id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.042 Rolnummer: A. 58337/X-9596 Zaak: Arrest 169042 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 16/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-22 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 17:52 Fiche Arrest nr 169.042 van 16 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.042 van 16 maart 2007 in de zaak A. 58.337/X-
- In zake : de NV REYNTIENS H., die woonplaats kiest bij advocaat K. Schrijvers, kantoor houdende te Zoersel, Langebaan 36 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat P. Taelman, kantoor houdende te Gent, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV H. Reyntiens op 6 juni 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 februari 1994 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende de verwerping van haar beroep tegen de beslissing van 6 mei 1993 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij de vergunning is geweigerd voor het uitbreiden van een werkplaats en burelen aan de Moerplas te Puurs, op een perceel kadastraal bekend sectie C 558/1; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 21 juni 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-9596-1\9 Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. Ansoms, die loco advocaat K. Schrijvers verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaat P. Taelman verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Op 9 juli 1992 doet verzoekster een bouwaanvraag voor het uitbreiden van een industriecomplex, op een perceel gelegen te Puurs, Moerplas 2, doch op 17 november 1992 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs de gevraagde vergunning. Verzoekster stelt tegen deze weigering beroep in. Op 6 mei 1993 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen eveneens de gevraagde vergunning. Ook tegen deze weigeringsbeslissing tekent verzoekster hoger beroep aan. Door het thans bestreden besluit van 25 februari 1994 van de Vlaamse Minister voor Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden wordt dat beroep verworpen, waarbij de minister zijn beslissing motiveert als volgt : “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het uitbreiden van een werkplaats en burelen; dat de bestendige deputatie het beroep heeft verworpen onder meer omdat het betrokken agrarisch gebied zijn landelijk karakter heeft bewaard en aan een natuurgebied, een parkgebied en een woongebied met landelijk karakter X-9596-2\9 grenst, omdat de beoogde uitbreiding betrekking heeft op een bedrijf voor hout- en metaalbewerking, omdat de uitbreiding van dit zonevreemd en nu reeds hinderend bedrijf de goede ruimtelijke ordening. schaadt en omdat voormeld artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 niet kan worden toegepast; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, gelegen is in het agrarisch gebied; dat zulk gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen, bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para- agrarische bedrijven; dat het optrekken van een ambachtelijk bedrijf binnen dit gebied dus principieel in strijd komt met de vigerende planologische voorschriften; Overwegende dat op het terrein reeds een schrijnwerkerij bestaat sedert de jaren 60, doch waaraan in de loop der tijd op wederrechtelijke wijze allerlei bouwwerken werden toegevoegd; dat bovendien de werkplaats werd opgetrokken tot op de noord-westelijke perceelsgrens niettegenstaande hier een bouwvrije strook van 3 m diende behouden; dat het geheel is ingeplant achter de bestaande woning van aanvrager en tot op de achterste perceelsgrens; dat huidig ontwerp voorziet in eensdeels het afbreken van het werkplaatsgedeelte dat in de linker bouwvrije strook staat en anderzijds in het uitbreiden van de constructie naar de straat toe met een circa evenwaardige oppervlakte als de bestaande bedrijfsoppervlakte; dat hierdoor het bestaande complex qua oppervlakte van 2380 m² naar 4317 m² zou evolueren; Overwegende dat artikel 79 van de stedebouwwet, ingevoegd door het decreet van 28 juni 1984 en vervangen bij decreet van 23 juni 1993, stelt dat bij het verlenen van een gunstig advies de gemachtigde ambtenaar mag afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op ofwel het verbouwen van een bestaand vergund gebouw, ofwel op het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met een gebouw of een vaste inrichting op de voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; dat deze afwijking bovendien slechts kan verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, hetgeen betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat dergelijke aanvraag in het agrarisch gebied naast