← België

Arrest 169307 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 22/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.307 Rolnummer: A. 103011/VII-23370 Zaak: Arrest 169307 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 22/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 18:25 Fiche Arrest nr 169.307 van 22 maart 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.307 van 22 maart 2007 in de zaak A. 103.011/VII-23.370. In zake : 1. de v.z.w. ONZE-LIEVE-VROUWZIEKENHUIS AALST, 2. de v.z.w. SINT- LUCAS, 3. de v.z.w. SINT-AUGUSTINUS, die woonplaats kiezen bij advocaat P. COOREMAN, kantoor houdende te ZELE, Kouterstraat 76 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten L. DEPRÉ en P. SLEGERS kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 178. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. ONZE-LIEVE- VROUWZIEKENHUIS AALST, de v.z.w. SINT-LUCAS en de v.z.w. SINT-AUGUSTINUS op 6 april 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van "artikel 19 van het Ministerieel Besluit van 12 januari 2001 houdende wijziging van het Ministerieel Besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten (B.S. 6 februari 2001, 2e editie), in zoverre een paragraaf 28 wordt toegevoegd aan artikel 48 van het Ministerieel Besluit van 2 augustus 1986"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-23.370-1/20 Gelet op de beschikking van 25 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. COOREMAN, die verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Juridisch kader Overwegende dat het juridisch kader als volgt kan worden weergegeven : Overeenkomstig artikel 97 van de gecoördineerde wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen (hierna : "de Ziekenhuiswet"), bepaalt de Koning de voorwaarden en de regelen voor de vaststelling van het budget van financiële middelen en van de onderscheiden bestanddelen van de ziekenhuizen. Artikel 97, § 1, van de Ziekenhuiswet luidt als volgt : "Art. 97. De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft bepaalt, de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling financiering, gehoord, de voorwaarden en de regelen voor de vaststelling van het budget en van de onderscheidene bestanddelen. Zo ondermeer bepaalt hij :

  1. a)de periode voor dewelke het budget, en derhalve de prijs per verpleegdag, wordt toegekend;
  2. b)de criteria en de modaliteiten van berekening;
  3. c)de voorwaarden en de modaliteiten van herziening van sommige elementen; VII-23.370-2/20
  4. d)de parameters volgens dewelke maxima kunnen vastgesteld worden;
  5. e)de wijze waarop het budget of sommige onderdelen ervan, en bijgevolg ook de prijs per verpleegdag of sommige onderdelen ervan, kunnen geïndexeerd worden. De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft kan, overeenkomstig de regelen door hem vastgesteld, na advies van de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, Afdeling financiering, de kosten van de ziekenhuizen vergelijken teneinde de ziekenhuizen met gelijksoortige opdracht en aktiviteiten en werkzaam in gelijkaardige omstandigheden onder dezelfde voorwaarden te financieren". Een ministerieel besluit van 2 augustus 1986, dat inmiddels is opgeheven door een koninklijk besluit van 25 april 2002, bepaalt de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten. Dit ministerieel besluit wordt gewijzigd door het thans gedeeltelijk bestreden ministerieel besluit. De bepalingen van artikel 19 van het ministerieel besluit van 12 januari 2001 die met het voorliggend beroep bestreden worden, luiden als volgt: "In artikel 48 van het bovengenoemde ministerieel besluit van 2 augustus 1986 worden de paragrafen 26, 27 en 28 toegevoegd, luidend als volgt: (...) § 28. Met het oog op de financiering van de kosten voortvloeiend uit de opleidingsfunctie in de universitaire en niet universitaire ziekenhuizen, wordt onderdeel B4 van die ziekenhuizen vermeerderd met : - 1 200 000 BEF per stagemeester; - 190 000 BEF per geneesheer-specialist in opleiding. Om de bovengenoemde financiering te genieten moeten de ziekenhuizen aan de volgende voorwaarden voldoen : - erkend zijn voor de volledige opleidingen in de belangrijkste geneeskundige, heelkundige en medisch-technische specialiteiten; - op elk ogenblik in het ziekenhuis instaan voor de opleiding van minstens één kandidaat-specialist met een erkend stageplan per 10 erkende bedden; - zelf alle kandidaat-specialisten vergoeden en de in artikel 15bis van het koninklijk besluit van 28 december 1944 voorziene bepalingen toepassen; - minstens één ziekenhuisgeneesheer tewerkstellen, uitgedrukt in voltijds equivalenten, per 3 erkende bedden; - bewijzen dat meer dan 70 % van de medische activiteit verricht wordt door voltijds werkende geneesheren; - meer dan 70 % van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vergoeden met een salaris voor hun volledige activiteit; - de centrale inning voor alle artsenhonoraria uitvoeren; - voor het gehele ziekenhuis de verbintenistarieven toepassen onder de voorwaarden die in het nationaal overeenkomst geneesheren - VII-23.370-3/20 verzekeringsinstellingen van toepassing zijn op de artsen die er zich toe verbonden hebben de tarieven na te leven. In geval van ontstentenis van een dergelijk nationaal overeenkomst moeten voor het hele ziekenhuis de tarieven toegepast worden die als basis dienen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering onder de voorwaarden die in het laatste nationale overeenkomst geneesheren - verzekeringsinstellingen van toepassing zijn op de artsen die er zich toe verbonden hebben de tarieven van dat akkoord na te leven. De betrokken ziekenhuizen moeten uiterlijk op 31 maart 2001 bij het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Bestuur van de Gezondheidszorg, Boekhouding en Beheer van de Ziekenhuizen een dossier indienen met het aantal stagemeesters en de kandidaat-geneesheren-specialisten, waaruit blijkt dat aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan. De financiering voor het jaar 2001 is beperkt tot de helft van de bovengenoemde bedragen"; 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunten van de partijen 2.1.