← België

Arrest 169403 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.403 Rolnummer: A. 57774/X-8688 Zaak: Arrest 169403 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-04 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 18:41 Fiche Arrest nr 169.403 van 27 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.403 van 27 maart 2007 in de zaken A. 57.774/X-

  1. In zake : Willy BUTTIENS-VREYS, die woonplaats kiest bij advocaat C. VAN ONSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Van Putlei 4 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
  2. tussenkomende partij : de n.v. VANPARIJS, die woonplaats kiest bij de advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
  3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy BUTTIENS-VREYS op 6 juni 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 februari 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij, eensdeels, het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 12 juli 1990 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant wordt ingewilligd, en anderdeels, aan Julien VANPARIJS de bouwvergunning wordt verleend op grond van het bij de bestendige deputatie voorgelegde plan voor het oprichten van een stapelplaats voor landbouwmaterieel op een perceel gelegen te Leuven, Slangenstraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 58; Gelet op het arrest nr. 80.227 van 12 mei 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-8688-1/12 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 30 juni 1999 ingediend door de verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 23 december 1999 ingediend door de n.v. VANPARIJS; Gelet op de beschikking van 19 januari 2000 die de tussenkomst van de n.v. VANPARIJS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 20 september 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. GIELEN, die loco advocaat C. VAN ONSEM verschijnt voor de verzoeker, van advocaat G. HAVET, die loco advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. VERHELST, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-8688-2/12 Overwegende dat de n.v. VANPARIJS op 14 maart 1998 bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een bouwaanvraag heeft ingediend voor het oprichten van een stapelplaats voor landbouwmateriaal op een perceel gelegen aan de Slangenstraat te Leuven, kadastraal bekend, sectie B, nr. 58; dat het bouwperceel volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het college van burgemeester en schepenen op 30 december 1988 de gevraagde vergunning heeft geweigerd op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, luidend als volgt: “ONGUNSTIG. Het project brengt de goede ruimtelijke ordening van het gebied in het gedrang door de grotere dan normaal te dragen burenhinder die het gebouw en zijn uitbating veroorzaakt en door de gebrekkige inpassing van het gebouw in het landschap voor wat o.m. vorm, inplanting, materialenkeuze, beplanting enz. betreft”; dat Julien VANPARIJS op 19 januari 1989 beroep heeft ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant; dat het provinciaal gouvernement van Brabant in een schrijven van 20 april 1990 Julien VANPARIJS het volgende heeft medegedeeld: “Uw verzoekschrift van 19 januari 1990, in verband met het oprichten van een landbouwloods op een perceel grond gelegen op de hoek van de Sneppen- en de Slangenstraat, te Leuven (Kessel-Lo), werd samen met het gemeentelijk administratief dossier aan een onderzoek onderworpen. Hieruit is gebleken dat het voorgelegd ontwerp eventueel in overweging kan genomen worden, voor zover er rekening wordt gehouden met de volgende opmerkingen: - de stapelplaats wordt ingeplant zoals getekend op plannetje in bijlage (...) Indien U kunt instemmen met hogergenoemd voorstel, verzoek ik U mij vier exemplaren van het bouwvoorstel, aangepast zoals hierboven beschreven, toe te zenden. Bij deze gelegenheid kunt U tevens afzien van Uw vraag om gehoord te worden door het provinciaal college, indien het dossier in die zin hem voor beslissing wordt voorgelegd. Deze plannen dienen opgesteld volgens de bepalingen van artikel 2 van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning”; dat Julien VANPARIJS hierop een gewijzigd plan heeft ingediend met de vermelding “wijzigingen volgens opmerkingen B.D. 20.04.90”; dat de bestendige deputatie bij