← België

Arrest 169120 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.120 Rolnummer: A. 69033/X-6595 Zaak: Arrest 169120 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-28 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 18:04 Fiche Arrest nr 169.120 van 20 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.120 van 20 maart 2007 in de zaak A. 69.033/X-6595. In zake : 1. Luc VERMEIREN, 2. Anne OLBRECHTS, beide wonende te 9280 LEBBEKE, Bellestraat 39 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc VERMEIREN en Anne OLBRECHTS op 22 mei 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 maart 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij, eensdeels, het besluit van 25 januari 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 7 september 1995 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hun de regularisatiebouwvergunning werd verleend voor het ver- en herbouwen van een garage/berging, het bouwen van een tuinmuur en hek en het plaatsen van palen voor leilindes op een perceel gelegen aan de Bellestraat te Lebbeke, kadastraal bekend sectie A, nr. 231 d, wordt ingetrokken en het beroep van de gemachtigde ambtenaar, na een nieuw onderzoek, wordt ingewilligd, en anderdeels, de beroepen beslissing van de bestendige deputatie wordt vernietigd; Gelet op het arrest nr. 70.143 van 10 december 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 117.840 van 1 april 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het X-6595-1/10 auditoraat wordt gelast met de onderzoeksmaatregelen en met de redactie van een aanvullend verslag; Gelet op het arrest nr. 129.710 van 25 maart 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee wordt gelast een aanvullend verslag op te maken; Gezien het tweede aanvullend verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 12 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het tweede aanvullend verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het tweede aanvullend verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de terechtzitting van 8 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. CLAEYS BOUUAERT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat voor de feitelijke gegevens van de zaak wordt verwezen naar het tussenarrest nr. 117.840 van 1 april 2003; 2. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van het recht om gehoord te worden over alle aspecten van X-6595-2/10 de zaak; dat de verzoekers in essentie aanvoeren dat het bestreden besluit het ministerieel besluit van 25 januari 1996 intrekt en, opnieuw beslissend, de door de verzoekers ingediende aanvraag verwerpt op gronden die door de gemachtigde ambtenaar, appellant, niet zijn ingeroepen en waarover de verzoekers niet gehoord zijn en zich niet hebben kunnen verdedigen; Overwegende dat uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat de minister in de eerste plaats van oordeel is dat het aan de verzoekers op 14 april 1994 betekende bevel van de burgemeester om bepaalde werken aan het gebouw uit te voeren, voor het vrijwaren van de veiligheid en de gezondheid, te dezen niet kan worden ingeroepen om het slopen en heroprichten van het gebouw te verantwoorden; dat de minister voorts overweegt dat de betrokken constructie getroffen is door een bij koninklijk besluit van 26 oktober 1964 goedgekeurde rooilijn, dat artikel 50 van de stedenbouwwet bepaalt dat in een dergelijk geval geen vergunning mag worden verleend voor het bouwen of verbouwen op het betrokken stuk grond, en dat te dezen geen beroep gedaan kan worden op de mogelijkheid tot afwijking in het geval dat de rooilijn ter plaatse van het gebouw niet vóór ten minste vijf jaar tot stand gebracht zal kunnen worden, aangezien die afwijking enkel geldt voor werken (andere dan instandhoudings- en onderhoudswerken), terwijl het te dezen gaat om het herbouwen van een gebouw; dat de minister ten slotte "bijkomend" overweegt dat de inplanting van het gebouw op 1 meter van de rechter perceelsgrens een ongelukkige stedenbouwkundige toestand bestendigt, hetgeen de goede plaatselijke aanleg niet ten goede komt; Overwegende dat uit het op 11 oktober 1995 bij de minister ingediende beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar blijkt dat deze in hoofdorde weliswaar steunde op het feit dat de verzoekers een vergunning vroegen voor een gebouw dat gedeeltelijk gebouwd was op grond die aan de gemeente was afgestaan, maar dat hij subsidiair ook steunde op het feit