← België

Arrest 169369 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.369 Rolnummer: A. 127023/X-11122 Zaak: Arrest 169369 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-04 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-29 18:29 Fiche Arrest nr 169.369 van 26 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.369 van 26 maart 2007 in de zaak A. 127.023/X-11.

  1. In zake : de bvba DE ZEEUWSE BRON, die woonplaats kiest bij Advocaat I. CUYPERS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  2. tussenkomende partij : Dirk DE NEVE, die woonplaats kiest bij Advocaat A. DE ROECK, kantoor houdende te 9000 GENT, Antwerpenplein
  3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de bvba DE ZEEUWSE BRON op 20 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening van 25 juli 2002 waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd aan verzoekster voor de bestemmingswijziging van een deel van een woning naar restaurant gelegen aan de Kalmthoutsesteenweg 93 te Kapellen, kadastraal bekend sectie I, afdeling 1, nrs. 51V 2, 51P 2; Gelet op het arrest nr. 115.287 van 30 januari 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 24 februari 2003 ingediend door de verzoekende partij; X-11.122-1/11 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 24 maart 2003 ingediend door Dirk DE NEVE; Gelet op de beschikking van 5 juni 2003 die de tussenkomst van Dirk DE NEVE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 30 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 juni 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. CUYPERS die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat J. CLAES die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat A. AMEEL die loco Advocaat A. DE ROECK verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekster eigenares is van een villa gebouwd op een perceel gelegen aan de Kalmthoutsesteenweg 93 te Kapellen, kadastraal gekend onder Kapellen, sectie I, 1ste afdeling, nrs. 51 v2 en 51 p2; dat dit perceel volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen is in een woonpark; dat de verzoekster een deel van de villa X-11.122-2/11 wil omvormen tot een restaurant; dat de heer Van Putten, zaakvoerder van de verzoekster, met het oog daarop in 1999 een eerste aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de gebruikswijziging van het gelijkvloers van de villa; dat de gemachtigde ambtenaar over die aanvraag een ongunstig advies heeft verleend; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen bij besluit van 12 juli 1999 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de heer Van Putten bij besluit van 28 september 2000 heeft ingewilligd, en hem de gevraagde vergunning voor ondertussen aangepaste plannen heeft verleend; dat, op verzoek van de tussenkomende partij in de huidige procedure, de Raad van State de tenuitvoerlegging van dat besluit bij arrest nr. 95.034 van 27 april 2001 heeft geschorst, en hij dat besluit vervolgens bij arrest nr. 99.742 van 12 oktober 2001 heeft vernietigd; dat de verzoekster ondertussen een tweede, ongewijzigde aanvraag had ingediend, ontvangen op 6 juni 2001; dat de gemachtigde ambtenaar over deze aanvraag een ongunstig advies heeft verleend; dat het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning bij besluit van 26 november 2001 heeft geweigerd; dat de bestendige deputatie het beroep van de verzoekster bij besluit van 11 april 2002 heeft ingewilligd, en haar de gevraagde vergunning heeft verleend; dat de gemachtigde ambtenaar tegen dit besluit beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse regering; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening dit beroep bij besluit van 25 juli 2002 inwilligt, en de gevraagde vergunning weigert; dat dit laatste besluit het voorwerp vormt van het voorliggende beroep;
