← België

Arrêt / Arrest 169314 - Divers (institutions, intérieur et pouvoirs locaux) / Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 22/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.314 Rolnummer: A. 173074/AGAV-91 Zaak: Arrêt / Arrest 169314 - Divers (institutions, intérieur et pouvoirs locaux) / Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 22/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-26 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-29 19:30 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 169.314 van 22 maart 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Wraking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.314 van 22 maart 2007 in de zaak A. 173.074/g-

  1. In zake : (oorspronkelijke verwerende partijen),
  2. de VZW VRIJHEIDSFONDS,
  3. de VZW VLAAMSE CONCENTRATIE, die woonplaats kiezen bij advocaat R. Tournicourt, kantoor houdende te 1150 Brussel, Tervurenlaan 270 tegen : (oorspronkelijke verzoekende partijen),
  4. Philippe DE COENE,
  5. Francis DELPÉRÉE,
  6. Thierry GIET,
  7. Jean-François ISTASSE, rechtsgeding hervat door: Jean CORNIL,
  8. Karine LALIEUX,
  9. Philippe MAHOUX,
  10. Geert LAMBERT,
  11. Myriam VANLERBERGHE,
  12. Daniël BACQUELAINE,
  13. Christine DEFRAIGNE, die woonplaats kiezen bij advocaat L. Walleyn, kantoor houdende te 1030 Brussel, Paleizenstraat
  14. tussenkomende partijen :
  15. Frank VANHECKE,
  16. Filip DEWINTER,
  17. Gerolf ANNEMANS, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Siffert, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 174, bus
  18. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING ADMINISTRATIE VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het 31 augustus 2006 gedateerde verzoekschrift dat de VZW Vrijheidsfonds en de VZW Vlaamse Concentratie hebben ingediend om een onderzoek te horen bevelen “naar het lidmaatschap of de betrokkenheid van g-91-1/15 individuele staatsraden en partijen bij de geheime verenigingen, bekend als de ‘Grootloge van België’, het ‘Grootoosten van België’, de loge ‘Droit Humain’ en/of de ‘Vrouwengrootloge’”; Gezien het 17 oktober 2006 gedagtekende verzoekschrift dat de VZW Vrijheidsfonds en de VZW Vlaamse Concentratie hebben ingediend om te horen zeggen voor recht dat 26 met naam genoemde kamervoorzitters en staatsra- den, één assessor in de afdeling wetgeving en één auditeur, geen deel mogen uitmaken van de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State die uitspraak zal moeten doen over de aanvraag tot intrekking van de dotatie van het Vlaams Belang, gekend onder nr. A.173.074/g-91; Gelet op artikel 29 van de wetten op de Raad van State gecoördi- neerd op 12 januari 1973; Gelet op de artikelen 61 tot 65 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement); Gezien de nota met opmerkingen van 14 november 2006 van kamervoorzitter M. Leroy; Gezien de nota met opmerkingen van 17 november 2006 van kamervoorzitters J.-Cl. Geus, M.-L. Willot-Thomas, M. Hanotiau, M. Leroy, J. Messine en staatsraden O. Daurmont, P. Lewalle, Ph. Quertainmont, S. Gehlen, J.Vanhaeverbeek, P. Nihoul en C. Debroux ; Gezien de nota met opmerkingen van 28 november 2006 van kamervoorzitters M.-R. Bracke, A. Beirlaen, D. Albrecht en staatsraden R. Stevens, J. Bovin, J. Baert, D. Moons, J. Smets, G. van Haegendoren, C. Adams, B. Seutin en Ch. Bamps; Gezien de nota met opmerkingen van 1 december 2006 van auditeur L. Vermeire; Gezien de nota met opmerkingen van 5 december 2006 van kamervoorzitter P. Lemmens; g-91-2/15 Gezien de nota met opmerkingen van 6 december 2006 van staatsraad G. Debersaques; Gezien de nota met opmerkingen van 16 januari 2007 van kamervoorzitter M.-R. Bracke; Gelet op het arrest nr. 166.924 van 18 januari 2007 waarbij de debatten worden heropend en de openbare terechtzitting wordt vastgesteld op 13 februari 2007; Gezien de nota met opmerkingen van 19 januari 2007 van kamervoorzitter M. Leroy en staatsraad Ph. Quertainmont; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaten R. Tournicourt, L. Deceuninck, en A. Bellens, die verschijnen voor verzoeksters, de oorspronkelijke verwerende partijen, van advocaten A. Schaus, en S. Karsikaya, die verschijnen voor de oorspronkelijke verzoekende partijen, van advocaat B. Siffert, die verschijnt voor de tussenkomende partijen en van de eerste tussenkomende partij, die in eigen naam verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : A. De context en de samenhang van de vorderingen
