id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.117 Rolnummer: A. 57356/X-9494 Zaak: Arrest 169117 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 18:03 Fiche Arrest nr 169.117 van 20 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.117 van 20 maart 2007 in de zaak A. 57.356/X-
- In zake :
- de v.z.w. BRUSSELSE RAAD VOOR HET LEEFMILIEU, afgekort BRAL,
- Johan VAN WAEYENBERGE, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen :
- de gemeente ANDERLECHT, die woonplaats kiest bij advocaten B. CAMBIER en L. CAMBIER, kantoor houdende te 1180 BRUSSEL, Winston Churchilllaan 253,
- het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaat F. MAUSSION, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat 25,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Economische Zaken,
- de minister van K.M.O.’s, thans de minister van Middenstand, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAMBERT, kantoor houdende te 1180 BRUSSEL, Defrélaan
- tussenkomende partij : de n.v. COURTHEOUX-FRADIS, thans de n.v. CORA, die woonplaats kiest bij advocaat T. VANDENPUT, kantoor houdende te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. BRUSSELSE RAAD VOOR HET LEEFMILIEU (BRAL) en Johan VAN WAEYENBERGE op 7 april 1994 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van enerzijds het besluit van 18 november 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de X-9494-1/10 gemeente Anderlecht “waarbij een machtiging tot het gebruiken van een stedenbouwkundige vergunning voor een grote handelszaak te Anderlecht, Olympische Dreef, en de ‘verbeterde beslissing’ van datzelfde college, zonder gekende datum, wordt verleend aan COURTHEOUX-FRADIS” en anderzijds, “voor zoveel als nodig het besluit van het Interministerieel comité d.d. 11 februari 1994 om niet te beslissen over het beroep van het N.C.M.V. tegen de voormelde beslissing”; Gelet op het arrest nr. 50.088 van 8 november 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 13 april 1995 ingediend door de n.v. COERTHEOUX-FRADIS, thans de n.v. CORA; Gelet op de beschikking van 19 april 1995 die de tussenkomst van COERTHEOUX-FRADIS, thans de n.v. CORA toelaat; Gezien de memories van antwoord van de verwerende partijen; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien de toelichtende memorie t.o.v. de tweede verwerende partij: Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 10 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de eerste en tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 februari 2007; X-9494-2/10 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat K. WAUTERS, die loco advocaten B. en L. CAMBIER verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat F. VLASSEMBROUCK, die loco advocaat F. MAUSSION verschijnt voor de tweede verwerende partij, van advocaat R. LOOS, die loco advocaat P. LAMBERT verschijnt voor de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economische Zaken, en van advocaat P. DE MAEYER, die loco advocaat T. VANDENPUT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt wegens gemis aan belang van de verzoekende partijen; dat zij in dit verband doet gelden wat volgt : “Huidig beroep tot nietigverklaring heeft tot (...) voorwerp een administratieve beslissing die kadert binnen de wetgeving betreffende handelsvestigingen en meer bepaald de economische gevolgen van de inplanting van een handelsruimte op het oog heeft. De beide verzoekers zijn echter zelf geen handelaar of vertegenwoordigen niet de belangen van één of andere kategorie handelaars. Eerste tegenpartij ziet dan ook niet goed in welk belang verzoekers hebben om zich te verzetten tegen het afleveren van een socio-economische machtiging. Het al dan niet verstrekken van deze machtiging heeft geen enkele reële invloed voor verzoekers in hun hoedanigheid van gewone burgers, niet-handelaars. Het beroep van beide verzoekers moet dan ook onontvankelijk worden verklaard bij gebrek aan belang”; Overwegende dat de derde verwerende partij in haar memorie van antwoord eveneens een exceptie van ontvankelijkheid opwerpt met betrekking tot het belang van de verzoekende partijen, dat zij deze toelicht als volgt : “Verzoekers vragen de nietigverklaring van de beslissing waarbij een machtiging tot het gebruiken van een stede(n)bouwkundige vergunning wordt X-9494-3/10 verleend, en van het 'besluit' van het Interministerieel Comité om niet te beslissen over het beroep tegen voormelde beslissing; De machtiging om een stede(n)bouwkundige vergunning te gebruiken maakt deel uit van de procedure georganiseerd door de Wet van 29 juni 1975 betreffende de handelsvestigingen. Deze procedure is erop gericht om, aan de hand van een aantal economische criteria (zoals de nood aan de inplanting van de handelsvestiging, de behoeften van de verbruiker, de invloed op de bestaande handel, ... ) na te gaan of een machtiging kan worden verstrekt. De procedure verschilt hierdoor van de procedure tot het verkrijgen van een stede(n)bouwkundige vergunning, waar overwegingen inzake leefmilieu een doorslaggevende rol kunnen spelen. De verzoekende partijen halen zowel bij de verantwoording van hun belang als van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat hen zou treffen, uitsluitend argumenten uit de sfeer van het leefmilieu aan en geen economische argumenten. Geen van beide verzoekers kan overigens een economisch