id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.318 Rolnummer: A. 58338/X-9206 Zaak: Arrest 169318 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-03-30 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 18:29 Fiche Arrest nr 169.318 van 23 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.318 van 23 maart 2007 in de zaak A. 58.338/X-
- In zake : Jozef HENDRICKX, die woonplaats kiest bij advocaat W. Slosse, kantoor houdende te Antwerpen, Brusselstraat 59 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaten M. Geyskens, J. Vandeurzen en A. Vander Graesen, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef Hendrickx op 3 juni 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 februari 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning op een perceel te Tessenderlo, Schrikhoek, kadastraal gekend sectie E, nr. 97 b; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. Barra; Gelet op de beschikking van 20 oktober 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; X-9206-1/6 Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaten M. Geyskens, J. Vandeurzen en A. Vander Graesen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. Barra; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feitelijke gegevens van de zaak
- Verzoeker vraagt op 18 december 1992 aan de gemeente Tessenderlo een vergunning voor het bouwen van een woonhuis op een perceel te Tessenderlo, Schrikhoek. De vergunning wordt geweigerd omdat de inplanting en bestemming de goede ordening van de plaats in het gedrang brengen en het betrokken perceel volledig in het agrarisch gebied ligt. De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg verwerpt op 19 augustus 1993 verzoekers beroep tegen de collegebeslissing. Ook het beroep dat verzoeker tegen het besluit van de bestendige deputatie instelt, wordt verworpen. In zijn besluit van 21 februari 1994 overweegt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden onder meer : “Overwegende dat het betrokken perceel volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen is in het agrarisch gebied; dat luidens artikel 11.4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat dergelijke gebieden behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven X-9206-2/6 mogen bevatten; dat het voor residentiële woningbouw principieel strijdig is met deze planologische voorzieningen; Overwegende dat appellant tot staving van het beroepschrift argumenteert dat alle nutsvoorzieningen aanwezig zijn, dat bij vergroting (fotocopie) van het gewestplan het stuk grond voor een deel van ca. 20 m in de bouwzone gelegen is, dat deze vaststelling gestaafd wordt uit bijgevoegde vergrotingen van het gewest- en kadasterplan; dat bij nader onderzoek, door de bevoegde dienst van het bestuur, duidelijk wordt vastgesteld dat de grens van het aanpalend woongebied met landelijk karakter gelegen is op de perceelsgrens van het linksgelegen eigendom; dat het argument van beroeper niet kan weerhouden worden”. De ontvankelijkheid van het beroep
- In de memorie van antwoord werpt verwerende partij op dat de bestreden beslissing een bevestiging is van reeds vroeger uitgesproken weigeringen en derhalve niet voor vernietiging vatbaar.
- Terecht wijst verzoeker er in de memorie van wederantwoord onder meer op dat de bestreden beslissing genomen is na een nieuw onderzoek van de zaak en, daarenboven, dat “dit de eerste beslissing is die genomen werd in beroep door de Minister”. In de gegeven omstandigheden is het zonder grond om de bestreden ministeriële beslissing als een zuivere, niet voor vernietiging vatbare, beslissing te bestempelen. De exceptie wordt verworpen. De grond van het beroep
- Verzoeker leidt een eerste middel af “uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag waarop elke administratieve overheidsbeslissing moet zijn gesteund en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en uit de schending van het motiveringsbeginsel”. Uiteengezet wordt onder andere dat de minister heeft nagelaten in zijn beslissing zeer precies te motiveren en te antwoorden op het beroepschrift van verzoeker, zodat het voor laatstgenoemde onmogelijk is om na te gaan op welke gronden de minister het beroep heeft verworpen, dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een onderzoek door “de bevoegde dienst”, zonder dat de inhoud van het onderzoek wordt weergegeven of verzoeker enig verslag ervan kon inkijken, dat de minister zonder voldoende X-9206-3/6 motivering beweert dat het betrokken perceel in het agrarisch gebied gelegen is, dat hij niet antwoordt op de stelling van verzoeker, die met plannen werd gestaafd, dat plusminus 25 meter van het perceel binnen de woonzone is gelegen.
