← België

Arrest 169261 - Plannen van aanleg - 21/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.261 Rolnummer: A. 176020/X-12991 Zaak: Arrest 169261 - Plannen van aanleg - 21/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-28 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 18:18 Fiche Arrest nr 169.261 van 21 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.261 van 21 maart 2007 in de zaak A. 176.020/X-12.991. In zake : Etienne VAN GOEYE, die woonplaats kiest bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5, 2. de gemeente KRUIBEKE. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Etienne VAN GOEYE op 21 augustus 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 30 mei 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring, met uitzondering van de blauw omrande delen, van het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA zonevreemde bedrijven fase 3 - Chocolaterie Duc D’O” genaamd, van de gemeente Kruibeke, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 juni 2006; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2006; X-12.991-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. HUYGENS, die loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. AERTS die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; Overwegende dat de verzoeker woont te Kruibeke, Bazelstraat 206 (gewestweg N419); dat zijn eigendom aan de achterzijde paalt aan de percelen die eigendom zijn van het bedrijf Chocolaterie Duc D’O; dat dit bedrijf zich situeert tussen het woonlint gelegen langs de Bazelstraat en de vergunde ringdijk van het gecontroleerd overstromingsgebied langs de Schelde (Scheldevallei), achter de lintbebouwing langs de gewestweg; Overwegende dat de percelen waarop het bedrijf Duc D’O thans is gevestigd, volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren zijn bestemd tot industriegebied; dat dit terrein thans volledig volzet is; dat het woonlint volgens hetzelfde gewestplan is gelegen in woongebied en woongebied met landelijk karakter; dat het gebied, gelegen tussen het bedrijf en de Schelde, door het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Gecontroleerd Overstromingsgebied met Natuurverwevingsgebied Kruibeke-Bazel- Rupelmonde” van 16 januari 2004 is bestemd, tot aan de ringdijk, tot gebied voor waterbeheersing voor de Barbierbeek , en voorbij de ringdijk, tot gecontroleerd overstromings- en natuurgebied met overdruk natuurverwevingsgebied; dat de percelen gelegen ten noorden en ten zuiden palend aan het plangebied overeenkomstig hetzelfde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gelegen in bouwvrij agrarisch gebied; Overwegende dat noch het bedrijf zelf, noch het perceel gelegen ten noorden van de geplande uitbreiding (Sectie B, nr. 854w) zijn opgenomen in dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; dat het perceel waarop de uitbreiding is X-12.991-2/14 gepland, volgens het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren is gelegen in agrarisch gebied met overdruk gecontroleerd overstromingsgebied; Overwegende dat met het bestreden sectoraal bijzonder plan van aanleg een bestemmingswijziging ter bestendiging en uitbreiding van het bedrijf Chocolaterie Duc D’O. wordt beoogd; Overwegende dat de gemeenteraad van Kruibeke bij besluit van 3 oktober 2005 het sectoraal bijzonder plan van aanleg Chocolaterie Duc D’O voorlopig heeft aangenomen; dat de uitbreidingzone voor dit bedrijf wordt voorzien op het perceel nr. 854w, onmiddellijk palend aan de achterzijde van verzoekers eigendom; Overwegende dat het plan voorziet in een zone voor nijverheidsgebouwen en aanverwante voorzieningen (zone 1), die voor maximum 95% mag worden bezet door bedrijfsgebouwen en verhardingen, met een bouwhoogte tot 8 m in de uitbreidingszone, enkel bedoeld voor uitbreiding van de productiehal, een zone voor private parkeerplaatsen, toeritten, laad- en losplaatsen (zone 2), o.m. onmiddellijk achter verzoekers eigendom, en een groenzone (artikel 3), te weten groenstroken aan de westzijde van het plangebied, langsheen het woonlint, en groenstroken van 8 m breedte aan de noord- en zuidzijde ter visuele afscherming van het bedrijf ten opzichte van de Barbierbeekvallei; dat een bijkomende uitrit naar de Bazelstraat toe is gesitueerd onmiddellijk naast het links aan verzoekers woning palende huis; Overwegende dat onder meer verzoeker tijdens het openbaar onderzoek, dat is gehouden van 27 oktober 2005 tot 30 november 2005, een bezwaarschrift heeft ingediend; dat de GECORO op 5 december 2005 de ingediende bezwaren heeft verworpen; dat de