← België

Arrest 169308 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 22/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.308 Rolnummer: A. 84674/VII-18628 Zaak: Arrest 169308 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 22/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-02 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 18:25 Fiche Arrest nr 169.308 van 22 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.308 van 22 maart 2007 in de zaak A. 84.674/VII-18.628. In zake : de n.v. FAIRFIELD INDUSTRIES BELGIUM, thans de n.v. F. INDUSTRIES BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten V. VAN HOUTTE en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, H. Wafelaertsstraat 47-51 tegen : 1. de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te HEVERLEE, Industrieweg 4, bus 1 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FAIRFIELD INDUSTRIES, thans de n.v. F. INDUSTRIES BELGIUM, op 11 juni 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: “

  1. a)Het besluit van de Vlaamse regering van 4 maart 1997 houdende aanwijzing overeenkomstig het artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering van de historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden (B.S., 04.09.1997), in de mate dat dit besluit betrekking heeft op de percelen gelegen te Mechelen, ten kadaster gekend onder 3de Afdeling, gemeentenr. 12403, sectie D, perceelnummers 157 S2 en 152 H (hiernagenoemd: ‘eerste bestreden beslissing’);
  2. b)Het besluit van de Vlaamse regering van 20 januari 1998 houdende aanwijzing overeenkomstig het artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering van de historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden (B.S., 06.03.98), in de mate dat dit besluit betrekking heeft op het perceel gelegen te Mechelen, ten kadaster gekend onder 3de Afdeling, gemeentenr. 12403, sectie D, perceelnummer 157 P2 (hiernagenoemd: ‘tweede bestreden beslissing’);
  3. c)De beslissing van 15 januari 1999 van OVAM tot aanmaning van Fairfield tot een beschrijvend bodemonderzoek (ref. BOA-S/O-RE- 99/40262) (hiernagenoemd: ‘derde bestreden beslissing’); VII-18.628-1/8
  4. d)De beslissing van OVAM dd. 9 april 1999 met referte ‘Juridische uitspraak i.v.m. artikel 31 van het Bodemsaneringsdecreet’ (dossiernummer BOA-S/O-RE-99/41163), houdende verwerping van het standpunt van verzoekster betreffende haar statuut van ‘onschuldig bezitter’ in de zin van artikel 31, §§ 2-3 van het bodemsaneringsdecreet (hiernagenoemd: ‘vierde bestreden beslissing’).” Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 juni 2006, op welke datum de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaten J. BOUCKAERT en B. POELEMANS, loco advocaat J. MERTENS, die verschijnen voor de verzoekende partij en van advocaat H.-K. CARÊME, die loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-18.628-2/8 1. De feiten. 1.1. De verzoekende partij produceert, verwerkt en verhandelt machines en onderdelen uit de metaalverwerkende sector, alsook de afgeleiden ervan. 1.2. Zij koopt op 3 augustus 1990 roerende en onroerende goederen van het failliet verklaarde bedrijf PRB, waaronder gronden die gelegen zijn te Mechelen. Op 31 augustus 1990 wordt de authentieke akte van de aankoop verleden. 1.3. Onmiddellijk na de verwerving tracht de verzoekende partij de gronden te verkopen, maar uit bodemonderzoek op initiatief van een potentiële koper blijkt dat de kwestieuze grond verontreinigd is. Het vervuilde terrein blijkt een ernstige verontreinigingsgraad te hebben met een mogelijk belangrijke impact op de directe omgeving. 1.4. Dit onderzoek wordt aan de verzoekende partij, de stad Mechelen en OVAM meegedeeld en in opdracht van OVAM wordt een bijkomend onderzoek gevoerd. Er wordt een rapport “sanering gasfabrieksterrein Mechelen- princiepsonderzoek” opgesteld. Hierna verklaren OVAM en de stad Mechelen het terrein ontoegankelijk. 1.5. Bij beslissingen van 4 maart 1997 en 20 januari 1998 houdende aanwijzing overeenkomstig artikel 30, §2 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (Bodemsaneringsdecreet), worden de kwestieuze gronden van de verzoekende partij aangewezen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. Dit zijn respectievelijk de eerste en de tweede bestreden beslissing. 1.6. Op 15 januari 1999 stuurt de OVAM een aanmaning naar de verzoekende partij om een beschrijvend bodemonderzoek te laten uitvoeren. Dit is de derde bestreden beslissing. 