een openbaar onderzoek ook onderworpen is aan het advies van Bestuur Landinrichting van de Administratie Milieu-, Natuur- en Landinrichting; Overwegende dat de voorgestelde uitbreiding van dit zonevreemd bedrijf volledig het initiatief is van de aanvrager en niet is ingegeven door conform het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; dat betrokkene in een navolgende beroepsmotivering stelt dat de door hem aangevraagde milieuvergunning in beroep door de Bestendige Deputatie negatief werd beoordeeld op 22 april 1993, doch hem pas op 1 juli 1993 werd betekend; dat door deze laattijdige betekening, dixit beroeper, hij overeenkomstig artikel 52, 5/ van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning een stilzwijgende vergunning heeft bekomen voor het aangevraagde en dat in het kader van deze stilzwijgende vergunning een uitbreiding van het bedrijfsgebouw zoals in de voorliggende X-9596-3\9 bouwaanvraag vermeld noodzakelijk is; dat betrokkene de Raad van State heeft verzocht die weigeringsbeslissing te vernietigen; dat echter die stand van administratieve rechtspleging niet toelaat noch onderschrijft dat de gevraagde uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van strikte voorwaarden opgelegd door de milieuvergunning; dat het bovendien uit oogpunt van behoorlijk bestuur niet zou betamen om enerzijds, in eenzelfde bouwaanvraag, aanpassingen onder vorm van slopingswerken aan een wederrechtelijk uitgevoerde constructie goed te keuren en anderzijds op basis van dat gelijktijdig regularisatieproces vergunning te geven om diezelfde constructie met een aanzienlijke oppervlakte uit te breiden; dat op basis van de bij koninklijk besluit vastgestelde planologische ordeningsvoorschriften het project onverenigbaar is met een goede aanleg van dit gebied en dus het beroep van de particulier dient verworpen”; De gegrondheid van het beroep 2.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van “art. 79 van de wet op de ruimtelijke ordening en de stedebouw”, van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, hierna ook de formele-motiveringswet genoemd, van het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwens- beginsel en van het gelijkheidsbeginsel : “Doordat, eerste onderdeel, de minister een bouwaanvraag beoordeelt aan de hand van art. 79 van de Stedebouwwet, ingevoegd door het Decreet van 28 juni 1984 en vervangen bij Decreet van 23 juni 1993, terwijl de bouwaanvraag werd ontvangen op 9 juli 1992 en derhalve diende beoordeeld te worden in het licht van de op dat ogenblik geldende wettelijke bepalingen, en de aanvrager van een bouwvergunning er rechtmatig moet kunnen op vertrouwen dat zijn aanvraag zal behandeld worden overeenkomstig de op het ogenblik geldende bepalingen, rekening houdend met het afgeleverde stedebouwkundig attest, zodat het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden, en terwijl de minister, door ongemotiveerd anders te beslissen tevens art. 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen evenals het motiveringsbeginsel schendt. En doordat, tweede onderdeel, geen advies werd ingewonnen bij het bestuur voor landinrichting van de administratie milieu, natuur en landinrichting, en de minister evenmin uitspraak deed over dit advies, terwijl overeenkomstig artikel 79 voor verbouwingen en uitbreidingen van bestaande vergunde gebouwen in de agrarische gebieden dit advies dient ingewonnen te worden, en bij ontstentenis van dit advies binnen de 30 dagen het geacht wordt gunstig te zijn”; dat verzoekster het middel adstrueert als volgt : “Toelichting van het eerste onderdeel : Verzoekers bouwaanvraag werd ontvangen op 9 juli
- Tegen het weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie tekende verzoekster beroep aan bij de minister bij brief van 7 juli
- X-9596-4\9 Zowel bij de oorspronkelijke bouwaanvraag als bij het beroep bij de minister tegen het weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie, was het oude artikel 79 van de Stedebouwwet nog van toepassing. Al deze tijd mocht verzoekster er derhalve op vertrouwen, dat haar aanvraag overeenkomstig dit oude artikel 79 zou behandeld worden. Door de bouwaanvraag uiteindelijk te beoordelen overeenkomstig het gewijzigde artikel 79, schond de minister zowel het rechtszekerheids- als het vertrouwensbeginsel. Nergens duidt de minister aan op welke juridische of feitelijke gronden hij zich steunt om het nieuwe artikel 79 toe te passen, waardoor hij de aangehaalde bepalingen van de formele motiveringswet en het motiveringsbeginsel in het algemeen schendt. De motivering van het besluit is immers niet afdoende. Nergens wordt er gesproken over het stedebouwkundig attest van 20.06.
