id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.265 Rolnummer: A. 99309/XII-2910 Zaak: Arrest 169265 - Examens (onderwijs) - 22/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-02 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 18:19 Fiche Arrest nr 169.265 van 22 maart 2007 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.265 van 22 maart 2007 in de zaak A. 99.309/XII-
- In zake : Tom ROUSSET, die woonplaats kiest bij advocaat R. Vaes, kantoor houdende te Leopoldsburg, Ijzerlei 9 tegen : de PROVINCIALE HOGESCHOOL LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat H. Lamon, kantoor houdende te Hasselt, de Schiervellaan
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tom Rousset op 11 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 november 2000 waarbij de examencommissie van de provinciale hogeschool Limburg hem in buitengewone zitting niet geslaagd verklaart voor het tweede opleidingsjaar verpleegkunde, optie ziekenhuisverpleegkunde; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 4 april 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 januari 2007; XII-2910-1\7 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
- Overwegende dat verzoeker een “antwoordmemorie” heeft neergelegd nadat hij de laatste memorie van verwerende partij ontving; dat in het algemeen procedurereglement in de wisseling van dergelijk stuk niet wordt voorzien, zodat de Raad van State er geen rekening mee mag houden;
- Overwegende dat verzoeker tijdens het schooljaar 1999-2000 de lessen volgt van het tweede jaar basisopleiding verpleegkunde, optie ziekenhuisverpleegkunde, aan de provinciale hogeschool Limburg; dat hij de beslissing bestrijdt van 27 november 2000 van de examencommissie, genomen in buitengewone zitting, waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard met overzetting voor het opleidingsonderdeel informaticasystemen; dat de algemeen directeur verzoeker met een brief van 30 november 2000 van die beslissing op de hoogte brengt, waarbij hij verzoeker wijst, “indien [hij zijn] klacht staande houdt”, op “[zijn] beroepsmogelijkheid bij de Raad van State”; Overwegende dat verzoeker ondertussen het diploma van verpleegkundige heeft behaald en naar eigen zeggen onmiddellijk een betrekking als verpleegkundige heeft gevonden;
- Overwegende dat verwerende partij het belang van verzoeker bij het beroep betwist; dat zij er op wijst dat verzoeker heeft nagelaten een vordering tot schorsing in te stellen terwijl hij ondertussen is geslaagd voor de examens waarop de bestreden beslissing betrekking heeft zodat hij geen dadelijk en actueel belang meer kan laten gelden;
- Overwegende dat het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en XII-2910-2\7 dat hij dat belang moet behouden tot aan de uitspraak; dat de aard van het belang weliswaar kan evolueren maar dat verzoeker minstens aannemelijk moet maken dat de vernietiging hem nog een concreet voordeel oplevert; dat dit voordeel meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing; Overwegende dat het voordeel dat verzoeker met het voorliggend beroep oorspronkelijk nastreefde er essentieel in bestond, door de nietigverklaring, een nieuwe kans te verwerven om door de bevoegde examencommissie geslaagd te worden verklaard voor het tweede jaar verpleegkunde en zodoende toegelaten te worden tot het volgende jaar; dat een nietigverklaring van de bestreden beslissing verzoeker nog niet tot een geslaagd verklaarde maakt, laat staan hem een diploma verschaft, en hem bijgevolg thans niet méér kan opleveren dan hetgeen hij ondertussen reeds met zekerheid heeft verkregen ingevolge het behalen van het diploma van verpleegkundige; Overwegende dat ook in het auditoraatsverslag aan verzoeker belang wordt ontzegd; dat in het verslag de parallel wordt gemaakt met de zaken die aanleiding gaven tot ’s Raads arresten nr. 69.250, Tonnelier, van 29 oktober 1997 en nr. 132.229, Somers, van 10 juni 2004; dat samen met verwerende partij in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat verzoeker niet heeft verzocht om de schorsing van de bestreden beslissing en dat de eventuele nietigverklaring van die beslissing hem niet meer het voordeel zou kunnen bieden dat hij zoekt, te weten de toelating tot een hoger jaar; Overwegende dat, wanneer er aldus ernstige vragen rijzen die aan het actueel en dadelijk belang van verzoeker doen twijfelen, het aan verzoeker toevalt die twijfel weg te werken;
- Overwegende dat verzoeker zijn actueel belang staaft door te wijzen op het verlies van een schooljaar met als gevolg “[een] jaar vertraging in de toegang tot de arbeidsmarkt”; dat hij ook opmerkt “bij iedere sollicitatie” benadeeld te zijn tegenover andere sollicitanten bij de toekomstige werkgever;
