← België

Arrest 169451 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.451 Rolnummer: A. 65425/X-8399 Zaak: Arrest 169451 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-05 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 18:50 Fiche Arrest nr 169.451 van 27 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.451 van 27 maart 2007 in de zaak A. 65.425/X- 8.

  1. In zake : Willy VANDER EECKT, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Willy VANDER EECKT op 5 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden van 16 juni 1995 houdende verwerping van zijn beroep, tegen het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant over zijn beroep, tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle, waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een appartementsgebouw te Halle, Willamekaai 4-6-8, kadastraal bekend sectie H, nr. 90/f
  3. Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 14 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de partijen; X-8.399-1/6 Gelet op de beschikking van 24 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. ROELANDT, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. De feiten. 1.
  5. Op 12 juli 1991 dient verzoeker een bouwaanvraag in bij de stad Halle voor het bouwen van een meergezinswoning op een perceel kadastraal gekend, sectie H, nr. 90/f
  6. Door de technische dienst van de stad Halle wordt op 29 juli 1991 een ontvangstbewijs afgeleverd. 1.
  7. Op 3 december 1991 adviseert de gemachtigde ambtenaar ongunstig. Het advies luidt als volgt: “ONGUNSTIG. Gelet op het feit dat de aanvraag gelegen is binnen de reservatiezone voor de verbreding van het kanaal Charleroi-Brussel kan de mij voorgelegde aanvraag tot het bouwen van een meergezinswoning niet worden aanvaard. Derhalve besluit ik tot weigering van de bouwvergunning.”. 1.
  8. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Halle weigert op 21 juni 1993 de vergunning. De weigering is gesteund op het op 3 december 1991 uitgebracht negatief advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  9. Tegen deze weigeringsbeslissing tekent verzoeker op 2 juli 1993 beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincie Brabant. 1.
  10. Bij ontstentenis van een beslissing over het ingediende beroep, tekent verzoeker bij ter post aangetekende brief van 20 september 1994 beroep aan bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden. X-8.399-2/6 1.
  11. Op 8 maart 1995 vindt een hoorzitting plaats. Uit het daarop betrekking hebbende verslag blijkt dat de verzoekende partij bereid is het plan “aan te passen tot vier woonlagen”. 1.
  12. Bij het bestreden ministerieel besluit van 16 juni 1995 wordt dan het beroep van verzoeker verworpen. Dit besluit steunt op twee motieven, namelijk: “1) de mogelijkheid tot verbredingswerken op de linkeroever, waar de betrokken bouwplaats zich situeert, zodat het verlenen van de vergunning latere werken van algemeen belang ernstig kan bezwaren, 2) het feit dat het bouwproject vijf volwaardige woonlagen omvat hetgeen in strijd is met artikel 8 van de aanvullende planologische voorschriften van het gewestplan, dat een maximum van vier woonlagen stelt”.
  13. Beoordeling. 2.
  14. Voorafgaandelijk Beide weigeringsmotieven moeten als evenwaardig worden beschouwd. Het wettig bevinden van een der motieven betekent meteen dat de bestreden beslissing niet kan worden vernietigd omdat zij een voldoende steun vindt in dat wettig bevonden motief. Met betrekking tot het tweede motief wordt in de bestreden beslissing de indruk gewekt dat dit motief slechts “in bijkomende orde” als een weigeringsmotief wordt beschouwd. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij terzake dat de “bestreden beslissing(...) wezenlijk (wordt) gedragen door (...) overwegingen (...) in verband met de ‘goede plaatselijke ordening’”. Noch uit de bestreden beslissing, noch uit de memorie van antwoord van de verwerende partij, kan worden afgeleid dat dit tweede weigeringsmotief als een overtollig motief dient te worden beschouwd. Enerzijds werd dit motief in de bestreden beslissing opgenomen zodat moet worden aangenomen -zoals trouwens ook de verzoekende partij doet- dat dit motief bij de beoordeling van de zaak werd betrokken. Uit het verslag van de hoorzitting van 8 maart 1995 blijkt trouwens dat het bouwproject, bestaande uit vijf volwaardige woonlagen, niet in overeenstemming is met het gewestplan. Anderzijds kunnen de woorden “in bijkomende orde” niet worden geïnterpreteerd als zou het weigeringsmotief slechts een overtollig motief zijn. Deze woorden kunnen evenzeer worden geïnterpreteerd in die zin dat naast het eerste X-8.399-3/6 weigeringsmotief er nog een tweede (bijkomend) motief is om de vergunningsaanvraag af te wijzen. Het tweede weigeringsmotief is als het ware een reden te meer om de aanvraag af te wijzen. 2.
