 14, vierde lid, onverkort zou gelden voor de toepassing van artikel 14, vijfde lid, maar die stelling overtuigt prima facie niet. Er is een fundamenteel verschil tussen het vierde en het vijfde lid van artikel 14. Het vierde lid kadert in het aflopende stelsel van de plannen van aanleg met hun onderlinge hiërarchie en bepaalt de verhouding van BPA’s tot streekplannen, gewestplannen en APA’s, waarbij een afwijking uitzonderlijk is. Het vijfde lid is een overgangsregeling die geldt tijdens de overgang van de bestaande plannen van aanleg naar de nieuwe ruimtelijke structuurplannen, en voorziet een mogelijkheid om conform het nieuwe structuurplan Vlaanderen af te wijken van een gewestplan, dit bij wege van voorschot op een in voorbereiding zijn gemeentelijk structuurplan. Het eerste onderdeel van het tweede middel is eveneens irrelevant. Het voert de schending aan van het gezag gewijsde van de arresten waarmee een vroeger, op 17 januari 1994 goedgekeurd BPA werd geschorst en vernietigd. Er wordt gesteld dat het huidige BPA niet wezenlijk verschilt van het eerder vernietigde en dat het huidige BPA tot stand is gekomen op grond van een andere decretale regeling, die nog niet bestond ten tijde van het eerder vernietigde BPA. Het tweede middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. VII-36.717-18/22 4.3.1. In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van: - ‘het gezag van gewijsde van ‘s Raads arresten nrs. 78.705 van 11 februari 1999 (schorsing) en nr. 87.037 van 4 mei 2000 (vernietiging) en nr. 107.090 van 29 mei 2002 (schorsing) en nr. 154.691 (vernietiging) van 9 februari 2006’; - artikel 2 van het Stedenbouwdecreet; de artikelen 5.1.0, 11.4.1 en 15.4.6.1, van het Inrichtingsbesluit; het Gewestplan Roeselare - Tielt; - artikel 43, §7, van het Stedenbouwdecreet; - de artikelen 21, §2, 2 en 25, 2 van VLAREM I; - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. 4.3.2. Een deel van het eerste middel wordt irrelevant doordat het tweede middel niet ernstig is. Waar de verzoekende partijen de schending van de bestemmings- voorschriften van het gewestplan aanvoeren, gaan zij er van uit dat het BPA Bruggestraat onwettig is. Nu evenwel uit het niet ernstig bevinden van de onwettigheidsexceptie tegen het BPA (tweede middel) volgt dat deze vooronderstelling onjuist is, dient het eerste middel wat dit aspect betreft niet onderzocht. Evenmin dient de aangevoerde schending van artikel 43, §7, van het Stedenbouwdecreet te worden onderzocht, aangezien de verwerende partij zich helemaal niet op die bepaling heeft gesteund. De vernietigingsarresten waarvan het gezag van gewijsde zou zijn geschonden, hebben de verleende milieuvergunning vernietigd wegens schending van de voorschriften van het gewestplan, of het verzuim de verenigbaarheid met die voorschriften naar behoren te motiveren. De thans bestreden milieuvergunning beroept zich evenwel niet op de verenigbaarheid met de voorschriften van het gewestplan of op een toegestane afwijking ervan, maar op de verenigbaarheid met de voorschriften van het BPA Bruggestraat. Ook wat dit betreft dient het middel niet onderzocht te worden. 4.3.3. De verzoekende partijen voeren aan dat geen beoordeling werd gemaakt van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede plaatselijke ordening en dat niet op gemotiveerde wijze werd geantwoord op de bezwaarschriften. Uit de adviezen en uit de bestreden beslissing blijkt dat wel degelijk de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving en de goede plaatselijke aanleg werd beoordeeld. De verzoekende partijen zijn het klaarblijkelijk niet eens VII-36.717-19/22 met die beoordeling, maar zij geven niet concreet aan waar de beoordeling op onjuiste feitelijke uitgangspunten zou zijn gebaseerd, of waarom ze kennelijk onredelijk zou zijn. De tussenkomende partij kan prima facie worden gevolgd in haar standpunt dat de motieven die aan de basis lagen van het BPA niet dienden te worden hernomen in de formele motivering van de vergunningsbeslissing, en nergens blijkt dat de vergunde