← België

Arrest 169452 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.452 Rolnummer: A. 65544/X-10381 Zaak: Arrest 169452 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-06 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 18:51 Fiche Arrest nr 169.452 van 27 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.452 van 27 maart 2007 in de zaak A. 65.544/X- 10.

  1. In zake : Frans HELSEN, die woonplaats kiest bij advocaat K. BARO, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Mechelsesteenweg 358 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Frans HELSEN op 11 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 juli 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het door de verzoekende partij ingestelde beroep tegen de beslissing van 7 december 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Amands (Oppuurs) waarbij de vergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een houten bergplaats en speelkamer gelegen te Sint-Amands (Oppuurs), aan de Meirstraat 22, kadastraal bekend sectie B, nr. 60/c; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 13 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de partijen; X-10.381-1/7 Gelet op de beschikking van 24 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JONGBLOET, die loco advocaat K. BARO verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De feiten. 1.
  4. Verzoeker dient op 29 augustus 1994 bij het gemeentebestuur van Sint-Amands een aanvraag in tot het bouwen van een houten bergplaats en speelkamer (blokhut) aan de Meirstraat 22 te Oppuurs, op een perceel kadastraal gekend onder sectie B nr. 60c. 1.
  5. Overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, is het betrokken perceel gelegen in een gebied voor dag- en verblijfsrecreatie. 1.
  6. Op 24 november 1994 verleent de gemachtigde ambtenaar volgend ongunstig advies : “- overwegende dat het voorgelegde dossier volledig is; - overwegende dat het eigendom gelegen is in een gebied voor verblijfsrecreatie volgens het vastgestelde gewestplan; - overwegende dat deze gebieden bestemd zijn voor de recreatieve en toeristische accommodatie, alsmede de verblijfsaccommodatie met inbegrip van de kampeerterreinen, de gegroepeerde chalets, de kampeerverblijfparken en de weekend verblijfparken; ONGUNSTIG : de bouwvergunning moet worden geweigerd : Het perceel is gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie, bestemd voor toeristische recreatieve en verblijfsrecreatie. De structuur van het gebied is echter nog niet vastgelegd, zodat nieuwe constructies niet aanvaard kunnen worden. Er dient overwogen te worden de blokhut in te planten op het perceel van de woning Meirstraat 22”. X-10.381-2/7 1.
  7. Op 7 december 1994 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Amands de gevraagde vergunning te weigeren overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  8. Verzoeker tekent op 18 december 1994 tegen deze weigeringsbeslissing beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.
  9. Bij gebreke van kennisgeving van de beslissing van de bestendige deputatie binnen de wettelijk bepaalde termijn tekent verzoeker, in toepassing van artikel 55, § 2 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de Stedenbouwwet), op 12 april 1995 bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, beroep aan. 1.
  10. Bij ministerieel besluit van 13 juli 1995 wordt het beroep van verzoeker verworpen. Dit besluit is letterlijk als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat het ontwerp strekt tot het bouwen van een bergplaats met speelruimte (blokhut); dat de bouwvergunning door het betrokken kollege van burgemeester en schepenen werd geweigerd onder meer om reden dat het betrokken gebied bestemd is voor toeristische, rekreatieve en verblijfsrekreatie; omdat de struktuur van het gebied nog niet is vastgelegd, zodat nieuwe konstrukties niet kunnen worden aanvaard en omdat er dient te worden overwogen deze blokhut in te planten op het perceel van de woning Meirstraat 22; Overwegende dat het betrokken perceel volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit dd. 5 augustus 1976 vastgesteld gewestplan Mechelen is gelegen in een gebied voor dag- en verblijfsrekreatie; dat luidens de bepalingen van artikel 16 van het koninklijk besluit dd. