id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.120 Rolnummer: A. 69033/X-6595 Zaak: Arrest 169120 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-28 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 18:04 Fiche Arrest nr 169.120 van 20 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.120 van 20 maart 2007 in de zaak A. 69.033/X-6595. In zake : 1. Luc VERMEIREN, 2. Anne OLBRECHTS, beide wonende te 9280 LEBBEKE, Bellestraat 39 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VERMEIREN en Anne OLBRECHTS op 22 mei 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 maart 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij, eensdeels, het besluit van 25 januari 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 7 september 1995 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hun de regularisatiebouwvergunning werd verleend voor het ver- en herbouwen van een garage/berging, het bouwen van een tuinmuur en hek en het plaatsen van palen voor leilindes op een perceel gelegen aan de Bellestraat te Lebbeke, kadastraal bekend sectie A, nr. 231 d, wordt ingetrokken en het beroep van de gemachtigde ambtenaar, na een nieuw onderzoek, wordt ingewilligd, en anderdeels, de beroepen beslissing van de bestendige deputatie wordt vernietigd; Gelet op het arrest nr. 70.143 van 10 december 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 117.840 van 1 april 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het X-6595-1/10 auditoraat wordt gelast met de onderzoeksmaatregelen en met de redactie van een aanvullend verslag; Gelet op het arrest nr. 129.710 van 25 maart 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee wordt gelast een aanvullend verslag op te maken; Gezien het tweede aanvullend verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het tweede aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het tweede aanvullend verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de terechtzitting van 8 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. CLAEYS BOUUAERT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat voor de feitelijke gegevens van de zaak wordt verwezen naar het tussenarrest nr. 117.840 van 1 april 2003; 2. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van het recht om gehoord te worden over alle aspecten van X-6595-2/10 de zaak; dat de verzoekers in essentie aanvoeren dat het bestreden besluit het ministerieel besluit van 25 januari 1996 intrekt en, opnieuw beslissend, de door de verzoekers ingediende aanvraag verwerpt op gronden die door de gemachtigde ambtenaar, appellant, niet zijn ingeroepen en waarover de verzoekers niet gehoord zijn en zich niet hebben kunnen verdedigen; Overwegende dat uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de minister in de eerste plaats van oordeel is dat het aan de verzoekers op 14 april 1994 betekende bevel van de burgemeester om bepaalde werken aan het gebouw uit te voeren, voor het vrijwaren van de veiligheid en de gezondheid, te dezen niet kan worden ingeroepen om het slopen en heroprichten van het gebouw te verantwoorden; dat de minister voorts overweegt dat de betrokken constructie getroffen is door een bij koninklijk besluit van 26 oktober 1964 goedgekeurde rooilijn, dat artikel 50 van de stedenbouwwet bepaalt dat in een dergelijk geval geen vergunning mag worden verleend voor het bouwen of verbouwen op het betrokken stuk grond, en dat te dezen geen beroep gedaan kan worden op de mogelijkheid tot afwijking in het geval dat de rooilijn ter plaatse van het gebouw niet vóór ten minste vijf jaar tot stand gebracht zal kunnen worden, aangezien die afwijking enkel geldt voor werken (andere dan instandhoudings- en onderhoudswerken), terwijl het te dezen gaat om het herbouwen van een gebouw; dat de minister ten slotte "bijkomend" overweegt dat de inplanting van het gebouw op 1 meter van de rechter perceelsgrens een ongelukkige