← België

Arrest 169187 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.187 Rolnummer: A. 97736/X-9906 Zaak: Arrest 169187 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-13 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 18:13 Fiche Arrest nr 169.187 van 20 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.187 van 20 maart 2007 in de zaak A. 97.736/X-

  1. In zake : Urbain WELLENS, wonende te 3290 DIEST, Graanmarkt 10 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Urbain WELLENS op 23 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 25 september 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende de nietigverklaring van het besluit van 21 oktober 1997 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest waarbij hem de bouwvergunning werd verleend voor “het uitvoeren van renovatie- en instandhoudingswerken” aan een hoeve gelegen te Diest, Webbekomstraat 11, op percelen kadastraal bekend sectie B, nrs. 46/b en 48/g; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 5 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-9906-1/5 Gelet op de beschikking van 8 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoeker op 10 oktober 1997 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning “strekkende tot renovatie van een hoeve” gelegen te Diest, Webbekomstraat 11, op percelen, kadastraal bekend sectie B, nrs. 46/b en 48/g; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 21 oktober 1997 de gevraagde bouwvergunning heeft verleend; dat de betrokken percelen volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest, zijn gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de gemachtigde ambtenaar bij besluit van 25 augustus 2000 voormelde bouwvergunning heeft geschorst; dat de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media bij het thans bestreden besluit van 25 september 2000 deze vergunning heeft vernietigd; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest bij besluit van 3 oktober 2000 zijn inmiddels reeds vernietigde besluit van 21 oktober 1997 heeft ingetrokken; dat de verzoeker op 30 september 2002 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Diest een nieuwe bouwaanvraag heeft ingediend strekkende tot “het regulariseren van verbouwingswerken” en de “aanleg padok (paarden)” aan een vierkantshoeve gelegen te Diest, Webbekomstraat 11, kadastraal bekend sectie B, nrs. 46 c-d-e-f-g en 47 c-h; dat de gevraagde vergunning, na eerst te zijn geweigerd bij besluit van 9 februari 2004 van het college van burgemeester en schepenen in beroep door de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant werd verleend; dat de Vlaamse minister van X-9906-2/5 Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 24 mei 2006 het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen voormeld besluit van 23 november 2004 van de bestendige deputatie heeft ingewilligd en dit besluit heeft vernietigd; dat de verzoeker op 24 augustus 2006 een beroep tot nietigverklaring van laatstgenoemd ministerieel besluit heeft ingesteld (zaak G/A 176.139/X-12.995); dat dit beroep nog hangende is; Overwegende dat het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat in haar verslag over de zaak, gelet op het voorwerp van de nieuwe bouwaanvraag van 30 september 2002, tot de conclusie komt dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is aangezien het indienen van deze nieuwe aanvraag een gewijzigde omstandigheid inhoudt waardoor de verzoeker niet langer doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang bij de gevraagde vernietiging; Overwegende dat de verzoeker, door een nieuwe en gewijzigde vergunningsaanvraag betreffende hetzelfde bouwwerk op hetzelfde perceel voor te leggen aan de vergunningverlenende overheid, moet worden geacht uitdrukkelijk de wil te kennen te hebben gegeven om nadien de werken uit te voeren volgens de tweede aanvraag en de voorwaarden die desgevallend zijn vervat in de beslissing die over deze aanvraag door de vergunningverlenende overheid wordt genomen; dat dit erop neerkomt dat hij verzaakt aan zijn eerste bouwaanvraag die tot de inmiddels vernietigde bouwvergunning van 21 oktober 1997 heeft geleid; Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoeker in zijn laatste memorie uiteenzet, uit de vergunningsaanvraag van 30 september 2002 niet blijkt dat het zijn uitdrukkelijke bedoeling is geweest bij het indienen van deze aanvraag de handelingen en werken die volgens hem zijn vervat in de vernietigde vergunning van 21 oktober 1997, niet in de nieuwe aanvraag op te nemen; dat het tegendeel blijkt uit de beschrijvende nota die bij de nieuwe vergunningsaanvraag van 30 september 2002 is gevoegd en waarin wat betreft het “voorwerp van de aanvraag” wordt gesteld: “Het betreft hier een vierkantshoeve die door de bouwheer gerenoveerd werd op basis van de door het College van burgemeester en schepenen verleende bouwvergunningen voor de renovatie van een hoeve. Achteraf werd er gesteld dat die bouwvergunning door de gemeente niet aan het schorsingstoezicht van de gemachtigde ambtenaar werd voorgelegd. Jaren later X-9906-3/5 toen de werken uitgevoerd waren heeft de gemachtigde ambtenaar die vergunning geschorst. Ze werd bij M.B. dd. 25 september 2000 vernietigd. Gezien wij de bouwvergunning te goeder trouw uitgevoerd hebben en wij van de overheid moeten aannemen dat zij wettige beslissingen neemt, kan de eventuele procedurefout die buiten ons weten om gebeurd is ons niet ten laste gelegd worden. Teneinde tegemoet te komen aan het P.V. wordt thans een nieuwe globale bouwaanvraag voorgelegd, met inbegrip van de aanleg van een zandoefenpiste en de herschikking van de terreinverhardingen. Volgens het P.V. van 19 maart 2002 zouden de wederrechtelijke bouwwerken bestaan uit:
  3. Het verbouwen, uitbreiden en verhogen van het aantal woongelegenheden van/in een vierkantshoeve.
  4. Het aanleggen van verhardingen op het terrein.
  5. Het aanleggen van een oefenpiste voor paarden. Gezien bepaalde verbouwingswerken zonder de nodige bouwvergunning uitgevoerd werden, dient deze aanvraag als een regularisatiebouwaanvraag behandeld te worden”; dat voormeld proces-verbaal van 19 maart 2002 melding maakt van de bouwvergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen op 21 oktober 1997, maar tevens stelt dat “deze vergunning werd vernietigd bij ministerieel besluit van 25 september 2000”, en dat uit de “beschrijving van de overtreding” tevens blijkt dat er in casu van “renovatie- en instandhoudingswerken” geen sprake was; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het ontegensprekelijk de bedoeling van de verzoeker is geweest op het ogenblik van het indienen van de nieuwe vergunningsaanvraag alle vergunningsplichtige handelingen en werken aan de hoeve in hun geheel, inclusief deze vervat in de door het thans bestreden ministerieel besluit vernietigde bouwvergunning, opnieuw aan de vergunningverlenende overheid voor te leggen teneinde een nieuwe stedenbouwkundige vergunning voor het geheel te verkrijgen; dat het indienen van deze nieuwe vergunningsaanvraag derhalve een dusdanig gewijzigde omstandigheid inhoudt dat de verzoeker niet meer doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang bij de nietigverklaring van het bestreden besluit; dat de overige door de verzoeker in zijn laatste memorie aangevoerde argumenten aan voormelde vaststelling geen afbreuk doen; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, X-9906-4/5 BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9906-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.