  5. Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep opwerpt, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang; dat zij aanvoert dat de verzoekster haar pand te koop heeft gesteld, waaruit duidelijk blijkt dat zij niet meer de bedoeling of de wens heeft om dat pand als restaurant uit te baten; Overwegende dat de verzoekster in haar laatste memorie uiteenzet dat zij het betrokken pand niet verkocht heeft, en dat het ook niet meer te koop wordt aangeboden; dat de verzoekster stelt dat het nog steeds haar eerste wens is om haar project te realiseren, met name het gebouw zo in te richten dat het boven gebruikt kan worden voor wonen en beneden gedeeltelijk voor het uitbaten van een restaurant, en dat zij dan ook nog steeds een actueel belang heeft; dat de verzoekster dit standpunt ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft bevestigd; X-11.122-3/11 Overwegende dat de verzoekster nog steeds eigenares blijkt te zijn van de woning waarop de bestreden vergunning betrekking heeft; dat het staat aan de partij die een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt, om de gegrondheid ervan aan te tonen; dat de tussenkomende partij geen gegevens aanbrengt waaruit afgeleid kan worden dat de verzoekster haar belang verloren zou hebben; dat de exceptie ongegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekster een enig middel inroept, afgeleid uit de schending van de motiveringswet, de materiële motiveringsplicht, artikel 2 van het decreet (van 18 mei 1999) betreffende de ruimtelijke ordening, de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, en de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheids- beginsel; dat de verzoekster aanvoert dat het betrokken perceel gelegen is in een woonparkgebied, dat een dergelijk gebied weliswaar een woongebied met een louter residentieel karakter is, en derhalve uitsluitend gericht op het rustig verblijven in een homogeen voor wonen bestemd woongebied temidden van het groen, maar dat die bestemming geen bouwverbod impliceert, dat bedrijven, voorzieningen en inrichtingen die kunnen worden toegestaan in een woongebied, niet noodzakelijk verboden zijn in een woonparkgebied, dat het al dan niet verenigbaar zijn van de betrokken activiteit met de onmiddellijke omgeving in elk geval omstandiger gemotiveerd zal dienen te worden; dat de verzoekster vervolgens haar kritiek op het bestreden besluit uiteenzet: "- Zaak is dat het bestreden besluit wel wijst op een mogelijk negatief effect van de wijziging van het gebruik van een woning tot een restaurant, doch hierbij op geen enkel moment de verenigbaarheid van de betrokken inrichting met de betrokken onmiddellijke omgeving ter sprake brengt. Het bestreden besluit gaat ervan uit dat ... iedere activiteit die niet uitsluitend gericht is op het louter residentieel wonen, (per definitie) dient uitgesloten te worden (...). In het bestreden besluit wordt enkel voorgehouden dat 'door verkeers- aantrekking en een veel intensiever gebruik als restaurant, de ruimtelijke weerslag van dergelijke representatieve inplanting veel groter is voor de omgeving dan een loutere particuliere woonbestemming'. Dit kan zo zijn, doch hierbij moet dan toch omstandig, afdoende en concreet gemotiveerd worden of de betrokken activiteit inderdaad verenigbaar of niet verenigbaar is met de betrokken onmiddellijke omgeving. M.a.w. de ruimtelijke weerslag van een inplanting als deze van verzoekster verschilt van omgeving tot omgeving en moet dus concreet worden nagegaan, en de (on)verenigbaar- heid dient omstandig gemotiveerd te worden. Deze concrete beoordeling ontbreekt echter totaal (...). Wat wel meegedeeld wordt is waarom volgens de minister de aanwezigheid van de drukke gewestweg N 122 aan de voorzijde van het perceel en de X-11.122-4/11 aanwezigheid van de spoorweg aan de achterzijde van het perceel niet kan leiden tot een vergunning. (De minister) blijft echter in gebreke aan te duiden wat dan de motivering is om te komen tot het besluit dat (...) geen vergunning verleend kan worden voor dit specifiek restaurant in die specifieke omgeving. De bestendige deputatie daarentegen heeft zich wel degelijk gebogen over dit punt en onder meer een stedenbouwkundige ter plaatse gestuurd om zich te vergewissen van de plaatselijke toestand. Zijn bevindingen waren duidelijk: het restaurant was verenigbaar met de plaatselijke omgeving. De beschrijving van de drukke gewestweg N 122 en de spoorweg gaven verder volgens verzoekster en de bestendige deputatie wel degelijk een indruk wat de concrete en onmiddellijke omgeving betreft, net als de talrijke handelszaken in de buurt. Verzoekster legt trouwens de vergunningen van enkele van deze inrichtingen voor: het betreft onder meer een bouwvergunning van 15 december 1997 voor het verbouwen van een rusthuis tot taverne- restaurant, gelegen in woonparkgebied, en een bouwvergunning voor de vlakbij gelegen 'Taverne Jagersrust', Kalmthoutsesteenweg 121 (verzoeksters pand is gelegen op nummer 93). Deze vergunning werd verleend op 18 mei
