id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.299 Rolnummer: A. 181727/XII-5050 Zaak: Arrest 169299 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 22/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 18:22 Fiche Arrest nr 169.299 van 22 maart 2007 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.299 van 22 maart 2007 in de zaak A. 181.727/XII-
- In zake : Rafaël VAN GOGH, die woonplaats kiest bij advocaat M. Wendrickx, kantoor houdende te Mechelen, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rafaël van Gogh op 15 maart 2007 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 februari 2007 van de deputatie van de provincie Antwerpen waarbij verzoeker niet wordt weerhouden voor het schriftelijk gedeelte van de selectieprocedure voor het ambt van directeur PITO te Stabroek; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2007, om 14.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Wendrickx, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat Chr. Coen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-5050-1\6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST :
- Bij deputatiebesluit van 14 december 2006 wordt het voltijds ambt van directeur secundair onderwijs van het Provinciaal Instituut voor Technisch Onderwijs (PITO) te Stabroek open verklaard met ingang van 1 mei
- De aanstellingsvoorwaarden en het sollicitatieformulier worden op zijn vraag op 8 januari 2007 aan verzoeker meegedeeld. Om in aanmerking te komen voor het ambt van directeur moet de kandidaat blijkens die aanstellingsvoorwaarden onder meer houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs vastgesteld voor dit specifieke ambt, zoals bepaald door de Vlaamse regering. Op 15 februari 2007 onderzoekt de deputatie de ontvankelijkheid van de ingekomen kandidaturen, waaronder die van verzoeker. De deputatie beslist over verzoeker luidens de notulen van de vergadering wat volgt : “De heer Rafaël van Gogh wordt niet toegelaten tot de selectieprocedure voor het ambt van directeur van het GPB PITO Stabroek. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat betrokkene in het bezit is van het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, het Nederlandse Getuigschrift Hoger Beroepsonderwijs van de niet universitaire deeltijdse opleiding Leraar Speciaal Onderwijs met als afstudeerrichting Inclusie en, op grond van dezelfde resultaten waarvoor hem het Nederlands getuigschrift werd verleend, de academische award ‘Master of Arts, Education, Special Educational Needs’ van de University of Roehampton te London (Verenigd Koninkrijk). Hij blijkt derhalve niet over een bekwaamheidsbewijs te beschikken van ten minste hoger onderwijs van het lange type, zoals bepaald in de artikelen 6 iuncto 7, § 1,
- van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddenschalen, het prestatiegeld en bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs”. Met een 16 februari 2007 gedateerde brief wordt deze beslissing aan verzoeker ter kennis gebracht. Verzoeker verklaart deze brief op 3 maart 2007 in een niet-gefrankeerde omslag te hebben ontvangen. XII-5050-2\6
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Verzoeker voert tegen de bestreden beslissing twee middelen aan. Ter terechtzitting verklaart zijn raadsman dat het tweede middel bij nader inzien van een verkeerde premisse uitgaat en dat het niet langer wordt gehandhaafd.
- Als eerste middel voert verzoeker aan : “de schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de formele motiveringsplicht en uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel. Doordat, de bestreden beslissing verzoekende partij niet toelaat tot het schriftelijk gedeelte van de selectie omwille van het gegeven dat verzoekende partij niet over een bekwaamheidsbewijs zou beschikken van ten minste hoger onderwijs van het lange type, zoals bepaald in de artikelen 6 iuncto 7§1, 1, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs. Terwijl, de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en deze motivering expliciet de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op dergelijke wijze dat zij kenbaar en begrijpbaar zijn. Zodat, de bestreden beslissing de bepalingen en beginselen van dit middel heeft geschonden”.