1.7. Op 12 februari 1999 stuurt de verzoekende partij een brief naar OVAM waarin ze stelt dat ze een “onschuldige bezitter” is. 1.8. Bij schrijven van 9 april 1999 stelt de OVAM dat Fairfield niet aantoont dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, §§2 of 3 van het VII-18.628-3/8 Bodemsaneringsdecreet en zij bijgevolg een beschrijvend bodemonderzoek moet laten uitvoeren. Dit is de vierde bestreden beslissing. 1.9. Hierop stelt de verzoekende partij tegen voornoemde beslissing van 9 april 1999 beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw. 1.10. In het kader van de beroepsprocedure brengt het hoofdbestuur Milieuvergunningen van AMINAL een ongunstig advies uit. 1.11. Op 6 augustus 1999 wordt de ministeriële beslissing genomen waarbij het beroep van de verzoekende partij tegen de sub 1.9 vermelde beslissing ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Tegen deze beslissing werd door de verzoekende partij een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State dat bekend is onder het nr. A. 87.404/VII-19.690. 2. De ontvankelijkheid. 2.1.1. De eerste verwerende partij voert aan dat het verzoekschrift tot nietigverklaring meerdere vorderingen bevat, wat een niet gerechtvaardigde afwijking zou inhouden van de regel “één vordering, één proces”. 2.1.2. Verschillende beroepen tot nietigverklaring kunnen met één enkel verzoekschrift worden ingeleid, op voorwaarde dat zij voldoende samenhang vertonen. Te dezen konden de verschillende vorderingen op ontvankelijke wijze in één enkele rechtszaak worden behandeld, daar de betrokken vorderingen zo nauw samenhangen, dat de uitspraak met betrekking tot de ene vordering zijn weerslag heeft op de andere. De eerste exceptie wordt verworpen. 2.2.1. De eerste verwerende partij voert de onontvankelijkheid van het annulatieberoep ratione materiae aan. Geen van de vier bestreden beslissingen zou volgens haar op ontvankelijke wijze kunnen worden bestreden. De eerste verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat het annulatieberoep -in zoverre ingesteld tegen de vierde bestreden beslissing- onontvankelijk is, vermits tegen een dergelijke beslissing administratief beroep openstaat bij de Vlaamse regering. VII-18.628-4/8 2.2.2. Bij aangetekend schrijven van 7 mei 1999 tekent de verzoekende partij bij de Vlaamse regering beroep aan tegen de beslissing van de OVAM van 9 april 1999, zijnde de vierde bestreden beslissing. Bij besluit van 6 augustus 1999 verwerpt de bevoegde Vlaamse minister dit beroep. Op 19 oktober 1999 stelt de verzoekende partij bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen dit besluit. Deze zaak is bekend onder het nr. A. 87.404/VII-19.690. Gelet op de beslissing van 20 augustus 1999 is het beroep tot nietigverklaring tegen de vierde bestreden beslissing niet ontvankelijk wegens gebrek aan voorwerp. Het eerste onderdeel van de tweede exceptie is gegrond. 2.3.1. De tweede verwerende partij voert met betrekking tot de derde bestreden beslissing aan dat zij “een handeling voorafgaand aan een beslissing” is en als dusdanig niet aanvechtbaar is voor nietigverklaring, gezien zij aan de verzoekende partij geen onmiddellijk nadeel berokkent. 2.3.2. Op 12 februari 1999 stelt de verzoekende partij, met toepassing van artikel 31, §§2 en 3 van het Bodemsaneringsdecreet, beroep in tegen de aanmaning van de OVAM van 15 januari 1999, zijnde de derde bestreden beslissing. Op 9 april 1999 wordt de vierde bestreden beslissing genomen waarbij het standpunt van de verzoekende partij betreffende haar statuut van ‘onschuldige bezitter’ wordt verworpen. Gelet op de gegrondheid van het eerste onderdeel van de tweede exceptie en het feit dat de verzoekende partij de beroepsmogelijkheden met betrekking tot de derde bestreden beslissing reeds heeft uitgeput, is het beroep ten aanzien van de derde bestreden beslissing eveneens niet ontvankelijk wegens gebrek aan voorwerp. Het tweede onderdeel van de tweede exceptie is gegrond. 2.4.1. De tweede verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat de verzoekende partij met betrekking tot de eerste en de tweede bestreden beslissing enkel de OVAM als verwerende partij aanduidt en de vordering minstens daarom niet ontvankelijk is. 2.4.2. Overeenkomstig artikel 5 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, is het lid van het auditoraat ermee belast om toezicht te houden op de voorgaande maatregelen. Het lid van het auditoraat is dus bevoegd om VII-18.628-5/8 de overheid aan te wijzen die in aanmerking komt de verdediging van de rechtmatigheid van de bestreden beslissing waar te nemen. Het komt dan ook het auditoraat toe om de vergissing van