← België

Arrest 169370 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 26/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.370 Rolnummer: A. 180340/IX-5548 Zaak: Arrest 169370 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 26/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-04 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 18:30 Fiche Arrest nr 169.370 van 26 maart 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.370 van 26 maart 2007 in de zaak A. 180.340/IX-

  1. In zake : Patrick DE GRAEVE, die woonplaats kiest bij advocaat D. DE GREEF, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en L. SCHELLEKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul DE GRAEVE op 18 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 27 oktober 2006 van de raad van beroep waarbij hem de eind- evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend, hem ter kennis gebracht op 14 november 2006; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5548-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. DE GREEF, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. LEFEVER die, loco advocaat D. D’HOOGHE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  4. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie met bijzondere specialisaties bij de federale politie (GDA Leuven). 1.
  5. Krachtens artikel XII.VII.18, § 1, eerste lid, RPPol, zoals gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten kan de hoofdinspecteur van politie, lid van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die op de datum van inwerkingtreding van de bepaling de loonschaal M5.2., M6, M7 of M7bis geniet, bevorderd worden tot de graad van commissaris van politie indien hij geen evaluatie “onvoldoende” geniet en voor zover een bepaalde in § 2 omschreven proportionaliteit tussen de personeelsleden van de vroegere rijkswacht en gerechtelijke politie wordt in acht genomen. Artikel XII.VII.19, tweede lid RPPol bepaalt dat de in aanmerking komende personeelsleden vooraf door de overheid naar hun intenties gevraagd zullen worden en dat hun antwoord onherroepelijk is. 1.
  6. Op 4 april 2006 ondertekent verzoeker een “oproepformulier benoeming tot de graad van commissaris van politie”, waarin hij verklaart er kennis van te nemen dat hij, gelet op zijn anciënniteit en onder voorbehoud van de proportionaliteitstoetsing, in aanmerking komt voor bevordering op 1 april 2006, dat hij wenst gebruik te maken van deze mogelijkheid en dat hij dus vraagt “benoemd te worden tot de graad van commissaris op datum van 1 april 2006 (datum onder voorbehoud van de proportionaliteitsvereiste)”. IX-5548-2/6 1.
  7. Op 4 juli 2006 stelt de bevoegde gerechtelijk directeur, eindverantwoordelijke voor de evaluatie, een advies op over verzoeker, waarin hij de eindvermelding “onvoldoende” voorstelt. 1.
  8. Op 14 juli 2006 stelt verzoeker tegen dat advies hoger beroep in bij de raad van beroep bij de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. 1.
  9. Op 27 oktober 2006 beslist de raad van beroep de aan verzoeker toegekende eindvermelding “onvoldoende” te bevestigen. Die beslissing maakt het voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing.
  10. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  11. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker de aandacht vestigt op het feit dat hij wegens de bestreden evaluatie niet benoemd kan worden in de graad van commissaris van politie overeenkomstig de bepalingen van artikel XII.VII.18, § 1, RPPol (de zgn. “rode loper”) en dat hij bijgevolg tot het einde van zijn carrière in het middenkader zal moeten blijven; dat hij ook stelt dat de bestreden evaluatie niet opgevat werd als een standaardprocedure, die gehanteerd wordt voor de tweejaarlijkse evaluatie, maar dat zij strenger is en aldus geen globaal en getrouw beeld van hem gaf; dat hij, specifiek wat het nadeel betreft, betoogt dat een personeelslid dat twee keer opeenvolgend of vier keer een eindbeoordeling “onvoldoende” krijgt, ongeschikt verklaard wordt en dat, aangezien het bestreden evaluatieverslag deel zal uitmaken van het dossier van de toekomstige evaluaties, alle evaluatoren die zich in de toekomst over hem moeten uitspreken negatief beïnvloed zullen zijn; dat hij dat nadeel ernstig acht en ook moeilijk te herstellen, aangezien er hoogstwaarschijnlijk een nieuwe evaluatie zal plaatsvinden vooraleer de Raad van State een vernietigingsarrest uitspreekt en hij in ieder geval dan nog slechts één kans heeft om een ongeschiktverklaring te verhinderen; dat hij voorts ook nog stelt dat hij op het ogenblik van een vernietigingsarrest niet meer in IX-5548-3/6 aanmerking zal komen voor een bevordering tot commissaris van politie met ingang van 1 april 2006 aangezien “reeds zoveel benoemingen zullen zijn geschied dat niet meer voldaan zal zijn aan de proportionaliteitsvereiste” en dat de bestreden beslissing hem ook een moreel nadeel berokkent doordat het blokkeren van zijn bevordering zijn status aantast en hem blootstelt aan het misprijzen van zijn collega’s; 3.
