id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.456 Rolnummer: A. 66707/X-10310 Zaak: Arrest 169456 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-05 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 18:52 Fiche Arrest nr 169.456 van 27 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.456 van 27 maart 2007 in de zaak A. 66.707/X-10.
- In zake :
- Herman BEERTEN,
- Ria VAN BAELEN, die woonplaats kiezen bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE RAAD VAN STATE, Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Herman BEERTEN en Ria VAN BAELEN op 4 december 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 september 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij hen de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning gelegen aan de Oude Baan, te Meerhout, kadastraal bekend sectie C, nrs. 588/b, 588/c en 598/a(deel); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur-generaal M. ROELANDT; Gelet op de beschikking van 2 mei 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de partijen; X-10.310-1/5 Gelet op de beschikking van 24 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BOSQUET, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. SEBREGHTS, die loco advocaat H. SEBREGHTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De feiten. 1.
- De verzoekende partijen zijn eigenaars van een boerderij op een perceel grond, gelegen aan de Oude Baan te Meerhout. Dit perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.
- Een eerste aanvraag tot bouwvergunning van 22 mei 1992, ingediend door de verzoekende partijen, wordt op 16 maart 1993 door het college van burgemeester en schepenen geweigerd, na negatief advies van de gemachtigde ambtenaar, dat luidt als volgt : “ONGUNSTIG. De bouwvergunning moet worden geweigerd. Het eigendom is gelegen in een open en homogeen landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In toepassing van het decreet van 28 juni 1984 dient het bouwvolume beperkt te blijven tot max. 800m³. Het volume van de ontworpen woning bedraagt 960 m³. Slechts een beperkte verbouwing met behoud van de bestaande volumes kan worden toegestaan”. 1.
- Een tweede aanvraag tot bouwvergunning wordt op 9 augustus 1993 opnieuw geweigerd door het college van burgemeester en schepenen na ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, gelet op de ligging van het perceel in agrarisch gebied. 1.
- Op 10 maart 1994 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep van de verzoekende partijen in, doch na beroep X-10.310-2/5 van de gemachtigde ambtenaar van 21 april 1994, weigert de minister de bouwvergunning op 7 november
- 1.
- Een derde aanvraag wordt ingediend op 3 februari 1995 op basis van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: het Decreet van 13 juli 1994). 1.
- Bij ministerieel besluit van 21 september 1995 wordt de bouwvergunning geweigerd. Deze beslissing is onder meer als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat uit het onderzoek van kwestieuze aanvraag blijkt dat het volume van de nieuwe woning minder dan 700m³ bedraagt en dat de inplanting op minder dan 30 meter van de oorspronkelijke woning wordt voorzien; dat het gebouw gesloopt werd na ongezondverklaring en onbewoonbaarverklaring op 16 februari 1993; dat er geen bestaand gebouw aanwezig is; Overwegende dat het college van deskundigen in zitting van 1 augustus 1995 het volgende advies heeft verleend: ‘De huidige bouwaanvraag tot het bouwen van een woning kan rechtsgeldig worden onderzocht aangezien toepassing kan gemaakt worden van het decreet van 13 juli 1994, houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, artikel 2.b, gezien de weigering van de bouwaanvraag van 6 januari 1993 op 7 november 1994 op basis van het decreet van 23 juni
- Overwegende dat uit het onderzoek van de aanvraag blijkt dat het volume van de nieuwe woning minder dan 700 m³ bedraagt en dat de inplanting op minder dan 30 meter van de oorspronkelijke woning wordt voorzien. Overwegende dat het gebouw gesloopt werd na ongezond verklaring en onbewoonbaarverklaring op 16 februari 1993; dat er geen bestaand gebouw aanwezig is. Het College van Deskundigen adviseert unaniem ongunstig”.
