← België

Arrest 169068 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.068 Rolnummer: A. 98745/IX-2652 Zaak: Arrest 169068 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-26 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 17:58 Fiche Arrest nr 169.068 van 19 maart 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.068 van 19 maart 2007 in de zaak A. 98.745/IX-

  1. In zake : Geert BILTERYS, die woonplaats kiest bij advocaat E. BRAL, kantoor houdende te GENT, Henleykaai 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Geert BILTERYS op 22 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - de beslissing van 25 oktober 2000 van de directeur-generaal van het personeel van de rijkswacht waarbij geweigerd wordt hem op te nemen op de lijst van keuronderofficieren die kandidaat zijn voor de bevordering tot de graad van adjudant - sessie 2001; - de weigering om te antwoorden op het verweer dat hij ingediend heeft tegen de voormelde weigeringsbeslissing; Gelet op het arrest nr. 95.354 van 14 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 25 juni 2001 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-2652-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. BRAL, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  4. Verzoeker is sinds 26 september 1984 in dienst bij de rijkswacht. Op 1 oktober 1987 is hij benoemd in de graad van opperwachtmeester. Hij is sinds 30 januari 1995 tewerkgesteld in de brigade Ninove. Op 26 februari 1996 en 14 juli 1997 wordt hem de tuchtmaatregel van de blaam opgelegd. Op 18 juli 1997 wordt hij, omdat zijn relatie met de brigadecommandant verstoord is, in het belang van de dienst bij ordemaatregel ten bewarende titel gemuteerd naar de brigade Aalst. IX-2652-2/16 Het annulatieberoep dat verzoeker tegen de tuchtstrafbeslissing van 14 juli 1997 ingediend heeft, is verworpen bij arrest van de Raad van State nr. 95.632 van 21 mei
  5. 1.
  6. Verzoeker komt op 26 september 1997 voor de eerste keer in aanmerking voor een bevordering tot eerste opperwachtmeester. Over die bevordering, evenals over de bevordering op datum van 26 december 1997, stelt de rijkswachthiërarchie, verwijzend naar de opgelegde tuchtstraf van 14 juli 1997 en naar de administratieve overplaatsing van verzoeker, negatieve verslagen op. De commandant van de rijkswacht brengt een ongunstig advies uit over de bevordering van verzoeker tot eerste opperwachtmeester op 26 september 1997 en op 26 december 1997 wegens zijn “onvoldoende” wijze van dienen. Op 26 januari 1998 beslist de minister zijn beslissing in beraad te houden, maar op 24 maart 1998 besluit hij verzoeker niet te bevorderen tot eerste opperwachtmeester op 26 september 1997 of op 26 december
  7. 1.
  8. Op 2 februari 1998 stelt de directeur personeel en logistiek van het rijkswachtdistrict Dendermonde in het kader van de bevordering van verzoeker tot eerste opperwachtmeester op datum van 26 maart 1998 de beraadprocedure voor. Hij vindt dat verzoeker, wegens de tuchtstraf van 14 juli 1997 en zijn mutatie bij ordemaatregel, niet de morele hoedanigheden bezit om de functies van de hogere graad uit te oefenen en dat zijn wijze van dienen onvoldoende is. De hiërarchische chefs volgen dat advies, maar de commandant van de rijkswacht is van oordeel dat hij, gelet op de sinds de laatste tuchtstraf verstreken periode en vermits verzoeker niet meer op tuchtgebied werd gestraft, zijn advies voor een bevordering op 26 maart 1998 in beraad moet houden. Dat doet ook de minister op 19 juni
  9. 1.
  10. In een verslag van 27 april 1998 stelt de directie personeel van het rijkswachtdistrict Dendermonde dat verzoeker sinds de tuchtstraf van 14 juli 1997 geen enkele straf meer opgelopen heeft en dat uit een recente evaluatie blijkt dat hij “in gunstige zin evolueert”. Geconcludeerd wordt dat verzoeker “in aanmerking komt voor een bevordering”. Op 19 juni 1998 beslist de minister dat hij nog niet in staat is om de wijze van dienen van verzoeker te beoordelen met het oog op zijn bevordering op datum van 26 maart
  11. Verzoeker dient een verweerschrift in tegen dat IX-2652-3/16 voorstel waarin hij onder meer vraagt zijn bevordering tot eerste opperwachtmees- ter met terugwerkende kracht tot 26 september 1997 te laten doorgaan. 1.