besluit van 12 juli 1990 het door Julien VANPARIJS ingediende beroep heeft ingewilligd en de vergunning verleend “op basis van de bijgaand aangepast plan”; dat de gemachtigde ambtenaar op 2 oktober 1990 tegen dit inwilligingsbesluit beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse minister van Openbare X-8688-3/12 Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden; dat dit beroep is gemotiveerd als volgt: “De vergunning afgegeven in beroep, vergunt een ontwerp dat onvoldoende rekening houdt met de ligging van het betrokken perceel in een landschappelijk waardevol (agrarisch) gebied : 1) De buitenwanden worden opgetrokken in ‘gladde glasbeton’ zonder enige verdere afwerking die de constructie minder opvallend in het landschap zou doen inpassen (bvb. door afwerking in donkergrijze of beige crepi of door het gebruik van landschappelijk meer aanvaardbare materialen). Dit is niet alleen nodig tijdens de groeiperiode van de opgelegde beplantingen maar ook tijdens de winterperiodes nadien. 2) De noodzakelijke en landschappelijk-belangrijke gedeeltelijke ingraving is slechts als tekst op het vergund plan aangegeven, terwijl alleen een grafische weergave voldoende duidelijkheid kan bieden (ook om reden van de noodzakelijke controle op de uitvoering der werken)”; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden bij het bestreden besluit van 7 februari 1994 enerzijds “de beslissing van 12 juli 1990 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant, houdende toekenning aan de n.v. VANPARIJS van de vergunning voor het bouwen van een stapelplaats voor landbouwmaterieel aan de heer J. VANPARIJS (heeft vernietigd)” en anderzijds de bouwvergunning heeft verleend “onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de voorgestelde groenbeplanting wordt uitgevoerd binnen het eerstvolgend plantseizoen, dat deze aanplanting zorgvuldig wordt onderhouden, dat de constructie enkel als bergplaats is te gebruiken en dat er verder geen reliëfwijzigingen gebeuren op het terrein”; dat dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat tijdens de procedure van beroep bij de bestendige deputatie, op aanwijzen van deze instantie, een nieuw plan werd ingediend met een totaal andere inplanting van het bouwwerk, doch met circa dezelfde uitvoeringsvorm en afmetingen; dat volgens het door de bestendige deputatie goedgekeurde plan een stapelplaats voor landbouwmaterieel wordt opgericht met een lengte van 66,4 m bij een breedte van 20,4 m, in te planten op minstens 5 m van de Sneppenstraat; dat het plan rondom het bouwwerk een 5 m-brede en gespecificeerde groenbeplanting voorstelt; dat het ontwerp tevens aangeeft geen grondaanvullingen uit te voeren, maar het gebouw gedeeltelijk in te graven in het talud; dat evenwel hieromtrent geen enkele nader grafische noch textuele informatie is terug in te vinden bij de gegevens van het goedgekeurde plan; Overwegende dat de voorgestelde uitvoeringswijze in glasbeton constructief en esthetisch instaat voor een blijvende zorgzame uitvoering der gevels; dat bijgevolg dit materiaalgebruik als dusdanig aanvaardbaar is; dat tijdens huidige procedure van hoger beroep door de aanvrager een grondplan werd voorgelegd met de lengte- en dwarsprofielen van het terrein en waaruit naar voor komt in welke mate de loods zou worden ingegraven in het terrein; dat uit dit plan blijkt dat de ingang van de loods zich ter hoogte van het kruin van de voorliggende Sneppenstraat bevindt en door een lichte ingraving der constructie ook de 65 m X-8688-4/12 verder gelegen achtergevel van het gebouw zich met normale afmetingen boven het bestaande naar achter afhellende maaiveld zal bevinden; dat uit dit aanvullend plan blijkt dat het bouwwerk als functionele landbouwconstructie voldoet aan de geldende planologische voorschriften en normale ordeningsinzichten; dat de beslissing van de bestendige deputatie werd getroffen op grond van onvoldoende dossiergegevens zodat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient ingewilligd; dat echter vergunning kan worden gegeven op basis van het in tweede instantie ingediend plan en zijn aanvullende gegevens onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de voorgestelde groenbeplanting wordt uitgevoerd binnen het eerstvolgend plantseizoen na voltooiing van de ruwbouw, dat deze groenbeplanting zorgvuldig wordt