stedenbouwkundige toestand bestendigt, hetgeen de goede plaatselijke aanleg niet ten goede komt; Overwegende dat uit het op 11 oktober 1995 bij de minister ingediende beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar blijkt dat deze in hoofdorde weliswaar steunde op het feit dat de verzoekers een vergunning vroegen voor een gebouw dat gedeeltelijk gebouwd was op grond die aan de gemeente was afgestaan, maar dat hij subsidiair ook steunde op het feit dat, "zelfs indien (de betrokken) grond nog niet afgestaan zou zijn", het in elk geval wettelijk niet toegestaan was te bouwen op een grond die getroffen was door een definitief goedgekeurde rooilijn; dat de gemachtigde ambtenaar ook inriep dat het bevel van de burgemeester van 14 april 1994 tot het uitvoeren van dringende herstellingswerken geen afbreuk deed aan het feit dat ingevolge de specifieke wetgeving op de ruimtelijke ordening een voorafgaande bouwvergunning vereist was, nu de gevraagde nieuwbouw niet gelijk te stellen was met de onderhouds- en herstellingswerken bedoeld in artikel 44, § 1, 1., van de stedenbouwwet, waarvoor geen vergunning vereist was; dat het bestreden X-6595-3/10 besluit voor de motivering van zijn beslissing tot inwilliging van het beroep kennelijk steunt op die grieven, ook al neemt het die niet letterlijk over; Overwegende dat de verzoekers aldus in de gelegenheid zijn geweest om tegen de door de gemachtigde ambtenaar ingeroepen grieven verweer te voeren, en dat het bestreden besluit, minstens wat betreft de redenen die verband houden met de wettelijke onmogelijkheid om een vergunning te verlenen, niet steunt op ambtshalve aangevoerde motieven; dat aan die vaststellingen geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de verzoekers, in het kader van hun verzoek tot intrekking van het ministerieel besluit van 25 januari 1996, niet opnieuw gehoord zijn; Overwegende dat het middel feitelijke grondslag mist; 3. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, vervat in de artikelen 55, (§ 3), eerste lid, en 57, § 1, eerste lid, van de stedenbouwwet, doordat de minister zijn beslissing steunt op motieven en feiten die onjuist zijn; dat de verzoekers in hun toelichting preciseren, in een eerste onderdeel, dat de minister stelt dat de werkzaamheden niet als louter onderhouds- en instandhoudingswerken kunnen worden beschouwd, en om die reden overeenkomstig de bepalingen van de stedenbouwwet vergunningsplichtig zijn, terwijl het herstellen of slopen van gebouwen na bevel van de burgemeester ongetwijfeld niet vergunningsplichtig is, en evenmin onder de categorie onderhouds- en instandhoudingswerken valt, zodat het besluit van de minister foutief is; dat de verzoekers voorts preciseren, in een tweede onderdeel, dat de minister stelt dat de integrale vervanging niet bevolen werd, terwijl uit niets blijkt dat er een integrale vervanging is geweest, integendeel vaststaat dat één van de vier muren van het gebouw, de straatgevel, een deel van de funderingen, evenals de bevloering van het gebouw behouden werden, en terwijl de integrale vervanging van de steunmuren geen overschrijding van het opgelegde bevel zou vormen, het herstel van een draagmuur immers kan betekenen dat deze heropgebouwd wordt, de minister ten onrechte de term "herstel", gebruikt in het bevel van de burgemeester, heeft verward met het begrip "onderhouds- en instandhoudingswerken", bedoeld in artikel 50 van de stedenbouwwet, het begrip "herstel" zowel op het gebied van de stedenbouw als op fiscaal gebied en m.b.t. een bevel van de burgemeester in het kader van de veiligheid de betekenis heeft van het heroprichten van muren, zelfs als daartoe de voorafgaande afbraak noodzakelijk is, en dit zonder bouwvergunning en zelfs los van enige stedenbouwkundige X-6595-4/10 overweging, zodat de minister niet geldig kon beslissen dat de heropbouw van de steunmuren buiten het bevel (van de burgemeester) viel; Overwegende