  12. Op 28 september 1998 muteert verzoeker naar de Steungroepering en wordt hij tewerkgesteld bij het Secretariaat Mess- en Horecadiensten. 1.
  13. Op 6 november 1998 deelt het Algemeen Commando van de rijkswacht aan de eenheidscommandant van verzoeker mede dat hij met terugwer- kende kracht tot 26 maart 1998 bevorderd is tot eerste opperwachtmeester. Volgens verzoeker dagtekent het ministerieel benoemingsbesluit van 21 september
  14. Hij wijst er in het verzoekschrift op dat hem ter gelegenheid van die benoeming een nieuwe anciënniteit toegekend is, dat die bekendgemaakt is in het bulletin van het personeel van 7 oktober 1998 en dat zulks tot gevolg heeft dat hij, vergeleken met zijn situatie vóór de benoeming, 25 plaatsen achteruit wordt gesteld. Verzoeker heeft tegen dat besluit geen annulatieberoep ingesteld. 1.
  15. Met het dagelijks order nr. 49 van 26 juli 2000 wordt de lijst bekendgemaakt van de keuronderofficieren die in aanmerking komen om deel te nemen aan de bevorderingsexamens tot de graad van adjudant - sessie
  16. Er wordt medegedeeld dat in de context van de politiehervorming, deze sessie 2001 de laatste bevorderingsronde is die georganiseerd wordt. Verzoeker komt niet voor op de lijst. Hij maakt op 21 augustus 2000 gebruik van de mogelijkheid om met een gemotiveerde aanvraag alsnog om inschrijving te verzoeken. Hij zet daarin uiteen dat zijn “promotiegenoten (promotie ‘84-‘87)” op de lijst opgenomen zijn bij de kandidaten die voor de eerste keer worden opgeroepen, dat hij 12 jaar en 10 maanden als keurgegradueerde werkt, dat hij door zijn meerderen positief geëvalueerd werd en wordt en dat hij bij zijn rangschikking als eerste opperwachtmeester “25 plaatsten achteruitgesteld (werd)” wegens de lichte tuchtstaf van de blaam die hem werd opgelegd. Hij vindt dat zijn actuele wijze van dienen verantwoordt dat hij op de lijst opgenomen zou worden, zeker nu het om de laatste bevorderingsronde gaat. De hiërarchische meerderen van verzoeker brengen een gunstig advies uit over zijn opname op de lijst van kandidaten. IX-2652-4/16 1.
  17. Op 25 oktober 2000 beslist de directeur-generaal van het personeel van de rijkswacht de aanvraag van verzoeker te weigeren. Deze beslissing, die het eerste voorwerp van het onderhavig beroep vormt, luidt als volgt: “
  18. Overeenkomstig art. 4 van het KB van 01 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht wordt de lijst van keuronderofficieren die nog geen kandidaat zijn geweest, opgesteld met inachtneming van de anciënniteit. In uitvoering daarvan werden alle kandidaten, met een anciënniteitsnummer dat met 1987 begint, vermeld op het DO Nr 49 van 26-07-
  19. Gelet op art. 42 van de wet van 27-12-1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht wordt een lid van het beroepspersoneel, op het ogenblik dat het in een andere graad van onderofficier wordt benoemd nadat het wegens tijdelijke on- geschiktheid bij de bevordering is voorbijgegaan, een nieuwe anciënni- teit verleend (in dit geval als opperwachtmeester); deze nieuwe anciënniteit is gelegen tussen deze van het lid van het beroepspersoneel dat onmiddellijk voor hem en deze van het beroepspersoneel dat onmiddellijk na hem in zijn nieuwe graad gerangschikt is. Om die reden werd belanghebbende een nieuw anciënniteitsnummer toegekend dat begint met
  20. Bijgevolg bezit belanghebbende niet meer dezelfde anciënniteit als zijn promotiegenoten waarmee hij in 1987 werd benoemd tot de graad van opperwachtmeester omdat hij een anciënniteitsverlies van 6 maanden heeft opgelopen bij zijn benoeming tot 1OWM. Aangezien de lijst van kandidaten zich beperkt tot diegenen met anciënniteitsnummer 1987 en belanghebbende geklasseerd werd bij de eerstvolgende promotie kan hij niet op de lijst worden opgenomen.
