id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.109 Rolnummer: A. 181661/IX-5601 Zaak: Arrest 169109 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 19/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 18:01 Fiche Arrest nr 169.109 van 19 maart 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.109 van 19 maart 2007 in de zaak A. 181.661/IX-
- In zake : Ronny WELTENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ronny WELTENS op 13 maart 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 februari 2007 van de minister van Landsverdediging waarbij de aanvraag tot verbreking van zijn dienstneming bij de Krijgsmacht wordt geweigerd; Gezien het op 14 maart 2007 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 maart 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 16 maart 2007, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMBRÉ, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administra- teur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; IX-5601-1/10 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoeker in dienst van de Krijgsmacht getreden is op 12 mei 1997 als kandidaat-hulpofficier met een dienstneming van 12 jaar; dat hij, binnen het kader van de hulpofficieren, opgeklommen is tot de graad van kapitein-vlieger en de functie van boordcommandant C-130 uitoefent; dat hij sinds 15 oktober 2002 dienst doet bij de 15e Wing Luchttransport te Melsbroek; dat hij op 14 september 2006 een aanvraag ingediend heeft om zijn dienstneming te verbreken met ingang van 1 maart 2007; dat hij in dienst wenst te treden bij een vliegmaat- schappij in de privé-sector; dat de minister van Landsverdediging met het thans bestreden besluit van 28 februari 2007 de aanvraag van verzoeker geweigerd heeft; dat dit besluit, dat op 9 maart 2007 ter kennis van verzoeker gebracht is, luidt: “Betreft : Kapitein vlieger WELTENS Ronny - 9601717 Beslissing : GEWEIGERD voor verbreking van dienstneming Motivering in rechte :
- Wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren, artikel 9, §§ 2, 2bis en 2 quater
- Wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van dienstneming (...), artikel 3, § 2, tweede lid
- Koninklijk besluit van 2 september 1978 betreffende het statuut van de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren piloten, artikel 13 Uit de samenlezing van de geciteerde artikelen blijkt dat de minister van Landsverdediging, onverminderd de rendementsperiode die U als hulpofficier heeft volbracht krachtens de wet van 16 maart 2000 in Ref 2, uw aanvraag tot verbreking van dienstneming kan weigeren indien hij oordeelt dat dit strijdig is met het dienstbelang. U hebt de volledige vorming tot boordcommandant pas beeïndigd in juni
- Dit maakt dat U absoluut onvoldoende hebt gerendeerd in deze functie rekening houdende met de geïnvesteerde inspanningen en de kosten van uw vorming met het oog op een hogere luchtvaartkwalificatie. Het efficiënt functioneren van het 20e smaldeel van de 15 W Lu Tpt (C-130) is enkel mogelijk indien een minimaal aantal boordcommandanten operationeel is; voor het ogenblik is dit minimum echter nog niet bereikt. Organiek zijn er twaalf boordcommandanten C-130 voorzien, terwijl er maar zeven geaffecteerd zijn. Die toestand zal zeker niet verbeteren indien uw aanvraag wordt ingewilligd. Momenteel wordt alles in het werk gesteld om een oplossing te bieden voor dit personeelstekort; volgens de vooruitzichten zal dit tekort niet vóór januari 2008 kunnen worden weggewerkt. Uw vertrek uit Defensie kan niet op korte termijn worden opgevangen, gezien het tekort aan boordcommandanten en de lange vorming die aan deze kwalificatie voorafgaat. Uw verbreking van dienstneming zou de werkdruk voor de andere boord- commandanten nog verhogen, wat negatieve gevolgen voor de vliegveiligheid zou kunnen hebben. Door uw dienstneming als kandidaat-hulpofficier op 12 mei 1997en door de benoeming in de graad van onderluitenant in het kader van de hulpofficieren op datum van 28 december 1999 valt U onder de wettelijke en reglementaire IX-5601-2/10 bepalingen van het militair statuut en heeft U ook duidelijk zelf gekozen voor het beroep van militair piloot. De militaire autoriteiten zien erop toe dat de reglementaire voorschriften inzake vliegveiligheid nauwlettend worden toegepast teneinde de aansprakelijkheid van de Staat niet in het gedrang te brengen. Gezien de precaire situatie van de boordcommandanten in de 15 W Lu Tpt, kan ik geen gunstig gevolg geven aan uw aanvraag tot verbreking van dienst- neming op datum van 1 maart 2007 (Ref 1, Art 9, § 2quater). (...)”