dat, "zelfs indien (de betrokken) grond nog niet afgestaan zou zijn", het in elk geval wettelijk niet toegestaan was te bouwen op een grond die getroffen was door een definitief goedgekeurde rooilijn; dat de gemachtigde ambtenaar ook inriep dat het bevel van de burgemeester van 14 april 1994 tot het uitvoeren van dringende herstellingswerken geen afbreuk deed aan het feit dat ingevolge de specifieke wetgeving op de ruimtelijke ordening een voorafgaande bouwvergunning vereist was, nu de gevraagde nieuwbouw niet gelijk te stellen was met de onderhouds- en herstellingswerken bedoeld in artikel 44, § 1, 1., van de stedenbouwwet, waarvoor geen vergunning vereist was; dat het bestreden X-6595-3/10 besluit voor de motivering van zijn beslissing tot inwilliging van het beroep kennelijk steunt op die grieven, ook al neemt het die niet letterlijk over; Overwegende dat de verzoekers aldus in de gelegenheid zijn geweest om tegen de door de gemachtigde ambtenaar ingeroepen grieven verweer te voeren, en dat het bestreden besluit, minstens wat betreft de redenen die verband houden met de wettelijke onmogelijkheid om een vergunning te verlenen, niet steunt op ambtshalve aangevoerde motieven; dat aan die vaststellingen geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat de verzoekers, in het kader van hun verzoek tot intrekking van het ministerieel besluit van 25 januari 1996, niet opnieuw gehoord zijn; Overwegende dat het middel feitelijke grondslag mist; 3. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, vervat in de artikelen 55, (§ 3), eerste lid, en 57, § 1, eerste lid, van de stedenbouwwet, doordat de minister zijn beslissing steunt op motieven en feiten die onjuist zijn; dat de verzoekers in hun toelichting preciseren, in een eerste onderdeel, dat de minister stelt dat de werkzaamheden niet als louter onderhouds- en instandhoudingswerken kunnen worden beschouwd, en om die reden overeenkomstig de bepalingen van de stedenbouwwet vergunningsplichtig zijn, terwijl het herstellen of slopen van gebouwen na bevel van de burgemeester ongetwijfeld niet vergunningsplichtig is, en evenmin onder de categorie onderhouds- en instandhoudingswerken valt, zodat het besluit van de minister foutief is; dat de verzoekers voorts preciseren, in een tweede onderdeel, dat de minister stelt dat de integrale vervanging niet bevolen werd, terwijl uit niets blijkt dat er een integrale vervanging is geweest, integendeel vaststaat dat één van de vier muren van het gebouw, de straatgevel, een deel van de funderingen, evenals de bevloering van het gebouw behouden werden, en terwijl de integrale vervanging van de steunmuren geen overschrijding van het opgelegde bevel zou vormen, het herstel van een draagmuur immers kan betekenen dat deze heropgebouwd wordt, de minister ten onrechte de term "herstel", gebruikt in het bevel van de burgemeester, heeft verward met het begrip "onderhouds- en instandhoudingswerken", bedoeld in artikel 50 van de stedenbouwwet, het begrip "herstel" zowel op het gebied van de stedenbouw als op fiscaal gebied en m.b.t. een bevel van de burgemeester in het kader van de veiligheid de betekenis heeft van het heroprichten van muren, zelfs als daartoe de voorafgaande afbraak noodzakelijk is, en dit zonder bouwvergunning en zelfs los van enige stedenbouwkundige X-6595-4/10 overweging, zodat de minister niet geldig kon beslissen dat de heropbouw van de steunmuren buiten het bevel (van de burgemeester) viel; Overwegende dat het derde middel gericht blijkt te zijn tegen de volgende overwegingen van het bestreden besluit: "Overwegende dat (het bevel van de burgemeester van 14 april 1994 tot uitvoering van bepaalde werken), gelet op de aard van de uit te voeren werken, zoals hervoegen en herstellen van muren, dichten van de dakbedekking en vernieuwen van elektrische leidingen, eerder een sanering van het gebouw inhoudt; dat het bevel dus helemaal niet, in tegenstelling tot wat appellant (de eerste verzoeker) voorhoudt, kan ingeroepen worden om het slopen en heroprichten van het gebouw te verantwoorden; dat mogelijks de reële, vervallen staat een slopen van het gebouw noodzaakte, doch deze integrale vervanging geenszins werd bevolen in het aangehaalde bevel van de burgemeester; Overwegende dat de dato 14 oktober 1994 een proces-verbaal van vaststelling en stillegging werd opgemaakt; dat er werd vastgesteld dat de wederrechtelijk in opbouw zijnde constructie zich vóór de goedgekeurde rooilijn bevindt; dat uit