  21. Deze beslissing houdt geen enkel verband met de huidige goede wijze van dienen van belanghebbende, die overigens niet wordt betwist, maar baseert zich uitsluitend op het wettelijk opgelegd anciënniteitscriterium.
  22. Dat anciënniteitscriterium werd overigens voor alle voorgaande lijsten van Kand Adjt op dezelfde wijze ingevuld. Indien voor deze lijst een ander anciënniteitscriterium zou worden gehanteerd, waardoor belanghebbende toch nog zou kunnen toegevoegd worden aan de lijst, zou dit leiden tot een ongelijke en discriminerende behandeling van alle andere kandidaten, die om diverse redenen een soortgelijk anciënniteits- verlies hebben opgelopen en ook met de eerstvolgende promotie werden opgeroepen.
  23. De EComd wordt verzocht 1OWM BILTERYS deze beslissing ter kennis te brengen.” 1.
  24. Op 30 oktober 2000 vraagt verzoeker aan de directeur-generaal van het personeel om zijn beslissing van 25 oktober 2000 “te willen herzien” en hem alsnog op te nemen op de lijst voor de sessie
  25. Op die vraag tot herziening krijgt verzoeker geen antwoord. Hij maakt die “weigering om te antwoorden” tot het tweede voorwerp van zijn annulatieberoep. IX-2652-5/16
  26. Overwegende, ambtshalve, dat het beroep, wat zijn tweede voorwerp betreft, niet ontvankelijk is; dat immers het willig beroep dat verzoeker met zijn bezwaarschrift van 30 oktober 2000 ingediend heeft, voor de verwerende partij geen verplichting deed ontstaan om haar beslissing van 25 oktober 2000 te heroverwegen; dat de omstandigheid dat de verwerende partij de zaak niet opnieuw onderzocht heeft geen weigeringsbeslissing doet ontstaan die met een annulatiebe- roep bestreden kan worden; 3.
  27. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat de verwerende partij haar eigen reglementering miskend heeft, doordat het bestreden besluit uitsluitend steunt op het feit dat verzoeker niet de vereiste dienstanciënniteit -of minder dienstanciënniteit- zou hebben, terwijl -eerste onderdeel- niet aanvaard kan worden dat de kandidatenlijst wordt opgesteld op grond van het louter criterium van de anciënniteit, aangezien de anciënniteit in geval van discretionaire bevoegd- heid van het bestuur één van de beoordelingscriteria kan zijn maar geen decisief criterium, terwijl -tweede onderdeel- artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht (hierna: het koninklijk besluit van 1 april 1996), bepaalt dat de kandidatenlijst “met inachtname” van de anciënniteit moet worden opgesteld, wat niet betekent dat de anciënniteit het enig mogelijke criterium is, aangezien artikel 5 de geweerde kandidaten toelaat een gemotiveerde aanvraag in te dienen om op de lijst opgeno- men te worden, en terwijl -derde onderdeel- de vermeende verminderde dienstan- ciënniteit een rechtstreeks gevolg is van de blaam die verzoeker opgelopen heeft maar de verwerende partij daarmee artikel 24/16 van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de wet van 27 december 1973) miskent, aangezien die bepaling voorschrijft dat de tuchtstraf van de inhouding van de bezoldiging, die een zwaardere straf is dan de blaam, voor het personeelslid geen andere geldelijke gevolgen mag hebben; 3.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord met betrekking tot het eerste middel uiteenzet wat volgt: het criterium van de anciënniteit kan inderdaad geen determinerend criterium zijn voor een voordracht wanneer het bestuur niet over een gebonden bevoegdheid beschikt, maar in dit geval bepaalt artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 april 1996 dat de lijst met kandidaten die vroeger nog geen kandidaat zijn geweest, opgesteld wordt “met inachtneming van hun anciënniteit” en bepaalt artikel 3 van hetzelfde besluit dat, IX-2652-6/16 naast de op basis van de anciënniteit vastgestelde kandidatenlijst, voor de toegang tot de bevorderingsprocedure tot adjudant nog twee andere voorwaarden worden gesteld, met name blijk geven van een goede wijze van dienen en geschikt worden geacht om het ambt van hoofdonderofficier uit te oefenen; de beslissing om verzoeker op 26 maart 1998 te bevorderen, “met als resultaat de verminderde dienstanciënniteit”, vormt niet het voorwerp van het onderhavig beroep en “verzoeker kan zijn verminderde dienstanciënniteit niet meer betwisten ter gelegenheid van dit beroep”; 3.