- Strikt genomen was dat weliswaar 20 dagen vervallen. De ommekeer in de houding van de gemeente en van de overheden dient evenwel duidelijk te worden gemotiveerd. Dat is niet gebeurd. Toelichting van het tweede onderdeel : Het voorgeschreven bovenvermelde advies werd niet gevraagd. Dit op zich is reeds een inbreuk op art. 79 van de Stedebouwwet, waardoor het besluit met schending van dit artikel werd genomen. Zonder dit advies te vragen mocht de Minister geen uitspraak doen over het beroep dat verzoekster aantekende. Door dit toch te doen, is zijn beslissing onwettig. Voor zover het ontbreken van dit advies niet met nietigheid zou worden gesanctioneerd, moet het advies geacht worden gunstig geweest te zijn. In het bestreden besluit neemt de minister een beslissing strijdig met dit gunstig advies. Hoewel zulks nochtans vereist is door de formele motiveringswet en door het motiveringsbeginsel, geeft de minister niet de juridische gronden aan waarop hij zich steunt om het gunstig advies naast zich neer te leggen. Derhalve kan enkel vastgesteld worden dat zijn beslissing niet afdoende feitelijk en juridisch gemotiveerd is”; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord verklaart in het middel te volharden zoals dit geformuleerd en toegelicht werd in het inleidend verzoekschrift; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie nog betoogt dat de wetswijziging een omstandigheid is die zich buiten haar wil heeft voorgedaan en die haar op grond van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel niet kan worden tegengeworpen; dat volgens haar minstens in de beslissing de motieven te lezen moesten zijn waarom in casu het nieuwe artikel 79 diende te worden toegepast; dat verzoekster uiteenzet dat aanvragen die op hetzelfde ogenblik werden ingediend uiteindelijk op grond van verschillende wetgeving werden behandeld en beoordeeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel; 2.
- Overwegende, wat het gelijkheidsbeginsel betreft, dat in het auditoraatsverslag terecht wordt vastgesteld dat verzoekster nalaat in het inleidend verzoekschrift uiteen te zetten op welke wijze de bestreden beslissing dit rechtsbeginsel zou hebben geschonden; dat verzoekster dit niet meer kan X-9596-5\9 goedmaken door na kennisname van het auditoraatsverslag alsnog in de laatste memorie, voor het eerst, een dergelijke uiteenzetting te geven; dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat bij ontstentenis van anders luidende overgangsregels niet het ogenblik van de aanvraag, maar wel het ogenblik van de beslissing determineert welke regels de beslissende overheid moet toepassen; dat de minister als orgaan van het actief bestuur er toe gehouden is de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik dat hij over de aanvraag uitspraak doet; dat verzoekster, door de “ommekeer in het beleid” te bekritiseren, in wezen kritiek levert op het doen -de wetswijziging- en laten -het ontbreken van overgangsmaatregelen- van de decreetgever; Overwegende, wat de formele motiveringsplicht betreft, dat het besluit omstandig de draagwijdte vermeldt van “artikel 79 van de stedebouwwet, ingevoegd door het decreet van 28 juni 1984 en vervangen bij decreet van 23 juni 1993”; dat een nadere explicitering waarom de minister die bepaling moet toepassen niet hoeft; dat in stedenbouwzaken in de regel aan de motiveringverplichting is voldaan wanneer de uitspraak over het bouwberoep duidelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop de overheid haar beslissing steunt, derwijze dat het de aanvrager, desgevallend het college van burgemeester en schepenen of belanghebbende derden, mogelijk is met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen, en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan binnen de grenzen van haar beoordelingsvrijheid tot het bestreden besluit is kunnen komen; Overwegende dat het wezenlijke weigeringsmotief de vaststelling is dat de voorgestelde uitbreiding van het bedrijf van verzoekster “volledig het initiatief is van de aanvrager” en niet voldoet aan de in artikel 79 gestelde voorwaarde “het noodzakelijk gevolg” te zijn van “overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu”; dat een advies van het bestuur voor Landinrichting over de weerslag van de gevraagde uitbreiding in agrarisch gebied op de goede ruimtelijke ordening, zelfs indien het gunstig is of geacht moet worden gunstig te zijn, aan die vaststelling X-9596-6\9 niets kan veranderen zodat verwerende partij terecht heeft gemeend te mogen afzien van het aanvragen van bedoeld advies; 2.