  19. Op 17 mei 2006 hebben tien leden van de controlecommissie betreffende de verkiezingsuitgaven (hierna: de oorspronkelijke verzoekende partijen) tegen de VZW Vrijheidsfonds en de VZW Vlaamse Concentratie een aanvraag ingediend tot intrekking van de dotatie toegekend aan het Vlaams Belang. Artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van g-91-3/15 de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen (hierna: de wet van 4 juli 1989) draagt de beslissing over de intrekking van de dotatie op aan de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State. In het kader van de voormelde aanvraag formuleren de genoemde VZW’s (hierna: verzoeksters), twee tussenvorderingen. In een eerste vordering vragen zij dat een onderzoek wordt bevolen naar het lidmaatschap van of de bezoeken aan de zogenaamde irreguliere loges, te weten de “Grootloge van België”, het “Grootoosten van België”, de loge “Droit Humain” en de “Vrouwengrootloge”, zowel van de kamervoorzitters en staatsraden die deel zullen uitmaken van de algemene vergadering, als van de oorspronkelijke verzoekende partijen. In de tweede vordering worden 26 kamer- voorzitters of staatsraden gewraakt, één assessor in de afdeling wetgeving en één auditeur, onder meer om reden dat zij mogelijk lid zijn van een van de voormelde loges.
  20. De eerste vordering is er wezenlijk op gericht om verzoeksters het nodige bewijs te verschaffen ter staving van een toentertijd nog in te dienen verzoek tot wraking van kamervoorzitters en staatsraden. Aangezien dat verzoek tot wraking intussen al is ingediend en meer bepaald deel uitmaakt van de tweede vordering, is er reden toe, in het belang van een goede rechtsbedeling, om de beide vorderingen samen te behandelen. B. De tijdigheid van de tweede vordering
  21. Uit artikel 63 van het algemeen procedurereglement volgt dat de vordering tot wraking moet worden ingesteld van zodra de wrakingsgrond gekend is of althans redelijkerwijze voor gekend mag worden gehouden. Dit veronderstelt dat de betrokkene de identiteit van de rechter kent of moest kennen. Bij herhaling hebben verzoeksters om mededeling gevraagd van de precieze samenstelling van de algemene vergadering van de afdeling administra- tie die kennis zou nemen van de tegen hen ingestelde vordering tot intrekking van de dotatie en die overeenkomstig artikel 94, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zitting houdt in even getal en met ten minste acht leden. Het g-91-4/15 blijkt niet dat verzoeksters vóór 17 oktober 2006, datum van de eerste openbare terechtzitting in dezen, konden weten dat deze algemene vergadering in principe zal bestaan uit alle leden van de afdeling administratie. Hun 17 oktober 2006 gedagtekende vordering tot wraking is bijgevolg tijdig ingediend. C. Het belang bij de vorderingen
  22. Verzoeksters motiveren niet waarom het onderzoek met betrekking tot het lidmaatschap van een irreguliere loge zich eveneens tot de oorspronkelijke verzoekende partijen moet uitstrekken. De reden daarvan is ook niet spontaan duidelijk, integendeel. Van de oorspronkelijke verzoekende partijen wordt geen onpartijdigheid verwacht. Zij kunnen niet wegens een gebrek aan onpartijdig- heid worden gewraakt. Verzoeksters zijn zonder belang bij hun verzoek tot onderzoek in zoverre het de oorspronkelijke verzoekende partijen betreft.