  29. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord met betrekking tot het eerste middel herhaalt dat het bestreden besluit enkel en alleen gestoeld is op de vaststelling dat verzoeker “niet de vereiste of dan toch minder dienstanciënniteit zou hebben”, dat de verwerende partij het criterium van de anciënniteit als een uitsluitend criterium heeft aangewend om de kandidatenlijst op te maken, zonder oog voor zijn actuele goede staat van dienen, en dat de verwerende partij haar eigen reglementen miskend heeft, aangezien daaruit blijkt dat de anciënniteit “slechts ‘in acht mag worden genomen’” maar niet determine- rend mag zijn; dat hij daar nog aan toevoegt dat de verwerende partij “blijkbaar zelf de vrijheid heeft genomen om te bepalen welke anciënniteit men in aanmerking zou nemen (ter zake dient bvb. een onderscheid te worden gemaakt tussen dienstanciën- niteit, geldelijke anciënniteit, anciënniteit in een bepaalde graad, ...)”; 3.
  30. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie met betrekking tot het eerste middel herhaalt dat het in aanmerking nemen van de anciënniteit als enig beoordelingscriterium “ongeoorloofd” is; 3.5.
  31. Overwegende dat artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 luidt als volgt: “De hoofddirecteur stelt, met inachtneming van hun anciënniteit, de lijst der keuronderofficieren op die nog geen kandidaat zijn geweest. (...)” Overwegende dat die bepaling de hoofddirecteur ertoe verplicht de onderofficieren die nog geen kandidaat geweest zijn te rangschikken volgens hun anciënniteit; dat zij aan het bestuur geen discretionaire bevoegdheid verleent; dat die bepaling niet toelaat dat bij de inschrijving op de lijst andere beoordelingscriteri- a betrokken worden; IX-2652-7/16 3.5.
  32. Overwegende dat de omstandigheid dat de onderofficieren die menen op de lijst opgenomen te moeten worden op grond van artikel 5 van het koninklijk besluit van 1 april 1996 met een gemotiveerde aanvraag om die opname kunnen vragen, niet betekent dat ook andere criteria ter zake medebepalend zouden kunnen zijn; dat overigens uit de samenlezing van artikel 4 met de artikelen 3 en 6 en met de bepalingen van afdeling III van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 1 april 1996 volgt dat de kandidaten die opgenomen zijn op de lijst vervolgens door een evaluatiecommissie beoordeeld worden met betrekking tot de vraag of zij “een goede wijze van dienen” hebben en of zij “geschikt worden geacht om het ambt van hoofdonderofficier uit te oefenen”; dat de hoofddirecteur derhalve geen bevoegdheid bezit om de wijze van dienen of de geschiktheid voor het ambt reeds bij het opmaken van de lijst te betrekken; 3.5.
  33. Overwegende dat verzoeker de reglementaire vereiste van de redactie van de kandidatenlijst volgens de anciënniteit van de betrokkenen, in verband brengt met de bepaling uit de tuchtregeling -artikel 24/16, derde lid van de wet van 27 december 1973- naar luid waarvan een inhouding van bezoldiging geen andere pecuniaire gevolgen mag hebben; dat volgens hem wat geldt voor de inhouding van wedde zeker geldt voor de lichtere tuchtstraf van de blaam; dat die redenering niet opgaat; dat immers die bepaling specifiek betrekking heeft op de tuchtstraf van de inhouding van de bezoldiging, met de bedoeling om te beletten dat de inhouding van de bezoldiging in aanmerking genomen zou worden voor de berekening van de eindejaarstoelage of het vakantiegeld of dat zij de geldelijke anciënniteit van het betrokken personeelslid zou beïnvloeden (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1428-1, p. 13); dat het voorschrift het bestuur derhalve geenszins verhindert de tuchtstraf van de blaam te betrekken bij latere statutaire beslissingen, ook wanneer die nadelige pecuniaire gevolgen hebben voor de betrokkene; 3.5.