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de realisatie van dat nadeel slechts verhinderd kan worden wanneer ten spoedigste uitspraak gedaan wordt; 3.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in een eerste middel betoogt dat, sinds de inwerkingtreding van de wet van 16 maart 2000 betreffende de verbreking van de dienstneming en de vaststelling van de rendementsperiode, het aangevraagd ontslag van een hulpofficier die aan de rendementsvoorwaarden voldaan heeft, nog slechts kan geweigerd worden in “uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen” -hij ziet zulks als een toestand welke niet kon worden voorzien of een gebeurtenis die niet voorkomen kon worden- die verband houden met het dienstbelang en dat de minister niet aanduidt op welke wijze het bestreden weigeringsbesluit aan deze wettelijke begrippen voldoet; dat verzoeker in een tweede middel stelt dat geen van de twee motieven van het bestreden besluit een deugdelijke feitelijke grondslag heeft; dat volgens hem het eerste motief, met name de verwijzing naar het dienstbelang doordat hij, na zijn vorming tot boordcommandant C-130 en rekening houdend met de kosten van die vorming, onvoldoende lang in die functie gerendeerd zou hebben, niet opgaat omdat de vormingen die een piloot doorloopt om als boordcommandant te kunnen fungeren geen bijkomende vormingen zijn in de zin dat er een rendementperiode aan gekoppeld kan worden maar opleidingen, die in het kader van de uitoefening van de functie voorzien zijn in de “Operations Manual” van de 15e Wing en die geen juridische waarde hebben ten aanzien van het verkrijgen of het behouden van de hoedanigheid van piloot; dat hij het tweede motief, waarin het tekort aan boordcommandanten in het 20e smaldeel van de 15e Wing wordt aangevoerd, IX-5601-3/10 betwist, aangezien er, los van de piloten die trimesterieel prestaties komen leveren om hun luchtvaarttoelage te behouden, 13 boordcommandanten zijn voor de 12 ambten opgenomen op de organisatietabel, aangezien er 5 copiloten PICUS nog in opleiding zijn die op korte termijn het personeelstekort kunnen opvangen en er binnen de twee jaar 10 piloten hun opleiding tot boordcommandant zullen afwerken, aangezien een kapitein-vlieger medio dit jaar naar Frankrijk vertrekt om er als instructeur te vliegen, aangezien er een paar jaar geleden, toen er effectief een tekort aan boordcommandanten was, nog twee ervaren boordcommandanten overgegaan zijn naar andere types vliegtuigen en aangezien er in de 15e Wing ook nog andere piloten zijn die de functie van boordcommandant uitoefenen; dat hij te dien aanzien ook nog stelt dat een eventueel tekort aan boordcommandanten zijn ontslag slechts in de weg zou kunnen staan wanneer de verwerende partij aantoont dat zij niet zelf verantwoordelijk is voor deze situatie, terwijl zij toch moet weten hoe lang een opleiding tot boordcommandant duurt en zij ook kan inschatten welke de noden van de 15e Wing zijn, wat betekent dat zij in de mogelijkheid is om tijdig de gepaste schikkingen te treffen om de leemten in de behoeften op te vullen; dat verzoeker in een derde middel, dat onmiddellijk aansluit bij het tweede middel, de schending aanvoert van de formele motiveringswet, doordat de motivering de bestreden beslissing niet op een pertinente wijze draagt; dat hij er in dat verband op wijst dat hij voor de maanden maart, april en mei en zelfs voor het gehele jaar 2007 niet meer vermeld is op de werkplanning, wat aantoont dat zijn vertrek het dienstbelang niet schaadt, dat de Krijgsmacht beschikt over 10 C-130 toestellen waarvan er slechts 4 normaal beschikbaar zijn zodat een effectief van 12 boordcommandanten op zich reeds een overschot vormt; dat hij herhaalt dat een boordcommandant die zijn opleiding beëindigt naar Frankrijk vertrekt als instructeur; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de minister gebruik gemaakt heeft van een discretionaire bevoegdheid die de wet hem toekent, dat het bestreden