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen deze gebieden bestemd zijn voor de rekreatieve en toeristische akkommodatie alsmede de verblijfsakkommodatie met inbegrip van kampeerterreinen, de gegroepeerde chalets, de kampeerverblijfparken en de weekendverblijfparken; dat tevens in deze gebieden handelingen en werken aan beperkingen kunnen worden onderworpen ten einde het rekreatief karakter van deze gebieden te bewaren; Overwegende dat het ontwerp inhoudt dat wordt overgegaan tot de oprichting van een bergplaats met speelruimte onder de vorm van een blokhut, met een oppervlakte van 5,60 meter op 5,60 meter; dat het geheel wordt bedekt met een zadeldak met een kroonlijsthoogte van 2,10 meter en een nokhoogte van 3,75 meter; dat deze konstruktie wordt opgericht in hout met bruine singles als dakbedekking; dat het gebouw wordt ingeplant op 3,50 meter van de rechterperceelsgrens, gezien vanaf de voorliggende buurtweg en op 7,50 meter van de linkerperceelsgrens; dat een achteruitbouwstrook is voorzien van 3,50 meter, zodat de konstruktie gelijk loopt met de voorgevel van het naastgelegen bedrijf; dat deze konstruktie wordt aangewend als enerzijds bergplaats voor de bewerking van het betrokken perceel en anderzijds speelruimte voor het kind van de partikulieren; dat het tenslotte een braakliggend terrein betreft, palend aan de buurtweg nr. 17 die vervolgens aansluiting geeft aan de Meirstraat; Overwegende dat uit de bovenvermelde omschrijving van het projekt duidelijk blijkt dat het ontwerp een gebruik kent dat nauw aansluit bij de woonfunktie en niet onder de bovenvermelde bestemming van verblijfsrekreatie kan worden X-10.381-3/7 ondergebracht; dat aldus strijdigheid bestaat met de op het betrokken gewestplan aangeduide bestemming”.
  11. De ontvankelijkheid. 2.
  12. De verwerende partij werpt een exceptie op en stelt dat verzoeker niet het vereiste belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. De verwerende partij baseert zich hiervoor op het feitenrelaas waaruit blijkt dat verzoeker mede-eigenaar is van een perceel, dat paalt aan het perceel waarop de bestreden beslissing betrekking heeft. Volgens haar is er geen enkele belemmering voor de verzoeker “om een bouwvergunning aan te vragen om op perceel 59m3 een blokhut op te richten” en stelt zij ook dat het “quasi zeker is dat voor perceel 59m3 wél een bouwvergunning zou worden toegekend, gelet op het stedebouwkundig statuut van dit perceel en de impliciete doch duidelijke aanwijzing van de vergunningverlenende overheid in de beslissing dd. 7 december 1994” . 2.
  13. De door de verwerende partij ingeroepen omstandigheden tasten het belang niet aan. Een eigenaar heeft onbetwistbaar belang bij betwistingen die rechtstreeks zijn eigendom betreffen. De exceptie kan niet worden aangenomen.
  14. Ten gronde. 3.1.
  15. Als eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 2 van de Stedenbouwwet, van de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 augustus 1976 houdende de vaststelling van het gewestplan Mechelen, van artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het Inrichtingsbesluit), wegens gebrek aan de rechtens vereiste feitelijke grondslag en wegens machtsoverschrijding. 3.1.
  16. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat uit het bestreden besluit niet blijkt waarom de houten blokhut niet bestaanbaar zou zijn met de bestemmingsvoorschriften van het recreatiegebied nu de minister enkel en alleen uit de beschrijving van het bouwproject meent te moeten afleiden dat dit project “nauw aansluit bij de woonfun(c)tie” doch niet nader preciseert waarom dit zo is en welke concrete gegevens en vaststellingen hem tot deze besluitvorming hebben gebracht. Overeenkomstig het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976, is het betrokken perceel gelegen in een gebied voor dag -en verblijfsrecreatie. X-10.381-4/7 Artikel 16.5.