- Overwegende dat bij examenbetwistingen een moreel belang bij een beroep in beginsel gediend blijft wanneer het niet-geslaagd verklaren het verlies van een schooljaar tot gevolg heeft; dat het dreigend verlies van een schooljaar in XII-2910-3\7 beginsel ook steeds wordt erkend als het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat, bij aanvoeren van ernstige middelen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat het feit dat verzoeker heeft gemeend geen zulke vordering te moeten instellen evenwel ernstig vragen doet rijzen bij het subjectieve gewicht van dit aspect van het door hem ingeroepen morele nadeel; Overwegende dat verzoeker zijn nalaten wil verantwoorden als volgt : “Het nadeel van de beslissing opzichtens verzoeker kon door schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet worden verhinderd, vermits het feit dat verzoeker geen toegang bekwam tot het derde jaar en dit onaangetast zou blijven. De beslissing tot schorsing zou niet met zich meebrengen dat verzoeker deze toegang tot het derde jaar wel zou bekomen vermits de beslissing van een rechtsinstantie niet vermag zich in de plaats te stellen van de bijzondere examencommissie i.v.m. de beslissing over het al dan niet slagen van een leerling in het onderwijs”; Overwegende dat de Raad van State inderdaad niet in de plaats van de examencommissie oordeelt over het al dan niet geslaagd zijn van een student en zijn toelating tot het volgende opleidingsjaar; dat die vaststelling evenwel niet het nastreven van een schorsing nutteloos maakt, wel integendeel; dat immers een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel voorlopig van aard, als een aansporing moet worden opgevat aan het schoolbestuur om zijn onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, te heroverwegen, en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar als moeilijk te herstellen ernstig nadeel en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen; dat de Raad van State, wanneer de voorwaarden daarvoor vervuld zijn, een examencommissie zelfs bij wijze van voorlopige maatregel kan bevelen tot een dergelijke heroverweging over te gaan; Overwegende dat de vordering tot schorsing -in beginsel zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid- dan ook in het onderwijscontentieux de meest geëigende weg is om bij de Raad van State adequate rechtsbescherming te zoeken tegen een onwettige examenbeslissing; dat verzoeker geen overtuigende redenen heeft gegeven waarom hij daarvan heeft afgezien; dat verzoeker dienvolgens, gelet op de hiervoor beschreven concrete omstandigheden, niet aantoont door het verlies XII-2910-4\7 van een schooljaar het gekwalificeerd moreel nadeel te hebben geleden dat volstaat om het belang bij de zaak aan te nemen; Overwegende dat ook zijn vermeende achteruitstelling “bij iedere sollicitatie” danig moet worden gerelativeerd; dat verzoeker daarvan geen concrete voorbeelden geeft; dat het een loutere hypothese is; dat, meer nog, verzoeker aan de Raad heeft verklaard onmiddellijk na afstuderen werk te hebben gevonden en sedertdien als verpleegkundige te werken; dat het niet geloofwaardig is dat zelfs bij een eventuele sollicitatie in de toekomst de studieduur van verzoeker nog als relevant element in de selectieprocedure kan meespelen; Overwegende, wat ten slotte het mogelijk verlies aan inkomsten betreft door de vertraagde toegang tot de arbeidsmarkt en de bijkomende uitgaven eigen aan een jaar extra studies, dat de gevraagde nietigverklaring aan verzoeker uiteraard niet die gederfde inkomsten oplevert; dat verzoekers actueel belang dan nog enkel erin bestaat de bestreden beslissing bij arrest onwettig te horen verklaren, om vervolgens op grond van deze, met gezag van gewijsde beklede uitspraak, een vordering voor de gewone rechter beter te kunnen ondersteunen; dat dergelijk belang echter geen belang is dat verbonden is aan de nietigverklaring of aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat een middel gegrond te horen verklaren; dat een dusdanig belang een onrechtstreeks belang is dat niet volstaat om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen of te handhaven; dat overigens ook de gewone rechter die gevat is om uitspraak te doen over de vordering tot schadevergoeding de fout van de overheid kan vaststellen;
- Overwegende, samenvattend, dat uit de door verzoeker gegeven toelichting niet blijkt dat wat hij nastreeft uit méér bestaat dan het voordeel om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk of om op grond daarvan een eis tot schadevergoeding in te stellen bij de burgerlijke rechter; dat een dergelijk belang slechts een onrechtstreeks karakter heeft dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat immers dat beoogde voordeel niet verbonden is aan het verdwijnen van het bestreden besluit uit het rechtsverkeer maar enkel aan het horen gegrond verklaren van een middel; dat verzoeker dus niet van het dadelijk belang doet blijken dat vereist is om de nietigverklaring van de bestreden beslissing te vorderen; dat de exceptie gegrond is, XII-2910-5\7 XII-2910-6\7 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2910-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.265 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.