besluit niet stelt dat het onvoldoende renderen een tekortkoming is aan de rendementsverplichting voorzien in de wet van 16 maart 2000, maar dat het integendeel stelt dat de geringe rendementsperiode die verzoeker in zijn functie van boordcommandant gehad heeft, indruist tegen het dienstbelang, hetgeen niet kennelijk onredelijk is, dat, wat het tekort aan boordcommandanten C-130 betreft, het bestreden besluit stelt dat er 12 boordcommandanten nodig zijn om efficiënt en veilig te kunnen functioneren terwijl er slechts 9 ambten -7 ambten wanneer verzoeker en nog een ander officier die het leger wenst te verlaten metterdaad hun ambt neerleggen- op exclusieve wijze vervuld worden en de overige IX-5601-4/10 worden ingevuld door personen die deze functie combineren met een andere functie, dat de verwijzing naar de piloten in opleiding niet opgaat aangezien de bestreden beslissing precies stelt dat het tekort niet voor januari 2008 opgevangen zal kunnen worden en dat de mutatie van twee ervaren boordcommandanten alleen maar aantoont dat er in de luchtcomponent nog andere noden bestaan; dat zij ten slotte nog aanstipt dat de omstandigheid dat verzoeker recent niet meer op de vluchtroosters wordt vermeld verband houdt met de mogelijkheid dat zijn gevraagd ontslag ingewilligd zou worden; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker, hulpofficier bij de luchtmacht, de verbreking van zijn dienstneming -aangegaan op 12 mei 1997- aangevraagd heeft met ingang van 1 maart 2007; dat het bestreden besluit verwijst naar artikel 9, §§ 2, 2bis en 2quater van de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren, naar artikel 3, § 2, tweede lid van de wet van 16 maart 2000 betreffende de verbreking van de dienstneming en de vaststelling van de rendementsperiode en naar artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 september 1978 betreffende het statuut van de hulpofficieren en kandidaat-hulpofficieren piloten; Overwegende dat artikel 9, § 2, van de wet van 23 december 1955 bepaalt dat de hulpofficier op elk ogenblik de verbreking van zijn dienstverbintenis kan aanvragen, maar dat de Koning of de overheid die Hij aanduidt -te dezen de minister van Landsverdediging-, dat ontslag moet aanvaarden; dat artikel 9, § 2bis, bepaalt dat de aanvraag tot verbreking geweigerd kan worden wanneer de bevoegde overheid oordeelt dat zij strijdig is met het dienstbelang; dat artikel 9, § 2quater, bepaalt dat, behoudens in de uitdrukkelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen die de bevoegde overheid aanduidt, de aanvraag niet strijdig is met het dienstbelang wanneer de betrokken hulpofficier in werkelijke dienst gebleven is gedurende de volledige rendementsperiode bedoeld in artikel 3 van de wet van 16 maart 2000; dat artikel 3, § 1, 4/, van de wet van 16 maart 2000 als “rendementsperiode” voor de hulpofficieren aanwijst “elke periode van werkelijke dienst gedurende dewelke een militair gehouden is te dienen (...) vanaf de datum waarop de vorming in de hoedanigheid van kandidaat-hulpofficier definitief beëindigd werd” en dat artikel 3, § 2, tweede lid, van dezelfde wet de rendementsperiode voor de hulpofficier die de vorming van piloot gevolgd heeft vaststelt op vijf jaar, met de mogelijkheid - artikel 3, § 5, tweede lid, van verlenging wanneer verscheidene vormingen gecumuleerd worden; IX-5601-5/10 Overwegende dat artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 september 1978 bepaalt dat de dienstneming van een hulpofficier op zijn verzoek kan verbroken worden indien hij sinds zijn benoeming tot hulponderluitenant tenminste vijf jaar werkelijke dienst volbracht heeft en de behoeften van de Krijgsmacht de verbreking mogelijk maken; dat de verwijzing naar de behoeften van de Krijgsmacht niet anders begrepen kan worden als de verwijzing, in artikel 9, § 2bis, van de wet van 23 december 1955 waarvan het koninklijk besluit van 2 september 1978 de uitvoering is, naar het dienstbelang; 3.3.