onderhouden, dat de constructie enkel als bergplaats is te gebruiken en dat er verder geen reliëfwijzigingen gebeuren op het terrein”; Overwegende dat de verzoeker anticiperend op een eventueel opgeworpen exceptie ratione temporis stelt dat de beslissing nooit via aanplakking op het perceel ter kennis is gebracht aan de verzoeker, dat hij pas op 16 april 1994, bij thuiskomst van paasvakantie, de door de bestreden vergunning vergunde werken heeft vastgesteld; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst een exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis opwerpt; dat zij stelt dat “het bestreden besluit dateert van 7 februari 1994 en de verzoeker tot nietigverklaring zonder enige vorm van bewijs beweert slechts op 16 april 1994 vastgesteld te hebben dat er bouwwerken aan de gang waren”; dat zij hieraan toevoegt wat volgt : “Uit een rondschrijven van gemeenteraadslid Gerda RASQUIN, blijkt dat de buurtbewoners werden aangezet om te procederen, zodat niet is in te zien dat huidige verzoeker tot nietigverklaring niet op hetzelfde ogenblik als de verzoekers in de zaak G/A. 57.517/VII-12.502 kennis zou hebben gehad van de afgifte van de bouwvergunning aan verzoekster tot tussenkomst”; Overwegende dat, aangezien bouwvergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn waarbinnen dezen daartegen met een annulatieberoep kunnen opkomen, ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik makend van de mogelijkheid die hen krachtens artikel 2 van het alsdan geldende koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, werd geboden om er aldaar inzage van te nemen; dat het zaak is van de partij die aanvoert dat de verzoekende partij kennis had van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren; X-8688-5/12 Overwegende dat niet wordt betwist, zoals blijkt uit de door de verzoeker bijgebrachte processen-verbaal van vaststelling van gerechtsdeurwaarder Van Deun van 14 en 15 april 1994, dat de vergunde bouwwerken pas op 16 april 1994 werden aangevat; dat de tussenkomende partij geen bewijskrachtig gegeven bijbrengt waaruit blijkt dat de verzoeker meer dan 60 dagen voor het instellen van het beroep kennis had van het bestreden besluit; dat de exceptie niet gegrond is; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst bij wege van exceptie “twee argumenten op(werpt) om aan te tonen dat het verzoek tot voortzetting onontvankelijk zou zijn”, dat zij doet gelden wat volgt : “Met een aangetekende brief van 30 juni 1999 vraagt mr. Carl VAN ONSEM de voortzetting van de procedure. De tussenkomst van Mr. VAN ONSEM in het dossier is niet bekend. Er werd geen opvolging gemeld en er is nog steeds keuze van woonplaats bij Mr. J.H. HERBOTS. De vraagt rijst dan ook of dit verzoek tot voortzetting in aanmerking kan genomen worden. Het verzoek tot voortzetting is ook gericht aan de Griffie van de Raad op het adres Aarlenstraat 94-102 te 1040 Brussel. Volgens het procedurereglement, art. 84 moeten alle procedurestukken middels een aangetekende brief gericht worden aan de Raad van State. De zetel van de Raad en van de griffie is evenwel Wetenschapsstraat 33 en niet Aarlenstraat 94-102, zodat het verzoek tot voortzetting onontvankelijk is”; Overwegende, wat het eerste onderdeel van de exceptie betreft, dat het verzoekschrift tot voortzetting uitdrukkelijk vermeldt dat advocaat C. VAN ONSEM de raadsman is van de verzoeker; dat krachtens artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de partijen zich mogen laten vertegenwoordigen of bijstaan onder meer door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der advocaten of op de lijst van de stagiairs; dat het bestaan van het mandaat ad litem wordt vermoed tot het bewijs van het tegendeel -hetgeen in casu niet wordt voorgebracht- en dat het onder meer het ondertekenen van de procedurestukken impliceert; dat daartoe niet is vereist dat bij de raadsman van de verzoeker woonplaatskeuze is gedaan; dat de exceptie in zoverre niet kan worden aangenomen; Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van de exceptie betreft, bij de betekening van het schorsingsarrest uitdrukkelijk is vermeld dat de briefwisseling dient te worden gestuurd naar het adres Aarlenstraat 94-102; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; X-8688-6/12 Overwegende dat de verzoeker in het verzoekschrift tot nietigverklaring stelt