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als eerste middel als volgt "machtsafwending" aanvoeren : "In het bestreden besluit worden maatregelen voorzien die duidelijk worden ingegeven door de wil om een financiering te voorzien voor de opleiding in universitaire ziekenhuizen, terwijl het bestreden besluit bepalingen voorziet inzake financiering van alle (universitaire en niet-universitaire) ziekenhuizen, doch daarbij bij het opleggen van voorwaarden deze oplegt uitsluitend in functie van de universitaire ziekenhuizen, zodat andere ziekenhuizen, zoals verzoekers, aan deze voorwaarden niet zouden kunnen voldoen"; 2.1.1.2. Overwegende dat de verwerende partij, kort samengevat, in de memorie van antwoord repliceert dat de minister de hem toegekende bevoegdheid enkel gebruikte om een oogmerk van algemeen belang te realiseren, dat hij rekening hield met het argument van de Nationale Raad voor de Ziekenhuisvoorzieningen dat ook niet-universitaire ziekenhuizen een dergelijke opleidingsfunctie kunnen hebben en de betwiste regeling van toepassing heeft gemaakt op alle ziekenhuizen zonder onderscheid en dat de voorwaarden zijn opgelegd om een onderscheid te kunnen maken tussen ziekenhuizen die extra steun moeten krijgen omdat zij fel investeren in opleiding en ziekenhuizen die niet zoveel aandacht besteden aan opleiding; VII-23.370-4/20 2.1.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog betogen dat het doel van de bevoegdheid die de wetgever aan de minister toekende een bepaling van de begroting is voor alle ziekenhuizen, zodat deze in staat zouden zijn behoorlijk te functioneren en in staat zijn om een degelijke opleiding aan te bieden; 2.1.2. Bespreking Overwegende dat het middel geenszins preciseert op welke wijze welke voorwaarden uitsluitend in functie van de universitaire ziekenhuizen zijn opgesteld en hoe die voorwaarden universitaire ziekenhuizen bevoordelen ten overstaan van de verzoekende partijen; dat het middel niet ontvankelijk is; 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunten van de partijen 2.2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als tweede middel de schending aanvoeren van de artikelen 3 en 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van het rechtszekerheidsbeginsel, doordat het advies van de afdeling wetgeving niet is gepubliceerd en derhalve de spoedeisendheid niet kon worden onderzocht en de ingeroepen motivatie bovendien onvoldoende is om de spoedeisendheid te kunnen motiveren; 2.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in essentie betoogt dat de adviesverplichting werd nageleefd, dat de door de verzoekende partijen ingeroepen bepalingen geenszins de verplichting inhouden het advies te publiceren, dat de minister gelet op de hoogdringendheid zelfs niet verplicht was om een advies aan de afdeling wetgeving te vragen, dat de spoedeisendheid aan de hand van de ingeroepen motivering kon worden gecontroleerd en dat zij bovendien gerechtvaardigd was; 2.2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog betogen dat de rechtszekerheid niet kan worden gediend als een advies wordt verborgen gehouden, dat de overheid zich ter motivering van de spoedeisendheid niet op haar eigen gebrek kan beroepen en dat de minister - nu wordt aangehaald dat een koninklijk besluit noodzakelijk was om het bestreden besluit te kunnen nemen - maar tijdig het ontwerp van koninklijk besluit aan de VII-23.370-5/20 Ministerraad diende voor te leggen om zodoende tijdig het bestreden besluit te kunnen nemen, dat pas op 12 januari 2001 werd genomen en in het Staatsblad van 6 februari 2001 werd gepubliceerd; 2.2.2. Bespreking Overwegende dat artikel 3, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer bepaalt : "Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers, de leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen, de leden van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en de leden van het Verenigd College respectievelijk bedoeld in het derde en het vierde lid van artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)"; dat artikel 84, eerste lid, 2/ en het tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepalen : "Het onderzoek van de zaken vindt plaats in de volgorde van de inschrijving ervan op de rol, uitgezonderd : (...) 2/ wanneer, in spoedeisende gevallen, die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4. In dit geval wordt de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, overgenomen in de aanhef van de verordening. Wanneer verzocht wordt om spoedbehandeling, mag het advies van de afdeling wetgeving, onverminderd artikel 2, § 1, tweede lid, zich beperken tot het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan"; Overwegende dat uit deze bepalingen geenszins kan worden afgeleid dat de adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State samen met elk reglementair besluit moeten worden gepubliceerd; Overwegende dat in de aanhef van het bestreden ministerieel besluit het verzoek om spoedbehandeling als volgt wordt gemotiveerd : VII-23.370-6/20 "Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd, enerzijds, door de noodzaak de beheerders