- Overwegende dat niet betwist wordt dat verzoeker de anciënniteitsvoorwaarde bepaald in artikel 13 van het koninklijk besluit van 2 september 1978 vervult, noch dat hij in werkelijke dienst gebleven is gedurende vijf jaar na de beëindiging van zijn opleiding tot piloot; dat verzoeker derhalve de rendementsperiode voor de opleiding tot piloot, bedoeld in de wet van 16 maart 2000, volledig doorlopen heeft, zodat zijn aanvraag tot verbreking overeenkomstig artikel 9, § 2quater, van de wet van 23 december 1955, in beginsel niet strijdig is met het dienstbelang en de verwerende partij die aanvraag slechts kan weigeren in zoverre zij bewijst dat het ontslag van de betrokkene de goede werking van de dienst dermate dreigt te verstoren dat het, uitzonderlijk, toch verantwoord is hem tegen zijn wil in dienst te houden; 3.3.
- Overwegende dat het eerste motief om de verbrekingsaanvraag van verzoeker te weigeren gelegd wordt in het feit dat verzoeker zijn opleiding tot boordcommandant slechts in juni 2006 beëindigd heeft en dat hij, rekening houdend met geïnvesteerde inspanningen en de kosten van de opleiding tot een hogere luchtvaartkwalificatie, in die functie onvoldoende lang gerendeerd heeft, zodat het dienstbelang niet verantwoordt dat hij reeds de Krijgsmacht verlaat; 3.3.3.
- Overwegende dat verzoeker betoogt dat de vorming tot boordcommandant C-130, zoals geregeld door het Operation Manual van de 15e Wing, betrekking heeft op een opleiding “on the job” teneinde als piloot op dat vliegtuig-type te kunnen vliegen en dat zij aldus geen vorming uitmaakt die aanleiding geeft tot het naleven van een rendementsperiode waarvan sprake in de wet van 16 maart 2000, welke een vrijstelling van dienst veronderstelt; dat de verwerende partij zulks niet betwist; IX-5601-6/10 3.3.3.
- Overwegende dat de verplichting om een rendementsperiode te respecteren en de organisatie van dat systeem geregeld is door de wet van 16 maart 2000; dat buiten die wettelijke bepalingen om de verwerende partij eigener gezag geen nieuwe rendementsperiode kan invoeren, ook niet wanneer zij daarvoor verwijst naar haar discretionaire bevoegdheid in het kader van de beoordeling van het dienstbelang; dat, anders gesteld, nu de wet van 23 december 1955 uitdrukkelijk bepaalt dat het voldoen aan de rendementsperiode, voorzien in de wet van 16 maart 2000 impliceert dat een aangevraagd ontslag -behoudens uitzonderingsgevallen- niet wegens redenen van dienstbelang kan geweigerd worden, de verwerende partij in het volgen van de vorming tot boordcommandant C-130 -een bijkomende vorming om een bepaalde functie uit te oefenen- geen reden kan vinden om de verbreking van de dienstneming van verzoeker te weigeren wanneer zij vaststelt dat hij na de opleiding niet gerendeerd heeft zoals zij het verhoopt had; 3.3.4.