belang inroepen, daar zij geen handelaar zijn of de belangen van de handelaars vertegenwoordigen”; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie in tussenkomst de vraag stelt of de eerste verzoekende partij, waarvan wordt beweerd dat zij de zorg heeft voor het leefmilieu in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, belang heeft bij het afzonderlijk bestrijden van de uitbatingsvergunning en de stedenbouwkundige vergunning; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord repliceren wat volgt : “De door de tegenpartijen aangevoerde exceptie kan niet worden aanvaard. Inderdaad, zoals door de derde tegenpartij terecht wordt opgemerkt kan een handelsvestigingsmachtiging worden beschouwd als de machtiging om een verkregen stede(n)bouwkundige vergunning te gebruiken. Alvorens dus tot de effectieve exploitatie van een handelsvestiging kan worden overgegaan, is zowel een stede(n)bouwkundige vergunning als een handelsvestigingsmachtiging vereist. Anders geformuleerd, zolang één van beide vergunningen ontbreekt, is een exploitatie onmogelijk. De eerste verzoekende partij heeft als statutair doel de zorg voor het leefmilieu in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zij is overigens ook institutioneel betrokken bij het Brussels beleid inzake leefmilieu en ruimtelijke ordening. De tweede verzoekende partij is woonachtig te Neerpede, vlakbij (± 200 meter) het gebied waar de supermarkt zal worden gebouwd. Welnu, gelet op het voorgaande hebben de verzoekende partijen dan ook een belang om beslissingen te bestrijden die van die aard zijn dat zij (...) een zware aantasting van de open ruimten in het Brusselse gewest en de omgeving rond de woonplaats van de tweede verzoekende partij mogelijk (...) maken. Aangezien de bestreden handelsvestigingsmachtiging een onontbeerlijke schakel vormt om tot de exploitatie van de supermarkt - en dus tot de aantasting van de open ruimte - te komen, hebben de verzoekende partijen dan ook een evident belang om deze beslissing te bestrijden”; X-9494-4/10 Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie met betrekking tot de ontvankelijkheid van het annulatieberoep van de v.z.w. BRAL onder meer stellen dat “de bestreden machtiging een project betreft dat in zijn ruimtelijke, economische en sociale aspecten het lokale kennelijk overstijgt”, dat het hier immers gaat om één van de grootste supermarktencentra in België, dat het project precies door die enorme gevolgen die het lokale overstijgen, tot de werkingssfeer van BRAL behoort, dat het immers gaat om “de lokale collectieve belangen van (een groot deel van) haar ruime doelgroep”, dat derhalve BRAL voor die belangen in rechte kan opkomen, dat zij voorts een arrest van het Hof van Beroep te Brussel aanhaalt van 30 april 1998 waarin wordt gesteld dat “de milieugevolgen van het CORA-project van gewestelijke aard zijn”, dat dit derhalve op zich reeds het belang van BRAL aantoont om een annulatieberoep in te stellen, dat de verzoekende partijen daaraan toevoegen dat “de statuten van BRAL geenszins bepalen dat zij enkel een federatie van (lokale) milieuverenigingen is: BRAL heeft ook privé-personen als lid”, dat zij onder meer het werk van haar ledenvereniging coördineert, rechtstreeks opkomt voor het grootschaliger milieubeleid waarvoor haar leden-individuen of leden-verenigingen op beperkter schaal opkomen en institutioneel betrokken is bij het ruimtelijk beleid in gans het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat de verzoekende partijen vervolgens ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep, voor wat de tweede verzoekende partij betreft, doen gelden wat volgt : “
- Vooreerst is het een misvatting om het belang bij het bestrijden van een machtiging te beperken tot het belang, voortvloeiend uit gezichtshinder. Zeker voor grote projecten is gezichtshinder slechts een beperkt facet van de nadelige gevolgen van de inplanting ervan. Grote projecten bepalen het aanzien van een hele wijk. Zij zijn heel vaak de aanzet voor een bepaalde ontwikkeling (...). Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat zelfs de wegenis in de wijk Neerpede is aangepast aan het CORA-centrum. Bovendien maakt CORA van de vele aanslagen op het landelijke Neerpede - waar de heer VAN WAEYENBERGE woont en is gaan wonen toen het nog landelijk was - zowat het toppunt uit : de hele Neerpede-site is volledig geherconcipieerd, eerst om een hospitaal te bouwen, en nadien om de CORA in te planten als groot complex. Dat deze inplanting de gehele wijk wijzigt - en met name transformeert van een rustige landelijke buurt naar een economisch knooppunt - hoeft toch weinig betoog. Het feit dat de heer VAN WAEYENBERGE alsnog in een kleine zijstraat woont, en zijn huis niet grenst aan de Olympische Dreef, houdt evenwel niet in dat aldus zijn onmiddellijke leefomgeving niet drastisch wordt gewijzigd. Het CORA-project is trouwens zo grootschalig en omgeven door straten (...) dat er nagenoeg geen onmiddellijke buren zijn. Door het belang bij het bestrijden van zo'n grootschalige projecten te beperken tot al wie onmiddellijk naast het betwiste pand woont, wordt in werkelijkheid een vrijgeleide gegeven aan al wie een bouwrecht en machtiging kan bekomen op grote terreinen. Zo X-9494-5/10 restrictief kan het belang bij een beroep tot nietigverklaring dan ook niet worden uitgelegd.
