← België

Arrest 169217 - Dienst Vreemdelingenzaken - 21/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.217 Rolnummer: A. 151593/XIV-19538 Zaak: Arrest 169217 - Dienst Vreemdelingenzaken - 21/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-02 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 18:16 Fiche Arrest nr 169.217 van 21 maart 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.217 van 21 maart 2007 in de zaak A. 151.593/XIV-19.538. In zake : 1. XXX, 2. XXX, 3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 24 april 1935, en overleden op 25 oktober 2005, XXX, geboren op 13 maart 1933 en XXX, geboren op 1 augustus 1963 en allen van Russische nationaliteit, op 22 april 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 maart 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 24 maart 2004; Gelet op de beschikking van 24 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; XIV-19.538-1/16 Gelet op de beschikking van 30 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 7 maart 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partijen komen België binnen op 5 augustus 2002 en verklaren zich vluchteling op 6 augustus 2002. 1.2. Op respectievelijk 20 december 2002, voor wat betreft de eerste twee verzoekende partijen, en 19 december 2002, voor wat betreft de derde verzoekende partij neemt de Commissaris-generaal de beslissing dat verder onderzoek noodzakelijk is en wordt met andere woorden de asielaanvraag van de verzoekende partijen ontvankelijk verklaard. 1.3. Op 20 juni 2003 dienen de verzoekende partijen een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.4. Op 1 maart 2004 wordt de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag dd. 20/06/2003 om machtiging tot verblijf die bij u werd ingediend door: XXX R.R.Nr. XXX Geboren te Baku op 24/04/1935 XXX R.R.Nr. XXX geboren te Zajanje op 13/03/1933 XXX R.R. Nr. XXX geboren te Voronezj op 01/08/1963 nationaliteit: Rusland (Fed. van) XIV-19.538-2/16 kandidaat vluchtelingen adres: te 9040 Gent In toepassing van art.9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek ontvankelijk is. Reden(

  1. en)De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. De problemen in hun land maken momenteel nog het voorwerp uit van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag dd. 06/08/2002. Gezien de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard bij beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, zijn betrokkenen gemachtigd in het Rijk te blijven tot er een uitvoerbare beslissing in deze aanvraag wordt genomen. Betrokkenen beroepen zich ook op hun medische toestand. In het medisch getuigschrift m.b.t. de heer XXX, ingevuld door de behandelde geneesheer op 04/09/2003, staat dat er geen directe medische zorgen vereist zijn en dat betrokkene kan reizen. In het medisch getuigschrift m.b.t. mevrouw XXX, ingevuld door de behandelde geneesheer op 04/09/2003, staat dat de verzorging van betrokkene verdergezet kan worden in het land van herkomst en dat betrokkene kan reizen. In het medisch getuigschrift m.b.t. de heer XXX, ingevuld door de behandelende geneesheer op 04/09/2003, staat dat betrokkene reizen en dat betrokkene een medische behandeling krijgt, alsook dat de zorgen niet verdergezet zouden kunnen worden in het land van herkomst. Dit laatste wordt echter niet gestaafd a.d.h.v. concrete elementen. Volgens onze informatie zijn zowel de vereiste medische zorgen als de vereiste medicatie voorhanden in het land van herkomst; meer nog, gezien de aard van de problemen van betrokkene is een behandeling in een taal die niet de moedertaal is tegenaangewezen. Het medisch motief kan derhalve niet weerhouden worden. (...).”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren, dat als volgt luidt: “1. Eerste en enige middel: Manifest gebrek aan motivering wat een schending uitmaakt van de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot he grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juni 1991 betreffende de formele-motivering va bestuurshandelingen en het artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. Overwegende dat de bestreden beslissing de aanvraag tot machtiging tot verblijf van de eisers onontvankelijk verklaart; Dat de bestreden beslissing als volgt is gemotiveerd: ‘De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen iet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. De problemen in hun land maken momenteel nog het voorwerp uit van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag dd.06/8/2002. Gezien de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard bij beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, zijn betrokkenen gemachtigd in het Rijk te blijven tot er een uitvoerbare beslissing in deze aanvraag wordt genomen. Betrokkenen beroepen zich ook op hun medische toestand. In het medisch getuigschrift m.b.t. de heer XXX ingevuld door de behandelde geneesheer op 04/09/2003, staat dat er geen direct medische zorgen vereist zijn en dat betrokkene kan reizen. In het medisch getuigschrift m.b.t. mevrouw XXX,, ingevuld door de behandelde geneesheer op 04/09/2003, staat de verzorging van betrokkene verdergezet kan worden in het land van herkomst en dat de betrokkene kan reizen. In het medisch getuigschrift m.b.t. de heer XXX, ingevuld door de behandelde geneesheer op 04/09/2003, staat dat betrokkenen kan reizen en dat betrokkene een medische behandeling krijgt, alsook dat de zorgen niet verdergezet zouden kunnen worden in het land van herkomst. Dit laatste wordt echter niet gestaafd a.d.h.v. concrete elementen. Volgens onze informatie zijn zowel de vereiste medische zorgen als de vereiste medicatie XIV-19.538-3/16 voorhanden in het land van herkomst; meer nog, gezien de aard van de problemen van betrokkene is een behandeling in een taal die niet de moedertaal is tegenaangewezen. Het medisch motief kan derhalve niet weerhouden worden.’; Dat gelet op de motivering van de bestreden beslissing, het huidige middel kan worden onderverdeeld in twee onderdelen; 1. Eerste onderdeel: betreffende de asielaanvraag van de eisers. Overwegende dat de eisers in hun aanvraag tot machtiging tot verblijf hebben aangehaald dat hun asielaanvraag ontvankelijk is verklaard met beslissingen van 20 december 2002 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatslozen en dat zij het slachtoffer zijn geweest van vervolgingen omwille van hun etnische origine, zijnde van Azeri-afkomst; Dat de eisers hebben aangehaald dat dit een uitzonderlijke omstandigheid is die hen ervan verhindert om terug te keren naar hun land van oorsprong om aldaar de aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen; Dat