de verzoekende partij recht te zetten. De gebeurlijke aanwijzing van een verkeerde tegenpartij door de verzoekende partij, maakt het beroep tot nietigverklaring dus niet automatisch onontvankelijk. De verkeerdelijke aanduiding van de tegenpartijen is bovendien te dezen niet van die aard, dat de belangen van de eerste verwerende partij of het goede verloop van de rechtspleging hierdoor zou zijn geschaad. Het beroep tot nietigverklaring is bijgevolg ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de eerste en de tweede bestreden beslissing. Het derde onderdeel van de tweede exceptie wordt verworpen. Het beroep is dus enkel ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen het eerste en het tweede bestreden besluit. 3. Ten gronde. 3.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 2, 3/, 7, 30 en 31 van het Bodemsaneringsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij stelt dat bij historische verontreiniging van gronden enkel tot bodemsanering wordt overgegaan, “indien in concreto is vastgesteld dat de aangetroffen bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt”. 3.2. In haar laatste memorie en ter terechtzitting betwist de eerste verwerende partij de ontvankelijkheid van dit middel omdat de tweede verwerende partij bij het nemen van een nieuwe beslissing na een gebeurtelijk vernietigingsarrest, gelet op het advies van de OVAM, geen andere keuze zal hebben dan te stellen dat de betrokken gronden moeten worden gesaneerd. 3.3. Het eerste middel is ontvankelijk, aangezien de tweede verwerende partij, na een gebeurlijke annulatie van het eerste en het tweede bestreden besluit, in de toekomst zal kunnen oordelen dat er geen ernstige aanwijzingen meer voorhanden zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige VII-18.628-6/8 bedreiging vormt, zodat de kwestieuze gronden niet langer als historisch verontreinigde gronden dienen aangewezen te worden. De mogelijkheid bestaat immers dat de vastgestelde verontreiniging na verloop van tijd kan zijn afgenomen, waarbij het aan de eerste en de tweede verwerende partij staat om dit te beoordelen. De tweede verwerende partij heeft na een gebeurlijke annulatie van de bestreden besluiten wel degelijk de discretionaire bevoegdheid om de staat van verontreiniging van verzoeksters percelen opnieuw te beoordelen en dit ongeacht de resultaten van het bodemonderzoek dat ten tijde van de bestreden beslissingen werd gevoerd en ongeacht de resultaten van het door eerste verweerster aangevoerde bodemsaneringsonderzoek van 21 juni 2004 waaruit opnieuw een saneringsnoodzaak zou blijken. Artikel 30, § 1 van het Bodemsaneringsdecreet, zoals dit gold op het ogenblik van de bestreden beslissingen, vereist inderdaad dat een ernstige bedreiging wordt aangetoond aan de hand van een individueel concreet onderzoek met inachtneming van de in artikel 2, 3/ van het Bodemsaneringsdecreet opgelegde criteria. Te dezen volstond het dus niet om op basis van oriënterende bodemonderzoeken en het hanteren van een ‘objectief beoordelingskader’ op een abstracte wijze vast te stellen dat er ernstige aanwijzigingen zijn dat de historische verontreiniging een ernstige bedreiging vormt. Het eerste middel is gegrond, in zoverre het de eerste en de tweede bestreden beslissing aanbelangt, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd worden: 1. Het besluit van de Vlaamse regering van 4 maart 1997 houdende aanwijzing overeenkomstig het artikel 30, §2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering van de historische gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, in de mate dat dit besluit betrekking heeft op de gronden van de n.v. FAIRFIELD INDUSTRIES BELGIUM gelegen te Mechelen, 3e afdeling, gemeentenr. 12403, sectie D, perceelnrs. 157 S2 en 152 H. 2. Het besluit van de Vlaamse regering van 20 januari 1998 houdende aanwijzing overeenkomstig het artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 VII-18.628-7/8 betreffende de bodemsanering van de historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden, in de mate dat dit besluit betrekking heeft op het perceel van de n.v. FAIRFIELD INDUSTRIES BELGIUM gelegen te Mechelen, ten kadaster gekend onder 3de Afdeling, gemeentenr. 12403, sectie D, perceelnummer 157 P2. Artikel 2. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de tweede verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig maart tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.628-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.308 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.