onderzoek blijkt dat de geplande en reeds gedeeltelijk uitgevoerde werkzaamheden niet als loutere onderhouds- en instandhoudingswerken kunnen beschouwd worden en derhalve, overeenkomstig de bepalingen van de stedenbouwwet, vergunningsplichtig zijn"; Overwegende dat de eerste verzoeker bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 12 februari 1997 veroordeeld is wegens de uitvoering van bouwactiviteiten aan het betrokken bijgebouw zonder daartoe over een bouwvergunning te beschikken; dat dit vonnis, dat in kracht van gewijsde is getreden, o.m. de volgende overwegingen bevat: "2. De vraag stelt zich ... of beklaagde door de uitvoering van de concrete bouwactiviteiten aan het betrokken bijgebouw handelde: - hetzij in het kader van het bevel van de burgemeester tot uitvoering van werken bij hoogdringendheid, hem betekend op 19 april 1994, in welk geval de rechtbank van oordeel is dat de beklaagde niet gehouden was een bijkomende administratieve vergunning aan te vragen (...), - hetzij in het kader van artikel 44, § 1, 1., van de stedenbouwwet dat voorhoudt dat het bouwen, afbreken, herbouwen, verbouwen van een bestaande woning -instandhoudings- of onderhoudswerken uitgezonderd-, steeds (een) voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Hierbij weze opgemerkt dat niet- vergunningsplichtige instandhoudings- of onderhoudswerken werken zijn er enkel op gericht een constructie in goede staat van onderhoud te bewaren, zonder onderscheid te maken tussen zgn. Instandhoudingswerken mogen evenwel niet worden verward met Ten einde hierover te kunnen beslissen dient vooreerst de aard van de uitgevoerde werken te worden onderzocht: X-6595-5/10 - Dienaangaande houdt beklaagde formeel voor zijn rechten tot de uitvoering van de gewraakte werken te putten uit het bevel van de burgemeester dat hij catalogeert als een bevel tot herstel zonder meer. Hierin kan de rechtbank hem evenwel niet bijvallen, vermits het bevel van de burgemeester de aard en de omvang van de uit te voeren herstelwerkzaamheden precies omschrijft (...). Er wordt hierbij zeker geen vrijgeleide gegeven aan de beklaagde om het slopen en heroprichten (van) het gebouw te verantwoorden evenmin als om er wijzigingen in aan te brengen die de functionaliteit ervan beïnvloeden. Terwijl de heropbouw van de ingestorte draagmuren aanvaardbaar is, zijn de wijzigingen aan het dak (schilddak), dakvlakramen en drie openingen geschikt voor garagepoorten telkens anders dan voorheen en niet toegelaten in het bevel. Bovendien werd in het bevel een tijdslimiet (eind september 1994) opgelegd voor de voltooiing der werken door beklaagde (de werken werden overigens maar aangevat op 6 september 1994 (...)), die ruim werd overschreden (de voltooiing der werken werd trouwens ook niet bereikt), (derwijze) dat artikel 2 van het bevel in zijnen hoofde alsdan zelfs (

  1. in)de sloping van het gebouw voorziet. Gelet op een en ander kan beklaagde zich dan ook niet beroepen op het bevel van de burgemeester ter rechtvaardiging van de uitgevoerde werken. - Evenmin kunnen de vastgestelde werken gecatalogeerd worden onder de uitzonderingsbepalingen van artikel 44, § 1, 1., van de stedenbouwwet, nu deze werken in concreto veel ingrijpender blijken te zijn. Een bouwvergunning was dus vereist per 1 oktober 1994, minstens voor de niet aan de sanerings- en veiligheidsoverwegende maatregelen van het bevel van de burgemeester beantwoordende herstelwerkzaamheden, met name: het verschillende dak, de ramen, de drie garagepoorten. De in het strafdossier aanwezige constructieplannen geven duidelijke verschillen tussen oud- en nieuwbouw (...)"; Overwegende dat uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat de strafrechter van oordeel is, enerzijds, dat, ook al kan de heropbouw van de ingestorte draagmuren beschouwd worden als de uitvoering van werken om te voldoen aan het bevel van de burgemeester, het geheel van de werken waarvoor de eerste verzoeker vervolgd werd -en waarvoor hij ook een regularisatievergunning heeft gevraagd-, niet geacht kan worden te behoren tot de werken die hij mocht uitvoeren om te voldoen aan het bevel van de burgemeester, en anderzijds, dat de bedoelde werken niet beschouwd kunnen worden als loutere instandhoudings- of onderhoudswerken, in de zin van artikel 44, § 1, 1., van de stedenbouwwet, nu die werken in concreto veel ingrijpender blijken te zijn; dat die vaststellingen, gelet op het gezag van gewijsde erga omnes dat verbonden is aan