  23. Evenmin hebben verzoeksters belang bij de ingediende vorderingen waar zij kamervoorzitters Bracke en Lemmens en staatsraad Debersaques betreffen. De betrokken kamervoorzitters hebben immers te kennen gegeven dat zij niet zullen optreden in de zaak met betrekking tot de intrekking van de dotatie van het Vlaams Belang. Dat deed ook staatsraad Debersaques, die thans overigens niet meer behoort tot het kader van de Raad van State.
  24. Als assessor van de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft M. Rigaux geen zitting in de algemene vergadering van de afdeling administratie. Kamervoorzitter Albrecht en staatsraden Baert, Smets en Seutin zijn aangewezen om uitsluitend van de afdeling wetgeving deel uit te maken. Als zodanig zijn zij, gelet op artikel 94, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet geroepen om in de afdeling administratie te zetelen, behoudens in het uitzonderlijke geval bedoeld in artikel 89, tweede lid. Het laat zich niet voorzien dat er aanleiding zal bestaan tot toepassing van die bepaling. g-91-5/15 Verzoeksters ontberen dienvolgens het vereiste belang in zoverre hun vorderingen betrekking hebben op assessor Rigaux, kamervoorzitter Albrecht en staatsraden Baert, Smets en Seutin.
  25. De vorderingen tot het bevelen van een onderzoek en tot wraking worden hierna nog slechts onderzocht in zoverre ze de overige daarin vermelde kamervoorzitters en staatsraden betreffen. D. Het onderzoek naar, en de wraking wegens, lidmaatschap van een irreguliere loge
  26. De vraag of het überhaupt denkbaar en mogelijk is om een onderzoek te gelasten met het oog op een vordering tot wraking die nog niet aanhangig is gemaakt, kan buiten beschouwing worden gelaten nu te dezen de vordering tot wraking hoe dan ook vóór de berechting van de vordering “houdende een aanvraag tot onderzoek” is ingediend.
  27. Het behoort in principe aan degene die de wraking vordert om de concrete en precieze elementen bij te brengen die de inwilliging van de vordering behoeft. Is het niet a priori uit te sluiten dat terzake, zoals verzoeksters vragen, overeenkomstig artikel 25 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 18 van het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 tot regeling van de bijzondere regels inzake de termijn en de procedure voor de behandeling van de aanvragen ingediend overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen (hierna: het koninklijk besluit van 31 augustus 2005), een nader onderzoek wordt bevolen, daartoe bestaat in elk geval slechts aanleiding indien de aangevoerde wrakingsgrond een minimale graad van ernst toekomt.
  28. In hun vordering tot wraking brengen verzoeksters tegen kamervoorzitters Beirlaen, Leroy, Stevens en staatsraad Quertainmont het “mogelijk lidmaatschap” in van een zogenaamde “vijandige irreguliere loge” en meer bepaald het lidmaatschap van “één van de vier geheime verenigingen, bekend als ‘de Grootloge van België’, ‘het Grootoosten van België’, de loge ‘Droit Humain’ en/of de ‘Vrouwengrootloge’”. Eensdeels wijzen verzoeksters erop dat de betrokkenen lesgeven aan de VUB of ULB, waar de invloed van de loge “zeer groot” zou zijn en die “bolwerken van de loge” worden genoemd. Anderdeels luidt het dat het volgens g-91-6/15 verklaringen van J. Goris, grootmeester van het Grootoosten van België, de opdracht is voor elk logelid om het Vlaams Belang te bestrijden. Verzoeksters vragen, met toepassing van artikel 29, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 62 van het algemeen procedurereglement juncto artikel 828, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek hun wraking wegens “wettelijke verdenking”.