- Overwegende dat het middel in de beide onderdelen wordt verworpen; 3.
- Overwegende dat verzoekster een tweede middel put uit de schending van artikel 79 van de stedenbouwwet, van de artikelen 1 tot 3 van de formele-motiveringswet en van het motiveringsbeginsel “Doordat de minister stelt dat op basis van de bij K.B. vastgelegde planologische ordeningsvoorschriften het project onverenigbaar is met een goede aanleg van dit gebied en dus het beroep van de particulier dient verworpen, terwijl art. 79 van de Stedebouwwet precies in de mogelijkheid voorziet om af te wijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan”; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie argumenteert dat door verwerende partij “geheel niet onderzocht [wordt]”, “of de gevraagde uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van voorwaarden opgelegd door de milieuvergunning” en “geen enkele uitspraak [doet] over het al dan niet bestaan van een stilzwijgende milieuvergunning”; dat daarom, volgens verzoekster, de weigering ter dege gesteund is op de motieven in verband met de goede ruimtelijke ordening; 3.
- Overwegende dat reeds bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat de weigering in wezen is gesteund op de vaststelling dat de aanvraag hoe dan ook niet voldoet aan een in artikel 79 gestelde voorwaarde; dat het middel, zoals het in het inleidend verzoekschrift is aangevoerd, geen kritiek formuleert op die vaststelling; dat het enkel kritiek geeft op een motief dat, eenmaal is vastgesteld dat de aanvraag niet beantwoordt aan de in het artikel gestelde vereisten, als overtollig moet worden bestempeld; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie tracht te weerleggen dat het motief overtollig is, door thans te betogen dat het voornaamste weigeringsmotief niet deugt; dat, nog daargelaten of zij dit voor het eerst mag doen in deze stand van de procedure, haar betoog faalt; dat immers uit het besluit blijkt dat de minister wel degelijk heeft onderzocht of de gevraagde uitbreiding het gevolg is van voorwaarden opgelegd door een milieuvergunning; dat hij immers vaststelt dat zulks niet het geval is omdat de aanvraag geheel het initiatief is van de X-9596-7\9 aanvrager; dat het ook niet correct is te stellen dat de minister voorbijging aan de stilzwijgend verleende milieuvergunning; dat hij integendeel bevestigt dat die vaststelling niets afdoet aan zijn conclusie, omdat een dergelijke stilzwijgend verleende vergunning “niet toelaat noch onderschrijft dat de gevraagde uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van strikte voorwaarden opgelegd door de milieuvergunning”; dat verzoekster noch in het inleidend verzoekschrift, noch overigens in de laatste memorie, er toe komt aan te tonen dat die beide vaststellingen, en dus het dragend motief van de bestreden weigering, onwettig zijn; Overwegende dat verzoekster geen belang heeft bij het tweede middel; dat het wordt verworpen; 4.
- Overwegende dat verzoekster een derde middel put uit de schending van de artikelen 1 tot 3 van de formele-motiveringswet en het motiveringsbeginsel, “Doordat de minister meent ‘dat het bovendien uit oogpunt van behoorlijk bestuur niet zou betamen om enerzijds, in eenzelfde bouwaanvraag aanpassingen onder de vorm van slopingswerken aan een wederrechtelijk uitgevoerde constructie goed te keuren en anderzijds op basis van dat gelijktijdig regularisatieproces vergunning te geven om diezelfde constructie met een aanzienlijke oppervlakte uit te breiden;’, terwijl het volstrekt niet duidelijk is wat de minister hiermee bedoelt, of waarop hij zich hiervoor baseert”; Overwegende dat dit middel, om de zelfde redenen als uiteengezet bij het onderzoek van het tweede middel, niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-9596-8\9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. BOVIN. X-9596-9\9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.042 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div