gemeenteraad van Kruibeke in zitting van 12 december 2005 het sectoraal bijzonder plan van aanleg Chocolaterie Duc D’O definitief heeft aangenomen; dat dit bijzonder plan van aanleg bij het thans aangevochten ministerieel besluit van 30 mei 2006 is goedgekeurd, met uitzondering van de twee groenstroken ten noorden en ten zuiden en een gedeelte van de verhardingen ten oosten van het plangebied; dat dit besluit onder meer overweegt wat volgt: “Overwegende dat een gedeelte van het plangebied gelegen is in het bouwvrij agrarisch gebied uit het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan X-12.991-3/14 ‘gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde’; dat van de voorschriften wordt afgeweken met de bestemming ‘groenzone’; dat de afwijking erin bestaat dat een essentieel ruimtelijk deel van de inpassing van het bedrijf, namelijk de strook van 8 meter beplanting aan de noord- en zuidzijde, wordt voorzien in agrarisch gebied; dat de groenstrook niet kan gezien worden als een invulling van het bouwvrij agrarisch gebied, aangezien de strook niet zou worden voorzien als het bedrijf er niet zou zijn; de beplanting past met andere woorden niet binnen een visie voor landschapsopbouw of landschapsherstel voor de gehele strook tussen de bebouwing op de steilrand en de ringdijk van het gecontroleerd overstromingsgebied; dat in het oosten een gedeelte van de ‘verhardingen’ gelegen is binnen het gebied voor waterbeheersing uit het gewestelijk RUP; dat de voorziene verhardingen expliciet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering, en bijgevolg afwijken van de voorschriften uit het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde’; dat de noordelijke en zuidelijke groenstrook, en de oostelijke verhardingen derhalve van goedkeuring wordt onthouden”; dat het bestreden besluit bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 23 juni 2006 is bekendgemaakt; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht, “Doordat, (het) bestreden besluit genomen is op basis van een gebrekkige motivering daar noch het bestreden besluit, noch enig element in het dossier, aangeeft waarom geen passende beoordeling werd opgemaakt wat betreft de betekenisvolle effecten van het plan voor de speciale beschermingszones vogelrichtlijngebied en habitatrichtlijngebied. Het bestreden besluit geen passende beoordeling bevat wat betreft de betekenisvolle effecten van het plan voor de speciale beschermingszones vogelrichtlijngebied en habitatrichtlijngebied. Het bestreden besluit genomen werd zonder voorafgaand advies van de afdeling Natuur. Het goedgekeurde plan een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van het op de locatie in kwestie gelegen vogel- en habitatrichtlijngebied. X-12.991-4/14 TERWIJL 1e onderdeel Een bestuurshandeling maar wettig is voorzover zij afdoende formeel gemotiveerd is. 2e onderdeel Een bestuurshandeling maar wettig is voorzover zij afdoende materieel gemotiveerd is. 3e onderdeel Art. 36ter van het Decreet van 21 oktober 1997 het opmaken van een passende beoordeling verplicht stelt wanneer een plan betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Datzelfde artikel tevens het advies van de administratie bevoegd voor natuurbehoud verplicht stelt. Art. 36ter de goedkeuring van een plan dat een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken verbiedt, tenzij onder stringente voorwaarden waar in casu geenszins aan voldaan is. ZODAT De bestreden beslissing de in het middel aangehaalde beginselen schendt;” dat verzoeker dit middel toelicht als volgt: “TOELICHTING le onderdeel 1. Het art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen stelt uitdrukkelijk dat elke beslissing van een bestuur - i.c. de Minister - de feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. 2. Het gemeenteraadsbesluit waarbij een bijzonder plan van aanleg wordt aangenomen, betreft een reglementair besluit (...) en is derhalve niet onderworpen aan de Wet van 29 juli 1991. Het goedkeuringsbesluit van de Vlaamse Regering daarentegen vormt geen reglementair besluit en is bovendien een beslissing in het raam van het bestuurlijk toezicht. Dit besluit moet bijgevolg op grond van de Uitdrukkelijke Motiveringswet wel formeel gemotiveerd worden. De goedkeuring is de rechtshandeling waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat een besluit van een onder toezicht staande overheid uitwerking mag hebben omdat het noch de wet schendt, noch het algemeen belang. (...) 