te informeren voor de 1 januari 2001 over de van toepassing zijnde regels in 2001 en opdat de voorziene maatregelen met effect op 1 januari 2001 zouden kunnen uitgevoerd worden zonder dat het nodig is dit te doen met retroactief effect en, anderzijds, doordat het materieel onmogelijk is de bovenvermelde verplichtingen te respecteren aangezien het huidig besluit niet genomen kan worden zonder het nemen van het koninklijk besluit houdende vaststelling voor het dienstjaar 2001 van het globale budget van het Rijk, zoals bedoeld in artikel 87 van de wet op de ziekenhuizen voor de financiering van de werkingskosten van de ziekenhuizen bepaalt; dat dit laatste besluit is goedgekeurd door de Ministerraad van 22 november 2000"; Overwegende dat deze motivering door de minister werd medegedeeld aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, die ze in het advies overnam maar hieromtrent geen opmerkingen maakte; Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 78.908, van 23 februari 1999 (MINNE en TAELMAN), overwoog : "dat de afdeling wetgeving de eerste beoordelaar is van de rechtmatigheid van de -termen van artikel 84 van de R.v.S.-wetten- 'bijzondere redenen' die in een haar overgelegde adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van de spoedeisendheid van die aanvraag; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, zij van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, er alsdan in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet kan op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving misleidend heeft voorgelicht omtrent de 'bijzondere redenen' die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht, of nog wanneer achteraf -na de adviesaanvraag- aan het licht komende gegevens er doen van blijken dat die 'bijzondere redenen' in weerwil van de bij de aanvraag opgewekte schijn iedere overtuigingskracht ontbeerden; dat in gevallen als aangehaald de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd"; dat de Raad zich ook in de voorliggende zaak bij die leer aansluit; Overwegende dat niet blijkt dat de overheid de afdeling wetgeving van de Raad van State misleidend heeft voorgelicht; Overwegende dat het feit dat het bestreden besluit op 12 januari 2001 werd genomen en dat het werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 6 februari 2001 niet wegneemt dat het spoedeisend was, nu blijkt dat het op 1 januari 2001 in werking trad en ook op die datum in werking moest treden wilde het zo effectief mogelijk zijn; dat het middel niet gegrond is; VII-23.370-7/20 2.3. Derde middel 2.3.1. Standpunten van de partijen 2.3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als derde middel aanvoeren : "Derde middel : Schending van artikel 97 en artikel 132 van het KB van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de Wet op de ziekenhuizen.
  6. a)Het bestreden besluit werd genomen gelet op de adviezen van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, afdeling Financiering, doch zonder dat in het bestreden besluit werd rekening gehouden met deze adviezen, voor zover verzoekers hiervan kennis hebben. In deze adviezen werd immers duidelijk gemaakt dat de financiering van de opleidingsfunctie in elk geval moest toegankelijk zijn voor alle ziekenhuizen die de opleidingsfunctie vervulden. Het bestreden besluit heeft dit zeker niet ingevolgd en heeft derhalve de adviezen gewoon naast zich gelaten zodat het duidelijk is dat dit gebrek moet gelijkgesteld worden aan het niet inwinnen van de verplichte adviezen.
  7. b)Door de vermeerdering van de financiering voor de ziekenhuizen o.m. te verbinden aan de voorwaarde dat meer dan 70 % van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vergoed moeten worden met een salaris voor een volledige activiteit, wordt niet alleen het gelijkheidsbeginsel geschonden maar ook artikel 132 van het KB van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de Wet op de ziekenhuizen (verder genoemd de ziekenhuiswet) waarin voorzien wordt dat de ziekenhuisgeneesheren enkel worden vergoed volgens de volgende stelsels : 1/ vergoeding per prestatie; 2/ vergoeding gegrond op de verdeling van een 'pool' van vergoedingen per prestatie die voor het hele ziekenhuis of per dienst wordt gevormd; 3/ vergoeding bestaande uit een contractueel of statutair bepaald percentage van de vergoeding per prestatie of van een 'pool' van vergoedingen per prestatie; 4/ forfaitaire vergoeding bestaande uit een wedde; 5/ vaste vergoeding eventueel vermeerderd met een aandeel in de 'pool' der vergoedingen per prestatie. Door de ziekenhuizen een beperking op te leggen in de manier van vergoeden van hun ziekenhuisgeneesheren wordt bijgevolg artikel 132 van de Ziekenhuiswet geschonden"; 2.3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, kort samengevat, repliceert, wat betreft het eerste onderdeel, dat de minister van Volksgezondheid op grond van artikel 97 van de Ziekenhuiswet enkel de plicht heeft de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen om advies te vragen, en dat die adviezen ook werden gevolgd, dat ook niet-universitaire ziekenhuizen kunnen voldoen aan de gestelde voorwaarden en dat, wanneer men er toch zou van uitgaan dat de adviezen van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen niet werden nageleefd, het middel alleen maar kan worden begrepen als een kritiek op een gebrek aan formele motivering, die niet gegrond kan zijn vermits het hier gaat om een reglementair besluit, dat, in tegenstelling tot een VII-23.370-8/20 individueel besluit, niet uitdrukkelijk dient gemotiveerd te zijn en, wat betreft het tweede onderdeel, dat luidens artikel 132, §1 in de