- Overwegende dat het tweede motief voor de weigering van de verbrekingsaanvraag betrekking heeft op “de precaire situatie van de boordcomman- danten in de 15e Wing”, met name de beschikbaarheid van boordcommandanten C-130; dat het bestreden besluit overweegt dat de eenheid enkel efficiënt kan functioneren wanneer “een minimum aantal boordcommandanten operationeel is” maar dat “voor het ogenblik dit minimum nog niet bereikt (is)”, aangezien organiek 12 boordcommandanten C-130 voorzien zijn en er “slechts zeven geaffecteerd zijn”, dat het inwilligen van de aanvraag van verzoeker die situatie niet zal verbeteren, dat “alles in het werk gesteld wordt” om een oplossing te vinden maar dat het tekort niet vóór januari 2008 weggewerkt zal kunnen worden; Overwegende dat verzoeker een document “planning boordcom- mandanten” overlegt en op grond daarvan stelt dat er 13 boord-commandanten beschikbaar zijn; dat de verwerende partij in haar nota dat standpunt niet echt tegenspreekt, maar het nuanceert met de stelling dat slechts negen -zeven wanneer verzoeker en een ander boordcommandant die om de verbreking van zijn dienstver- bintenis gevraagd hebben, niet meegerekend worden- van de 12 organiek voorziene ambten “exclusief” worden vervuld terwijl dat de andere personen die op de lijst vermeld zijn organiek in een andere betrekking aangewezen zijn, maar het team komen versterken “teneinde (aan) het bestaande tekort enigszins tegemoet te komen”; dat die uitleg ingaat tegen de motivering van het bestreden besluit, waarin sprake is van zeven effectieven -nog te verminderen zo het ontslag van verzoeker ingewilligd wordt- en naar de onmogelijkheid om het tekort weg te werken vóór januari 2008; dat die tegenspraak de ondeugdelijkheid van het betrokken bewijsele- IX-5601-7/10 ment aantoont; dat in dat verband de verwerende partij verzoeker ook niet tegenspreekt waar hij stelt dat de boordcommandanten C-130 die vanuit andere diensten het 20e smaldeel komen versterken, daar evenveel vlieguren presteren als de effectieven van het kader en er dus volwaardig kunnen en willen presteren; Overwegende dat verzoeker betoogt dat er op dit ogenblik 5 piloten in opleiding zijn (PICUS-statuut) voor de functie van boordcommandant en dat zij de voorwaarden vervullen -vlieguren en cursussen- om hun examen van boordcommandant af te leggen; dat hij daarmee de overweging in het bestreden besluit tegenspreekt dat het vertrek van verzoeker wegens het tekort aan boordcom- mandanten en de lange vorming niet op korte termijn opgevangen kan worden; dat de verwerende partij dit argument niet weerlegt of betwist en dat zij ook niet aantoont dat die PICUS-officieren niet vóór januari 2008 effectief in functie kunnen treden; Overwegende dat de verwerende partij het argument van verzoeker dat een PICUS-boordcommandant binnenkort naar Frankrijk vertrekt om daar als instructeur te werken niet tegenspreekt of betwist; dat zij ook niet aantoont dat, in zoverre die mutatie zou zijn toegestaan vooraleer de verwerende partij kennis had van de aanvraag van verzoeker, zij niet met verwijzing naar de behoorlijke werking van de dienst ongedaan kan worden gemaakt; dat dergelijke toelating de beweerde “precaire” situatie van de boordcommandanten C-130 tegenspreekt; dat daarbij ook bedacht wordt dat verzoeker, gelet op de aanspraken die de wet van 16 maart 2000 hem verleent, niet het slachtoffer kan zijn van voordelen die de verwerende partij discretionair aan andere boordcommandanten toekent en die mogelijk, ook met verwijzing naar het dienstbelang, nog ongedaan gemaakt kunnen worden; 3.3.4.