  29. De loutere bewering dat de invloed van de loge zeer groot is aan de VUB of ULB is ontoereikend om de aanname dat de gewraakte kamervoorzitters en staatsraden, vanwege het feit dat zij er les geven of hebben gegeven, lid zijn van een vijandige irreguliere loge, te doen uitstijgen boven het niveau van pure speculatie. De vordering tot wraking wegens het mogelijk lidmaatschap van een irreguliere loge, berust uitsluitend op een hypothese. Bovendien moet de Raad van State vaststellen dat, in zoverre verzoeksters willen doen geloven “dat, indien een staatsraad die vrijmetselaar is wordt gevraagd te oordelen over een procedure tegen de partij Vlaams Belang of één van haar componenten, uit zijn lidmaatschap van deze geheime organisaties voortvloeit dat hij geacht wordt de veroordeling uit te spreken”, zij zich daarvoor alleen steunen op twee artikelen, interviews, die -anders dan verzoeksters laten uitschijnen- alleen de strikt persoonlijke mening van de geïnterviewde blijken weer te geven. Immers wijst de vollédige lectuur van de interviews uit dat J. Goris van meet af aan heeft benadrukt slechts zijn eigen overtuiging te vertolken en geenszins namens de hele loge te spreken. Aldus heet het in het dagblad De Morgen “dat geen enkele maçon van welke instantie dan ook richtlijnen kan ontvangen om wat dan ook te doen, ook niet van de grootmeester”, dat dit “flagrant in tegenspraak [zou] zijn met onze statuten en beginselen”, en dat “net omdat iedere maçon vrij is” “het onmogelijk [is] om namens de hele loge te praten”. In het weekblad Knack verklaart de betrokkene dat elke vrijmetselaar -“ook een grootmeester”- uitsluitend in eigen naam spreekt, en dat wat hij in het interview zegt niet bindend is voor het Grootoosten. Waarop volgt: “Dat is een belangrijk punt”.
  30. De conclusie uit een en ander is dat verzoeksters niet alleen geen voldoende gegevens bijbrengen om een wraking wegens het lidmaatschap van een zogenaamde irreguliere loge uit te spreken, maar zelfs niet de minimaal vereiste elementen om tenminste een onderzoek ernaar te verantwoorden. g-91-7/15 E. De wraking wegens lidmaatschap van of politieke sympathie voor een traditionele partij Wat de kamervoorzitters Beirlaen, Geus, Hanotiau, Leroy, Stevens, en de staatsraden Adams, Bamps, Bovin, Daurmont, Debroux, Gehlen, Lewalle, Moons, Nihoul, Quertainmont, Van Haegendoren en Vanhaeverbeek betreft
  31. Negen van de voormelde kamervoorzitters en staatsraden worden gewraakt omdat zij in de periode vóór hun benoeming tot staatsraad deel hebben uitgemaakt van het kabinet van een minister van een zogenaamde traditionele politieke partij of universitair medewerker bij de Kamer van Volksvertegenwoordi- gers zijn geweest voor een dergelijke partij. Dit wijst volgens verzoeksters uit dat zij lid zijn van of minstens politieke sympathie hebben voor deze partijen “die allen verklaarde vijanden zijn van de partij Vlaams Belang, op wie zij eensgezind het cordon sanitaire toepassen”. Ook zeven staatsraden die zogenaamd benoemd zijn op voordracht van een traditionele politieke partij, worden bijgevolg geacht lid te zijn of politieke sympathie te hebben voor een politieke partij die het Vlaams Belang vijandig is. Dat geldt eveneens een kamervoorzitter die “een vertrouweling van de PS” wordt genoemd, evenals twee kamervoorzitters en een staatsraad die een boek of een artikel hebben geschreven, waaraan een lid van een traditionele politieke partij heeft meegewerkt. Zij worden allen gewraakt op grond van de “wettelijke ver- denking” bedoeld in artikel 828, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek.