3. Het perceel waarop in het BPA in kwestie de uitbreiding van Chocolaterie Duc D’O gepland is, is gelegen in het vogelricht!ijngebied ‘Durme en Middenloop van de Schelde’. (...) Daarnaast paalt dit perceel direct aan het habitatrichtlijngebied ‘Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent’. (...) Art. 36ter, §3, van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu luidt als volgt : ‘Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. [...] De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling.’ X-12.991-5/14 Overeenkomstig art. 2, 43/, van datzelfde decreet is een speciale beschermingszone een ‘gebied aangewezen door de Vlaamse Regering in toepassing van de Vogelrichtlijn of van de habitatrichtlijn’. 4. Door het BPA goed te keuren beslist de Vlaamse Regering in feite dat het plan geen betekenisvolle aantasting kan veroorzaken. De vereiste van de uitdrukkelijke motivering houdt onder andere in dat in het besluit verwezen wordt naar de concrete feiten die aan de grondslag liggen van de beslissing, dat de toepasselijke rechtsregels vermeld worden waarop de overheid haar beslissing steunt en dat aangegeven wordt hoe en waarom die juridische regels uitgaande van de vermelde feiten tot dergelijke beslissing leiden. Door het BPA goed te keuren zonder enige verwijzing naar het vogel- en habitatrichtlijngebied of naar de habitattoets van art. 36ter, of naar elementen in het dossier die deze aspecten behandelen, en derhalve zonder enige motivering waarom het BPA geen betekenisvolle aantasting kan veroorzaken, schendt het bestreden besluit de Uitdrukkelijke Motiveringswet. 2e onderdeel 1. Het materieel motiveringsbeginsel houdt in dat de motieven waarop een administratieve rechtshandelïng steunt, voldoende draagkrachtig dienen te zijn. Dit wil o.a. zeggen dat zij in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden en aanvaardbaar zijn. Deze motieven moeten blijken hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier. (...) 2. Nu het bestreden besluit, noch het dossier enig element nopens de toepassing van art. 36ter van het Decreet Natuurbehoud bevatten, wordt het onmogelijk gemaakt om de gegrondheid van de genomen beslissing waar te nemen en is de motivering onvoldoende draagkrachtig. Het besluit schendt derhalve het materieel motiveringsbeginsel. 3e onderdeel 1. Zoals eerder gesteld dient overeenkomstig art. 36ter §3, Decreet Natuurbehoud een plan dat een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. (...) 2. De uitbreiding van een bedrijf in vogelrichtlijngebied maakt op zich reeds zonder enige twijfel een betekenisvolle aantasting uit, nu dit een direct meetbare afname betekent van het verspreidinggebied van de met dit vogelrichtlijngebied beschermde soorten. De hinder (geur, lawaai en licht) die het industriële chocoladebedrijf met zich meebrengt, zal zowel m.b.t. het vogelrichtlijngebied als het aanpalende habitatrichtlijngebied evenzeer een betekenisvolle aantasting veroorzaken naar populatieomvang en instandhouding van de betrokken soorten toe, naar verspreidingsgebied toe en naar omvang van de habitats van de betrokken soorten toe. In casu werd geen passende beoordeling opgemaakt wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszones. 3. Art. 36, §3, 5e alinea, legt de administratieve overheid bovendien de verplichting op om voorafgaand aan haar beslissing het advies te vragen van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, meer bepaald de Afdeling Natuur van AMINAL. X-12.991-6/14 Noch de gemeenteraad noch de V!aamse Regering hebben dit advies opgevraagd. 4. Overeenkomstig art. 36, §5, van het Decreet Natuurbehoud kan ingeval van een betekenisvolle aantasting het plan bij uitzondering slechts onder stringente voorwaarden goedgekeurd worden. Een van deze voorwaarden is het voorafgaand nemen van compenserende maatregelen waarbij een evenwaardige habitat van minstens een gelijkaardige oppervlakte actief is ontwikkeld. In casu werden geen compenserende maatregelen genomen. 5. Het bestreden besluit schendt derhalve art. 36ter van het Decreet Natuurbehoud, doordat geen passende beoordeling werd opgemaakt, doordat geen advies werd ingewonnen van de Afdeling Natuur en doordat het BPA werd goedgekeurd hoewel dit een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone”; Overwegende dat de goedkeuring de rechtshandeling is waarbij de toezichthoudende overheid verklaart dat een beslissing van een onder toezicht staand bestuur uitwerking mag hebben, omdat ze noch de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt; dat de procedure tot aanneming van gemeentelijke plannen van aanleg tot de gemeentelijke bevoegdheid behoort; dat, teneinde een definitief aangenomen bijzonder