inrichting wezenlijk zou verschillen van wat het bestuur voor ogen had bij het opstellen en goedkeuren van het BPA. De kritiek van de verzoekende partijen op de motivering betreffende de hinder voor de omgeving is weinig concreet en overtuigend, en schetst een weinig getrouw beeld van de in de bestreden beslissing opgenomen motivering. Het is juist dat de bestreden beslissing niet antwoordt op de bezwaren inzake verkeershinder (bezwaren uit het openbaar onderzoek in 1997); de verzoekende partijen komen echter zelf ook niet verder dan te stellen dat er een ‘bijzonder probleem’ is’, met verwijzing naar een verslag van een in 1992 gehouden vergadering. Helemaal ten onrechte stellen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing de mogelijke geurhinder negeert. De tussenkomende partij citeert uitvoerig uit de bestreden beslissing, en daaruit blijkt dat een sensorische studie in overweging werd genomen, maatregelen ter beperking van geurhinder door afvalwater, en maatregelen ter beperking van geurhinder door slachtafval. De verzoekende partijen brengen geen argumenten aan tegen deze overwegingen. Hetzelfde geldt voor de motivering die werd gewijd aan de mogelijke geluidshinder: de bestreden beslissing verwijst naar een akoestisch onderzoek en somt een aantal hinderbeperkende maatregelen op, maar de verzoekende partijen brengen daar niets tegen in. De besproken onderdelen van het eerste middel zijn niet ernstig. 4.4.1. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van: - de artikelen 3.31, g, en 21, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieu-effectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen; - artikel 249, derde lid, van het EG-verdrag; - de richtlijn 85/337/EG van 27 juni 1985 betreffende de milieu- effectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. VII-36.717-20/22 4.4.2. Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989, waarin de MER-plicht voor ‘installaties voor het slachten van dieren met een verwerkingscapaciteit van 50.000 ton vlees per jaar of meer’ was vastgelegd, werd opgeheven bij besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 (B.S. 17 februari 2005). De bestreden beslissing kan artikel 3 niet hebben geschonden. Bij afwezigheid van een MER-plicht op grond van het besluit van 23 maart 1989 was ook de overgangsbepaling van artikel 21 overbodig geworden, en kan de eventuele foutieve interpretatie ervan geen Europese richtlijn hebben geschonden. Er bestond ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing wel een MER-plicht voor ‘installaties voor het slachten van dieren met een verwerkingscapaciteit van 30.000 ton levend gewicht per jaar of meer’, op grond van bijlage II, 7, f), bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieu- effectrapportage. Dit besluit werd genomen in uitvoering van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De in dat decreet georganiseerde milieu-effectrapportage (ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002) is niet zomaar een voortzetting van de voorheen bestaande regeling, en het is, zeker in een schorsingsprocedure, niet aan de Raad van State om in de plaats van de verzoekende partijen uit te zoeken in welke mate de vroegere regeling mogelijkerwijze nog uitwerking zou kunnen hebben gehad op de bestreden beslissing. Nog minder komt het de Raad van State toe te onderzoeken of het derde middel van de verzoekende partijen kan geherformuleerd worden in het licht van de wetgeving geldend ten tijde van de bestreden beslissing. Het derde middel is niet ernstig. 4.5. Er is niet voldaan aan de eerste door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. Exportslachthuis G. DE COSTER in het administratief kort geding wordt ingewilligd. VII-36.717-21/22 Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien maart tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-36.717-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.999 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.592 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div