  32. Een behoorlijke rechtsbedeling waarborgt de rechtsonderhorigen de behandeling van hun zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, ten aanzien van wie geen “wettelijke” of gewettigde verdenking bestaat. Die eisen houden niet alleen in dat een rechter niet afhankelijk of partijdig mag zijn, maar ook dat er voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn om elke gewettigde twijfel omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter uit te sluiten.
  33. Wat het eerste aspect -het subjectief aspect- van de onpartijdigheid betreft, stelt de Raad van State vast dat geen enkel gegeven doet kennen dat de gewraakte kamervoorzitters en staatsraden op enig moment tegen het Vlaams Belang partij hebben gekozen of jegens die partij van een negatieve vooringenomenheid blijk hebben gegeven. g-91-8/15
  34. Wat het tweede aspect -het objectief aspect- betreft, dient de Raad van State zich af te vragen of er, onafhankelijk van het persoonlijk gedrag van de betrokkenen, niettemin verifieerbare gegevens zijn die een schijn van verdenking te hunnen opzichte kunnen wettigen. Daarbij dient weliswaar de optiek van de rechtzoekende in aanmerking te worden genomen, maar speelt zij geen doorslagge- vende rol. Doorslaggevend is daarentegen of, al dan niet, de vrees van de betrokkene voor een gebrek aan onpartijdigheid, als objectief verantwoord kan worden beschouwd.
  35. Als gezien laten de gegevens die verzoeksters tegen de kamervoor- zitters en staatsraden aanvoeren, naar hun oordeel uitschijnen dat de betrokkenen lid zijn of sympathie hebben voor een van de traditionele partijen, of het vertrouwen van zo een partij genieten. Dit laadt beweerdelijk op hen de verdenking van partijdigheid aangezien nu eenmaal alle traditionele partijen vijandig zouden staan tegenover het Vlaams Belang, zoals verzoeksters afleiden uit de toepassing van het zogenaamde cordon sanitaire en, in het geval van de VLD, uit een uitspraak van een ex-voorzitter.
  36. In de eerste plaats moeten grote vraagtekens worden gezet bij de juistheid van de aangevoerde gegevens en van de veronderstellingen inzake partijaanhorigheid die er op gebaseerd worden. De ingeroepen gegevens zijn in zowat alle gevallen tien jaar, of meer, oud. Er is derhalve reden om de actuele waarde en relevantie ervan te betwijfelen, vermits een eventuele partijvoorkeur hoegenaamd niet onveranderlijk is. Voorts worden leden van de Raad van State lid of sympathi- sant van een partij (Spirit) genoemd omdat zij kabinetslid zijn geweest, op een moment evenwel dat die partij nog niet eens bestond. In andere gevallen gaan verzoeksters er ten onrechte vanuit dat een adjunct-adviseur op een ministerie een kabinetslid is. In nog andere gevallen krijgen leden van de Raad van State een partijetiket opgeplakt op grond van de vermelding van hun naam in één krantenarti- kel. Van een welbepaalde staatsraad wordt eerst gesteld dat hij benoemd werd omdat hij lid is of politieke sympathie heeft voor de SP.a, en vervolgens dat hij benoemd werd omdat hij lid is of sympathisant van de PS. Twee andere staatsraden, die medeauteur zijn van het boek “La lutte contre le racisme et la xénophobie”, worden aan de PS en haar opvattingen gelieerd, niet vanwege de precieze inhoud van het boek, ook niet vanwege de inhoud van het voorwoord, maar om de enkele reden dat het voorwoord door “een politiek kopstuk van de PS” geschreven werd. In hun ijver om zoveel mogelijk leden van de Raad van State aan een zogenaamde traditionele politieke partij