plan van aanleg verbindende kracht te verlenen, zodanig plan door de Vlaamse regering dient te worden goedgekeurd; Overwegende dat, als maatregel van bijzonder bestuurlijk toezicht, een goedkeuring zelf geen inhoudelijke wijzigingen aan een plan kan aanbrengen; dat de toezichthoudende overheid door de goedkeuring de motieven onderliggend aan het goed te keuren besluit waarbij het plan van aanleg definitief is aangenomen, aanvaardt; Overwegende dat krachtens artikel 2, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de plannen van aanleg, waaronder het bijzonder plan van aanleg, bindende en verordenende kracht bezitten en derhalve geen rechtshandelingen "met individuele strekking" zijn; dat voornoemde wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op het besluit van de gemeenteraad houdende definitieve aanneming van een bijzonder plan van aanleg; dat het goedkeuringsbesluit weliswaar geen reglementair karakter heeft, maar dat het enkel de bevestiging inhoudt van een reglementair besluit dat door een gemeenteoverheid is vastgesteld; dat het middel, in zoverre de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen wordt aangevoerd, niet ernstig is; X-12.991-7/14 Overwegende evenwel dat een bijzonder plan van aanleg, definitief aangenomen door de gemeenteraad en goedgekeurd door de bevoegde Vlaamse minister, zoals elke administratieve akte of elk reglement, dient te zijn gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die moeten blijken, zoniet uit de beslissing zelf, dan toch uit het administratief dossier; Overwegende dat artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu luidt als volgt: “§ 1. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, in de speciale beschermingszones, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, de nodige instandhoudingsmaatregelen die steeds dienen te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen habitats vermeld in bijlage I van dit decreet en de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet. De Vlaamse regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de nodige instandhoudingsmaatregelen en de ecologische vereisten. § 2. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, tevens alle nodige maatregelen om

  1. a)elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats van de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet in een speciale beschermingszone te vermijden;
  2. b)elke betekenisvolle verstoring van een soort vermeld in de bijlagen II, III of IV van dit decreet in een speciale beschermingszone te vermijden. De Vlaamse regering stelt hiervoor nadere regels vast. § 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma onderworpen is aan de verplichting tot milieu-effectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan- MERrichtlijn, geschiedt de passende beoordeling in het kader van de milieu- effectrapportage. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieu-effectrapport. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieu-effectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan- MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling. § 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de X-12.991-8/14 activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. § 5. In afwijking op de bepalingen van § 4, kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goedgekeurd worden
  3. a)nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en
  4. b)omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Wanneer de betrokken speciale beschermingszone of een deelgebied ervan, een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, komen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang, in aanmerking. De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden : 1°/ de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; 2°/ de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen. De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed. § 6. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde milieu-effectrapport, de passende beoordeling of het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten : 1°/ de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven; 2°/ de aanvaardbaarheid van de te verwachten betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone; 3°/ de in het milieu-effectrapport, in de passende beoordeling of de in het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud voorgestelde compenserende maatregelen en actieve instandhoudingsmaatregelen. Wordt deze beslissing genomen in het kader van een vergunningverlening of het verlenen van een toestemming of machtiging, dan deelt de overheid haar beslissing mee aan de aanvrager op dezelfde wijze als de beslissing op X-12.991-9/14 de aanvraag voor de vergunning of de toestemming of machtiging wordt meegedeeld. § 7. Voor de speciale beschermingszones kan de Vlaamse regering een specifieke regeling uitwerken voor de cumulatieve toepassing van de procedures voorzien in dit artikel en in de artikelen 13, 15 en 26bis”; Overwegende dat deze bepaling niet alleen de activiteiten en plannen binnen de speciale beschermingszone betreft; dat ook sommige activiteiten en plannen daarbuiten betekenisvolle effecten kunnen hebben binnen een dergelijk gebied (Parl. St., Vl. Parl., 2001-2002, nr. 967/1, 35); Overwegende dat de betrokken overheid aldus in eerste instantie zal moeten nagaan of het plangebied gelegen is in een SBZ of in de nabijheid ervan, en in bevestigend geval zal moeten nagaan of, gelet op de kans op een betekenisvolle aantasting, een passende beoordeling nodig is of niet; dat de betekenisvolle aantasting moet worden beoordeeld op grond van de instandhoudingsdoelstellingen voor het betrokken gebied; Overwegende dat de verzoeker ter staving van het middel een afschrift neerlegt van de Natura 2000-gebieden voor het betrokken plangebied; dat hieruit blijkt dat het perceel waarop de uitbreiding van Chocolaterie Duc D’O is gepland, is gelegen in het vogelrichtlijngebied “3.5. Durme en Middenloop van de Schelde” en onmiddellijk paalt aan het habitatrichtlijngebied “BE2300006 Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse Grens tot Gent”; Overwegende dat de stelling van eerste verwerende partij dat door de uitsluiting van goedkeuring van de percelen gelegen binnen het plangebied van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde”, het plangebied is gelegen buiten het vogel- en habitatrichtlijngebied, slechts ten dele opgaat; dat het perceel nr. 854w waar de uitbreiding is gepland, weliswaar niet is opgenomen in dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, maar wel behoort tot het vogelrichtlijngebied “3.5. Durme en Middenloop van de Schelde”; dat bovendien, zoals hiervóór is opgemerkt, de habitattoets betrekking moet hebben op plangebieden die, hoewel gelegen buiten een speciale beschermingszone, betekenisvolle effecten kunnen hebben op een dergelijke zone; Overwegende dat niet blijkt, en de verwerende partij ook niet beweert, dat een habitattoets heeft plaatsgevonden; dat door het sectoraal bijzonder X-12.991-10/14 plan van aanleg goed te keuren zonder enige verwijzing naar het vogel- en habitatrichtlijngebied of naar de habitattoets van artikel 36ter, dan wel naar elementen in het dossier waaruit die toets zou blijken, en derhalve zonder enige motivering waarom het thans bestreden plan van geen invloed zou zijn op Natura 2000, het bestreden besluit op het eerste gezicht onregelmatig is gemotiveerd; dat, zonder nog te moeten nagaan of het plan ook effectief betekenisvolle effecten heeft of kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken speciale beschermingszones, m.a.w. zonder te moeten nagaan of artikel 36ter van het decreet natuurbehoud al dan niet geschonden is, geconcludeerd moet worden dat het middel, in zoverre het een schending aanvoert van de materiële motiveringsverplichting, ernstig is; dat de omstandigheid dat de verzoeker de desbetreffende grief niet heeft ingeroepen in zijn bezwaarschrift, op het eerste gezicht aan deze conclusie geen afbreuk doet; Overwegende, wat het moeilijk te herstellen nadeel betreft, dat de verzoeker laat gelden wat volgt : “De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit legt verzoeker tevens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel op. In de feiten werd reeds aangegeven dat verzoeker met zijn gezinswoning paalt aan het kwestieuze bedrijf. Het staat buiten discussie dat de aanneming van het BPA ‘Sectoraal BPA zonevreemde bedrijven fase 3 - Chocolaterie Duc D’O’ tot gevolg zal hebben dat de geplande uitbreiding vergund zal worden. Bij de behandeling van de verschillende middelen, is de hinder die verzoekende partij nu reeds lijdt, en die alleen nog zal toenemen ingevolge de geplande uitbreiding, reeds uitvoering ter sprake gekomen. Deze hinder kan nogmaals als volgt worden samengevat : - schending van het uitzicht van verzoeker door de inplanting van een bedrijfs-hal achter het perceel van verzoeker; - lawaaihinder door de nieuwe uitrit met slechts één smal perceel tussen de woning en tuin van verzoeker; - lawaaihinder door de nieuwe inplantingsplaats van de bedrijfsparking vlak achter het