blijk te geven van “de vereiste hoedanigheid en van een persoonlijk, stellig en geoorloofd belang dat niet verloren gaat gedurende het geding gezien hij (eigenaar is van een perceel dat paalt aan het kwestieuze bouwperceel en hij er ook effectief woont)”, dat “hij een overmatige hinder ondervindt van het kwestieuze gebouw gezien hij geen zicht meer heeft op de groene vallei en gezien de rust naar alle waarschijnlijkheid verloren zal gaan met de bedrijvigheid in het gigantisch pand”, en dat bovendien “de waarde van zijn eigendom erg in waarde vermindert, gezien dit eigendom aanpaalt aan het perceel waar vroeger een ongerepte gave natuur was en er nu een grote betonnen opslagplaats recht voor hun eigendom ‘gebouwd’ wordt”; Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van niet- ontvankelijkheid opwerpt wegens gebrek aan belang; dat zij dienaangaande uiteenzet wat volgt: “Het feit dat deze particulier in de omgeving zou wonen, waarover niet eens precieze informatie wordt gegeven, verleent hem geen verworven rechten op uitzicht op een zone die volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij K.B. van 7 april 1977, wettelijk bestemd is voor landbouwdoeleinden. De vordering van deze particulier is dan ook niet-ontvankelijk bij gebreke van direct en onmiddellijk te verifiëren belang om zich te verzetten tegen de oprichting van een loods die volledig in overeenstemming is met het wettelijk bestemmingsgebied”; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker op een afstand van circa 110 meter woont van het perceel waarvoor de bouwvergunning werd verleend, en dat hij hierop een rechtstreeks uitzicht heeft; dat hij daardoor alleen reeds doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging; dat het al dan niet in overeenstemming zijn van het vergunde bouwwerk met de gewestplanbestemming in voorkomend geval de grond van de zaak raakt, en ter zake niet relevant is; dat ook deze exceptie niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verzoeker in het tweede onderdeel van het vierde middel de schending aanvoert van artikel 44, § 1, en artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw (hierna: de stedenbouwwet); dat hij dit middel uiteenzet als volgt: “Luidens art. 44 § 1 van de Stedenbouwwet is de beslissing over bouw- aanvragen in de eerste plaats aan de gemeenteoverheid opgedragen. X-8688-7/12 In voorliggend geval werden de bouwplannen in de beroepsprocedure voor de Bestendige Deputatie wat de inplanting betreft, volledig veranderd. Aangezien de inplanting van het kwestieus gebouw een essentieel onderdeel is van het esthetisch element van het gebouw op zich, en hierdoor cruciaal is om te weten of het past in het kader van een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, moeten de wijzigingen aan het plan als dusdanig eerst terug naar het College van Burgemeester en Schepenen van Leuven voor goedkeuring gestuurd worden. (...) In voorliggend geval hebben en de Bestendige Deputatie van de provincie Brabant en de Vlaamse regering zich uitgesproken over andere dan de oorspronkelijke bouwplannen die werden voorgelegd aan het College van Burgemeester en Schepenen van Leuven. En hierdoor werd de stedebouwwet (art. 44, art. 55) geschonden”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert als volgt : “Wanneer het de bedoeling is dat gewijzigde plannen worden voorgelegd aan het College van Burgemeester en Schepenen omdat allereerst de bevoegdheid om over de plannen te oordelen op gemeentelijk vlak zijn gesitueerd, samen met de gemachtigde ambtenaar, dan moet in voorliggend geval specifiek worden opgemerkt dat het precies rekening houdend is met de opmerkingen van de gemeente, dewelke een ongunstige uitspraak had gedaan na het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, dat de plannen gewijzigd werden in graad van beroep voor de Bestendige Deputatie. Men kan zich daarenboven de vraag stellen welk belang verzoekende partij heeft bij het inroepen van dit onderdeel van dit middel, aangezien de gewijzigde plannen precies tot voordeel strekken ten aanzien van de verzoekende partij, nu er minder wordt gebouwd, op een grotere afstand van verzoekende partij en met nog minder visueel impact. De wijziging is met andere woorden in het belang van verzoekende partij zelf”; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord niets wezenlijks