te linken, gaan verzoeksters zelfs zover dat zij tegen een staatsraad g-91-9/15 aanvoeren dat zij in 1992 een artikel heeft gepubliceerd met ene Marc Verwilghen, minister van de VLD, wijl integendeel de coauteur van het artikel ene Michel Verwilghen was (J.T., 1992, 12). Niet alleen zijn de aangevoerde feiten en veronderstellingen goeddeels dubieus en soms apert foutief, vooral rijst de vraag of de loutere politieke voorkeur voor een zogenaamde traditionele politieke partij -in de praktijk: voor een andere politieke partij dan het Vlaams Belang- ipso facto twijfel schept over de objectieve onpartijdigheid van de betrokkenen. Voor de Raad van State is het antwoord op die vraag ontkennend. Een politieke partij kristalliseert de gedachten- stromingen over een veelheid van vraagstukken die in de samenleving bestaan. Het getuigt van weinig realiteitszin dat de voorkeur voor een partij automatisch zou impliceren dat de betrokkene het eens is met ieder antwoord van de partij op al die vragen, laat staan nog met iedere uitspraak van een zogenaamd “kopstuk” ervan. In dat verband valt het de Raad van State op dat door verzoeksters niet eens wordt bewéérd dat de kamervoorzitters en staatsraden die zij wraken slechts de hun toegeschreven steun en het vertrouwen van de partij hebben gekregen, op voorwaarde dat zij zonder meer alle standpunten van de partij onderschrijven, ook het standpunt inzake het cordon sanitaire.
  37. Samenvattend verantwoorden de door verzoeksters aangevoerde elementen niet dat bij hen gewettigde twijfels worden aangenomen over de onpartijdigheid waartoe de betrokken kamervoorzitters en staatsraden gehouden zullen zijn, wanneer zij -in hun hoedanigheid van rechters die voor het leven benoemd zijn, onafhankelijk zijn en aan een strikt stelsel van onverenigbaarheden onderworpen zijn- geroepen worden om na te gaan of het Vlaams Belang vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, binnen een collegiaal rechtscollege waarbij een aanvraag tot intrekking van de dotatie van die partij aanhangig gemaakt is. Wat auditeur Vermeire betreft
  38. Uit het feit dat de partner van de auditeur, met wie hij op een duurzame wijze samenleeft, deel zou hebben uitgemaakt van het kabinet van een socialistische topminister en ook universitair medewerker zou zijn geweest van de kamerfractie van de SP, concluderen verzoeksters, met een verwijzing naar artikel g-91-10/15 828, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de auditeur “niet zonder vooroordeel is, maar zelf ook van socialistische overtuiging is, minstens van zeer nabij beïnvloed wordt door een persoon met socialistische politieke overtuiging, overtuiging die zeer vijandig is ten aanzien van de partij Vlaams Belang”.
  39. Naar het oordeel van de Raad van State geldt wat hiervoor in verband met de kamervoorzitters en staatsraden is overwogen, minstens op dezelfde wijze voor de gewraakte auditeur, en brengen de aangevoerde feiten dan ook niet zijn onpartijdigheid in het gedrang, subjectief noch objectief bekeken. Met het bijwoord “minstens” wordt hierop gealludeerd dat de feiten waarop verzoeksters zich met betrekking tot de auditeur steunen, anders dan het geval is met betrekking tot de kamervoorzitters en staatsraden, eigenlijk zelfs niet eens, of ten hoogste zijdelings, hemzelf betreffen. Niet hijzelf, maar zijn partner, zou tot lid van een ministerieel kabinet of tot universitair medewerker gekozen zijn, en heeft daarmee beweerdelijk van de voorkeur voor een vijandige partij doen blijken.