ziekenhuizen de ziekenhuisgeneesheren enkel kunnen vergoed worden volgens de in dat artikel vermelde specifieke stelsels, waaronder het stelsel van de "forfaitaire vergoeding bestaande uit een wedde" (artikel 132, § 1, 4/), en dat de voorwaarden in de bestreden bepaling dat minimum 70 % van de artsen voor hun volledige activiteit een salaris moeten ontvangen, op geen enkele manier een beperking oplegt van de mogelijkheden voorzien in dat artikel 132, zodat dit artikel niet is geschonden; 2.3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord aangaande het tweede onderdeel van het middel nog toevoegen dat het gaat om een volstrekt willekeurige bepaling waartoe de minister niet bevoegd is en die wijst op machtsoverschrijding; 2.3.2. Bespreking Overwegende dat uit artikel 97 van de Ziekenhuiswet voortvloeit dat het advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen diende te worden ingewonnen; dat uit het feitenrelaas blijkt dat aan deze vereiste werd voldaan; Overwegende dat zelfs indien in het bestreden besluit op bepaalde punten zou zijn afgeweken van het advies, dit niet noodzakelijk betekent dat de adviesvereiste werd miskend aangezien de overheid haar appreciatiebevoegdheid behoudt, en het in casu geenszins een bindend advies betreft; dat artikel 97 van de Ziekenhuiswet niet is geschonden en het eerste onderdeel van het middel bijgevolg om die reden alleen al niet gegrond is; Overwegende dat het tweede onderdeel van het middel niet ontvankelijk is, vermits het slechts gericht is tegen een welbepaald onderdeel van een globale, onderling samenhangende regeling en indien de Raad enkel dit onderdeel zou vernietigen, hij het bestreden besluit eigenlijk zou hervormen, een bevoegdheid die uitsluitend aan het bestuur toekomt; dat het middel niet kan worden aangenomen; VII-23.370-9/20 2.4. Vierde middel 2.4.1. Standpunten van de partijen 2.4.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als vierde middel aanvoeren : "Vierde middel : Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie worden geschonden door het bestreden besluit op volgende manier : Door het bestreden besluit toepasselijk te maken op de universitaire en niet-universitaire ziekenhuizen terwijl de vooropgestelde criteria uitsluitend op de maat van universitaire ziekenhuizen werden vastgelegd; Door een vermeerdering van de financiering van de ziekenhuizen te voorzien voor de volledige opleidingen en niet voor de gedeeltelijke opleidingen; Door een vermeerdering van de financiering te voorzien voor de ziekenhuizen en niet voor de geneesheren erkend als stagemeester; Door een vermeerdering van de financiering te voorzien in functie van het vergoedingssysteem van de artsen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de gesalarieerde artsen en de artsen optredend als zelfstandige met een andere contractuele regeling met het ziekenhuis. Het bestreden besluit maakt dus een onderscheid dat niet redelijk te verantwoorden is en voorziet een verschil in behandeling tussen categorieën van ziekenhuizen, zonder dat dat verschil op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is"; 2.4.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord, kort samengevat, repliceert dat de bestreden regeling precies de discriminatie tegengaat door ook de niet-universitaire ziekenhuizen die willen beantwoorden aan het door de regering vooropgestelde profiel van een geïntegreerd ziekenhuis de mogelijkheid te bieden te profiteren van extra financiële steun, dat het onderscheid tussen artsen die een salaris ontvangen voor hun volledige activiteit en zelfstandige artsen in deze context volledig te verantwoorden is aangezien artsen die een salaris ontvangen meer bereid zijn tijd vrij te maken voor de opleiding van stagiairs-specialisten en zelfstandige artsen moeilijker kunnen verplicht worden om tijd te besteden aan opleiding en aangezien ziekenhuizen die met zelfstandige artsen werken de opleidingscomponent kunnen financieren door een deel in te houden op het ereloon dat de zelfstandige arts ontvangt, wat niet mogelijk is bij een arts die een salaris ontvangt, en dat ook het onderscheid tussen het aanbieden van gedeeltelijke dan wel volledige opleidingen kan worden verantwoord doordat de volledige opleidingen veel meer kosten dan de gedeeltelijke; VII-23.370-10/20 2.4.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog betogen : "1. Verwerende partij is tegenstrijdig in haar verweer. Enerzijds stelt ze dat het algemeen beleid van de overheid inzake ziekenhuizen er momenteel in bestaat meer en meer te komen tot geïntegreerde ziekenhuizen die een algemeen aanbod bieden waaronder plaats wordt gegeven aan studie, opleiding en onderzoek. Anderzijds verhindert het bestreden besluit precies aan verzoekers, als niet-universitaire ziekenhuizen, deze taak waar te nemen, door de vermeerdering van de financiering in hun gevallen uit te sluiten. 2. Verder haalt verwerende partij aan dat het onderscheid dat gemaakt wordt tussen artsen die een salaris ontvangen voor een volledige activiteit en zelfstandige artsen volledig te verantwoorden is omdat 'artsen die een salaris ontvangen meer bereid zijn om tijd vrij te maken voor opleiding van stagiairs specialisten'. Deze redenering is een gratuite bewering, die nergens op gesteund is en niet bewezen wordt. Dit kan niet aangezien worden als een objectief en redelijk verantwoord argument. De thans bestaande praktijk bewijst immers het tegendeel : heel veel artsen worden opgeleid in ziekenhuizen waarin zelfstandige artsen werkzaam zijn en waarbij een uitstekende opleiding wordt verstrekt. Indien op dezelfde gratuite en onbehoorlijke manier zou geredeneerd worden, zou kunnen gesteld worden dat zelfstandige artsen veel meer gemotiveerd zijn om hun werk uit te voeren en dat zij op die manier aan de artsen in opleiding grotere motivatie kunnen bijbrengen in de uitvoering van hun activiteiten. Een arts die een salaris ontvangt, zou - in die redenering - niet geneigd zijn veel inspanning te doen voor zijn activiteiten of de opleiding aangezien hij toch betaald wordt, of hij al dan niet presteert. Het verweer zelf van de verwerende partij duidt aan dat het bestreden besluit duidelijk te maken heeft met een machtsafwending : is het de bedoeling om de ziekenhuizen en artsen te verplichten in een systeem van salariaat te stappen ? 