het evident is dat in dit stadium van de asielprocedure van de eisers er door de tegenpartij niet kan worden geoordeeld dat de aanhangige asielaanvraag van de eisers geen uitzonderlijke omstandigheid zou Uitmaken, omdat er van hen met kan gevraagd worden om de aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen in hun land van herkomst op basis van het artikel 9, alinea twee van de wet van 15 december 1980; Dat de tegenpartij niet kan uitsluiten dat de eisers vervolgingen zullen ondergaan in geval van terugkeer naar hun land van oorsprong om de aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen, gelet op het feit dat hun asielaanvraag ontvankelijk is verklaard en nog geen definitieve beslissing is genomen betreffende de gegrondheid van de vrees van de eisers om vervolgingen te ondergaan in geval van terugkeer naar Rusland; dat in leder geval, de eisers het Belgisch grondgebied niet kunnen verlaten zolang er geen definitieve en uitvoerbare beslissing is genomen in het kader van hun asielaanvraag, want dan riskeren zij dat hun asielaanvraag automatisch wordt afgesloten en meer nog, in de onmogelijke veronderstelling dat zij deze aanvraag tot machtiging tot verblijf zouden indienen in Rusland, dan heeft dit automatisch een afwijzing van Financiën aanvraag tot gevolg, omdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatslozen zal oordelen dat de eisers een beroep hebben gedaan op de overheden van hun land waarvan zij vervolgingen vrezen, zodat er niet meer tot de conclusie zou kunnen worden voorkomen dat zij' een gegronde vrees zouden hebben ten aanzien van de Russische overheden indien zij zich vrijwillig terug begeven naar Rusland, ook al is dit voor de indiening van een aanvraag tot machtiging tot verblijf in België, Dat de bestreden beslissing zelf erkent dat de eisers voorlopig zijn gemachtigd tot een verblijf in België tot er een uitvoerbare beslissing is genomen in het k-ader van de asielaanvraag, maar er zich voor hoedt onderuit de conclusie te trekken dat deze omstandigheid een uitzonderlijke omstandigheid zou uitmaken; Dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat de elementen die de eisers hebben aangehaald om te rechtvaardigen waarom zij geen aanvraag om machtiging tot verblijf indienen via de gewone procedure, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland geen uitzonderlijke omstandigheden kunnen uitmaken, dus ook niet de asielprocedure die nog steeds aanhangig is en de vrees van de eisers om vervolgingen te ondergaan in geval van terugkeer naar Rusland; Dat de bestreden beslissing op uitdrukkelijke wijze de aanvraag tot machtiging tot verblijf onontvankelijk verklaart door te stellen dat de elementen aangehaald door de eisers geen uitzonderlijke omstandigheden zouden kunnen uitmaken, terwijl er toch wordt toegegeven dat de eisers gemachtigd zijn tot een voorlopig verblijf in België in afwachting van een uitvoerbare beslissing in het kader van hun asielaanvraag; Dat de bestreden beslissing echter niet motiveert in welke mate de eisers toch zouden kunnen terugkeren naar Rusland om aldaar de aanvraag tot machtiging van verblijf in te dienen in toepassing van het artikel 9, alinea twee van de wet van 15 december 1980 zonder vervolgingen te moeten vrezen omwille van hun etnische origine, nu er nog geen definitieve beslissing is genomen in het kader van hun asielprocedure; Dat de bestreden beslissing evenmin motiveert waarom de aanhangige asielprocedure van de eisers geen uitzonderlijke omstandigheid kan uitmaken, gelet op het feit dat een terugkeer naar Rusland voor de indiening van de aanvraag tot machtiging tot verblijf zal worden gezien door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatslozen als een beroep doen op de overheden van het land van herkomst van de eisers en een terugkeer naar dat land waar ze vervolgingen vrezen, waardoor alle grond aan een vrees voor vervolgingen wordt ontnomen inde zin van de Vluchtelingenconventie, zodat hun asielaanvraag zeker ongegrond zal worden verklaard; Dat gelet op het wettige verblijf van de eisers in België, het ontvankelijk karakter van hun asielaanvraag en de onmogelijkheid voor hen op het moment van indienen van de aanvraag tot machtiging van verblijf op 3 januari 2003 tot op heden om terug te keren naar hun land van oorsprong voor het indienen van deze aanvraag tot machtiging van verblijf tengevolge van hun vrees om vervolgingen te ondergaan in geval van terugkeer naar Rusland, de tegenpartij verplicht was om de aanvraag tot machtiging tot verblijf ontvankelijk te verklaren en over te gaan tot een onderzoek ten gronde van de elementen die groepen door de eisers ten gronde; XIV-19.538-4/16 Dat er moet worden geoordeeld dat de eisers de aanvraag tot machtiging tot verblijf hebben ingediend op basis van het artikel 9, alinea drie van de wet van 15 december 1980 op een voorzichtige en vooruitziende wijze zodat zij een beslissing hoopten te krijgen voor een eventuele negatieve beslissing zou worden genomen in het kader van hun asielaanvraag; Dat de Omzendbrief van 19 februari 2003 (B.S., 17 maart 2003) betreffende de toepassing van het artikel 9, alinea drie van de wet van 15 december 1980 uitdrukkelijk voorziet in zijn punt 1.1 betreffende het bestaan van de uitzonderlijke omstandigheden dat de uitzonderlijke omstandigheden worden vermoed indien men de regularisatieaanvraag indient als student en indien de aanvraag tot machtiging van verblijf wordt ingediend gedurende het wettig verblijf van de betrokkene; Dat in onderhavig geval de eisers op wettige wijze in België verblijven, zodat de uitzonderlijke omstandigheden moeten worden vermoed in toepassing van de Omzendbrief van 19 februari 2003 die door de tegenpartij zelf is uitgevaardigd; Dat er niet kan worden aanvaard dat de tegenpartij ingaat tegen de Omzendbrief die zijzelf uitvaardigt; Dat trouwens in de praktijk moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing in concreto wel overgaat tot een onderzoek van de elementen ten gronde van de aanvraag tot machtiging tot verblijf, met name de medische elementen die zijn ingeroepen met het oog op het bekomen van een machtiging tot verblijf, terwijl op formele wijze de aanvraag tot machtiging tot verblijf wordt afgewezen als onontvankelijk; Dat de tegenpartij op die wijze een verwarring maakt tussen de elementen ingeroepen als uitzonderlijke omstandigheden en als elementen ten gronde omdat men toch is overgegaan tot een onderzoek ten gronde van de aanvraag tot machtiging tot verblijf,, terwijl men de aanvraag toch onontvankelijk verklaart, omdat de asielprocedure die aanhangig is en ontvankelijk is verklaard; Dat gelet op deze omstandigheden, de bestreden beslissing een kennelijk gebrek aan motivering en een inadequate motivering vertoont, in strijd met de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen een tot en met drie van de wet van 29 juni 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen; 2. Tweede onderdeel betreffende de medische elementen. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat er geen medische elementen kunnen worden aanvaard voor Meneer XXX; Dat de eisers in het kader van hun aanvraag tot machtiging tot verblijf nooit hebben beweerd dat zij een regularisatie vragen op basis van de medische toestand van Meneer XXX, zodat dit deel van de motivering van de bestreden beslissing niet ter zake doet; Dat de bestreden beslissing verwijst naar medische getuigschriften ingevuld door de behandelende geneesheer van de eisers op 4 september 2003, waarin voor Mevrouw XXX zou vermeld staan dat haarverzorging zou kunnen worden verdergezet in het land van herkomst en dat zij zou kunnen reizen en voor Meneer XXX dat hij zou kunnen reizen en dat hij medische behandeling krijgt die niet kali worden verdergezet in het land van herkomst; Dat deze medische getuigschriften niet zijn meegedeeld aan de eisers in bijlage aan de bestreden beslissing, die er dus geen kennis van hebben kunnen nemen; Dat het artikel 62 valt de wet van 15 december 1980 impliceert dat de tegenpartij verplicht is om op basis van een volledig dossier een beslissing te nemen en indien men zich baseert op bepaalde informatie, dan moet deze worden ter kennis gebracht van de betrokkenen, zodat zij volledig in kennis worden gesteld van de motieven van de bestreden beslissing; Dat de eisers niet in kennis zijn gesteld van de medische getuigschriften ingevuld door hun behandelende geneesheer op 4 september 2003 waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing, wat een kennelijk gebrek aan motivering is, in strijd met de artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juni 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen; Dat de bestreden beslissing stelt dat er met worden gestaafd aan de hand van concrete elementen dat de zorgen van Meneer XXX niet zouden kunnen worden verdergezet in het land van herkomst en dat volgens de informatie van de tegenpartij de vereiste medische zorgen en de vereiste medicatie wel voorhanden zou zijn in liet land van herkomst en dat, gezien de aard van de problemen van betrokkene een behandeling in een taal die niet de moedertaal is, tegenaangewezen zou zijn; Dat het aan de tegenpartij toekwam om aan de eisers of de behandelende geneesheer meer informatie te vragen indien men van mening was dat er meer elementen zouden nodig zijn om te beoordelen of de vereiste medische zorgen en medicatie voorhanden zouden zijn in het land van herkomst, wat niet is gebeurd; Dat de behandelende geneesheer van de eisers reeds heeft bevestigd in een medisch attest op basis van diens expertise dat de medische behandeling van Meneer XXX niet zou kunnen worden verdergezet in het land van herkomst, zodat het aan de tegenpartij toekomt om aan te tonen aan de hand van concrete en objectieve elementen waarom men van oordeel is dat deze medische zorgen en vereiste medicatie voorhanden zouden zijn in het land van herkomst; De bestreden beslissing er zich toe beperkt om te stellen dat volgens de voorhanden informatie de vereiste medische zorgen en medicatie zouden voorhanden zijn in het land van XIV-19.538-5/16 herkomst, zonder de preciseren om welke informatie het precies gaat die de tegenpartij in haar bezit zou hebben en waarop ze de bestreden beslissing heeft gebaseerd; Dat de doelstelling van de formele motivering die erin bestaat om de betrokken partijen in kennis te stellen van alle elementen in feite en inrechte die hebben geleid tot de bestreden beslissing in dit geval niet worden bereikt omdat de bestreden beslissing de bron van informatie van de tegenpartij met identificeert en er dus niet kan worden nagegaan volgens welke informatie de medische zorgen en medicatie voor Meneer XXX zouden voorhanden zijn in zijn land van herkomst; Dat er aan de eisers geen enkel document is ter kennis gebracht door de tegenpartij dat erop wijst dat de medische zorgen en de medicatie verwijst voor Meneer XXX voorhanden zouden zijn in zijn land van herkomst en die ook de bewering zouden staven dat een behandeling in een taal die met de moedertaal is, tegenaangewezen zou zijn gezien de aard van de problemen van Meneer XXX; Dat de bestreden beslissing daarom een kennelijk gebrek aan motivering en een inadequate motivering vertoont, in strijd met artikelen 9, alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juni 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen vertoont, evenals een schending van het artikel 3 van het E.V.R.M. omdat met is aangetoond dat in geval van terugkeer naar het land van herkomst van de eisers er geen risico zou zijn op verergering van de gezondheidstoestand van de eisers, gelet op de om beschikbaarheid van medische zorgen en medicatie 'n hun land van oorsprong.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “2. IN RECHTE. In een enig middel beroepen verzoekers zich op een vermeende schending van: - art. 9, 3/ lid en art. 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, - de artt. 1 -3 van de wet dd. 29.07.1991, - art. 3 EVRM Verzoekers hun enig middel kan worden onderverdeeld in volgende onderdelen: - Betreffende de vermeende schending van de artt. 1 -3 van de Wet dd. 29.07.1991 en het art. 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980. In een eerste onderdeel van hun enig middel beroepen verzoekers zich op een vermeende schending van de artt. 1-3 van de Wet dd. 29.07.1991. Dienaangaande stelt de verwerende partij vooreerst vast dat bij lezing van het inleidend verzoekschrift blijkt dat verzoekers daarin inhoudelijke kritiek leveren, en daarbij blijk geven kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Het is volgens de verwerende partij dan ook ten overvloede dat kan worden vastgesteld dat verzoekers zichzelf tegenspreken als zij stellen de motivering van de door hen bedoelde akte ‘niet afdoende’ te achten, terwijl zij perfect bij machte blijken om de inhoud van die akte weer te geven in hun inleidend verzoekschrift. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoekers het vereiste belang ontberen bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R v. St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht, vervat in de wetsartikelen waarvan verzoekers de schending opwerpen, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 4.7.1996, TB.