  34. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog betoogt dat de verwerende partij eigenmachtig bepaald heeft welke anciënniteit zij in aanmerking zou nemen voor het opstellen van de kandidatenlijst, terwijl er een onderscheid bestaat tussen dienstanciënniteit, geldelijke anciënniteit, anciënniteit in een bepaalde graad, enz; dat hij zich aldus vragen stelt bij de soort anciënniteit die de verwerende partij voor de redactie van de kandidatenlijst gehanteerd heeft, maar niet uiteenzet op welke wijze dat argument nuttig bij het middel betrokken kan worden; dat de bemerking van verzoeker trouwens geen antwoord behoeft, aangezien hij alleen maar betwist dat hij wegens de vermindering van zijn IX-2652-8/16 anciënniteit, als gevolg van de vertraging van zijn bevordering tot eerste opper- wachtmeester, niet -zoals de collega’s van zijn promotie- de vereiste anciënniteit had om op de kandidatenlijst te worden opgenomen, en dat hij niet aanvoert dat een bepaald soort anciënniteit hem toegang tot de lijst zou gegeven hebben; 3.5.
  35. Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 4.
  36. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van “de motiveringsplicht en van het beginsel van de wettelijk vereiste feitelijke grondslag”; dat hij het middel adstrueert als volgt: de bestreden beslissing steunt enkel op zijn gewijzigde dienstanciënniteit; zij antwoordt niet op de argumenten die hij aan het bestuur had voorgelegd noch op de argumenten die in de gunstige adviezen over zijn opneming op de lijst aangevoerd zijn; artikel 42 van de wet van 27 december 1973 regelt het geval waarin bij het toekennen van een bevordering een nieuwe anciënniteit wordt bepaald wanneer de betrokkene wegens “tijdelijke ongeschiktheid voorbijgegaan (is)”, maar in zijn geval is aan hem bij zijn bevordering tot eerste opperwachtmeester voorbijgegaan omwille van een andere oorzaak, te weten de blaam die hem op 14 juli 1997 opgelegd werd en die de oorzaak is geweest van het uitblijven van een advies van de hiërarchische overheid over die bevordering; als de blaam door de Raad van State vernietigd wordt, kan het gebeuren dat “de benoeming retroactief dient te worden hersteld”; 4.
  37. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgende uiteenzetting geeft: de beslissing om verzoeker tot eerste opperwachtmeester te benoemen met ingang van 26 maart 1998 is definitief en verzoeker kan de wettigheid ervan niet meer betwisten in het kader van het onderhavig annulatieberoep; de formele motiveringsplicht houdt niet in dat het bestuur alle argumenten die verzoeker in het besluitvormingsproces aangevoerd heeft, moet beantwoorden, zij moet alleen aanduiden welke redenen haar tot het bestreden besluit gebracht hebben en dat is hier wel degelijk gebeurd; de verweren- de partij heeft vastgesteld dat verzoeker niet voldeed aan het wettelijk criterium waaraan overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 april 1996 voldaan moest zijn en vertrekkend van die vaststelling moest zij de andere criteria niet onderzoeken; de tijdelijke ongeschiktheid, waarover artikel 42 van de wet van 27 december 1973 handelt, betreft “zowel de ongeschiktheid om de functies van een IX-2652-9/16 hogere graad uit te oefenen als een onvoldoende wijze van dienen” en van die laatste mogelijkheid heeft de verwerende partij gebruikgemaakt; 4.
  38. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt dat de verwerende partij enkel -en zulks volkomen onterecht- rekening gehouden heeft met het criterium van de anciënniteit en dat het bestreden besluit bijgevolg ten onrechte niet ingaat op de argumenten die hij had aangevoerd; 4.