3. Volgend argument van verwerende partij bestaat erin te stellen dat er door het ziekenhuis bij zelfstandige geneesheren op ieder ereloon dat ontvangen wordt een deel wordt ingehouden en dat op deze manier ziekenhuizen die met zelfstandige artsen werken de opleidingscomponent kunnen financieren. Deze mogelijkheid zou niet bestaan voor een ziekenhuis dat werkt met artsen die een salaris ontvangen. Deze redenering houdt uiteraard geen steek : een ziekenhuis dat werkt met artsen die een salaris ontvangen, ontvangt immers het volledige ereloon dat de geneesheer genereert en betaalt de geneesheer slechts een deel onder de vorm van een salaris. Deze geneesheren staan overigens onder zware druk van het ziekenhuis om te presteren. Er anders over denken zou immers opnieuw neerkomen op het schenden van het gelijkheidsbeginsel doordat verwerende partij ervan uitgaat dat zelfstandige artsen meer zouden moeten bijdragen aan het ziekenhuis, ter voldoening van algemene noden, dan gesalarieerde artsen. Door te bepalen dat de bijkomende financiering uitsluitend wordt toegekend aan de ziekenhuizen en niet aan de geneesheren die erkend zijn als stagemeester wordt ook een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen de gesalarieerde geneesheren en de zelfstandige geneesheren. Dit onderscheid is niet redelijk te verantwoorden en schendt dus het gelijkheidsbeginsel. 4. Het gemaakte onderscheid tussen het aanbieden van gedeeltelijke dan wel volledige opleidingen is evenmin redelijk verantwoord. Uit de praktijk blijkt dat gedeeltelijke opleidingen in diensten die algemeen erkend zijn als kwalitatief zeer hoogstaande diensten, een betere opleiding waarborgen dan wanneer een VII-23.370-11/20 volledige opleiding moet worden gegeven waarvan bepaalde in onderafdelingen die minder goed zijn. Het argument van verwerende partij dat ziekenhuizen die een volledige opleiding aanbieden exponentieel gezien veel meer kosten zouden hebben dan ziekenhuizen die slechts een gedeeltelijke opleiding voorzien, wordt niet aangetoond. Met de kwaliteit van de opleiding wordt klaarblijkelijk geen rekening gehouden terwijl dit wel door verwerende partij als argument wordt naar voor geschoven bij het verdedigen van de algemene filosofie van het bestreden besluit"; 2.4.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog toevoegen dat, kort samengevat, de verwerende partij niet bewijst dat de opleiding van artsen in ziekenhuizen waar zelfstandige artsen werkzaam zijn anders zou zijn dan de opleiding in ziekenhuizen waar de artsen een salaris ontvangen, dat het inhouden van een deel van het ereloon van zelfstandige artsen, terwijl dit niet gebeurt bij de gesalarieerde artsen, een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt, vermits moet worden uitgegaan van het globale budget van het ziekenhuis om de financiering van de diverse functies onderling te vergelijken en dat in beide gevallen de financiële rekening dezelfde is en uit de algemene middelen van het ziekenhuis moet worden geput om te voldoen aan de noden van de opleiding; 2.4.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie de bewering tegenspreekt als zou de financiële rekening dezelfde zijn wanneer een ziekenhuis werkt met zelfstandige artsen of met gesalarieerde artsen, door erop te wijzen dat die bewering abstractie maakt van het aantal verstrekkingen; 2.4.2. Bespreking Overwegende dat de verzoekende partijen benadrukken dat de criteria werden geschreven op maat van de universitaire ziekenhuizen, maar dat zij hiervan niet het bewijs leveren; dat de niet onderbouwde affirmaties van de verzoekende partijen niet toelaten de deugdelijkheid van hun stelling te beoordelen, zodat moet worden besloten tot de onontvankelijkheid van het middel; VII-23.370-12/20 2.5. Vijfde middel 2.5.1. Standpunten van de partijen 2.5.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als vijfde middel aanvoeren : "Vijfde middel : Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van non-discriminatie. In het bestreden besluit wordt de vermeerdering van de financiering voor de ziekenhuizen verbonden o.m. aan de voorwaarde dat meer dan 70 % van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vergoed moeten worden met een salaris voor een volledige activiteit. Het verschil in behandeling tussen de ziekenhuizen die aan deze voorwaarden voldoen en de ziekenhuizen die aan deze voorwaarden niet zouden voldoen, bvb. omdat een kleiner percentage van de artsen zou vergoed worden met een salaris voor een volledige activiteit, is niet gesteund op een objectief criterium aangezien dit criterium zeker geen enkel verband kan houden met de opleidingsfunctie van het ziekenhuis. In elk geval is dit criterium zeker niet redelijk verantwoord"; 2.5.