- Uit de aanstellingsvoorwaarden blijkt, en verzoeker betwist overigens niet, dat de kandidaten moeten beschikken over het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, zoals is vastgelegd door de Vlaamse regering. De bestreden beslissing is sub 1 geciteerd. De deputatie veruitwendigt er als motief van haar afwijzende beslissing, eensdeels, dat verzoeker diploma’s en getuigschriften voorlegt, waaronder de door hem behaalde Master en, anderdeels, dat hij “derhalve niet over een bekwaamheidsbewijs [blijkt] te beschikken van ten minste hoger onderwijs van het lange type, zoals bepaald in [de bedoelde artikelen van het besluit van 14 juni 1989]”. XII-5050-3\6 Uit die formele motivering van het bestreden deputatiebesluit lijkt bijgevolg afgeleid te kunnen worden dat volgens de deputatie de aanstellings- voorwaarde inzake bekwaamheidsbewijs geformuleerd is in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juni 1989 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling in het secundair onderwijs, dat die voorwaarde het bezit omhelst van een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type zoals bepaald in de artikelen 6 en 7, § 1, 1., van dat besluit van 14 juni 1989 en dat de diploma’s van verzoeker niet daaronder kunnen worden gebracht. Uit oogpunt van de formele motiveringsplicht lijkt de beslissing aldus afdoende te zijn gemotiveerd: de beslissing geeft de juridische en feitelijke redenen aan waarom verzoeker van verdere deelname aan de selectie wordt uitgesloten. Verzoeker heeft inzicht gekregen, zo lijkt, in de redenen die de deputatie tot de voor hem ongunstige beslissing hebben gebracht en hij kan zich daartegen verweren indien hij meent dat de tot uiting gebrachte redenen in rechte niet aanvoerbaar of in feite niet gegrond zijn. Of het juiste besluit is toegepast, en daarin de juiste bepalingen, en of uit die bepalingen de juiste gevolgtrekking is gemaakt met betrekking tot de diploma’s van verzoeker, is geen zaak van formele maar van materiële motivering. Die vragen moet de Raad evenwel niet onderzoeken, aangezien ze in het inleidend verzoekschrift niet aan de orde zijn gebracht. De in het middel aangevoerde formele motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel vereisen op het eerste gezicht niet dat het bestuur er ook toe verplicht is de verantwoording van zijn motieven -het motief van het motief- in de beslissing zelf op te nemen. Zulks is een probleem van materiële motivering, waarbij het bestuur aan de hand van de gegevens van het administratief dossier moet kunnen aantonen dat het bij zijn besluitvorming rekening gehouden heeft met concrete gegevens die het formele motief terdege onderbouwen en die aldus de latere wettigheidstoetsing van dat motief mogelijk maken. Op de terechtzitting betoogt verzoeker nog, na lezing van de omstandige nota van verwerende partij, niet eerder beseft te hebben dat, zoals verwerende partij in die nota alvast argumenteert, het de verwerende partij niet toevalt een autonome beoordeling te doen van in het buitenland behaalde diploma’s, dat de gelijkwaardigheid van het buitenlandse Masterdiploma met de diploma’s vermeld in het besluit van 14 juni 1989 ook geen automatisme is, dat voor de procedure van erkenning van gelijkwaardigheid regelgeving bestaat, dat een XII-5050-4\6 decretale regeling van algemene gelijkwaardigheid door de Vlaamse regering nog niet is uitgevoerd en dat er een procedure bestaat van individuele erkenning van gelijkwaardigheid, evenwel na aanvraag van de belanghebbende, bij de minister bevoegd voor onderwijs. Verzoeker argumenteert dat een zorgvuldig handelend bestuur een en ander in het bestreden besluit had moeten veruitwendigen. De Raad van State deelt prima facie niet die mening. De Raad ziet niet dadelijk in waarom de provincie Antwerpen, die in het kader van een benoemingsprocedure moet onderzoeken of een ingeschreven kandidaat voldoet aan de benoemings- voorwaarden, een ongunstige beslissing daarover mede moet stofferen met aanwijzingen en richtlijnen over de te volgen procedure voor een mogelijke erkenning van de gelijkwaardigheid van een in het buitenland behaald studiebewijs door de daartoe bevoegde instanties, zodat verholpen kan worden aan het motief dat tot de afwijzing heeft geleid. Daargelaten nog of zulks voor de selectieprocedure van de thans in geschil zijnde betrekking door verzoeker nog tijdig gerealiseerd kan worden. Het middel is niet ernstig.
- Er is niet voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-5050-5\6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5050-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.299 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.