  39. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie vooreerst betoogt dat verzoeker de beslissing om hem een nieuwe anciënniteit toe te kennen bij zijn bevordering tot eerste opperwachtmeester, welke gepubliceerd is in het Bulletin van het Personeel van 7 oktober 1998 en welke hij kende, niet tijdig bestreden heeft en dat hij dat met het onderhavig beroep niet meer kan doen; dat de verwerende partij er vervolgens ook op wijst dat het middel helemaal geen betrekking heeft op de beslissing om hem een nieuw anciënniteitsnummer toe te kennen, maar dat het enkel de formele motivering en de ontstentenis van de vereiste feitelijke grondslag van de weigering om hem op de kandidatenlijst op te nemen aan de orde stelt, daarbij herhalend wat verzoeker in het eerste middel heeft uiteengezet en verwijzend naar de tuchtstraf die hem opgelegd is; dat de verwerende partij te dien aanzien nog stelt dat de nieuwe anciënniteit het gevolg is van de tuchtstraf die verzoeker opgelopen heeft, dat het annulatieberoep tegen die tuchtstraf verworpen is en dat er dan ook geen sprake van kan zijn dat de benoeming tot eerste opperwachtmeester “retroactief hersteld dient te worden”; dat zij besluit dat het middel niet ontvankelijk is; 4.5.
  40. Overwegende dat het bestreden besluit vooreerst uitdrukkelijk verwijst naar artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 april 1996 en naar het feit dat ter uitvoering van die bepaling “alle kandidaten met een anciënniteitsnummer dat met 1987 begint” op de kandidatenlijst opgenomen zijn; dat het vervolgens verwijst naar artikel 42 van de wet van 27 december 1973 en die bepaling toepast op de situatie van verzoeker door met name te stellen dat verzoeker, wegens “een anciënniteitsverlies van 6 maanden bij zijn benoeming tot 1OWM”, waardoor hij ingedeeld wordt bij de eerstvolgende promotie, “niet meer dezelfde anciënniteit (bezit) als zijn promotiegenoten waarmee hij in 1987 werd benoemd tot de graad van opperwachtmeester” zodat hij niet op de lijst opgenomen kan worden; dat er nog aan toegevoegd wordt dat de beslissing geen verband houdt met “de huidige IX-2652-10/16 wijze van dienen van (verzoeker), maar zich uitsluitend baseert op het wettelijk opgelegd anciënniteitscriterium”; Overwegende dat het bestreden besluit daarmee de juridische en feitelijke grondslagen vermeldt waarop het steunt; dat de formele motiveringsver- plichting, opgenomen in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de verwerende partij er niet toe verplicht een antwoord te geven op alle argumenten die verzoeker in de loop van het besluitvormingsproces naar voren gebracht heeft, zoals de verwijzing naar de gunstige adviezen van zijn hiërarchische meerderen; dat geen schending van de wet van 29 juli 1991 vastgesteld wordt; 4.5.
  41. Overwegende, wat de vraag betreft of het bestreden besluit een deugdelijke grondslag heeft, dat bij de bespreking van het eerste middel uiteengezet is dat artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 april 1996 de verplichting instelt om de kandidaten op de lijst te vermelden “met inachtneming van hun anciënniteit”; dat verzoeker niet betwist dat de anciënniteit die de verwerende partij voor hem in rekening gebracht heeft juist berekend zou zijn, ook niet dat die anciënniteit tot gevolg heeft dat hij bij “de eerstvolgende promotie” met een nummer beginnend met “‘88 in plaats van met ‘87”, ingedeeld wordt en dat hij precies daarom nog niet voldoende anciënniteit bezit om op de lijst te worden opgenomen; dat hij enkel betwist dat de verwerende partij voor hem een lagere anciënniteit in aanmerking mocht nemen, omdat zulks niet strookt met artikel 42 van de wet van 27 december 1973; dat volgens verzoeker die bepaling in zijn geval niet toegepast mocht worden omdat zijn vertraging bij de bevordering tot eerste opperwachtmeester een andere reden heeft dan zijn “tijdelijke ongeschiktheid”; 4.5.