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. De naleving van de formele motiveringsplicht houdt geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Am Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, FJ F. 1998, 693). Ten overvloede merkt de verwerende partij nog op dat de in casu bestreden beslissing genoegzaam met redenen is omkleed, aangezien daarin zowel haar juridische grondslag als haar feitelijke grondslag zijn vermeld. Zo wordt in de in casu bestreden beslissing o.a. gesteld dat: - de redenen die werden aangehaald waarom de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan worden ingediend via de gewone procedure, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland niet kunnen worden aanvaard uitzonderlijke omstandigheden, - de problemen in het land van herkomst het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag, en gezien de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard, XIV-19.538-6/16 betrokkenen gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven tot er een uitvoerbare beslissing wordt genomen m.b.t. de asielaanvraag, - het medisch motief niet kan weerhouden worden, - uit het medisch attest van de behandelende geneesheer blijkt dat verzoekster geen directe medische zorgen nodig heeft en kan reizen, - het medisch attest van de behandelende geneesheer van verzoeker niet wordt gestaafd aan de hand van concrete elementen, - de vereiste medische zorgen als de vereiste medicatie voorhanden zijn in het land van herkomst. Deze vermeldingen laten verzoekers toe kennis te hebben van de gronden op basis waarvan hun aanvraag om machtiging tot verblijf werd verworpen, en maken dat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Verzoekers kunnen niet ernstig anders voorhouden. Aangaande verzoekers hun kritiek dat ‘de medische getuigschriften niet zijn medegedeeld aan de eisers in bijlage aan de bestreden beslissing’ en zij ‘er dus geen kennis van hebben kunnen nemen’, laat de verwerende partij gelden dat verzoekers kritiek niet opgaat nu de betrokken medische getuigschriften zich in het administratief dossier bevinden (stuk 86 van het administratief dossier nr. 5.254.021 en stuk 43 van het administratief dossier nr. 524.023) en verzoekers er wel degelijk kennis van kunnen nemen. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers eerste onderdeel van hun enig middel niet kan worden aangenomen. Betreffende de vermeende schending van het art. 9, 3' lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980. In een tweede onderdeel van het enig middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van het art. 9, 3' lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980. Verzoekers achten dit artikel kennelijk geschonden omdat hun aanvraag om machtiging tot verblijf niet ontvankelijk werd verklaard, daar te hunnen opzichte geen buitengewone omstandigheden konden weerhouden worden in de zin van art. 9, lid 3 van de Wet dd. 15.12.1980. De verwerende partij wijst er op dat uit art. 9 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, duidelijk blijkt dat in lid 2 van dit wetsartikel een algemene regel is gesteld ten aanzien waarvan lid 3 zich verhoudt als een restrictief toe te passen uitzondering. Laatstgenoemd lid heeft slechts tot doel om vreemdelingen die in hun land van herkomst of van oponthoud geen Belgische diplomatieke overheid ter beschikking hebben of om een aan henzelf vreemde reden de aanvraag niet kunnen doen bij die overheid, toch de gelegenheid te geven een machtiging aan te vragen tot langdurig verblijf in België. Verzoekers, in wiens land van herkomst België een diplomatieke vertegenwoordiging bezit en in wiens hoofde geen reden in de laatst vermelde zin bestaat, kunnen zich niet op een ontvankelijke wijze beroepen op art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste, gelet op de specifieke elementen die verzoekers hun concrete situatie kenmerken en geheel conform de ter zake relevante rechtsregels, het art. 9, 3' lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 incluis, terecht dat geen uitzonderlijke omstandigheden werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag niet kunnen indienen via de gewone procedure. Verzoekers hun uiteenzetting kan aan het voorgaande geen afbreuk doen. Dienaangaande laat de verwerende partij gelden dat in de in casu bestreden beslissing terecht wordt gesteld dat de problemen in het land van herkomst niet kunnen worden aanvaard als uitzonderlijke omstandigheid nu deze het voorwerp uitmaken van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag en, gezien de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard, betrokkenen gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven tot er een uitvoerbare beslissing wordt genomen m.b.t. de asielaanvraag. M.a.w. verzoekers hoeven op huidig ogenblik het grondgebied niet te verlaten, en hoeven geenszins terug te keren naar hun land van herkomst. Uiteraard diende de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken dan ook niet te motiveren ‘in welke mate verzoekers toch zouden kunnen terugkeren naar Rusland om aldaar de aanvraag tot machtiging van verblijf in te dienen in toepassing van het art. 9, 2/ lid van de [Vreemdelingenwet] dd. 15.12.1980 zonder vervolging te moeten vrezen omwille van hun etnische origine". Betreffende verzoekers beschouwingen dat de Omzendbrief dd. 19.02.2003 voorziet dat ‘uitzonderlijke omstandigheden worden vermoed indien men de regularisatieaanvraag indient als student en indien de aanvraag tot machtiging van verblijf wordt ingediend gedurende het wettig verblijf van de betrokkene’ en dat zij ‘op wettige wijze in het Rijk verblijven, zodat de uitzonderlijke omstandigheden moeten worden vermoed in toepassing van de Omzendbrief’, laat de verwerende partij het volgende gelden. De omzendbrief dd. 19.02.2003 bepaalt het volgende: XIV-19.538-7/16 ‘... In principe moet de vreemdeling die wettig in het Rijk verblijft (bijvoorbeeld als toerist met een geldig paspoort en visum) ook het bestaan van buitengewone omstandigheden aantonen om zijn aanvraag voor een machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden op het Belgische grondgebied te rechtvaardigen. Deze buitengewone omstandigheden worden evenwel verondersteld aanwezig te zijn: - wanneer alle voorwaarden voor het verkrijgen van een machtiging tot verblijf zijn vervuld, - als student (zie artikel 58 en volgende van de wet en de omzendbrief van 15 september 1998 betreffende het verblijf van vreemdelingen die in België wensen te komen studeren, B.S. van 4 november 1998), - en wanneer de aanvraag voor de machtiging tot verblijf is ingediend tijdens het wettelijk verblijf van de betrokkene...’ Verzoekers beschikken niet over een wettig verblijf in de zin van de omzendbrief dd. 19.02.2003 (bijvoorbeeld paspoort met visum), en kunnen zich terzake derhalve niet dienstig beroepen op de voormelde omzendbrief. Betrokkenen hun beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Gelet op het voorgaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers tweede onderdeel van hun enig middel niet kan worden aangenomen. - Betreffende de vermeende schending van het art. 3 EVRM. In een derde onderdeel van hun enig middel beroepen verzoekers zich op de vermeende schending van art. 3 EVRM. De verwerende partij merkt vooreerst op dat aan het door verzoekers kennelijk bedoelde verdragsvoorschrift is voldaan wanneer de bestreden beslissing tot stand is gekomen met eerbiediging ervan, daar de verwerende partij de uit dit voorschrift voortvloeiende verplichtingen slechts kan waarborgen binnen het eigen grondgebied (R.v.St. nr. 38.363, 19.12.1991, Arr. R v.St. 1991, z.p.). Bovendien oordeelde het Hof van Cassatie bij arrest dd. 04.02.1993 (nr. 9567) dat het uit het land zetten van een vreemdeling een schending van het art. 3 E.V.R.M. kan uitmaken, ‘in zoverre er ernstige en duidelijke redenen zijn om te geloven dat de betrokkene, indien hij aan die Staat (waaruit hij gevlucht
  2. is)wordt overgeleverd, een reëel risico loop om te worden onderworpen aan folteringen, of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, maar dat die bepaling evenwel niet impliceert dat een vreemdeling het recht heeft het grondgebied van een bepaalde Staat binnen te komen of er te verblijven’. Terwijl de in casu bestreden beslissing, houdende de verwerping van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf, verzoekers geenszins verplicht terug te keren naar hun land van herkomst (cf. R.v.St. nr. 50.187, 14.11.1994, en nr. 50.130, 9.11.1994, Arr R v.St. 1994, z.p.), en zelfs vooropstelt dat betrokkenen gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven tot er een uitvoerbare beslissing wordt genomen m.b.t. de asielaanvraag. De verwerende partij is de mening toegedaan dat ook verzoekers derde onderdeel van hun enig middel niet kan worden aangenomen.”; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord nog het volgende aanvoeren: “Eerste en enige middel: Manifest gebrek aan motivering wat een schending uitmaakt van de artikelen 9,- alinea 3 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang to het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering va bestuurshandelingen en het artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en van de Fundamentele Vrijheden. 1. Eerste onderdeel betreffende de asielaanvraag van de eisers Overwegende dat de verwerende partij beweert dat het voldoende zou zijn om vast te stellen dat de eisers inhoudelijke kritiek leveren, omdat ze daarbij blijk zouden geven kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing; Dat indien men dit argument zou aanvaarden, dit zou betekenen dat de Raad van State in geen enkel geval meer zou kunnen komen tot een nietigverklaring van een beslissing van de tegenpartij, want vanaf het moment dat de motivering van een beslissing zou worden bekritiseerd, zou men, volgens de redenering van de tegenpartij, al moeten vaststellen dat de beslissing afdoende gemotiveerd zou zijn door het loutere feit dat er kritiek wordt gegeven op de motieven van de beslissing; Dat indien men de redenering van de tegenpartij zou aanvaarden, dan zou men enkel tot een nietigverklaring komen van een beslissing indien deze beslissing volledig blanco zou zijn en dus zou nalaten enige motivering te vermelden; Dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing op een bepaalde wijze gemotiveerd is, nog niet inhoudt dat aan de formele motiveringsplicht zou zijn voldaan, omdat het ook nog toekomt XIV-19.538-8/16 aan de Raad van State om de juridische en feitelijke correctheid van de aangehaalde motieven te controleren; Dat het daarbij manifest niet voldoende is dat een juridische en feitelijke grondslag zijn vermeld in de bestreden beslissing, wat een vage en stereotype formulering zou uitmaken, die al verschillende keren zijn gesanctioneerd door de Raad van State; 13 maart 2007at de Raad van State reeds verschillende keren heeft geoordeeld dat de verplichting tot formele motivering inhoudt dat er een adequate, exacte motivering moet zijn voorzien en een grondig onderzoek van de argumenten van de eiser ( C.E., n/ 76. 877,10 november 1998, n/ 78. 764,17 februari 1999): Dat wat betreft de asielaanvraag en de beslissing tot een verder onderzoek van de elementen ingeroepen in het kader van asielaanvraag, waardoor de eisers gemachtigd zijn om in het rijk te verblijven tot er een uitvoerbare beslissing wordt genomen met betrekking tot hun asielaanvraag, door de bestreden beslissing wordt nagelaten te motiveren waarom dit element geen uitzonderlijk omstandigheid zou uitmaken die de eisers ervan verhindert om de aanvraag indienen conform het artikel 9, alinea 2 van de wet van 15 december 1980; Dat de bestreden beslissing zelf vermeldt dat de eisers gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven tot er een uitvoerbaar beslissing wordt genomen met betrekking tot de asielaanvraag, zodat men zich redelijkerwijze de vraag kan stellen waarom dit element niet als een uitzonderlijke omstandigheid werd weerhouden; Dat de bestreden beslissing laat uitschijnen dat de motivering betreffende dit element het volgende zou zijn: ‘De problemen in hun land maken momenteel nog het voorwerp uit van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag dd. 06/8/2002. Gezien de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard bij beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen, zijn betrokkenen gemachtigd in het Rijk te blijven tot er een uitvoerbare beslissing in deze aanvraag wordt genomen.’; Dat de bestreden beslissing zich ertoe beperkt om vast te stellen dat de eisers zijn gemachtigd tot verblijf tot er een uitvoerbare beslissing is genomen in het kader van asielaanvraag, maar dit kan geen motivering uitmaken betreffende de problemen die de eisers vrezen geval van terugkeer naar hun land van oorsprong die als uitzonderlijke omstandigheid werd ingeroepen door de eisers; Dat er aan de eisers niet meer moet worden duidelijk gemaakt dat zij zijn gemachtigd tot verblijf in het rijk tot er een uitvoerbare beslissing is genomen in het kader van hun asielaanvraag, omdat zij dit wel heel goed weten, maar dat deze voorlopige machtiging tot verblijf voor hen geen geldige reden van uitmaken voor de door hen gevreesde problemen in geval van