- Overwegende dat verzoeker argumenten aandraagt die erop wijzen dat het 20e smaldeel van de 15e Wing voldoende boordcommandanten C-130 ter beschikking heeft om op normale wijze zijn opdrachten te vervullen; dat de verwerende partij harerzijds, terwijl zij in het licht van artikel 9, § 2quater, van de wet van 23 december 1955 de aanspraken van verzoeker enkel dan niet moet honoreren wanneer zij aantoont dat zijn vertrek haar onvoorzien voor grote organisatorische moeilijkheden plaatst, niet bewijst dat dergelijke significante verstoring van de goede werking van het 20e smaldeel dreigt, zelfs niet wanneer men oog heeft voor het feit dat nog een ander lid van het effectief ongeveer tegelijkertijd met verzoeker de dienst wenst te verlaten; IX-5601-8/10 3.3.
- Overwegende dat in de huidige stand van de zaak, de Raad van State van oordeel is dat verzoeker op afdoende wijze aantoont dat de motieven die de verwerende partij gehanteerd heeft om het ontslag van verzoeker te weigeren niet deugdelijk zijn; dat, aldus bezien, de aangevoerde middelen ernstig zijn; 4.
- Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoeker betoogt dat het bestreden besluit hem belet in te gaan op een aanbod voor indiensttreding als lijnpiloot bij een burgerluchtvaartmaatschappij en dat dit aanbod loopt tot 19 maart 2007; dat hij er onder meer op wijst dat er een overaanbod aan piloten bestaat en dat, aangezien zijn dienstverbintenis met de Krijgsmacht binnen circa twee jaar afloopt, hij elke gelegenheid te baat wil nemen om aan het werk te blijven; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij erop wijst dat een schorsing van het bestreden weigeringsbesluit het nadeel dat verzoeker beweert te ondergaan niet zal wegnemen omdat een schorsingarrest hem niet het recht verleent -zelfs niet voorlopig- om de Krijgsmacht te verlaten en dat zij in dat verband aan verzoeker verwijt dat hij niet gevraagd heeft om hem bij wege van voorlopige maatregel de toelating te geven bij de privé-maatschappij aan het werk te gaan; dat zij subsidiair stelt dat verzoeker zijn nadeel vooral legt in de financiële gevolgen van de beslissing, maar dat financieel nadeel in principe steeds herstelbaar is en dat in ieder geval verzoeker niet aantoont dat dit financieel nadeel, in zijn situatie, een “ernstig nadeel” is; 4.
- Overwegende dat verzoeker als gevolg van het bestreden weigeringsbesluit de Krijgsmacht niet kan verlaten, terwijl hij met een private werkgever een overeenkomst gesloten heeft die hij dringend moet honoreren; dat gewis de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden weigeringsbeslissing, net zomin als de vernietiging ervan, tot gevolg kan hebben dat verzoeker de Krijgsmacht mag verlaten, maar dat de schorsing voor de verwerende partij toch de aanzet kan vormen om de aangelegenheid spoedig te heroverwegen en een nieuw besluit te treffen; dat, zo ook niet uit het oog verloren mag worden dat verzoeker, door niet op de aanvaarding van zijn ontslag te wachten, zelf verantwoordelijk is voor het nadeel dat hij thans aanvoert, de concrete gegevens van de onderhavige zaak -de verwerende partij betwist niet dat het aflopen van de dienstverbintenis van verzoeker niet veraf meer is en dat dan mogelijk problemen rijzen voor zijn tewerkstelling- verantwoorden dat verzoeker uitzicht gegeven wordt op een spoedige IX-5601-9/10 heroverweging van de bestreden weigering; dat in die zin wordt aangenomen dat de tweede schorsingsvoorwaarde vervuld is; 4.
- Overwegende, wat de hoogdringendheid betreft, dat uit de uiteenzetting van verzoeker blijkt dat 19 maart 2007 een cruciale datum is voor zijn nieuwe tewerkstelling; dat, vanuit dat oogpunt, ook de voorwaarde van de hoogdringendheid vervuld is, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 februari 2007 van de minister van Landsverdediging waarbij de aanvraag tot verbreking van de dienstneming van Ronny WELTENS bij de Krijgsmacht wordt geweigerd. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 19 maart 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5601-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.109 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.