  15. Onderzoek van het vierde middel 2.2.
  16. Met betrekking tot dit tweede weigeringsmotief voert verzoeker een vierde middel aan, waarin hij de schending aanvoert van “artikel 3 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, de Ministeriële Omzendbrief van 19 juni 1991 betreffende toelichting bij de toepassing van de bijzondere voorschriften gevoegd bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, van het algemeen motiveringsbeginsel en uit de afwezigheid van de rechtens vereiste juridische en feitelijke grondslag”. Hij stelt dat buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid, alle ontwerpen van reglementaire besluiten aan het met redenen omklede advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State moeten worden onderworpen. Dit geldt evenzeer voor de besluiten tot vaststelling van een gewestplan wanneer de in het gewestplan voorziene bestemmingsvoorschriften afwijken van de bestemmingsvoorschriften voorzien in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het Inrichtingsbesluit). Verzoeker stelt dat de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van voormeld gewestplan niet voorkomen in het Inrichtingsbesluit. Hij voegt hieraan toe dat in de bestreden beslissing niet op een concrete wijze wordt aangegeven hoe het begrip “volwaardige woonlaag” wordt geïnterpreteerd; dit in tegenstelling tot de omschrijving van het begrip woonlaag in de omzendbrief van 19 juni 1991 waar dit op zeer gedetailleerde en uitgebreide wijze gebeurde. In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat in de mate de overweging “dat het bouwproject vijf volwaardige woonlagen omvat, hetgeen in strijd is met artikel 8 van de aanvullende planologische voorschriften van het gewestplan, dat een maximum van vier woonlagen stelt”, als een weigeringsmotief geldt, hij wel degelijk belang heeft bij het aangevoerde middel. Indien het niet als een weigeringsmotief moet worden beschouwd, zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord laat uitschijnen, was de overweging overbodig. In de laatste memorie werpt verzoeker op dat het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse juridisch niet bestaat, minstens dat dit plan niet kan worden toegepast. X-8.399-4/6 2.2.2.
  17. Artikel 8 (bijzondere bepalingen betreffende de woongebieden) van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, bepaalt in zijn punt 1 dat “binnen de in het gewestplan aangeduide grenzen van de stadscentra van Halle, Vilvoorde en Asse ( ... ) het aantal bouwlagen van de woningen vastgesteld (wordt) in functie van het bijzonder karakter van de wijk, van de breedte van de straat en van de vloer-grond index van het te bebouwen perceel; het maximum aantal woonlagen mag in geen geval vier woonlagen overtreffen”. Verzoeker stelt ten onrechte dat dit planologisch voorschrift “afwijkt” van de bestemmingsvoorschriften voorzien in het Inrichtingsbesluit. Door het aanvullend planologisch voorschrift wordt de bestemming van het gebied waarin het perceel gelegen is immers niet gewijzigd. Het afwijken van de bestemmingsvoorschriften van het Inrichtingsbesluit dient te worden geïnterpreteerd in die zin dat aan het gebied waarin het betrokken perceel gelegen is een nieuwe of andere bestemming dan wel een nadere bestemming wordt gegeven. Aangezien artikel
  18. van de aanvullende planologische voorschriften in casu geen afwijking bevat ten opzichte van de bestemmingsvoorschriften van het Inrichtingsbesluit, diende het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State niet te worden ingewonnen. De beschouwingen omtrent de geldigheid en de tegenwerpelijkheid van het gewestplan, die voor het eerst in de laatste memorie worden ontwikkeld, zijn nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Verzoeker had deze reeds in zijn verzoekschrift naar voren kunnen brengen. 2.2.2.
  19. In de omzendbrief van 19 juni 1991 wordt het begrip “woonlaag” geïnterpreteerd als “elke bouwlaag welke geheel of gedeeltelijk bestemd is voor bewoning”. Uit het verslag van de hoorzitting van 8 maart 1995 blijkt bovendien dat verzoeker zich bereid heeft verklaard het “plan aan te passen tot vier woonlagen”. Hieruit volgt dat de aanvrager zelf van oordeel is dat de ontworpen constructie vijf volwaardige woonlagen omvat. Een dergelijke vaststelling kan bovendien worden afgeleid uit de door de aanvrager bij de bouwaanvraag gevoegde plannen. Zo omvat het gelijkvloers, alsook de eerste, de tweede en de derde verdieping, per appartement, onder meer een living, een eetplaats, twee slaapkamers, een badkamer en een keuken. Ook de dakverdieping dient -zelfs meer- als een volwaardige woonlaag te worden beschouwd. Deze omvat -steeds volgens de ingediende plannen- onder meer een living met zithoek, een keuken met eetplaats en plaats voor het ontbijt, drie slaapkamers, ... Op zicht van de bij de aanvraag gevoegde plannen alleen dient overduidelijk te worden besloten dat het bouwproject vijf volwaardige woonlagen omvat. De verwerende partij kon in de bestreden beslissing dan ook terecht stellen dat het ontworpen gebouw vijf volwaardige X-8.399-5/6 woonlagen bevat. Deze overweging vindt steun in artikel 8 van de aanvullende planologische voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, en wijkt bovendien niet af van de bestemmingsvoorschriften van het Inrichtingsbesluit, zodat zij een afdoende motivering uitmaakt; Het vierde middel is ongegrond. Het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen aangezien de bestreden beslissing een voldoende grond vindt in het tweede, niet onwettig bevonden, weigeringsmotief, BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig maart tweeduizend en zeven, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-8.399-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.