terugkeer naar hun land van herkomst te verwerpen als uitzonderlijk omstandigheden; Dat het aan de tegenpartij toekomt om de aanhangig zijnde asielaanvraag van de eisers als een feit te aanvaarden, wat tot gevolg heeft dat men nog niet met zekerheid kan stellen, op basis van een uitvoerbare beslissing genomen in het kader van de asielaanvraag of de eisers nog effectief een vrees kunnen hebben om nog vervolgingen te ondergaan in hun land van herkomst; Dat hoewel de bevoegde asielinstanties nog niet in een definitieve uitvoerbaar beslissing de vrees van de eisers om vervolgingen te ondergaan hebben onderzocht en beoordeeld, dat in dit stadium niet kan worden geoordeeld door de tegenpartij dat de eisers geen enkele reden zouden aanhalen om de aanvraag tot machtiging tot verblijf niet in te dienen bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire post in hun land van herkomst; Dat zolang er geen definitief oordeel is geveld over de vrees van de eisers in het kader van hun asielaanvraag, er niet door de tegenpartij kan worden vooropgelopen op die beslissing door helemaal geen rekening gehouden met deze elementen die de vrees van de eisers rechtvaardigen; Dat in afwachting van een definitieve beslissing omtrent de asielaanvraag van de eisers er door de Belgische en internationale rechtsregels aan de eisers een voorlopige bescherming wordt gegeven, teneinde de Belgische instanties de tijd en de mogelijkheid te geven om het asieldossier van de eisers ten gronde te onderzoeken; Dat zolang de Belgische asielinstanties er nog niet toe zijn gekomen om een definitieve uitvoerbare beslissing in het kader van het asieldossier van de eisers te nemen, het verboden is om de eisers te verplichten terug te keren naar hun land van herkomst, gezien zij er een risico lopen op vervolging en mensonterende en vernederende behandelingen, in strijd met het artikel 3 van het E.V.R.M. en het beginsel van het verbod op vergrijzing van het artikel 33 van de Conventie van Genève betreffende het statuut van vluchtelingen; Dat de tegenpartij beweert dat de eisers op huidig ogenblik het grondgebied niet hoeven te verlaten en dat ze geenszins terug zouden moeten keren naar hun land van herkomst; Dat krachtens de Belgische wetgeving, de eisers de mogelijkheid hebben om een aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen, dit ofwel bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire post in hun land van herkomst ofwel bij de Burgemeester van de gemeente van hun verblijf in België indien zij uitzonderlijk omstandigheden inroepen; Dat de bestreden beslissing tegelijk stelt dat de eisers het Belgisch grondgebied niet hoeven te verlaten en dat ze niet moeten terugkeren naar hun land van herkomst, maar tegelijkertijd worden alle elementen ingeroepen door de eisers als uitzonderlijk omstandigheden verworpen, XIV-19.538-9/16 zodat de eisers geen andere keuze wordt gelaten door de bestreden beslissing dan deze in te dienen in hun land van herkomst; Dat de bestreden beslissing de facto dus de eisers verplicht, indien zij hun rechten willen laten gelden in het kader van een aanvraag tot machtiging tot verblijf, mogelijkheid die hen geboden wordt door de Belgische wet, daarvoor terug te keren naar Rusland; Dat het erop neerkomt dat aan de eisers de mogelijkheid wordt ontnomen om een beroep te doen op deze wettelijke mogelijkheid om een aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen omwille van humanitaire redenen, nu zij zich in de onmogelijkheid bevinden om terug te keren naar hun land van herkomst, omwille van hun vrees voor vervolgingen, die trouwens niet als manifest ongegrond is beschouwd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatslozen; Dat het ontoelaatbaar is dat de tegenpartij aan de eisers een wettelijke mogelijkheid ontneemt om hun aanvraag tot machtiging tot verblijf onderzocht te zien door te beweren dat zij zonder problemen zich zouden kunnen conformeren naar het artikel 9, alinea 2 van de wet van 15 december 1980, terwijl er tegelijkertijd in de Memorie van Antwoord wordt vermeld dat de eisers momenteel het grondgebied niet moeten verlaten en dus niet moeten terugkeren naar hun land van herkomst; Dat het gaat om een totale contradictorische redenering waaruit blijkt dat de tegenpartij weigert de verantwoordelijkheid op te nemen voor een onderzoek ten gronde van de aanvraag tot machtiging tot verblijf van de eisers; Dat men niet tegelijkertijd kan gaan beweren dat de eisers geen uitzonderlijk omstandigheden zouden aanhalen die rechtvaardigen dat zij de aanvraag tot machtiging tot verblijf niet kunnen indienen in hun land van herkomst en ook dat zij gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven en dus het Belgisch grondgebied niet moeten verlaten om terug te keren naar hun land van herkomst op moeten; Dat de tegenpartij eveneens beweert in haar Memorie van Antwoord : ‘Uiteraard dient de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken dan ook niet te motiveren ‘in welke mate verzoekers toch zouden kunne terugkeren naar Rusland om aldaar de aanvraag tot machtiging van verblijf in te dienen in toepassing van het art. op9,2/ lid van de [Vreemdelingenwet] dd. 15.12.1980 zonder vervolging te moeten vrezen omwille van hun etnische origine’; Dat deze opmerking ten zeerste verbaast; omdat het beginsel van de verplichting tot formele motivering in toepassing van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 heel bekend moet zijn om de tegenpartij, omdat dit beginsel met name inhoudt dat de tegenpartij verplicht is om in het kader van een aanvraag tot machtiging van verblijf alle elementen ingeroepen door de betrokkenen in aanmerking te nemen, door de motivering van de bestreden beslissing aan te tonen dat al deze elementen zijn onderzocht op en daarom dus duidelijk te motiveren waarom het ene of het gene argument niet zou kunnen worden weerhouden als uitzonderlijk omstandigheid; Dat het verweer van de tegenpartij als zou zij niet verplicht zijn om te motiveren waarom de eisers toch niet zouden kunnen terugkeren naar Rusland om daar de aanvraag tot machtiging tot verblijf in te dienen in toepassing van het artikel 9, alinea 2 van de wet van 15 december 1980 zonder vervolging te moeten vrezen omwille van hun etnische origine daarom totaal ingaat tegen de algemene principes die voortvloeien uit de verplichting tot formele motivering en die zijn bekrachtigd door de rechtspraak van de Raad van State; Dat de tegenpartij wel degelijk verplicht is om alle argumenten van de eisers in aanmerking te nemen en te motiveren waarom een vrees voor vervolgingen niet als uitzonderlijke omstandigheid zou kunnen worden