aan het voorgaande toevoegt; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst op het tweede onderdeel van het vierde middel repliceert als volgt : “Verzoeker tot nietigverklaring schijnt nu ook in te roepen dat de Bestendige Deputatie zich niet vermocht uit te spreken over gewijzigde bouwplannen (...). De verwijzing naar dit arrest is geenszins relevant omdat in voormeld arrest tot uiting komt dat de bouwvergunning verleend werd door de Bestendige Deputatie op grond van gewijzigde plannen, nadat het Schepencollege aanvankelijk de bouwaanvraag had bestreden en dientengevolge de vergunning had geweigerd. In casu dient evenwel vastgesteld te worden dat de aanvraag werd aangepast aan de voorwaarden voorgesteld door de stedenbouwkundige hoofdarchitect- directeur (...) en dat het voorstel van de stedenbouwkundige hoofdarchitect- X-8688-8/12 directeur volgens diens verslag van 4 april 1990 (...) gebaseerd is op het advies van het Schepencollege van de Stad Leuven, uitgebracht bij schrijven d.d. 14 juni 1988 aan de directeur van het Bestuur voor Stedebouw (...), advies dat overigens gelijklopend is met het advies van de Dienst Landbouw (...) d.d. 9 augustus
  4. De aanpassing van de bouwaanvraag is dan ook uitdrukkelijk en volledig tot stand gekomen op verzoek van het Schepencollege van de Stad Leuven, dat (...) de aanvraag gunstig heeft geadviseerd. (...) De oorspronkelijke weigering van de bouwvergunning d.d. 30 december 1988 was dan ook niet gebaseerd op de eigen bestrijding door de Stad Leuven van de bouwaanvraag, vermits het Schepencollege een gunstig preadvies had gegeven, doch op grond van de wettelijke verplichting om de bouwaanvraag te weigeren, wanneer het advies van de Gemachtigde Ambtenaar ongunstig is. Op te merken hierbij is dat het ongunstig advies van de Gemachtigde Ambtenaar gesteund was op redenen van esthetiek, die uiteindelijk door de Minister in het bestreden besluit niet werden weerhouden en waaromtrent de Minister een discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft, voor zover deze beoordeling niet kennelijk onredelijk is. (...) Uit de brief d.d. 20 april 1990 van de Bestendige Deputatie aan verzoekster tot tussenkomst blijkt dat de plannen volledig werden aangepast aan de voorwaarden opgesomd in het gunstig preadvies van het Schepencollege en zoals deze, wat de inplanting betreft, tot uiting komen in het in bijlage bij voormelde brief gevoegd inplantingsplan onder de hoofding Advies Dienst Ruimtelijke Ordening Stad Leuven dossier nr. U88/160/874.
  5. Het verwijt dat verzoeker tot nietigverklaring schijnt te maken in het vierde middel gaat dan ook niet op. (...)”; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar toelichtende memorie niet ingaat op het tweede onderdeel van het vierde middel; Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie nog opwerpt wat volgt : “Overwegende dat de hierboven in de rechtspraak aan de orde zijnde situatie zich in casu niet voordoet, aangezien de aanvraag aangepast is aan de voorwaarden voorgesteld door de stedenbouwkundige hoofdarchitect-directeur (...); dat diens voorstel overigens volgens diens verslag van 4 april 1990 gebaseerd is op het advies van het College van Burgemeester en Schepenen van Leuven, uitgebracht bij schrijven van 14 juni 1988 aan de directeur van het bestuur Stedenbouw (...); dat derhalve de aanpassing, in tegenstelling tot de in het Auditoraatsverslag aangehaalde rechtspraak, gebeurd is op verzoek van en in samenspraak met het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Leuven; dat de aanvraag initieel overigens reeds door het College gunstig geadviseerd is, doch dat de vergunning geweigerd is om reden van het negatief advies van de gemachtigde ambtenaar. Overwegende dat gezien het voorgaande dan ook niet valt in te zien waarom volgens het Auditoraatsverslag de instemming van het College, noch het feit dat door het College geen beroep is ingesteld, relevant zouden zijn, aangezien de afwezigheid van instemming en zelfs het bestrijden door de gemeente van de in beroep verkregen vergunning de premissen zijn van de rechtspraak van Uw X-8688-9/12 Raad; dat daarenboven niet duidelijk is welke het belang is bij dit middel, aangezien het doel van de rechtspraak van Uw raad, met name vermijden dat het College van Burgemeester en Schepenen, dat krachtens artikel 44, §1 van de