id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.405 Rolnummer: A. 173484/X-12851 Zaak: Arrest 169405 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-04 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 18:42 Fiche Arrest nr 169.405 van 27 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.405 van 30 november 2006 in de zaak A. 168.443/XIV-24.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. SWERTS, kantoor houdende te 1180 BRUSSEL, Winston Churchillaan 149 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 18 november 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 18 oktober 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 14 december 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VANDERHOYDONCK die, loco Advocaat J. SWERTS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-24.215-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: - Schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikel 62 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen en de schending van artikel 52, § 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen. Schending van het zorgvuldig- heidsbeginsel; Deze artikelen luiden als volgt: Artikel 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen: "artikel 1: voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan onder: -Bestuurshandeling: De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurders of voor een ander bestuur. -bestuur: De administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de raad van state; - bestuurde: - elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur artikel 2: de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moet uitdrukke- lijk worden gemotiveerd artikel 3: de opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn. Teneinde als afdoende beschouwd te kunnen worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging nemen. Artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondge- bied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen “artikel 62: de administratieve beslissingen worden met redenen omkleed” Artikel 52, § 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen. De minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het rijk probeert binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden die zich vluchteling verklaart en die aan de grens vraagt om als dusdanig erkend te worden, de toegang tot's lands grondgebied wordt geweigerd en dat die vreemdeling dientengevol- ge door de met de grenscontrole belaste overheden zal worden teruggedreven: 2/ wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid. a. omdat ze bedrieglijk is b. of omdat ze geen verband houdt met de criteria bepaald bij artikel 1, a
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen , ondertekend te Genève op 28/07/1951 noch met de criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ingevolge het zorgvuldigheidsbeginsel dient het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze voor te bereiden. De beslissing dient te stoelen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zich zo nodig voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te nemen. XIV-24.215-2/5 Een zorgvuldige besluitvorming impliceert dat het bestuur op basis van een afdoend en volledig onderzoek, van het concrete geval tot zijn besluit komt. Discussie Dat verzoeker heeft mogen vaststellen dat de Vaste Beroepscommissie in deze zaak een standaard beslissing heeft genomen. Dat bij vergelijking van de aangevochten beslissing met de beslissing van de Vaste Beroepscommissie dd 10/06/2005 in een zaak Ashouri Jafar ( VB/04-1299/W10.382) en inzake Pegah Gahrouhi Ramazani (VB/ 04 - 2201/ W 10.460) is gebleken dat 90 % à 95 % van de motivering gelijklopend is. Dat de Vaste beroepscommissie dan ook zeer duidelijk te kort komt aan zijn motiveringsplicht.”; 1.1.
- Overwegende dat noch artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), noch de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de ontvankelijkheid, maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat de aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht onvoldoende concreet wordt toegelicht; dat nergens wordt aangeduid waaruit de incorrecte feitenvinding bestaat; dat het eerste middel niet ontvan-kelijk is; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “- Schending van art 1 van de conventie van Genève van 1951 met betrekking tot het statuut van de vreemdelingen; - Schending van artikel 3 van de Universele verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden ondertekend op 4/11/1950 te Rome Dat artikel 3 van de Universele Verklaring van de rechten van de Mens dd.10/12/1948 (BS; 31 maart 1949) bepaalt dat elk individu recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon; Dat ook artikel 2 van het Verdrag van 4 november 1950 tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 een gelijkaardige bescherming voorziet. Dat door verzoeker het statuut van vluchteling te weigeren deze voorgaande bepalingen worden geschonden, evenals artikel 1, § A, al.