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert : "De keuze die gemaakt werd om als één van de voorwaarden voor toekenning van financiering te stellen dat de artsen een salaris moeten ontvangen en niet zelfstandig mogen werken, werd hierboven, in het vierde middel reeds uitvoerig toegelicht, zodat in eerste instantie hiernaar dient te worden verwezen. Door vervolgens de voorwaarde te stellen dat slechts 70% van de artsen en niet alle artsen een salaris moeten ontvangen voor een volledige activiteit heeft men willen vermijden dat de ziekenhuizen te weinig bewegingsruimte zouden krijgen. Door de voorwaarde op deze manier op te stellen, heeft men al te bruuske overgangen willen vermijden. Er kan dan ook niet ingezien worden waarom dit criterium niet redelijk verantwoord zou zijn. In elk geval tonen verzoekende partijen niet aan dat een manifeste appreciatiefout werd begaan door het hier aangehaalde criterium als voorwaarde te stellen voor het verkrijgen van de financiering"; 2.5.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog doen gelden dat men niet kan inzien op welk objectief en redelijk criterium zou worden gesteld dat de vereiste om 70 % van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, te vergoeden met een salaris voor een volledige activiteit deel zou uitmaken van een "globale onderling samenhangende regeling" en dat dit criterium enkel steunt op een uiterst subjectieve interpretatie dat "zelfstandigen inderdaad per prestatie (werken) en zij dus minder geneigd zullen zijn tijd vrij te maken voor opleiding"; VII-23.370-13/20 2.5.1.4. Overwegende dat de verwerende partij, in haar laatste memorie, nog toevoegt dat het middel onontvankelijk is omdat het middel enkel betrekking heeft op het criterium "meer dan 70 % van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vergoeden met een salaris voor hun volledige activiteit" en de vernietiging van dit enkel criterium, "deel van een brede waaier aan criteria", tot gevolg zou hebben dat de Raad van State een ander criterium zou in de plaats stellen van het globaal criterium dat de overheid heeft gekozen, wat een schending zou uitmaken van de scheiding der machten; 2.5.2. Bespreking Overwegende dat het middel klaarblijkelijk is gericht tegen een welbepaald onderdeel van de bestreden bepaling, meer bepaald tegen het zesde streepje van het tweede lid van de door de bestreden bepaling in het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 ingevoegde artikel 48, §28; dat, om de redenen die werden uiteengezet bij de bespreking van het tweede onderdeel van het derde middel, ook het vijfde middel onontvankelijk is; 2.6. Zesde middel 2.6.1. Standpunten van de partijen 2.6.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen als zesde middel aanvoeren : "Zesde middel : Schending van de algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. In het bestreden besluit wordt voorzien dat de ziekenhuizen aan een aantal voorwaarden moeten voldoen om de bijkomende financiering te genieten van de kosten voortvloeiend uit de opleidingsfunctie. Een aantal van deze voorwaarden zoals : - meer dan 70 % van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten vergoeden met een salaris voor een volledige activiteit; - de centrale inning voor alle artsenhonoraria uitvoeren; - voor het hele ziekenhuis de verbintenistarieven toepassen onder de voorwaarden die in de nationale overeenkomst geneesheer- verzekeringsinstellingen van toepassing zijn op de artsen die er zich toe verbonden hebben de tarieven na te leven; hebben geen enkel redelijk verband met de financiering van de opleidingsfunctie. Bij het afwegen van het belang van deze voorwaarden kan men niet in redelijkheid besluiten dat deze voorwaarden noodzakelijk zijn voor een verbetering van de opleidingsfunctie. VII-23.370-14/20 Er is zelfs meer : deze voorwaarden lijken kennelijk onredelijk op te leggen aan de ziekenhuizen om een bijkomende financiering te genieten voor een opleidingsfunctie. De voorwaarde, eveneens opgelegd om bijkomende financiering te genieten voor de opleidingsfunctie nl. - erkend zijn voor de volledige opleidingen in de belangrijkste geneeskundige, heelkundige en medische-technische specialiteiten werd volledig willekeurig opgelegd. Er is geen enkele redelijke en aanvaardbare reden om een onderscheid te maken tussen de volledige en de gedeeltelijke opleidingen, wat betreft de kwaliteit van de opleiding of de kosten die deze opleiding met zich meebrengt. Het beperken van de bijkomende financiering tot de volledige opleidingen is dus een schending van het beginsel van de redelijkheid, evenals een schending van het gelijkheidsbeginsel tussen de diensten die erkend zijn voor volledige opleiding dan wel gedeeltelijke opleiding. De opleiding in de 'belangrijkste' specialiteiten, voorzien als bijkomende voorwaarde, is een willekeurig criterium. Welke zijn de belangrijkste specialiteiten ? op welke manier kan een ziekenhuis met voldoende zekerheid ervan uitgaan dat de erkenningen aanwezig zijn voor opleidingen in de 'belangrijkste' opleidingen? Bovendien is het bestreden besluit onnauwkeurig wat de motivering en de formulering betreft aangezien sprake is dat : 'de ziekenhuizen erkend moeten zijn voor de volledige opleidingen in de belangrijkste geneeskundige, heelkundige en medische-technisch specialiteiten', terwijl voor opleiding, hetzij volledig hetzij gedeeltelijk, slechts ziekenhuisdiensten of geneesheren als stagemeesters erkend zijn voor de opleiding. Dat hetzelfde geldt voor de volgende voorwaarde aangezien niet het ziekenhuis instaat voor de opleiding van kandidaat-specialisten doch wel de geneesheren-stagemeesters in de erkende ziekenhuisdiensten. De voorwaarde om : 'minstens één ziekenhuisgeneesheer te werk stellen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, per drie erkende bedden' is evenmin een duidelijke voorwaarde, aangezien de ziekenhuisgeneesheren hun activiteiten, wanneer zij niet in dienstverband zijn, niet uitdrukken in voltijdse equivalenten en zodoende er ook een discriminerend onderscheid wordt gemaakt tussen geneesheren in dienstverband met vast uurrooster en zelfstandige geneesheren in contractueel verband zonder vastgelegd uurrooster"; 2.6.