de beslissingen van de strafrechter, door de Raad van State als uitgangspunt genomen moeten worden; Overwegende dat uit de genoemde vaststellingen blijkt dat het bestreden besluit wettig heeft kunnen beslissen, zonder de in het middel aangehaalde wetsbepalingen te schenden, dat het bevel van de burgemeester eerder een sanering van het gebouw beoogde en geen verantwoording biedt voor het slopen en X-6595-6/10 heroprichten ervan, en dat de geplande en reeds gedeeltelijk uitgevoerde werkzaamheden ook niet als loutere onderhouds- en instandhoudingswerken beschouwd kunnen worden, waardoor zij onttrokken zouden zijn aan de vergunningsplicht bedoeld in de stedenbouwwet; Overwegende dat het middel niet kan worden aangenomen; 4. Overwegende dat de verzoekers een vierde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, vervat in artikel 55, § 3, van de stedenbouwwet, doordat de minister niet geantwoord heeft op het middel dat de verzoekers in hun beroepsschrift van 17 oktober 1995 hebben ingeroepen, naar luid waarvan, gelet op het bevel van de burgemeester, geen bouwvergunning vereist was, de stedenbouwwet daardoor niet van toepassing was, en de minister derhalve niet bevoegd was; Overwegende dat uit het antwoord op het derde middel blijkt dat het bestreden besluit uitdrukkelijk overweegt dat het bevel van de burgemeester van 14 april 1994 geen verantwoording kon bieden voor het slopen en heroprichten van het gebouw; dat het bestreden besluit aldus de grondslag verwerpt van het middel van de verzoekers, afgeleid uit de onbevoegdheid van de minister, en het bijgevolg een antwoord bevat op dat middel; dat het te dezen ingeroepen vierde middel feitelijke grondslag mist; 5. Overwegende dat de verzoekers een vijfde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, vervat in artikel 55, § 3, van de stedenbouwwet, doordat de minister overweegt "dat de aanvraag de regularisatie van een reeds uitgevoerde herbouwing beoogt", terwijl de verzoekers aanvoerden dat zij geen bouwvergunning nodig hadden, gelet op het bevel van de burgemeester, en zij in hoofdorde dus geen regularisatie beoogden, en terwijl het bestreden besluit aldus een onjuiste motivering bevat; Overwegende dat het bestreden besluit overweegt, na beslist te hebben dat het bevel van de burgemeester van 14 april 1994 geen verantwoording kon bieden voor het slopen en heroprichten van het gebouw en dat overeenkomstig de stedenbouwwet een vergunning vereist is, "dat de aanvraag de regularisatie van een reeds uitgevoerde herbouwing beoogt", waarop de afwijkingsregeling vervat in artikel 50 van de stedenbouwwet niet van toepassing is; dat het bestreden besluit X-6595-7/10 aldus, na het betoog in hoofdorde van de verzoekers, gesteund op het bestaan van het bevel van de burgemeester, te hebben verworpen, onderzoekt of de beoogde "regularisatie" op grond van de stedenbouwwet toegestaan kan worden, niettegenstaande het verbod bepaald bij artikel 50 van die wet; dat de vaststelling dat de verzoekers de regularisatie van bepaalde werken beogen, in de context van de aangehaalde overweging niet anders begrepen kan worden dan als de vaststelling dat de verzoekers subsidiair de regularisatie van vergunningsplichtige werken beogen; dat die vaststelling, aldus begrepen, geen blijk geeft van een onjuiste voorstelling van de feiten; dat het middel feitelijke grondslag mist; 6. Overwegende dat de verzoekers een zesde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, vervat in artikel 55, § 3, van de stedenbouwwet, doordat de minister aanstoot neemt aan het feit dat het herstelde gebouw zich (enkel voor enkele centimeters) over de rooilijn bevindt, terwijl het te herstellen gebouw precies op dezelfde plaats stond sinds minstens 1667 en de verzoekers zeker geen toelating hadden om het gebouw te verschuiven of te verplaatsen, en terwijl het bestreden besluit aldus steunt op onjuiste motieven en op een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten; Overwegende dat artikel 50 van de stedenbouwwet bepaalt dat de vergunning niet verleend mag worden "wanneer gevraagd wordt te bouwen of te verbouwen op het gedeelte van een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen of andere dan instandhoudings- of onderhoudswerken uit te voeren aan een door een rooilijn getroffen gebouw"; dat die bepaling geen onderscheid maakt naargelang het gaat om de vergunning voor een volledig nieuw gebouw dan wel om de vergunning voor het heroprichten van een gesloopt