perceel van verzoeker; - lawaai-, geur-, en lichthinder als gevolg van de uitbreiding van het bedrijf naar het perceel achter het perceel van verzoeker, daar waar het bedrijf tevoren in grote mate van het perceel van verzoeker werd afgeschermd door de firma Smet; (In) de motivering, te vinden in de toelichting van het BPA zelf, worden al deze hinderaspecten trouwens uitdrukkelijk erkend. Men bevestigt bijvoorbeeld de visuele hinder voor de omwonenden, en wil die beperken door het opleggen van een groenscherm dat, zoals gesteld door de Minister, echter niet goedgekeurd wordt. Dat visuele hinder bestaat, kan dan ook niet betwist worden. Ook de lichtvervuiling en lawaaihinder worden toegegeven. Het is evident dat deze hinder voor verzoeker alleen nog zal toenemen nu de uitbreiding vlak achter zijn eigendom wordt voorzien, met de bedoeling daar onder meer een parking te plaatsen waar werknemers van 05.00 u 's morgens tot 22.00 u X-12.991-11/14 's avonds aan en af rijden. Ook het vrachtverkeer dat nu vlak langs de woning van verzoeker zal moeten passeren, zorgt onbetwistbaar voor aanzienlijke hinder, niet in het minst door het lawaai van de stationair draaiende koelwagens; deze hinder bestaat al op de dag van vandaag en zal voor verzoeker alleen nog toenemen omdat zij doelbewust verplaatst wordt naar de parking achter zijn perceel. De aanwezigheid van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan dan ook niet betwist worden”; Overwegende dat het bestreden bijzonder plan van aanleg de rechtsgrond vormt voor het gebruik van dit gebied overeenkomstig de vastgestelde bestemmingen; Overwegende dat het perceel 854w, waarop de uitbreiding van het betrokken bedrijf is gepland, volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren is gelegen in agrarisch gebied met overdruk gecontroleerd overstromingsgebied, waarin bebouwing is uitgesloten; dat het bestreden bijzonder plan van aanleg dit perceel bestemt voor nijverheidsgebouwen met een bouwhoogte tot 8 m en verhardingen; dat de zone voor nijverheidsgebouwen bijna de volledige breedte van het perceel beslaat; dat dit perceel is gelegen achter verzoekers eigendom; dat ingevolge de bestreden bestemmingswijziging de vergunning en het gebruik van voormeld perceel voor het oprichten van nijverheidsgebouwen mogelijk wordt, terwijl dit voordien was uitgesloten; dat in de gegeven omstandigheden verzoekers betoog dat zijn uitzicht ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ernstig zal worden geschaad, aannemelijk is; dat de aanleg van een groenscherm met een hoogte van 4m op het eerste gezicht aan voormelde vaststelling geen afbreuk doet; dat het ingeroepen nadeel zijn rechtstreekse oorzaak vindt in de bindende voorschriften van het bijzonder plan van aanleg en niet in de later nog overeenkomstig deze voorschriften af te leveren vergunningen; dat dit eveneens dient te worden vastgesteld voor wat betreft de door de verzoeker aangevoerde lawaaihinder die onmiskenbaar zal worden veroorzaakt door het gebruik van de inrit en de parking gelegen onmiddellijk achter verzoekers eigendom; dat het feit dat de stedenbouwkundige voorschriften bepalen dat bij elke bouwaanvraag binnen deze zone een algemeen aanlegplan moet worden gevoegd van het volledige terrein, met aanduiding van de toegangen tot het bedrijf, de parkeerplaatsen, de stapelplaatsen in open lucht, de laad- en losplaatsen, een gedetailleerd beplantingsplan en een geluidsscherm voor de in- en uitrit, niet wegneemt dat het gebruik van de parking, die volgens de bestemmingsvoorschriften is voorzien voor rijstroken, private parkeerplaatsen, toegangen en laad- en losplaatsen, met een maximale stapelhoogte X-12.991-12/14 van materialen ten behoeve van het bedrijf van 4m, ernstige lawaaihinder kan veroorzaken voor de verzoeker, wiens eigendom onmiddellijk aan deze parking paalt; Overwegende dat verzoekers uiteenzetting voldoende concrete en precieze gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 30 mei 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring, met uitzondering van de blauw omrande delen, van het bijzonder plan van aanleg “Sectoraal BPA zonevreemde bedrijven fase 3 - Chocolaterie Duc D’O” genaamd, van de gemeente Kruibeke, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.991-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH.. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.991-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.261 Gerelateerde publicatie(
  5. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.104 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.