  7. Dat de plaatselijke toestand geen voorschrift is en ook geen bindende en verordenende kracht bezit, is correct, doch deze speelt wel degelijk een rol, met name bij de beoordeling van de al dan niet bestaanbaarheid van de betrokken activiteit met de concrete onmiddellijke omgeving. Het bestreden besluit heeft hier volledig ten onrechte geen oog voor gehad. - Het bestreden besluit stelt verder dat deze negatieve elementen zeker niet mogen worden uitgebreid, daar waar deze beweerde 'negatieve elementen' precies van uitermate groot belang zijn bij de beoordeling omtrent de bestaanbaarheid van de activiteit van verzoekster met de onmiddellijke omgeving. Deze beoordeling in concreto wordt nu net beoogd met het woord 'doorgaans' (in de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen), in de zin: 'Gezien het een wezenlijk kenmerk van een woonpark is dat de gemiddelde woondichtheid er gering is en de groene ruimten er verhoudingsgewijs grote oppervlakten beslaan, heeft dit voor gevolg dat de vestiging van een niet- residentiële inrichting en activiteit doorgaans niet zal kunnen worden aangenomen.' Het woord 'doorgaans' wijst erop dat de administratie bij de beoordeling van een dossier telkenmale zal moeten nagaan of in dat concrete geval de activiteiten of niet-residentiële inrichting verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving of niet. Dit is echter niet gebeurd in het bestreden besluit. Dit wordt bevestigd door de argumentatie in het bestreden besluit 'in ondergeschikte orde'. Het bestreden besluit stelt dat een gebeurlijke vergunning bijkomende bezwarende potenties zou inhouden voor de verdere realisatie van het woonpark. Het bestreden besluit stelt onomwonden: 'Dat immers het toekennen van een vergunning zou betekenen dat dergelijke inrichtingen en activiteiten verenigbaar worden geacht met de stedenbouwkundige bestemming van het woongebied en in principe toelaatbaar zijn, wat niet het geval is.' Dit wijst erop dat het bestreden besluit er -volledig ten onrechte- van uitgaat dat een niet-residentiële activiteit principieel niet-toelaatbaar is in een woon- parkgebied. - Het bestreden besluit gaat nog verder door te stellen dat de toekenning van een dergelijke vergunning de basis zou kunnen vormen voor een eventuele uitbreiding, aangezien er een tuin bij het restaurant (...) is. Dit is uiteraard in strijd met alle beginselen van behoorlijk bestuur. X-11.122-5/11 Het bestreden besluit kan zich vanzelfsprekend niet uitspreken over eventuele uitbreidingen, zonder dat hiertoe een aanvraag is ingediend door verzoekster. Verzoekster verzet zich met klem tegen een dergelijke redenering die indruist tegen haar eigen vergunningsaanvraag en meteen ook tegen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldig- heidsbeginsel. Het bestreden besluit had zich (in zijn beoordeling) tot de daadwerkelijke vergunningsaanvraag moeten beperken (...). Een zorgvuldig handelende overheid zou zich tot de beoordeling van de vergunningsaanvraag beperkt hebben. - Ten slotte meent verzoekster dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is. Reeds eerder (...) is verwezen naar twee restaurants vlakbij het pand van verzoekster, welke recent vergund werden in hetzelfde woonparkgebied. Ook in de omgeving, maar op het grondgebied Kalmthout, zijn nog eens twee gelijkaardige inrichtingen gelegen in dezelfde residentiële omgeving. Het betreft hier bistro De Zilverden, Kapellensteenweg 527 te Kalmthout en restaurant Keienhof, Putsesteenweg 133 te Kalmthout. Het aanvaarden van de verenigbaarheid van deze inrichtingen, maar niet die van verzoekster, maakt een schending uit van het gelijkheidsbeginsel"; 3.