- Beoordeling. De minister maakt in de bestreden beslissing toepassing van het overgangsregime dat werd ingevoerd bij Decreet van 13 juli 1994, volgens hetwelk aanvragen die betrekking hebben op percelen waarvoor een aanvraag voor het herbouwen van een zonevreemde woning werd ingediend vóór 24 augustus 1993, in aanmerking komen voor de afgifte van een vergunning. Om te kunnen genieten van dit tijdelijke gunstregime, moest een bouwaanvraag worden ingediend bij het gemeentebestuur vóór 31 maart 1995 en werd deze aanvraag in eerste en laatste aanleg behandeld door de bevoegde Vlaamse minister, na advies van het college van burgemeester en schepenen en van een speciaal voor de toepassing van deze bepaling samengesteld “college van deskundigen”. X-10.310-3/5 In artikel 171 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij het decreet van 26 april 2000, werd een opheffingsbepaling opgenomen, die de betrokken overgangsmaatregel uitdrukkelijk opheft. Deze bepaling is in werking getreden op 1 mei
- In zoverre de verzoekende partijen zich uitdrukkelijk beroepen op de opgeheven overgangsbepaling om hun aanspraken op een vergunning te laten gelden, kan te dezen niet worden ingezien hoe een eventueel vernietigingsarrest nog enig voordeel zou kunnen opleveren. De minister kan, na een eventueel vernietigingsarrest van de Raad van State, niets anders doen dan de vergunning weigeren omdat er geen wettelijke of reglementaire basis meer bestaat om de aanvraag van de verzoekende partijen in te willigen. Het tijdelijke overgangsregime van het Decreet van 13 juli 1994 hield ook op administratief-procedureel vlak een uitzonderingsstelsel in. De Vlaamse regering diende in eerste en in laatste aanleg de aanvragen te behandelen, op advies van het college van burgemeester en schepenen en van een “college van deskundigen” met een specifieke samenstelling. Door de formele opheffing van de voornoemde decretale bepaling, is ook de procedurele grondslag weggenomen waaruit de minister zijn bevoegdheid putte om kennis te nemen van dergelijke aanvragen. Deze opheffing is doorgevoerd met onmiddellijke inwerkingtreding en zonder enige overgangsbepaling. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing zou de bevoegde minister bijgevolg niet toelaten een nieuw besluit te nemen op grond van het voornoemde Decreet van 13 juli 1994, omdat het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, niet meer voorziet in een bijzondere procedure met een “college van deskundigen” dat, na advies van het college van burgemeester en schepenen, rechtstreeks aan de bevoegde minister advies verleent. Daar deze procedure niet meer van toepassing is, zullen de verzoekende partijen een nieuwe aanvraag moeten indienen, met een voorafgaand openbaar onderzoek, zoals voorzien door artikel 166 van voornoemd decreet van 18 mei
- Dit decreet voorziet bovendien in een minder gunstige regeling, in die zin dat het herbouwen van een zonevreemde woning slechts mogelijk is voor bestaande, vergunde en niet-verkrotte woningen. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat zij “ongeacht de op dit moment geldende regelgeving, (...) een nadeel ondergaan ” en dat zij bijgevolg “nog steeds een actueel belang hebben bij de vernietiging van het weigeringsbesluit”. De verzoekende partijen laten echter na aan te tonen welk specifiek nadeel zij ondergaan en op welke wijze de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing hen een concreet voordeel zou verschaffen. In hun laatste memorie voeren zij ten slotte aan dat er een regeling voor zonevreemde woningen in het vooruitzicht is X-10.310-4/5 gesteld, die het behoud van hun belang verantwoordt. Deze bewering is echter niet meer dan een loutere hypothese. Het belang moet zeker zijn, zodat een zuiver eventueel of potentieel belang niet volstaat.
- Om voormelde redenen is het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk wegens het ontbreken van het wettelijk vereiste belang, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig maart tweeduizend en zeven, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter,staatsraad, D. MOONS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-10.310-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.456 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div