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert : • Eerste onderdeel "26. Voor wat betreft de voorwaarde dat minimum 70% van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, vergoed moeten worden, dient te worden verwezen naar wat reeds gezegd werd in het vierde en vijfde middel. 27. De voorwaarde van de centrale inning van de artsenhonoraria is een logisch corrolarium en gevolg van de voorwaarde dat minimum 70% artsen een salaris moeten ontvangen. Het zou compleet onlogisch zijn dat artsen nog zelf hun honoraria zouden innen maar dat zij wel zouden betaald worden door het ziekenhuis als loontrekkende. De link tussen deze voorwaarde en de bijkomende financiering voor een opleidingsfunctie is dan ook niet onredelijk en volledig logisch. Verzoekende partijen tonen VII-23.370-15/20 in elk geval op geen enkele wijze aan dat een manifeste appreciatiefout werd begaan bij het opstellen van deze voorwaarde. 28. Ook de voorwaarde dat voor het gehele ziekenhuis de verbintenistarieven moeten toegepast worden onder de voorwaarden die in de nationale overeenkomst geneesheer-verzekeringsinstellingen van toepassing zijn op de artsen die er zich toe verbonden hebben de tarieven na te leven, om de bijkomende financiering te genieten, is niet onredelijk. Om controle te kunnen bewaren op de gevraagde honoraria in de sector is het immers van het grootste belang dat de nationaal gesloten akkoorden hieromtrent op grote schaal worden erkend en nageleefd zodat ongekend hoge honoraria in het belang van de patiënten kunnen vermeden worden. Het is dan ook niet kennelijk onredelijk om de bijkomende financiering enkel toe te staan wanneer de nationaal gesloten overeenkomsten worden nageleefd zodat diegene die weigeren de nationale akkoorden te ondertekenen uitgesloten worden van de extra financiering. Het gaat hier bijgevolg om een perfect te rechtvaardigen beleidsoptie: wie weigert andere regelgeving of akkoorden te aanvaarden kan ook niet meegenieten van deze extra financiering. Het eerste onderdeel van het zesde middel is ongegrond. • Tweede onderdeel 29. Voor de reden waarom een onderscheid is gemaakt tussen volledige en gedeeltelijke opleidingen wordt verwezen naar wat hieromtrent reeds werd gezegd in het vierde middel. Het tweede onderdeel van het zesde middel is ongegrond. • Derde onderdeel 30. De keuze die gemaakt werd om de bijkomende financiering van de opleidingsfunctie enkel toe te kennen wanneer opleiding wordt voorzien in de belangrijkste specialiteiten is geen willekeurig criterium. Het in het bestreden besluit gebruikte begrip 'belangrijkste specialiteiten' is een begrip waarvan de inhoud in de medische wereld algemeen aanvaard wordt. Er bestaat een consensus dat in een ziekenhuis de volgende specialiteiten dienen als basis voor de organisatie in diensten : chirurgie, klinische biologie, interne geneeskunde, radiologie, anesthesie en pediatrie. Het is dan ook onterecht dat verzoekende partijen stellen dat het criterium 'voorzien in de belangrijkste specialiteiten' willekeurig is en dat de inhoud er niet van kan worden bepaald. Eenieder die vertrouwd is met de medische wereld kent de belangrijkste specialiteiten zodanig dat een ziekenhuis perfect in staat is te weten of alle erkenningen aanwezig zijn voor de opleiding in de belangrijkste specialiteiten. Het derde onderdeel van het zesde middel is ongegrond. • Vierde onderdeel 31. Het woord 'ziekenhuizen', zoals het is opgenomen in artikel 19, § 28, tweede lid van het bestreden besluit is een algemene term die bij elke voorwaarde iets concreter moet geïnterpreteerd worden. Bij de eerste voorwaarde is het zo dat het eigenlijk om ziekenhuisdiensten gaat die erkend moeten zijn voor de volledige opleidingen in de verschillende specialiteiten en bij de tweede voorwaarde zijn het logischerwijze de geneesheren-specialisten die moeten instaan voor de opleiding. Het spreekt voor zich dat met 'het ziekenhuis moet erkend zijn' bedoeld wordt 'de betrokken diensten en geneesheren van dat ziekenhuis moeten erkend zijn'. Het gebruik van de algemene term ziekenhuizen in deze context maakt de tekst duidelijk aangezien men in een logische en redelijke interpretatie precies weet wat bedoeld wordt. Het vierde onderdeel van het zesde middel is ongegrond. VII-23.370-16/20 • Vijfde onderdeel 32. In tegenstelling tot wat verzoekende partijen beweren, wordt de uitdrukking 'voltijdse equivalenten' ook gebruikt wanneer het zelfstandigen betreft. Zo wordt algemeen aanvaard dat een voltijds equivalent gelijk is aan 8 halve dagen werk per week, of het nu op zelfstandige basis of in dienstverband is, zodat geen discriminerend onderscheid wordt gemaakt tussen geneesheren in dienstverband en zelfstandige geneesheren. Het vijfde onderdeel van het zesde middel is ongegrond"; 2.6.