aanvaard; Dat de tegenpartij zich niet het recht mag voorbehouden om te kiezen op welke argumenten zij al dan niet antwoordt in de motivering van een bestreden beslissing; Dat aldus de Memorie van Antwoord van de tegenpartij zelf daarom uitdrukkelijk aangeeft dat de bestreden beslissing behept is met een gebrek aan motivering, omdat men het niet nodig achtte te motiveren waarom de eisers toch de aanvraag tot machtiging tot verblijf zouden kunnen indienen in toepassing van het artikel 9, alinea 2 van de Vreemdelingenwet in Rusland zonder vervolging te moeten vrezen omwille van hun etnische origine te motiveren; Dat omwille van het feit dat de tegenpartij zelf uitdrukkelijk toegeeft dat er geen motivering is van de bestreden beslissing op dit punt, er niet anders kan dan worden vastgesteld dat de bestreden beslissing een kennelijk gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de aangehaalde wetsbepalingen; Dat de tegenpartij in haar Memorie van Antwoord ook nog beweert dat de eisers geen wettelijk verblijf zouden hebben in de zin van de Omzendbrief van 19 februari 2003 op, waardoor zij zich niet zouden kunnen beroepen op deze Omzendbrief, die bepaalt dat de uitzonderlijke omstandigheden worden vermoed wanneer de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend tijdens het wettelijk verblijf van de betrokkenen; Dat de tegenpartij nalaat uit te leggen wat er dan wel precies zou moeten worden verstaan onder ‘wettelijk verblijf’ in de zin van de Omzendbrief en zich echter beperkt aan te geven dat een wettelijk verblijf bijvoorbeeld een verblijf kan zijn gedekt door een paspoort met visum; XIV-19.538-10/16 Dat er redelijkerwijze niet kan worden betwist dat de eisers over een wettelijk verblijf beschikken, een begrip dat op letterlijke wijze moet worden geïnterpreteerd; Dat een wettelijk verblijf een verblijf uitmaakt toegestaan door de autoriteiten van het betrokken land waar er verbleven wordt, of dit nu door een visum is of een speciale machtiging tot verblijf; Dat de eisers zijn gemachtigd tot een verblijf in het Rijk in het kader van hun asielaanvraag, zoals de bestreden beslissing dit zelf bevestigt; Dat de eisers aldus op een wettige en een wettelijke wijze in het rijk verblijven, in uitvoering van een voorlopige machtiging tot verblijf door de Belgische overheden; Dat de Omzendbrief van 19 februari 2003 zelf niet nader bepaalt wat er precies moet worden begrepen onder ‘wettelijk verblijf’, zodat men dit begrip enkel op letterlijke wijze kan interpreteren; Dat het tegenovergestelde van wettelijk verblijf een onwettelijk verblijf lijkt te zijn en er kan helemaal niet worden beweerd dat de eisers zich in een onwettelijke of onwettige verblijfstoestand zouden bevinden, nu zij zijn gemachtigd tot verblijf in het kader van hun asielaanvraag; Dat krachtens de Belgische wettelijke bepalingen terzake, de eisers zijn gemachtigd tot een verblijf, wat wettelijk wordt gemaakt door het feit dat dit voortvloeit uit de toepassing van deze wetsbepalingen; Dat behalve krachtens de Omzendbrief van 19 februari 2003 het vermoeden van de uitzonderlijk omstandigheden op geldige wijze werd ingeroepen door de eisers, vermoeden dat niet werd weerlegd door de motivering van de bestreden beslissing, die volledig nalaat te motiveren waarom het punt 1.1. van de Omzendbrief niet vermocht te komen tot de conclusie van uitzonderlijke omstandigheden, gelet op de indiening van de aanvraag tot machtiging van verblijf gedurende het wettelijk verblijf van de eisers; Dat om die redenen, de eisers van mening zijn dat het middel gegrond moet worden verklaard; Dat de eisers voor het overige verwijzen naar de motivering van het gedinginleidend verzoekschrift; 2. Tweede onderdeel: Betreffende de medische elementen ingeroepen door de eisers. Overwegende dat de verweerde partij van mening is dat de eisers wel degelijk kennis zouden kunnen nemen van de medische getuigschriften die zich in het administratief dossier bevinden; Dat het deel uitmaakt van de verplichting tot formele motivering dat de stukken waarop de motivering van de bestreden beslissing zich baseert, deel moeten uitmaken van dezelfde bestreden beslissing, teneinde alle elementen te kennis te brengen aan de betrokkenen die tot het nemen van de bestreden beslissing hebben geleid; Dat de bestreden beslissing beweert dat in een medisch attest ingevuld door de behandelende geneesheer op 4 september 2003 zou staan dat de verzorging van Mevrouw XXX zou kunnen worden verdergezet in haar land van herkomst en dat zij zou kunnen reizen; Dat eerst en vooral terug moet worden herhaald dat de eisers geen kennis hebben kunnen nemen van dit stuk, zodat zij niet kunnen nagaan in welke mate deze beoordeling betrouwbaar is en correct is, nu de behandelend geneesheer van Mevrouw XXX in een medisch attest van 1 april 2004 bevestigd dat ‘XXX zich in een niet-optimale lichamelijke toestand bevindt waardoor zij beperkt is in reis mogelijkheden (geen langdurige reis in zelfde houding), dagelijkse verzorging nodig heeft, een strikt medicatie-schema moet naleven en een nabije dringende hulpverlening voorhanden moet zijn’; Dat deze bevestiging in het medisch attest van 1 april 2004 totaal in tegenstrijd lijkt te zijn met het beweerde medisch attest dat zich in het administratief dossier zou bevinden van 4 september 2003; Dat de bewering van de tegenpartij als zouden de eisers kennis kunnen nemen van deze stukken in het administratief dossier niet correct is, gezien zij over een termijn beschikken van 30 dagen om verzoekschriften indienen bij de Raad van State en dat zij in die termijn niet de mogelijkheid hebben om het administratief dossier in te kijken; Dat de eisers slechts de mogelijkheid hebben om het administratief dossier in te kijken of dit is neergelegd op de griffie van de Raad van State, wat tot gevolg heeft dat hun mogelijkheden van verdediging automatisch beperkt zijn, omdat zij pas op dat moment kunnen kennisnemen van de medische stukken van de tegenpartij die zich in het administratief dossier bevinden; Dat op dat moment de eisers hun verzoekschrift reeds hebben moeten ingediend, waarin zij normaal gezien alle hun elementen van verdediging moeten aanhalen tegen de bestreden beslissing, maar zij hebben niet alle hun argumenten kunnen aanhalen tegen de medische attesten waarop de motivering van de bestreden beslissing is gebaseerd; Dat de Raad van State reeds heeft beslist dat de vereiste van een formele motivering pas wordt nageleefd indien er een compleet dossier aanwezig is om een beslissing te motiveren zodat met de beslissing tegelijkertijd de bijlagen moeten worden meegedeeld aan de vreemdeling waarop de beslissing zich baseert; Dat aldus er werd geoordeeld door de Raad van State dat indien deze medische attesten waarop de bestreden beslissing zich baseert niet zijn meegedeeld aan de vreemdeling, deze XIV-19.538-11/16 laatste niet al zijn rechtsmiddelen kan laten gelden ten aanzien van de motieven die hebben geleid tot het nemen van de beslissing, zodat er niet is voldaan aan de verplichting tot formele motivering (C.E., n/ 75. 