Stedenbouwwet in principe de volheid van bevoegdheid heeft, door de hogere overheid ‘gepasseerd’ zou worden, hier reeds gerealiseerd is, aangezien de Stad zelf met de vergunning instemt en zelfs op de wijziging van de plannen heeft aangestuurd”; Overwegende dat krachtens artikel 44, § 1, van de stedenbouwwet, van toepassing op het ogenblik van de bestreden beslissing, de beslissing over de bouwaanvraag in de eerste plaats is opgedragen aan de gemeente- overheid; dat buiten het in artikel 55, § 1, van dezelfde wet bedoelde geval waarin het college van burgemeester en schepenen verzuimd heeft zich binnen de in deze bepaling gestelde termijn over de vergunningsaanvraag uit te spreken, geen andere overheid over de vergunningsaanvraag kan beschikken zonder dat eerst de gemeente erover uitspraak heeft gedaan; dat daaruit volgt dat, ingeval er essentiële wijzigingen aan de oorspronkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorgelegde bouwplannen worden aangebracht nadat beroep werd ingesteld op grond van artikel 55 van de stedenbouwwet, naargelang het geval, de bestendige deputatie en/of de Vlaamse Regering zich over de aldus gewijzigde plannen niet vermogen uit te spreken; Overwegende dat de bevoegdheid om zich over een bouwaanvraag uit te spreken de openbare orde raakt; dat het aan de Raad van State toekomt, desnoods ambtshalve, na te gaan of er aan de oorspronkelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediende plannen essentiële wijzigingen werden aangebracht nadat op grond van genoemd artikel 55 beroep werd ingesteld; dat de aard van de wijzigingen aan de plannen op zich moet worden beoordeeld; dat derhalve het argument van de verwerende partij waarbij zij zich de vraag stelt “welk belang verzoekende partij heeft bij het inroepen van dit onderdeel van dit middel, aangezien de gewijzigde plannen precies tot voordeel strekken ten aanzien van de verzoekende partij, nu er minder wordt gebouwd, op een grotere afstand van verzoekende partij en met nog minder visueel impact”, ter zake niet dienend is; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de bouwplannen werden gewijzigd in graad van beroep; dat immers uit de redengeving, zowel van het besluit van 12 juli 1990 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant en van het “bijgaand aangepast plan”, als van het thans bestreden besluit blijkt dat wijzigingen werden aangebracht aan de bouwaanvraag X-8688-10/12 nadat door de aanvrager beroep werd ingesteld tegen het weigeringsbesluit van 30 december 1988 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven; dat uit een vergelijking van de oorspronkelijke met de door het bestreden besluit goedgekeurde plannen eveneens blijkt dat wijzigingen werden aangebracht aan o.m. de configuratie van het gebouw, de toegangsweg, het talud en het rondom het gebouw aangebrachte groenscherm; dat deze wijzigingen essentiële wijzigingen zijn aangezien uit hetgeen voorafgaat blijkt dat zij de noodzakelijke voorwaarde waren om de vergunning te kunnen verlenen; dat de omstandigheid dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven een gunstig pre-advies heeft uitgebracht op voorwaarde o.m. dat “de stapelplaats wordt ingeplant zoals getekend op plannetje in bijlage” en geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant, noch tegen het thans bestreden besluit, geen afbreuk kan doen aan de door de wet vastgelegde bevoegdheidsregeling om over een bouwaanvraag te beslissen; dat het middel in zoverre gegrond is; BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt het besluit van 7 februari 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij, eensdeels, het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 12 juli 1990 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant wordt ingewilligd, en anderdeels, aan Julien VANPARIJS de bouwvergunning wordt verleend op grond van het bij de bestendige deputatie voorgelegde plan voor het oprichten van een stapelplaats voor landbouwmaterieel op een perceel gelegen te Leuven, Slangenstraat, kadastraal bekend sectie B, nr.
  7. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-8688-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8688-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.403 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.80.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.