- van het Verdrag van Genève. De definitie van de Vluchtelingenconventie van Genève luidt als volgt : “geldt als vluchteling, elke persoon, die zich uit gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of uit hoofd van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen”. Artikel 3 E.V.R.M stelt duidelijk dat "niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen." Dat in hoofde van verzoeker voldoende redenen bestonden om voor zijn leven te vrezen en dat op grond van dit alles hij zijn land van herkomst zo spoedig mogelijk diende te verlaten. Dat zoals hoger uiteengezet hij zijn politieke activiteiten in België heeft verdergezet door deel te nemen aan allerhande activiteiten met als oogmerk de situatie in Iran aan te kaarten. XIV-24.215-3/5 Dat het correct is te stellen dat de heer XXX in België geen lid of sympathisant van een politieke partij. Dat hij wel actief deelgenomen heeft aan verschillende acties van Iraniërs. Zo heeft hij (heeft) eind 2001 deelgenomen aan een betoging voor Iraanse Ambassade te Brussel dat door de Communistische partij werd georganiseerd. In 2002 nam hij deel aan een tweetal manifestatie dat door deze partij werd georgani- seerd Datzelfde jaar nam hij deel aan een Manifestatie van de Monarchistische partij CPI een partij waarvan de heer XXX sympathisant is Op 19/09/2003 ter gelegenheid van een bijeenkomst van Iraniërs aan het Botanique Park vernam hij dat er acties zouden worden opgestart aan de ULB. Vanaf 21/09/2003 tot 15/12/2003 nam hij deel aan de ULB actie. Rond 29/09/2003 vernam hij dat er agenten van de Iraanse ambassade op de campus aanwezig waren. Hij hield de aanwezigen in het oog en zorgde ervoor dat de agenten geen foto's namen Op 30/09/2003 nam hij deel aan een betoging voor het Europees Parlement voor mensenrechten Op 2/10/2003 nam hij deel aan een voettocht op de campus van de ULB Op 9/10/2003 nam hij deel aan een optocht van de ULB naar het kerkhof van Elsene. Hij nam eveneens deel aan een betoging op 24/10/2003 en op 4/11/2003 aan het beursgebouw alsook aan een persconferentie op de UCL op 6/11/2003 Op 8/11/2003 nam hij deel aan een voettocht van het Klein Kasteeltje na(a)r het Commissariaat Generaal om op te komen voor de mensen zonder papieren Op 30/11/2003 nam hij deel aan een actie voor het gebouw van de eerste minister waarbij foto's van de actievoerders aan bomen werden gehangen Op 8/12/2003 nam hij deel aan een betoging voor de Iraanse Ambassade Op 02/02 en 20/02/2004 nam hij deel aan een betoging voor de Iraanse Ambassade georganiseerd door de Communistische partij De heer XXX was belast met de veiligheid in het oog te houden op deze verschillend(e) manifestaties Dat de Iranese Ambassade op de hoogte is van zijn deelname. Dat uit diens brief blijkt dat deze laatste alle actievoerders terroristen noemt. Dat de Vaste Beroepscommissie haar beslissing steunt door te stellen dat verzoeker “low profile heeft deelgenomen aan collectieve acties, die gericht waren op het verkrijgen van een verblijfsvergunning." Dat dit geenszins strookt met de door verzoeker gemaakte verklaringen waaruit blijkt dat hij in het kader van die acties belast was met de veiligheid. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie daarnaast over de door verzoeker bijgebrachte documenten omtrent de systematische fouillering van Iraniërs die terugkeren naar hun land van herkomst, zoals in hogervermelde beslissingen, stelt dat deze systematische fouillering niet als vervolging in de zin van het verdrag kan worden beschouwd. Dat deze interpretatie niet met het Verdrag strookt. Dat inderdaad een systematische fouillering gekoppeld aan een uitvoerige ondervraging moeilijk niet als een beperking van de grondrechten van de mens kan worden aanzien.”; 1.2.
- Overwegende dat de Universele verklaring van de rechten van de mens geen juridisch bindende kracht heeft; dat de schendingen van artikel 2 van het E.V.R.M. (recht op leven) en artikel 3 van het E.V.R.M. (verbod van foltering) niet dienstig kunnen worden aangevoerd tot nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een verwijde- ringsmaatregel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, A
(2), van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, en als XIV-24.215-4/5 administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 1.
- Overwegende dat bij gebrek aan een ontvankelijk middel, het beroep zelf niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-24.215-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.405 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div