dat het derde middel gericht blijkt te zijn tegen de volgende overwegingen van het bestreden besluit: "Overwegende dat (het bevel van de burgemeester van 14 april 1994 tot uitvoering van bepaalde werken), gelet op de aard van de uit te voeren werken, zoals hervoegen en herstellen van muren, dichten van de dakbedekking en vernieuwen van elektrische leidingen, eerder een sanering van het gebouw inhoudt; dat het bevel dus helemaal niet, in tegenstelling tot wat appellant (de eerste verzoeker) voorhoudt, kan ingeroepen worden om het slopen en heroprichten van het gebouw te verantwoorden; dat mogelijks de reële, vervallen staat een slopen van het gebouw noodzaakte, doch deze integrale vervanging geenszins werd bevolen in het aangehaalde bevel van de burgemeester; Overwegende dat de dato 14 oktober 1994 een proces-verbaal van vaststelling en stillegging werd opgemaakt; dat er werd vastgesteld dat de wederrechtelijk in opbouw zijnde constructie zich vóór de goedgekeurde rooilijn bevindt; dat uit onderzoek blijkt dat de geplande en reeds gedeeltelijk uitgevoerde werkzaamheden niet als loutere onderhouds- en instandhoudingswerken kunnen beschouwd worden en derhalve, overeenkomstig de bepalingen van de stedenbouwwet, vergunningsplichtig zijn"; Overwegende dat de eerste verzoeker bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 12 februari 1997 veroordeeld is wegens de uitvoering van bouwactiviteiten aan het betrokken bijgebouw zonder daartoe over een bouwvergunning te beschikken; dat dit vonnis, dat in kracht van gewijsde is getreden, o.m. de volgende overwegingen bevat: "2. De vraag stelt zich ... of beklaagde door de uitvoering van de concrete bouwactiviteiten aan het betrokken bijgebouw handelde: - hetzij in het kader van het bevel van de burgemeester tot uitvoering van werken bij hoogdringendheid, hem betekend op 19 april 1994, in welk geval de rechtbank van oordeel is dat de beklaagde niet gehouden was een bijkomende administratieve vergunning aan te vragen (...), - hetzij in het kader van artikel 44, § 1, 1., van de stedenbouwwet dat voorhoudt dat het bouwen, afbreken, herbouwen, verbouwen van een bestaande woning -instandhoudings- of onderhoudswerken uitgezonderd-, steeds (een) voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Hierbij weze opgemerkt dat niet- vergunningsplichtige instandhoudings- of onderhoudswerken werken zijn er enkel op gericht een constructie in goede staat van onderhoud te bewaren, zonder onderscheid te maken tussen zgn. Instandhoudingswerken mogen evenwel niet worden verward met Ten einde hierover te kunnen beslissen dient vooreerst de aard van de uitgevoerde werken te worden onderzocht: X-6595-5/10 - Dienaangaande houdt beklaagde formeel voor zijn rechten tot de uitvoering van de gewraakte werken te putten uit het bevel van de burgemeester dat hij catalogeert als een bevel tot herstel zonder meer. Hierin kan de rechtbank hem evenwel niet bijvallen, vermits het bevel van de burgemeester de aard en de omvang van de uit te voeren herstelwerkzaamheden precies omschrijft (...). Er wordt hierbij zeker geen vrijgeleide gegeven aan de beklaagde om het slopen en heroprichten (van) het gebouw te verantwoorden evenmin als om er wijzigingen in aan te brengen die de functionaliteit ervan beïnvloeden. Terwijl de heropbouw van de ingestorte draagmuren aanvaardbaar is, zijn de wijzigingen aan het dak (schilddak), dakvlakramen en drie openingen geschikt voor garagepoorten telkens anders dan voorheen en niet toegelaten in het bevel. Bovendien werd in het bevel een tijdslimiet (eind september 1994) opgelegd voor de voltooiing der werken door beklaagde (de werken werden overigens maar aangevat op 6 september 1994 (...)), die ruim werd overschreden (de voltooiing der werken werd trouwens ook niet bereikt), (derwijze) dat artikel 2 van het bevel in zijnen hoofde alsdan zelfs (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.