  8. Overwegende, wat betreft het aangevoerde ontbreken van een concrete beoordeling van de verenigbaarheid van de voorgenomen activiteit met de onmiddellijke omgeving, meer bepaald in het licht van de nabijheid van de gewestweg N 122 en de spoorweg en in het licht van het bestaan van de talrijke handelszaken in de buurt, dat het perceel waarop het bestreden besluit betrekking heeft, volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, gelegen is in een woonpark; dat artikel 6, 1.2.1.4, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen bepaalt dat de bestemming als woonpark een "nadere aanwijzing" is van de bestemming als "woongebied", in die zin dat in een woonpark "de gemiddelde woningdichtheid gering is en de groene ruimten een verhoudingsgewijs grote oppervlakte beslaan"; dat het bestreden besluit, met verwijzing naar de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, overweegt dat in een dergelijk gebied "niet-residentiële inrichtingen en activiteiten doorgaans moeten geweerd worden om het rustig verblijven in een homogeen voor het wonen bestemd woongebied in het groen te bestendigen en te realiseren"; dat dit principiële uitgangspunt niet strijdig is met het genoemde voorschrift van het koninklijk besluit van 28 december 1972; Overwegende dat, zoals de verzoekster terecht aanvoert, de bestemming van een gebied tot woonpark niet uitsluit dat daarin handelszaken als een restaurant worden gevestigd; dat immers krachtens het bepaalde in artikel 5, 1.0, X-11.122-6/11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf in een woongebied toegestaan kunnen worden onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de "taken" van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, rekening dient te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bv. louter residentiële villawijk, of woonpark); dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving uitgegaan dient te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten; dat de bestaanbaarheid van een inrichting met de bestemming van het betrokken gebied onderscheiden dient te worden van de verenigbaarheid van de inrichting met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat het bestreden besluit in verband met de bestaanbaarheid van de geplande niet-residentiële inrichting met de bestemming tot woongebied de volgende overwegingen bevat: "Overwegende dat het argument van de aanvrager dat het beoogde restaurant grenst aan de drukke gewestweg N 122 en dat de achterzijde van het perceel eveneens grenst aan de Braambeslei die gelegen is langs de spoorweg, en de op die gronden gebaseerde conclusie dat de functiewijziging derhalve verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, uit planologisch oogpunt minstens dient te worden genuanceerd; dat met name de (...) omzendbrief (van 8 juli 1997) verduidelijkt dat de woonparken die op gewestplannen zijn aangeduid, overwegend een opname zijn van bestaande toestanden; dat in de mate dat deze bestaande toestand ook elementen bevat die intrinsiek negatief zijn voor de bedoeling van dit plangebied, in casu residentieel rustig verblijven/wonen in een homogeen voor het wonen bestemd woongebied in het groen, deze negatieve elementen zeker niet mogen worden uitgebreid; dat dit de te realiseren bestemming van het gebied immers niet ten goede komt; dat dus het aanwenden van deze bestaande negatieve elementen om ze nog verder uit te breiden bijgevolg niet in overeenstemming is met de beoogde planologische uitbouw van het gebied; Overwegende dat met andere woorden de aangehaalde en ongetwijfeld belastende verkeersinfrastructuren niet hebben belet dat de in hun nabijheid gelegen gronden tot woonparkgebied werden bestemd; dat zelfs een op het ogenblik van de vaststelling van het gewestplan bestaande toestand waarin X-11.122-7/11 naast residentiële constructies ook belangrijke verkeersinfrastructuren en eventueel een aantal andere inrichtingen en activiteiten zouden aanwezig geweest zijn die veelvuldig in woongebieden voorkomen en daar in principe toelaatbaar zijn, niet toelaat dat de realisatie van het bestemmingsvoorschrift woonparkgebied voor onbepaalde tijd wordt afgeremd en derhalve uitgesteld; dat de toekenning van en vergunning voor de wijziging van het gebruik van een woning tot restaurant nochtans ongetwijfeld dit negatief effect zal bewerkstelligen; dat het duidelijk is dat door verkeersaantrekking en een veel intensiever gebruik als restaurant de ruimtelijke weerslag van dergelijke representatieve inplanting veel groter is voor de omgeving dan een louter particuliere woonbestemming"; Overwegende dat uit die motieven blijkt dat de minister van oordeel is dat het gebruik van de woning als restaurant niet bestaanbaar is met de bestemming tot woonpark, en dat aan die conclusie geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat zich in de omgeving "belastende verkeersinfrastructuren" bevinden, zoals de drukke gewestweg N 122 en de spoorweg, noch door het feit dat aldaar een aantal niet-residentiële inrichtingen en activiteiten aanwezig zijn; dat dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt; dat immers, zoals in de hierna aangehaalde overwegingen van het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt opgemerkt, "gewestplanbestemmingen in principe toekomstgericht zijn"; dat hieruit volgt dat de bestaande toestand, "in de mate dat deze bestaande toestand ook elementen bevat die intrinsiek negatief zijn voor de bedoeling van (het) plangebied", d.w.z. die principieel onbestaanbaar zijn met de bestemming die het gebied volgens het gewestplan heeft, niet tot gevolg kan hebben dat met de bestemmingsvoorschriften voor dat gebied geen rekening dient te worden gehouden; dat de minister dan ook terecht overweegt dat de bestaande toestand geen reden kan zijn om "de realisatie van het bestemmingsvoorschrift woonparkgebied voor onbepaalde tijd (af te remmen) en derhalve (uit te stellen)"; Overwegende dat de minister voorts van oordeel is "dat de toekenning van een vergunning voor de wijziging van het gebruik van een woning tot restaurant ... ongetwijfeld (het) negatief effect zal bewerkstelligen", en "dat het duidelijk is dat door verkeersaantrekking en een veel intensiever gebruik als restaurant de ruimtelijke weerslag van dergelijke representatieve inplanting veel groter is voor de omgeving dan een louter particuliere woonbestemming"; dat die overwegingen mede begrepen moeten worden in het licht van de door de verzoekster niet bekritiseerde vaststelling dat het betrokken woonpark "op huidig ogenblik een redelijk homogeen residentiële structuur vertoont, met name de omgeving van de bebouwde percelen tussen de Korte Franse lei, de Braambeslei, de Kalmthout-sesteenweg en de Kapellenboslei"; dat de minister aldus van oordeel is X-11.122-8/11 dat de gevraagde functiewijziging omwille van het intrinsiek storend karakter van een restaurant niet bestaanbaar is met de bestemming van het betrokken gebied tot woonpark; dat die conclusie steunt op een concrete beoordeling van de gegevens van het dossier, en niet kennelijk onredelijk is; Overwegende dat het bestreden besluit in verband met de verenigbaarheid van de geplande niet-residentiële inrichting met de onmiddellijke omgeving de volgende overwegingen bevat: "Overwegende dat algemeen moet gesteld worden dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening op de eerste plaats dient te gebeuren in functie van de te verwezenlijken bestemming waar de gewestplanbestemmingen in principe toekomstgericht zijn; dat pas nadat deze afweging is gebeurd het project vervolgens kan worden afgewogen ten opzichte van de bestaande plaatselijke toestand; dat deze "plaatselijke toestand" geen "voorschrift" is en ook geen bindende en verordenende kracht bezit, zodat de plaatselijke toestand uiteraard geen voorrang heeft op de toekomstgerichte gewestplanbestemming; dat in huidig geval de particulier enkel kan steunen op deze "bestaande toestand" met de drukke gewestweg en in de buurt aangehaalde, niet nader omschreven handelszaken als garage, café en restaurant; dat deze verwijzing de beoogde realisatie van het plangebied niet alleen niet ondersteunt, maar zelfs tegenwerkt"; Overwegende dat uit die motieven blijkt dat de minister van oordeel is dat de verenigbaarheid van een project met de onmiddellijke omgeving slechts moet worden onderzocht nadat is komen vast te staan dat het project bestaanbaar is met de bestemming die het gebied volgens het gewestplan heeft, en dat de bestaande toestand in de onmiddellijke omgeving geen voorrang heeft op die bestemming; dat dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt; dat de kritiek van de verzoekster op het ontbreken van een concrete beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dan ook, gelet op de beslissing i.v.m. de onbestaanbaarheid van het project met de bestemming tot woonpark, niet pertinent is; 3.
  9. Overwegende, wat betreft de grief dat het bestreden besluit zich in zijn motieven uitspreekt over eventuele uitbreidingen van het restaurant, dat de desbetreffende overwegingen "in ondergeschikte orde" worden gegeven; dat, nu het bestreden besluit afdoende verantwoord is door de hiervóór onderzochte motieven i.v.m. de onbestaanbaarheid van het project zelf met de bestemming van het gebied volgens het gewestplan, de grief tegen die ten overvloede gegeven overwegingen onontvankelijk is bij gebrek aan belang; X-11.122-9/11 3.
  10. Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, dat de verzoekster zich ertoe beperkt te verwijzen naar het bestaan van twee vergunde inrichtingen in het betrokken woonpark en van twee vergunde gelijkaardige inrichtingen in de omgeving, maar dan in de gemeente Kalmthout; dat de verzoekster evenwel geen nadere gegevens aanreikt in verband met de vergelijkbaarheid van die inrichtingen met de door de verzoekster geplande inrichting, in verband met de concrete ligging ervan ten opzichte van het perceel van de verzoekster, of in verband met de planologische context ervan; dat het middel de Raad van State in dit opzicht niet in de gelegenheid stelt om de aangevoerde grief ten gronde te onderzoeken; 3.
  11. Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen kan worden aangenomen; BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.122-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.122-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.369 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.115.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.