  12. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker zich beperkt tot vage en algemene stellingnamen die niet concreet gemaakt worden; dat zij subsidiair stelt dat verzoeker de ernst van zijn nadeel zelf ondermijnd heeft door het indienen van zijn vordering lang uit te stellen, dat de verwijzing naar een niet correcte evaluatieprocedure geen betrekking heeft op het nadeel dat het bestreden besluit hem berokkent maar op de annulatiemiddelen en dat talrijke beweringen hypothetisch en speculatief zijn, zoals de bewering dat zijn toekomstige evaluatoren negatief tegenover hem zullen staan, dat zijn status bij de collega’s wordt aangetast en dat hij nogmaals geëvalueerd zal worden alvorens de Raad van State ten gronde uitspraak zal doen; dat zij, wat de vrees betreft van het voorgoed teloorgaan van een kans op bevordering, stelt dat verzoeker niet aantoont dat hij niet meer tot commissaris van politie benoemd zal kunnen worden terwijl de vernietiging van het hier bestreden besluit tot gevolg zal hebben dat de verwerende partij de procedure moet overdoen waardoor hij een nieuwe kans op bevordering krijgt die, voor wat de bevordering “rode loper” betreft, mogelijk is in de periode van 2005 tot 2011 zodat de omstandigheid dat andere personeelsleden nog zullen bevorderd worden en plaatsen van commissaris van politie zullen innemen, niet betekent dat verzoeker niet meer in die graad benoemd zal kunnen worden; dat zij ten slotte stelt dat een moreel nadeel normaal hersteld wordt door een vernietigingsarrest en dat verzoeker niet aantoont dat zijn geval buiten het normale ligt; 3.3.
  13. Overwegende dat buiten betwisting staat dat verzoeker op 1 april 2006 voldeed aan de algemene voorwaarden om volgens de “rode loper”-procedure tot commissaris van politie bevorderd te worden; dat die benoeming wel afhankelijk is van het verkrijgen van een evaluatie die niet “onvoldoende” mag zijn en dat zij moet passen in de zogenaame “proportionaliteitsregel”; dat, wanneer die voorwaarden vervuld zijn, de verwerende partij nog slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt; dat aldus, in geval van vernietiging van de bestreden beslissing, de verwerende partij de evaluatie van verzoeker zal moeten overdoen en IX-5548-4/6 dat zij, wanneer die evaluatie dan niet “onvoldoende” is en zij daarnaast ook vaststelt dat, volgens de situatie op 1 april 2006, verzoeker nuttig gerangschikt was voor de toepassing van de proportionaliteitsregel, hem op die datum zal moeten bevorderen; dat er ook mag vanuit gegaan worden dat een uitspraak over het onderhavig annulatieberoep er zal komen op een tijdstip dat de verwerende partij nog toepassing kan maken van de uitzonderingsregeling bepaald in artikel XII.VII.18 RPPol; dat, in redelijkheid, ook de leeftijd van verzoeker zulk rechtsherstel niet in de weg kan staan; 3.3.
  14. Overwegende dat, in zoverre verzoeker erop wijst dat de evaluatie niet correct verlopen is, hij de wettigheid van het bestreden besluit in vraag stelt, terwijl die problematiek niet aan de orde is bij de beoordeling van het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat door de wet als een afzonderlijk te beoordelen schorsingsvoorwaarde ingevoerd is; 3.3.
  15. Overwegende dat de verwijzing naar de gevolgen van een tweede ongunstige evaluatie betrekking heeft op een nadeel dat niet volgt uit de tenuitvoerlegging van het thans bestreden besluit maar uit nieuwe nog te treffen beslissingen waartegen verzoeker zich kan verzetten en waartegen hij eventueel de onwettigheid van de bestreden beslissing kan aanvoeren; 3.3.
  16. Overwegende dat de verwijzing naar het feit dat alle toekomstige evaluatoren -ook deze die thans niet op de hoogte zijn van het toegekende “onvoldoende”- in zijn evaluatiedossier zullen kunnen lezen dat hij een ongunstige beoordeling gekregen heeft en dat zij zich daardoor zullen laten beïnvloeden, niets meer is dan een bewering; dat niet zomaar mag verondersteld worden dat de overheden die in de toekomst een oordeel zullen moeten uitspreken over de wijze van dienen van verzoeker, zich van hun opdracht zullen laten afleiden door deze negatieve beoordeling waartegen verzoeker wettigheidskritiek uit; 3.3.
  17. Overwegende dat verzoeker nog verwijst naar een moreel nadeel, met name het misprijzen van zijn collega’s; dat, nu de bestreden evaluatie melding maakt van persoonlijke problemen die bij de collega’s zeker niet onopgemerkt zijn kunnen blijven en die verzoeker ook nooit ontkend heeft, niet wordt ingezien hoe de beslissing die daarop voortbouwt nu plots zijn aanzien binnen de groep zou aantasten; dat een moreel nadeel in de regel volledig hersteld wordt door een vernietigingsarrest dat retroactief het bestreden besluit uit het rechtsverkeer doet IX-5548-5/6 verdwijnen; dat verzoeker niet aantoont dat zijn geval buiten het gewone ligt en dat hij de uitspraak ten gronde niet kan afwachten; 3.3.
  18. Overwegende dat verzoeker het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet aantoont; dat de vordering tot schorsing om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
  19. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 maart 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5548-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.370 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.068 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.