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord nog betogen : "a. Eerste onderdeel. De door het bestreden besluit opgelegde voorwaarden van : - meer dan 70% van de artsen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, te vergoeden met een salaris voor een volledige activiteit; - de centrale inning voor alle artsenhonoraria; - de toepassing voor het hele ziekenhuis van de verbintenistarieven hebben geen enkele redelijk verband met de financiering van de opleidingsfunctie. Minstens wordt dit objectief en redelijk verband op geen enkele wijze aangetoond door de verwerende partij. Verwerende partij beperkt zich ertoe te beweren dat artsen die een salaris ontvangen meer bereid zijn om tijd vrij te maken voor de opleiding van stagiairs-specialisten. Op geen enkele manier wordt hiervan een bewijs aangebracht, en dit wordt trouwens formeel betwist door de verzoekende partijen. Zij menen immers integendeel dat de omgevingsfactoren voor zelfstandige artsen veel meer motivatie en inzet meebrengen en bijgevolg de opleiding kwalitatief in positieve zin beïnvloeden. Hoedanook wordt geenszins een objectief en redelijk verband gelegd tussen de opgelegde voorwaarden en het beoogde doel. Het eerste onderdeel is gegrond. b. Tweede onderdeel. Verwerende partij blijft in gebreke te bewijzen waarom enkel een erkenning van volledige opleidingen in de belangrijkste geneeskundige, heelkundige en medische-technische specialiteiten, redelijk verantwoord zou kunnen zijn voor een bijkomende financiering voor de opleidingsfunctie. Ook in het vierde middel werd het bewijs niet geleverd. Naast het gebrek aan redelijke - en bewezen - verantwoording blijft dat deze voorwaarde volstrekt willekeurig werd opgelegd en met schending van het gelijkheidsbeginsel tussen de diensten die erkend zijn voor een volledige opleiding, dan wel voor een gedeeltelijke opleiding. Het tweede onderdeel is gegrond. c. Derde onderdeel. Verwerende partij toont niet aan op welke manier het opleggen van de opleiding in de belangrijkste specialiteiten, als bijkomende voorwaarde, geen willekeurig criterium is. Verwerende partij erkent dat de 'belangrijkste specialiteiten' niet reglementair vastgelegd zijn door trouwens te stellen dat er een consensus bestaat om bepaalde specialiteiten als de belangrijkste specialiteiten te aanzien. Het is een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het beginsel van rechtszekerheid, uit te gaan van veronderstellingen, en op deze veronderstellingen reglementaire bepalingen te steunen. Het derde onderdeel is gegrond. VII-23.370-17/20 d. Vierde onderdeel. Het bestreden besluit is onnauwkeurig wat motivering en formulering betreft door verschillende categorieën, nl. erkende ziekenhuisdiensten of geneesheren erkend als stagemeester, onder dezelfde noemer te brengen van 'de ziekenhuizen erkend voor de volledige opleidingen'. Het vierde onderdeel is gegrond. e. Vijfde onderdeel. Het bestreden besluit maakt een discriminerend onderscheid tussen geneesheren in dienstverband met vast uurrooster en zelfstandige geneesheren in contractueel verband zonder vastgelegd uurrooster. Het vijfde onderdeel is gegrond"; 2.6.1.4. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie ten aanzien van het derde onderdeel nog doen gelden dat een "volledige" opleiding niet mag worden verward met een "volwaardige" opleiding en dat geenszins is aangetoond dat een gedeeltelijke opleiding minder volwaardig zou zijn dan een volledige opleiding; 2.6.2. Bespreking Overwegende dat de verzoekende partijen zich beroepen op de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur; dat aangaande de sanctionering van de miskenning van dergelijke algemene beginselen de Raad van State slechts over een marginaal toetsingsrecht beschikt; Overwegende dat de Raad van State enkel de kennelijke onredelijkheid van overheidshandelen kan sanctioneren, wat inhoudt dat de bestreden beslissing slechts vernietigd kan worden indien het overduidelijk is dat geen redelijk denkend mens tot een dergelijke beslissing zou kunnen komen; Overwegende dat men bezwaarlijk staande kan houden dat de bestreden regeling kennelijk onredelijk is; dat die regeling een reeks voorwaarden inzake de financiering van de opleiding vastlegt die zowel voor de universitaire als voor de niet-universitaire ziekenhuizen gelden, zodat die soorten ziekenhuizen alvast vanuit formeel oogpunt op gelijke voet worden behandeld; Overwegende, wat specifiek het eerste onderdeel van het middel betreft, dat reeds hoger werd uiteengezet dat de verwerende partij aannemelijk maakt dat het onderscheid tussen artsen die een salaris ontvangen voor hun volledige activiteit en zelfstandige artsen niet kennelijk onredelijk is; VII-23.370-18/20 Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat de uitleg van de verwerende partij dat de overheid wil komen tot volwaardige geïntegreerde ziekenhuizen die een volwaardige opleiding willen bieden, hetgeen de kwaliteit van de opleiding moet verhogen, evenmin kennelijk onredelijk is; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat men redelijkerwijze mag aannemen dat in ziekenhuismiddens genoegzaam bekend is wat wordt bedoeld met de "belangrijkste specialiteiten"; Overwegende, wat het vierde onderdeel van het middel betreft, dat betrekking heeft op de financieringsvoorwaarde dat het ziekenhuis is erkend voor de volledige opleidingen in de belangrijkste geneeskundige, heelkundige en medisch-technische specialiteiten, dat een eventuele legistieke onnauwkeurigheid niet impliceert dat de bekritiseerde regeling kennelijk onredelijk is; Overwegende, wat het vijfde onderdeel van het middel betreft, dat betrekking heeft op het onderscheid tussen geneesheren in dienstverband met vast uurrooster en zelfstandige geneesheren in contractueel verband zonder vastgelegd uurrooster, dat de verwerende partij aannemelijk maakt dat de uitdrukking "voltijdse equivalenten" ook gebruikt wordt wanneer het zelfstandigen betreft; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. VII-23.370-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, voorzitter van de VIIe kamer de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.370-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.