- Het Auditoraat kan verder onmogelijk worden bijgevallen waar het stelt dat wat het rustig woonklimaat in de wijk van de tweede verzoeker betreft geenszins aangetoond is dat dit rustig woonklimaat niet zou gehandhaafd blijven door het verlenen van de bouwvergunning. Zo heeft de gemeente Anderlecht beslist om de Olympische Dreef af te sluiten voor iedere vorm van gemotoriseerd verkeer. Consequentie hiervan is dat alle doorgaand gemotoriseerd verkeer op dit ogenblik, in beide richtingen trouwens, door de Ketelstraat loopt. Deze straat is echter volkomen ongeschikt voor dit soort en dergelijke hoeveelheid snel verkeer. Daarbij komt dat dit verkeer zich verder beweegt door de Neerpedestraat en de Scherdamaelstraat. De gemeentelijke overheid is ondertussen dan ook reeds verscheidene keren bevraagd over mogelijke oplossingen voor het probleem, zoals éénrichtingstraten, 30km- zones, verkeersdrempels, ... De gemeentelijke overheid beschouwt de problemen op dit ogenblik blijkbaar als niet of onvoldoende prioritair om hieraan te willen verhelpen. Hoe dan ook blijkt hieruit duidelijk dat het fout is te stellen dat de wijk van de tweede verzoeker een rustige wijk zou blijven die op generlei wijze wordt beïnvloed door het verlenen van een socio-economische vergunning. Het tegendeel blijkt overduidelijk uit het voorgaande. De heer Van Waeyenberghe heeft wél een persoonlijk en rechtstreeks belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing”; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar laatste memorie opwerpt dat de eerste verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang en de tweede verzoekende partij niet laat blijken welk haar persoonlijk en rechtstreeks belang is bij het bestrijden van de gegeven machtiging, dat derhalve de verzoekende partijen niet beschikken over het rechtens vereiste belang om “een bestuursbeslissing aan te vechten die kadert binnen de wetgeving betreffende handelsvestigingen en meer bepaald de economische gevolgen van de inplanting van een handelsruimte op het oog heeft”, dat de verzoekende partijen geen handelaars zijn en zich ook niet beroepen op het behartigen van de belangen van deze sociaal-professionele categorie van de bevolking, noch van een deelgroep ervan, dat zij dan ook niet kunnen inroepen dat zij over het persoonlijk en rechtstreeks belang beschikken, dat vereist is voor het aanvechten van de aflevering van een socio-economische machtiging; Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar laatste memorie in essentie stelt dat de door de verzoekende partijen aangevoerde argumenten dat de bestreden beslissing het louter lokale overstijgt niet worden gestaafd met concrete gegevens, dat wanneer de eerste verzoekende partij stelt dat zij “niet enkel een federatie van (lokale) leefmilieuverenigingen zijn (is), maar ook privé-personen als lid hebben”, deze activiteiten even algemeen zijn als haar X-9494-6/10 activiteit als federatie, dat voorts wat de tweede verzoekende partij betreft, zij niet aantoont welk nadeel zij ondervindt van de bestreden beslissing, dat de tweede verzoekende partij zich enkel beroept op de omstandigheid dat dergelijke projecten vaak de aanzet zijn tot een bepaalde ontwikkeling, dat echter de door de tweede verzoekende partij aangevoerde transformatie van de buurt geenszins het gevolg is van de bestreden machtiging, doch daarentegen voortvloeit uit andere beslissingen, die volkomen losstaan van de voorliggende machtiging; Overwegende dat ambtshalve moet worden onderzocht of de verzoekende partijen van de rechtens vereiste hoedanigheid doen blijken en getuigen van het rechtens vereiste belang bij het ingestelde annulatieberoep; Overwegende dat verenigingen zonder winstoogmerk krachtens de wet van 26 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend, in rechte mogen optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht; dat inzonderheid de milieuverenigingen, krachtens de wet van 12 januari 1993 inzake bescherming van het leefmilieu, over een vorderingsrecht beschikken bij de gewone rechtbanken; dat voor de Raad van State diezelfde milieuverenigingen in rechte kunnen optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid; Overwegende dat artikel 4 van de statuten van de eerste verzoekende partij luidt als volgt : “Art.