gebouw op dezelfde plaats waar het gesloopte gebouw stond voordat het getroffen werd door een rooilijn; dat de verzoekers niet betwisten dat het gebouw waarvoor een regularisatievergunning werd gevraagd zich gedeeltelijk over de rooilijn bevindt; dat het middel niet kan worden aangenomen; 7. Overwegende dat de verzoekers een zevende middel inroepen, afgeleid uit machtsoverschrijding, doordat de minister de bezwaren van de appellant (de gemachtigde ambtenaar) betreffende lichte wijzigingen aan het gebouw niet weerhoudt, en enkel het bestaansrecht zelf van het gebouw aanvecht, met name de ongewijzigde inplanting op 1 meter van de perceelsgrens en lichtjes over de rooilijn uitstekend, terwijl de minister daardoor het soeverein beoordelingsrecht van de X-6595-8/10 burgemeester aantast, waar deze het bevel gaf het gebouw te herstellen en aldus de levensduur van het gebouw te verzekeren op de plaats waar het stond; Overwegende dat, zoals uit het antwoord op het derde middel blijkt, de werken waarvoor een regularisatievergunning werd gevraagd niet geacht kunnen worden te behoren tot de werken die de verzoekers mochten uitvoeren om te voldoen aan het bevel van de burgemeester; dat het dan ook zonder belang is dat de burgemeester er bij het nemen van zijn besluit van uitging dat, mits bepaalde saneringswerken zouden worden uitgevoerd, het gebouw kon blijven staan; dat er van machtsoverschrijding door de minister geen sprake is; Overwegende dat de verzoekers in de laatste memorie vragen dat de Raad van State, indien hij zou menen dat een bevel van de burgemeester, genomen met toepassing van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, "ondergeschikt is" aan de stedenbouwwet, in de zin dat de uitvoering van het bevel van de burgemeester niet mogelijk is zolang voor de door de burgemeester opgelegde werken geen bouwvergunning is verkregen, aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag zou stellen over de verenigbaarheid van artikel 44 van de stedenbouwwet met een aantal bevoegdheidsbepalende regels; dat evenwel, nu de Raad van State voor de beslissing over het zevende middel geen uitspraak hoeft te doen over de vraag of een bevel van de burgemeester al dan niet uitgevoerd kan worden zonder dat de betrokkene voor de in dat bevel bedoelde werken een bouwvergunning heeft verkregen, er geen aanleiding bestaat om de door de verzoekers gesuggereerde prejudiciële vraag te stellen; Overwegende dat het middel niet kan worden aangenomen; 8. Overwegende dat de verzoekers in de laatste memorie een nieuw middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 55 van de stedenbouwwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de minister heeft nagelaten de dossiers van de gemeente, van de gemachtigde ambtenaar en van de bestendige deputatie op te vragen voor het onderzoek ten gronde, in het kader van het door de verzoeker bij schrijven van 26 februari 1996 ingestelde willig beroep tegen het ministerieel besluit van 29 januari 1996, terwijl, eerste onderdeel, de minister voor het nemen van de nieuwe beslissing de feiten vermeld in het schrijven van 26 februari 1996 zorgvuldig diende te onderzoeken en daartoe o.m. alle stukken van het dossier diende op te vragen, wat te dezen niet is gebeurd, en terwijl, tweede onderdeel, de minister de X-6595-9/10 vragen gesteld in het schrijven van 26 februari 1996 diende te onderzoeken, en aldus de door hem in aanmerking genomen feiten op hun juistheid diende te onderzoeken, hetgeen niet gebeurd is, en terwijl, derde onderdeel, de minister de verzoeker de kans diende te geven om, na de intrekking van het besluit van 29 januari 1996 en het opvragen van de volledige dossiers, toe te lichten welke andere bezwaren hij nog zag, naast de "niet-limitatieve opgave van bezwaren" vervat in het schrijven van 26 februari 1996; Overwegende dat het middel in al zijn onderdelen kon worden ingeroepen in de memorie van wederantwoord, na inzage van het administratief dossier; dat het de openbare orde niet raakt; dat het dan ook niet voor het eerst op ontvankelijke wijze kan worden ingeroepen in de laatste memorie; dat het niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-6595-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.120 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.70.143 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.117.840 ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.129.710 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.