- Verwerende partij antwoordt daarop, in de memorie van antwoord, dat het bestreden besluit “wel degelijk” en “zelfs zeer uitvoerig” gemotiveerd is, dat het “natuurlijk” niet juist is dat het nader onderzoek over de juiste ligging van het perceel verzoeker van tevoren moest zijn meegedeeld of in de beslissing moest zijn opgenomen, dat het stuk waarop zij zich heeft gesteund trouwens deel uitmaakte van het administratief dossier en tijdens de hoorzitting “medebeschikbaar”. 6.1 Zoals de bestreden beslissing vermeldt, argumenteert verzoeker ter staving van zijn beroep dat het stuk grond “voor een deel van ca 20 m in de bouwzone gelegen is”, en staaft hij zulks met bijgevoegde vergrotingen van het gewest- en kadasterplan. De beslissing wijst het argument af omdat “bij nader onderzoek, door de bevoegde dienst van het bestuur, duidelijk wordt vastgesteld dat de grens van het aanpalend woongebied met landelijk karakter gelegen is op de perceelsgrens van het linksgelegen eigendom”. Na onderzoek van datgene waarop de verwerende partij zich voor de verwerping van verzoekers bezwaar (mogelijk) heeft gesteund, concludeert het bevoegd lid van het auditoraat in zijn verslag dat “de verwerende partij niet [lijkt] aan te tonen dat de feitenvinding op een juiste manier gebeurde”. Verre van dat ook maar enigszins tegen te spreken, vraagt verwerende partij in de laatste memorie het middel te verwerpen op grond van bijkomend ingewonnen informatie die, vanwege haar zogenaamde “feitelijke evidentie”, “nog aanvaardbaar” zou zijn ook al wordt ze pas “achteraf” aangevoerd : “Ingevolge de inhoud van het auditoraatsverslag heeft de verwerende partij bijkomende informatie gevraagd en doen opzoeken die bij deze memorie als aanvullend dossier worden ingediend. (stukken A-C) Uit de vergelijking van de stukken b en c blijkt dat als met op de c-kaart het verloop van de lijn, zoals die volgens verzoeker verloopt, afzet, deze lijn de gebouwen die midden links gelegen zijn, gekadastreerd 77b en 79c, insluit in het verlengde van de lijn. Neemt men daarentegen het gewestplan (aanvullend stuk b) en verlengt men de lijn van het landelijk woongebied dan blijkt duidelijk dat diezelfde gebouwen aan de andere kant van de lijn liggen (+ bij de aanduiding 20 van de hoogtelijn). Zelfs al zou men aannemen dat de lijn zelf deel uitmaakt van het landelijk woongebied en niet van het agrarisch gebied -wat door de verwerende partij X-9206-4/6 wordt tegengesproken- dan nog is duidelijk dat uit deze feiten blijkt dat het perceel van de verzoekende partij zelfs niet deels in het landelijk woongebied is gelegen”. 6.
- Evenmin als de verwerende partij zelf, ziet de Raad van State reden om de zienswijze van het auditoraat te betwisten dat het onderzoek met het oog op de bestreden beslissing niet de precisie vertoont die er mocht van verwacht worden. Tevergeefs meent verwerende partij dat die gebrekkigheid a posteriori, in de loop van de procedure voor de Raad van State, nog mag worden goedgemaakt, middels een nieuw onderzoek en nieuwe stukken. Overigens vertoont de nieuw bijgebrachte informatie geenszins de graad van evidentie die verwerende partij er aan toeschrijft. Het volstaat daartoe het nieuwe stuk c, “verloop van lijn volgens verzoeker”, te vergelijken met de eerste bijlage bij verzoekers beroepschrift (stuk 2 van het administratief dossier), waarin deze aan de lijn op het eerste gezicht een ánder verloop geeft. 6.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 21 februari 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij aan Jozef Hendrickx de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning op een perceel te Tessenderlo, Schrikhoek, kadastraal gekend sectie E, nr. 97 b. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-9206-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. BOVIN. X-9206-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.318 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div