389,22 juli 1998, C.E., n/ 78. 711,11 februari 1999); Dat om die redenen de medische attesten verzameld door de tegenpartij en waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, moeten worden meegedeeld in bijlage van de bestreden beslissing aan de eisers, zodat zij hun middelen van verdediging en hun kritiek kunnen laten gelden in het verzoekschrift dat zij indienen tegen de bestreden beslissing, zoniet en hun rechten van verdediging geschonden; Dat de eisers voor het overige verwijzen naar de motivering van het gedinginleidend verzoekschrift.”; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van de artikelen 9, derde lid, en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.3. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissing kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van deze aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te XIV-19.538-12/16 stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; 2.3. Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partijen geen buitengewone omstandigheden hebben ingeroepen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de XIV-19.538-13/16 aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partijen een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of hun aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partijen hebben ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in hun land van oorsprong hebben ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven opgeeft: - de problemen in hun land maken momenteel nog het voorwerp uit van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag dd. 06/08/2002; gezien de asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard bij beslissing van de Commissaris-generaal, zijn betrokkenen gemachtigd in het Rijk te blijven tot er een uitvoerbare beslissing in deze aanvraag wordt genomen; - betrokkenen beroepen zich ook op hun medische toestand; in het medisch getuigschrift m.b.t. de heer XXX, ingevuld door de behandelende geneesheer op 04/09/2003, staat dat de verzorging van betrokkene verdergezet kan worden in het land van herkomst en dat betrokkene kan reizen; in het medisch getuigschrift m.b.t. XXX, ingevuld door de behandelende geneesheer op 04/09/2003, staat dat betrokkene kan reizen en dat betrokkene een medische behandeling krijgt, alsook dat de zorgen niet verdergezet zouden kunnen worden in het land van herkomst; dit laatste wordt echter niet gestaafd a.d.h.v. concrete elementen; volgens onze informatie zijn zowel de vereiste medische zorgen als de vereiste medicatie voorhanden in het land van herkomst; meer nog, gezien de aard van de problemen van betrokkene is een behandeling in een taal die niet de moedertaal is tegenaangewezen; het medisch motief kan derhalve niet weerhouden worden; Overwegende dat uit stuk 83 van administratief dossier nummer 1 blijkt dat de verzoekende partijen in hun aanvraag bij de uiteenzetting van de buitengewone omstandigheden uitdrukkelijk het volgende vermeldden: “Omwille van het feit dat hun asielaanvraag nog steeds aanhangig is, kan er van hen niet worden geëist dat zij deze indienen in hun land van oorsprong, waar zij nog steeds vrezen te zullen worden vervolgd.”; XIV-19.538-14/16 Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing enerzijds bevestigt dat de problemen in het land van herkomst “momenteel nog het voorwerp uit(maken) van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag” en stelt dat, gelet op de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, de verzoekende partijen “gemachtigd (zijn) in het Rijk te blijven tot er een uitvoerbare beslissing in deze aanvraag wordt genomen”, doch anderzijds blijkt hij zulks niet te aanvaarden als een buitengewone omstandigheid die het indienen van de aanvraag in België zou verantwoorden, aangezien hij deze aanvraag onontvankelijk verklaart; Overwegende dat de verzoekende partijen dan ook dienen te worden bijgevallen waar zij in een eerste onderdeel van het enig middel stellen “dat het evident is dat in dit stadium van de asielprocedure (...) er door de tegenpartij niet kan worden geoordeeld dat de aanhangige asielaanvraag (...) geen uitzonderlijke omstandigheid zou uitmaken” aangezien, zoals de verzoekende partijen terecht aanvoeren, “de tegenpartij niet kan uitsluiten dat (...) (
  3. ze)vervolgingen zullen ondergaan in geval van terugkeer naar hun land van oorsprong (...), gelet op het feit dat hun asielaanvraag ontvankelijk is verklaard”; Overwegende dat de repliek die de verwerende partij hieromtrent geeft in haar memorie van antwoord kan niet worden aangenomen; dat de verwerende partij immers stelt dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gewezen op het feit dat de verzoekende partijen, gelet op de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, “gemachtigd (zijn) in het Rijk te blijven tot er een uitvoerbare beslissing in deze aanvraag wordt genomen”; dat volgens de verwerende partij zulks impliceert dat de verzoekende partijen “op huidig ogenblik het grondgebied niet (hoeven) te verlaten” en dat zij “geenszins (dienen) terug te keren naar hun land van herkomst”; dat gelet op de aard van de bestreden beslissing, waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard en waarbij de minister van Binnenlandse Zaken oordeelt dat de aanvraag dient te gebeuren “via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland”, het immers net deze anomalie is die door de verzoekende partijen wordt bekritiseerd; dat de verzoekende partijen er in hun memorie van wederantwoord dan ook terecht op wijzen dat de stelling van de verwerende partij “een totale contradictorische redenering” uitmaakt; dat de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 1 tot en met 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen op afdoende wijze is aangetoond; dat het enig middel bijgevolg in de mate dat het hierboven werd besproken, gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. XIV-19.538-15/16 Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 maart 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 24 maart 2004. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-19.538-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.