  40. Waar de partner van auditeur Vermeire zelf ook auditeur is, verwijzen verzoeksters bovendien naar het verbod in artikel 114 van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State -het verbod voor bloed- en aanverwanten, tot en met de graad van oom en neef, om tegelijkertijd van de Raad van State deel uit te maken- en naar artikel 301 van het Gerechtelijk Wetboek.
  41. De Raad van State is van oordeel dat die bepalingen niet van toepassing zijn op de leden van het auditoraat in de Raad van State. Artikel 301 van het Gerechtelijk Wetboek heeft betrekking op de hoven en rechtbanken. Voor de Raad van State geldt een eigen regeling inzake onverenigbaarheid. Artikel 114 daarvan beoogt alleen de leden van de Raad van State sensu stricto, hetzij de staatsraden, kamervoorzitters, voorzitter en eerste voorzitter. F. De wraking wegens lidmaatschap van het Centre de droit public
  42. Tegen kamervoorzitter Leroy en staatsraad Quertainmont doen verzoeksters als reden tot “wettelijke verdenking” overeenkomstig artikel 828, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek gelden dat zij lid zijn van het Centre de droit public, onderdeel van de ULB. Verzoeksters wijzen er op dat het centrum wordt geleid door Annemie Schaus, advocate van de oorspronkelijke verzoekende partijen, dat het centrum op zijn website vermeldt dat het theoretici en practici van het publiek recht g-91-11/15 de gelegenheid biedt om mekaar te ontmoeten, en dat het centrum blijkens de website een project lopende heeft over “la lutte contre l’extrême-droite”, waarmee onbetwistbaar ook het Vlaams Belang bedoeld wordt.
  43. In hun nota van 19 januari 2007 verklaren kamervoorzitter Leroy en staatsraad Quertainmont dat zij als docent ambtshalve deel uitmaken van het Centre de droit public, dat zij de algemene vergadering ervan bijwonen en lid zijn van het centrum, maar er niet “nog een functie” uitoefenen, dat de personen die in het centrum organisatorische of beheerstaken hebben geen hiërarchische of andere macht te hunnen aanzien bezitten en dat op grond van het beginsel van de academische vrijheid de vermelding, op de website van het centrum, van de dertig onderzoeksthema’s, waaronder de strijd tegen extreem rechts, geen enkele stellingname daarover inhoudt.
  44. Geen van de door verzoeksters aangevoerde gegevens geeft aan dat er in hoofde van kamervoorzitter Leroy en staatsraad Quertainmont een ongunstig vooroordeel bestaat ten opzichte van extreem-rechts, waartoe gemeenlijk ook het Vlaams Belang wordt gerekend. Er is onder meer geen enkele reden om te betwijfelen dat zij, zoals ze uiteenzetten, niet aan het vernoemde onderzoek met betrekking tot de strijd tegen extreem-rechts hebben meegewerkt. Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat de -onbetwiste- gegevens problematisch zijn vanuit het oogpunt van de vereiste van objectieve onpartijdigheid. Meer bepaald doen zij ervan blijken dat de beide magistraten deel uitmaken van een centrum dat zowel theoretici als practici van het publiek recht wil verenigen en in de schoot waarvan zij aldus onder anderen de directrice van het centrum, Annemie Schaus, ontmoeten, dat het centrum zich onder meer inlaat met het onderzoek -niet gewoon van extreem-rechts, maar- van de stríjd tegen extreem- rechts, en dat net de voormelde Annemie Schaus de oorspronkelijke verzoekende partijen als advocate bijstaat en vertegenwoordigt in hun procedure tot intrekking van de dotatie van het Vlaams Belang. Tezamen genomen en in hun onderlinge samenhang beschouwd, zijn die feiten naar het oordeel van de Raad van State van aard om bij verzoeksters en bij derden gewettigde twijfels te kunnen doen rijzen omtrent de geschiktheid van deze magistraten om de ingestelde vordering tot intrekking van de dotatie, met de vereiste strikte objectiviteit en onpartijdigheid te beoordelen. De vordering tot g-91-12/15 wraking is gegrond in zoverre zij kamervoorzitter Leroy en staatsraad Quertainmont betreft. G. De wraking wegens het verlenen van advies in de afdeling wetgeving
  45. Verzoeksters voeren tegen kamervoorzitters Willot-Thomas, Messine en staatsraden Daurmont en Quertainmont de wrakingsgrond aan van artikel 29 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 61 van het algemeen procedurereglement, omdat zij in de afdeling wetgeving advies zouden hebben uitgebracht over de toekomstige artikelen 15bis en 15ter van de wet van 4 juli 1989 of over het toekomstige koninklijk besluit van 31 augustus
  46. Betoogd wordt dat er een schijn van partijdigheid bestaat indien de betrokken kamervoorzit- ters en staatsraden, na hun eerder advies, “ook zullen moeten oordelen over de argumenten van huidige verzoeksters inzake ongrondwettigheid van deze wetsbepa- lingen”.