  42. Overwegende dat artikel 42 van de wet van 27 december 1973 luidt als volgt: “Op het ogenblik dat een lid van het beroepspersoneel in een andere graad van officier, met uitzondering van hoofd- en opperofficier wordt benoemd, nadat het wegens tijdelijke ongeschiktheid bij de bevordering is voorbijgegaan, wordt hem door de Koning, voor de officieren, door de Minister van Binnen- landse Zaken, voor de onderofficieren, volgens het geval, een nieuwe anciënniteit verleend als onderluitenant, opperwachtmeester of wachtmeester; deze nieuwe anciënniteit is gelegen tussen deze van het lid van het beroepsper- soneel dat onmiddellijk vóór hem en deze van het lid van het beroepspersoneel dat onmiddellijk na hem in zijn nieuwe graad gerangschikt is”. IX-2652-11/16 Overwegende dat krachtens artikel 46, § 1, van de wet van 27 december 1973 de bevordering tot eerste opperwachtmeester verleend wordt “naar anciënniteit”, maar dat het personeelslid “dat geacht wordt niet geschikt te zijn om de functies van de hogere graad uit te oefenen of wiens wijze van dienen onbevredigend wordt geacht” “bij de benoeming voorbijgegaan (kan worden)”; dat artikel 42 van de wet de minister ertoe verplicht bij het verlenen van de bevordering het personeelslid, wiens bevordering vertraagd is wegens “tijdelijke ongeschiktheid” een nieuwe anciënniteit toe te kennen; dat verzoeker niet betwist dat zulks in zijn geval gebeurd is; dat hij erkent dat hij van zijn nieuwe anciënniteit kennis genomen heeft in het Bulletin van het Personeel van 7 oktober 1998; dat hij van die beslissing, waarbij zijn rechtstoestand gewijzigd werd, niet de vernietiging gevraagd heeft, zodat met het definitief worden van die beslissing is komen vast te staan dat verzoeker een anciënniteit bezit die overeenstemt met deze van de collega’s van de volgende promotie; dat verzoeker de onwettigheid van dat individueel besluit niet meer kan aanvoeren ter gelegenheid van het bestrijden van de beslissing die er haar noodzakelijke grondslag in vindt; 4.5.
  43. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 5.
  44. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; dat hij betoogt dat de overheid er in haar besluitvorming toe gehouden is alle feiten zorgvuldig te onderzoeken en met alle elementen van het dossier rekening te houden maar dat in dit geval de verwerende partij geen rekening gehouden heeft met en geen antwoord gegeven heeft op de positieve adviezen die hij haar had voorgelegd, noch op zijn verweerschrift, wat getuigt van een ongeoorloofde vooringenomenheid tegen hem; 5.
  45. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt: het zorgvuldigheidsbeginsel “slaat op het zorgvuldig onderzoek van de feiten, het zorgvuldig gebruik van adviezen en het horen of het plegen van overleg met de betrokkene” en aan die verplichtingen heeft zij voldaan; dat er geen rekening gehouden werd met de positieve adviezen van de hiërarchische meerderen van verzoeker wordt verklaard door het feit dat niet voldaan was aan het enig ter zake geldend criterium van de anciënniteit, hetgeen de beoordeling van alle andere criteria overbodig maakte; het antwoorden op een verweerschrift is niet aan een termijn onderworpen en in ieder geval heeft het bestuur herhaaldelijk aan verzoeker medegedeeld dat een antwoord op zijn vraag werd voorbereid; IX-2652-12/16 5.
  46. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat een bestuur bij de besluitvorming alle elementen van het dossier, met inbegrip van deze ten laste en ter ontlasting van het betrokken personeelslid, moet onderzoeken, maar dat in dit geval zijn argumenten niet onderzocht werden hoewel zulks noodzakelijk was; dat hij in dat verband aanstipt dat hij nog altijd geen antwoord gekregen heeft op het bezwaarschrift dat hij tegen het bestreden besluit ingediend heeft, hetgeen ook het onzorgvuldig handelen van de overheid bewijst; 5.4.
  47. Overwegende dat het bewijs van onzorgvuldig handelen van de verwerende partij bij de totstandkoming van de beslissing om hem niet op de kandidatenlijst in te schrijven, niet geleverd wordt door het uitblijven van een antwoord op een willig bezwaarschrift tegen dat besluit; dat, daargelaten de vraag of verzoeker dat argument, dat hij ziet als een bijzonder aspect van de zorgvuldig- heidsplicht van het bestuur, nog rechtsgeldig in zijn memorie van wederantwoord kan aanvoeren, het in ieder geval niet gegrond is; 5.4.
  48. Overwegende, wat het niet beantwoorden betreft van de positieve adviezen die hij gekregen heeft en van zijn verweerschrift, dat bij de bespreking van het eerste middel uiteengezet is dat de verwerende partij in de verplichting om de kandidatenlijst op te maken met inachtneming van de anciënniteit van de betrokke- nen, een voldoende reden kon vinden om de andere beoordelingscriteria, die verzoeker bij de besluitvorming betrokken wenste te zien, buiten de besluitvorming te houden; dat de verwerende partij niet onzorgvuldig gehandeld heeft; 5.4.