- De doelstelling van BRAL is de zorg voor het leefmilieu in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het wil de bewoners aanzetten om hierover zelf te beslissen. BRAL wil via coördinatie, hulp, eigen initiatief en het verlenen van advies : 1/ de nederlandstaligen sensibiliseren voor de problemen in verband met leefmilieu en stadsbeleid; 2/ de werkgroepen en verenigingen die de verbetering van leefmilieu en stadsbeleid behartigen, steunen en stimuleren, vooral in wijken waarop zware dreiging rust; 3/ naar buiten toe optreden als volwaardig gesprekspartner bij andere verenigingen, alsook bij de overheid; 4/ de bewoners bewust en mondig maken. BRAL zal zijn aktie voeren in het perspectief van samenlevingsopbouw”; dat artikel 2 van dezelfde statuten luidt als volgt : X-9494-7/10 “Art.
- BRAL is het orgaan van overleg en samenwerking en het vertegenwoordigend lichaam van de nederlandstalige verenigingen en werkgroepen voor leefmilieu uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, of die het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in hun werkingsveld hebben”; Overwegende dat ter zake uit de statuten van de eerste verzoekende partij blijkt dat haar maatschappelijk doel bestaat in “de zorg voor het leefmilieu in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”; dat wegens de algemene draagwijdte van die doelstelling, die de grondslag vormt voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, het optreden van de vereniging voor de Raad van State gelijk staat met de actio popularis, indien de beslissing die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft -even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept- doch een specifieke strekking heeft; dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat dit te dezen het geval is; dat het ter zake gaat om de machtiging tot het gebruiken van een stedenbouwkundige vergunning voor een grote handelszaak te Anderlecht; dat het derhalve gaat om werken en handelingen op een welbepaalde plaats en niet om een beslissing die een invloed heeft op het ganse Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat de argumentatie van de eerste verzoekende partij dat het complex een zware aantasting betekent voor de open ruimte in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest niet wegneemt dat deze aantasting lokaal is en aldus aan voormelde vaststelling geen afbreuk doet; dat bovendien uit artikel 2 van de statuten blijkt dat de eerste verzoekende partij een koepelvereniging is, namelijk het “vertegenwoordigend lichaam van de nederlandstalige verenigingen en werkgroepen”; dat een machtiging tot het gebruiken van een stedenbouwkundige vergunning voor een grote handelszaak te Anderlecht, niet door een overkoepelende vereniging op ontvankelijke wijze kan worden bestreden omdat een dergelijke machtiging enkel plaatselijke belangen raakt; dat de argumentatie van de eerste verzoekende partij in haar laatste memorie dat ook privé-personen lid zijn, hieraan geen afbreuk doet; dat de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid ten aanzien van de eerste verzoekende partij gegrond is; Overwegende dat met toepassing van artikel 14 van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State een beroep tot nietigverklaring slechts op ontvankelijke wijze kan worden ingesteld door een partij die doet blijken van een benadeling of een belang; dat het algemeen en onpersoonlijk belang dat iedere burger heeft bij de naleving van de wet of de hoedanigheid van inwoner van een X-9494-8/10 gemeente niet volstaat om aan die ontvankelijkheidsvereiste te voldoen; dat de verzoekende partij moet doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks en zeker belang bij de gevraagde nietigverklaring; dat de verzoekende partij bijgevolg moet aantonen dat er een voldoende geïndividualiseerd verband bestaat tussen het aangevochten besluit en haarzelf; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de woning van de tweede verzoekende partij in vogelvlucht is gelegen op minstens 800 m van de westkant van het bouwperceel waarvoor de bestreden vergunning is verleend en op circa 1.100 m van de oostkant ervan, dat voorts blijkt dat het gebied tussen beide percelen bestemd is voor vrijetijdsbesteding en sportactiviteiten in open lucht, dat zij derhalve vanaf haar woonst geen zicht heeft op de bouwwerken waarvoor het bestreden besluit werd verleend; dat in deze omstandigheden niet kan worden aangenomen dat de tweede verzoekende partij over een persoonlijk en rechtstreeks belang beschikt; dat voorts in zoverre zij zich beroept op haar zorg voor de “handhaving van het rustig woonklimaat in (haar) wijk” het door haar ingeroepen belang zich niet onderscheidt van het algemeen en onpersoonlijk belang dat alle inwoners van een gemeente hebben bij de handhaving van de goede ruimtelijke ordening in hun gemeente; dat derhalve ook de exceptie van niet ontvankelijkheid ten aanzien van de tweede verzoekende partij gegrond is en dat haar beroep onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-9494-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9494-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div