  47. Luidens artikel 29, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State mogen de leden van de afdeling administratie geen kennis nemen van de vordering tot nietigverklaring, tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen betreffende besluiten en verordeningen over de tekst waarvan zij hun advies hebben uitgebracht als lid van de afdeling wetgeving. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot die bepaling heeft geleid (Gedr. St. Kamer, 1998-1999, nr. 1960/1, 6), volgt ondubbelzinnig dat de bepaling alleen het geval viseert waarin de vordering direct tegen het reglementair besluit zelf is gericht. Het voorschrift van artikel 61 van het algemeen procedurereglement gaat in dezelfde zin als het voormeld artikel 29, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  48. Noch is de vordering tot intrekking van de dotatie van het Vlaams Belang een vordering tot nietigverklaring, tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen, noch is zij rechtstreeks gericht tegen een tekst waarover de gewraakte kamervoorzitters en staatsraden advies hebben uitgebracht. Voorts is het gevaar dat deze kamervoorzitters en staatsraden geroepen kunnen worden om te oordelen over de eventuele grondwettigheidsbezwaren van verzoeksters met betrekking tot de wet van 4 juli 1989, onbestaand. De Raad van State is terzake hoe dan ook onbevoegd. Tenslotte heeft de Raad van State reeds op 18 januari 2007 uitspraak gedaan over de onwettigheden die verzoeksters -blijkens de bladzijden 32 g-91-13/15 en 33 van hun memorie in de procedure tot intrekking van de dotatie- aan het koninklijk besluit van 31 augustus 2005 toeschrijven. Hij deed dat met een arrest nr. 166.887, aan het beraad waarover niet is deelgenomen door de gewraakte kamervoorzitters en staatsraden.
  49. De artikelen 29, tweede lid, van de gecoördineerde wetten en 61 van het algemeen procedurereglement verantwoorden geen wraking. OM DIE REDENEN BESLIST DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING ADMINISTRATIE VAN DE RAAD VAN STATE: Artikel
  50. De vorderingen tot het bevelen van een onderzoek en tot wraking worden samengevoegd. Artikel
  51. De vordering tot het bevelen van een onderzoek wordt verworpen. Artikel
  52. De vordering tot wraking wordt ingewilligd wat kamervoorzitter Leroy en staatsraad Quertainmont betreft. Zij zullen geen kennis nemen van de vordering, gekend onder nr. A.173.074/g-91, tot intrekking van de dotatie van het Vlaams Belang. Artikel 4 De vordering tot wraking wordt voor het overige verworpen. g-91-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 maart 2007, door de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Ph. HANSE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, J. LUST, staatsraad, Mevr. S. GUFFENS, staatsraad, de HH. F. DAOUT, staatsraad, I. KOVALOVSZKY, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. VERBIEST. g-91-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.314 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.186 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.924 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.463 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.879 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.224 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.