  17. van het Inrichtingsbesluit omschrijft deze bestemming als volgt: “De gebieden voor dag- en verblijfsrecreatie zijn bestemd voor de recreatieve en toeristische accommodatie alsmede de verblijfsaccommodatie met inbegrip van de kampeerterreinen, de gegroepeerde chalets, de kampeerverblijfparken en de weekendsverblijfparken”. Het is niet kennelijk onredelijk vanwege de verwerende partij te oordelen dat een blokhut bestemd voor het opbergen van materiaal en bedoeld als speelruimte voor het kind van verzoeker niet als een recreatieve of toeristische accommodatie te beschouwen is, doch zoals het bestreden besluit stelt eerder aansluit bij de woonfunctie. Deze overwegingen brengen geenszins met zich mee dat de verwerende partij van de stelling zou uitgegaan zijn dat er in deze blokhut zou gewoond worden, zoals verzoeker verkeerdelijk lijkt voor te houden. Het bestreden besluit doelt met deze overwegingen op het feit dat de blokhut eerder thuishoort in een woongebied dan in een gebied voor dag- en verblijfsrecreatie. Verzoeker voert, noch in het verzoekschrift, noch in zijn memorie van wederantwoord aan dat de blokhut als een toeristische of recreatieve accommodatie te beschouwen is. In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog het volgende: “Het bewerken van de tuin en de siertuin is in hoofde van verzoeker ongetwijfeld een recreatieve activiteit. Evenzeer is het spelen in de tuin voor het kind van partijen een recreatieve en ontspannende bezigheid. De hiervoor noodzakelijke houten blokhut is dan ook als een recreatieve accommodatie te beschouwen gezien hierin de materialen, toestellen en voorwerpen opgeborgen worden die inherent en noodzakelijk zijn voor de vorenstaande recreatieve activiteiten”. Deze gegevens, die een nieuwe wending geven aan het middel, hadden reeds in limine litis kunnen worden ingeroepen. De determinerende motieven om te besluiten dat het project niet onder de gewestplanbestemming kan worden ondergebracht, worden in de bestreden beslissing weergegeven. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Hieraan is te dezen voldaan. Het bestreden besluit is afdoende gemotiveerd. 3.1.
  18. In het tweede onderdeel van het eerste middel stelt verzoeker dat het bestreden besluit evenmin op concrete wijze uitlegt waarom het beoogde bouwproject de goede aanleg van de plaats in het gedrang zou brengen. X-10.381-5/7 Rekening houdend met wat in artikel 19 van het Inrichtingsbesluit wordt gesteld, dient te worden aangenomen dat eens komt vast te staan dat een aanvraag in strijd is met de bestemming zoals voorzien bij het gewestplan en er geen afwijkingsmogelijkheden voorzien zijn, de vergunningverlenende overheid niet meer dient over te gaan tot een onderzoek van de verenigbaarheid van de werken met de goede plaatselijke ordening. Het volstaat vast te stellen dat het project in strijd is met de bestemming om de vergunning te weigeren. Voorzover in casu kan aangenomen worden dat de overweging in het bestreden besluit dat “het proje(c)t de goede aanleg van de plaats in het gedrang brengt” dient gesitueerd te worden binnen het onderzoek naar de verenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening, dient in elk geval vastgesteld te worden dat dit onderzoek en derhalve dit motief overtollig is. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  19. Een tweede middel wordt afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel vervat in artikel 10 van de Gecoördineerde Grondwet; “Doordat in gelijkaardige bouwaanvraagdossiers de overheid oordeelde de bouwvergunning wel te kunnen verlenen; Terwijl het gelijkheidsbeginsel impliceert dat al degenen die zich in dezelfde feitelijke toestand bevinden op dezelfde wijze worden behandeld en het bestreden besluit op geen enkele wijze verantwoordt, noch onderbouwt waarom en hoe het tot deze verschillende behandeling komt, temeer uit de plaatselijke toestand blijkt dat op het aanpalend perceel nummer 112 een grote houten constructie werd vergund en op het aanpalend perceel nummer 60b twee grote industriële gebouwen werden opgericht”. 3.2.
  20. Onder middel in de zin van artikel 2, §1, 2/ van het procedurereglement moet worden verstaan de voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden beginsel en van de wijze waarop, volgens de verzoekende partij, deze rechtsregel of dit beginsel wordt geschonden. De uiteenzetting van het middel is beperkt tot een uiteenzetting van de geschonden rechtsregel en tot de bewering dat “uit de plaatselijke toestand blijkt dat op het aanpalend perceel nummer 112 een grote houten constructie werd vergund en op het aanpalend perceel nummer 60b twee grote industriële gebouwen werden opgericht”. X-10.381-6/7 Verzoeker heeft echter verzuimd enig concreet gegeven bij te brengen ter staving van deze bewering. De Raad van State kan bijgevolg niet nagaan in hoeverre de toestand van deze “aanpalende percelen”, zowel in rechte als in feite, gelijk is aan deze van verzoekers eigendom. Het tweede middel is niet ontvankelijk, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig maart tweeduizend en zeven, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.381-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.452 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.