  49. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 6.
  50. Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van “het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredig- heidsbeginsel”; dat hij betoogt dat “andere promotiegenoten zich wel degelijk op de lijst bevinden van kandidaten die voor het eerst worden opgeroepen”, dat hij de namen van die collega’s in zijn verweerschrift opgegeven heeft, maar dat de verwerende partij daarop niet geantwoord heeft; dat volgens hem de verwerende partij het redelijkheidsbeginsel geschonden heeft, aangezien zij zich de moeite niet getroost heeft om volledige en correcte feiten te verzamelen, dat hij op het ogenblik van zijn aanvraag een blanco strafblad had en een goede staat van dienen kon voorleggen maar dat met al die positieve gegevens geen rekening gehouden is; IX-2652-13/16 6.
  51. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het gelijkheidsbeginsel de juridische en niet de feitelijke gelijkheid beoogt, dat uit het dossier blijkt waarom de collega’s die hij in zijn verweerschrift heeft genoemd zich in een andere toestand bevinden -met name dat zij geen vertraging opgelopen hebben bij hun bevordering tot eerste opperwachtmeester en dat zij daarom een ander anciënniteitsnummer hebben dan verzoeker- en dat verzoeker aldus geen schending van het gelijkheidsbeginsel aantoont; dat volgens haar ook ten onrechte wordt verwezen naar de schending van het redelijkheidsbeginsel, aangezien verzoeker niet aantoont dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de motieven of de feiten en de inhoud van de beslissing; 6.
  52. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord erop wijst dat hij inderdaad over een ander anciënniteitsnummer beschikt dan de collega’s die hij aangewezen heeft, maar dat het probleem zich “elders” situeert, met name dat bepaalde personen ongetwijfeld “zwaardere feiten dan (hijzelf) hebben gepleegd, maar dat zij wel degelijk volledig met terugwerkende kracht werden benoemd, waardoor geen anciënniteitsverlies optrad”; 6.4.
  53. Overwegende dat de bestreden beslissing betrekking heeft op de weigering om verzoeker op de kandidatenlijst voor bevordering tot de graad van adjudant op te nemen omdat hij onvoldoende anciënniteit heeft; dat verzoeker niet betwist dat de kandidaten met wie hij zich vergelijkt wel degelijk de vereiste anciënniteit bezitten; dat de geringere anciënniteit van verzoeker te wijten is aan de vertraging van zijn benoeming en de daarmee verbonden verplichting van het bestuur om de anciënniteit te verminderen; dat in het antwoord op het tweede middel is uiteengezet dat de verwerende partij de nieuwe anciënniteit als een definitieve beslissing in de besluitvorming diende te betrekken; dat zij daarmee over een objectieve grond beschikte om verzoeker anders te behandelen dan zijn collega’s van dezelfde promotie; dat de verwijzing naar het plegen van zwaardere feiten door bepaalde collega’s die toch zonder vertraging benoemd werden, in het kader van de hier bestreden beslissing niet relevant is, aangezien de lijst van kandidaten uitsluitend opgesteld wordt met inachtneming van de anciënniteit van de betrokkenen, die wat verzoeker betreft, bij een definitieve beslissing anders bepaald is dan deze van zijn promotiegenoten; dat de verwerende partij aldus wettig heeft kunnen besluiten dat voor verzoeker een andere anciënniteit gold dan voor de collega’s van zijn promotie; dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is; IX-2652-14/16 6.4.
  54. Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van de schending van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat zij op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat geen andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen; dat de naleving van deze beginselen slechts aan de orde kan zijn wanneer het bestuur de mogelijkheid heeft te kiezen tussen verschillende beslissingen; dat zulks te dezen niet het geval is, aangezien de anciënniteit bepalend is voor de inschrijving op de lijst van kandida- ten; dat de verwerende partij eenvoudig de reglementair voorgeschreven gevolgen heeft gehecht aan de statutaire situatie waarin verzoeker zich op dat ogenblik bevond; 6.4.
  55. Overwegende dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  56. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  57. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2652-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 maart 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2652-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.068 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.