← België

Arrest 169493 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.493 Rolnummer: A. 180040/XII-4988 Zaak: Arrest 169493 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 28/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-02 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 18:55 Fiche Arrest nr 169.493 van 28 maart 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.493 van 28 maart 2007 in de zaak A. 180.040/XII-

  1. In zake : Daniëlle HENDRICKX, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat D. Socquet, kantoor houdende te Tervuren, Merenstraat
  2. -------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Daniëlle Hendrickx op 8 januari 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 1 december 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven om haar eindevaluatie “ongunstig” te handhaven; Gezien het verzoekschrift dat Daniëlle Hendrickx eveneens op 8 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging van dezelfde beslissing te vorderen; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-4988-1/7 Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht, op grond van artikel 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikkingen van 6 maart 2007, houdende bevel tot neerlegging van het verslag over het beroep tot nietigverklaring en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 maart 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor verzoekster, en van advocaat D. Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, XII-4988-2/7 WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feiten
  3. Op 18 maart 2005 wordt verzoekster, assistent-dienstleider in de bibliotheek van de stad Leuven, in het kader van de periodieke evaluatie ongunstig geëvalueerd voor het jaar
  4. Op 17 maart 2006 wordt haar ook voor het jaar 2005 de evaluatie “ongunstig” toegekend. Zij stelt tegen de ongunstige evaluatie beroep in bij het college van burgemeester en schepenen met een brief van 12 april
  5. Op 3 mei 2006 hoort de evaluatiecommissie verzoekster en stelt zij voor de beoordeling “ongunstig” te handhaven. Het college van burgemeester en schepenen neemt op 12 mei 2006 van het advies kennis en beslist om het te volgen. Die beslissing wordt bij arrest van de Raad van State, nr. 164.445 van 7 november 2006, in haar tenuitvoerlegging geschorst omdat de formele-motiveringsplicht geschonden werd. Op 1 december 2006 trekt het college zijn beslissing van 12 mei 2006 in, en besluit het opnieuw de eindevaluatie “ongunstig” van verzoekster te handhaven. De vordering tot nietigverklaring
  6. Verzoekster voert in een enig middel, eerste onderdeel, de schending van de “motivering en zorgvuldigheid” aan. Zij licht toe dat zij drie documenten aan de evaluatiecommissie heeft voorgelegd, waarin onder meer “verweerpunten” werden “uitgewerkt”, evenals voorbeelden “van het constant wijzigen van de doelstellingen en verwachtingen”, dat er omtrent dit “pertinent en gedetailleerd verweer” niets te lezen is in het verslag van de evaluatiecommissie, dat het college van burgemeester en schepenen zich bij dat niet afdoende gemotiveerd advies heeft aangesloten, overigens zonder zelf kennis te hebben XII-4988-3/7 genomen van verzoeksters verweer, en dat bijgevolg het verweer van verzoekster niet werd betrokken bij het nemen van de bestreden beslissing.
  7. Verwerende partij antwoordt dat haar besluit wel degelijk afdoende gemotiveerd is “daar het de redengeving overneemt dewelke aan verzoekster werd ter kennis gebracht en zoals omschreven in het evaluatieverslag van 17 maart 2006”, dat “aldus” rekening is gehouden met de eigen visie en argumenten van verzoekster, maar dat het nu eenmaal de werkgever is die bepaalt op welke wijze een gegeven opdracht moet worden ingevuld, dat volgens de evaluatiecommissie verzoeksters verweermiddelen geen afbreuk doen “aan het feit dat de aan mevrouw Hendrickx toegekende ongunstig[e] evaluatie dient te worden behouden”.
  8. Overeenkomstig de artikelen 78 en volgende van het toepasselijke administratief statuut stond tegen verzoeksters ongunstige evaluatie van 17 maart 2006 beroep open bij het college van burgemeester en schepenen, welk college zich over het beroep moet uitspreken, na ontvangst van het advies van de evaluatie- commissie die de geëvalueerde en de beoordelaars hoort en de grond van de zaak onderzoekt, bij een met redenen omkleed besluit. Op basis van die regeling mag verzoekster er aanspraak op maken dat in beroep aan haar zaak een nieuw onderzoek wordt gewijd -inzonderheid in het licht van het aangebrachte verweer-, dat dient te resulteren in een beslissing die in haar motivering van dat onderzoek doet blijken. Is weliswaar niet vereist dat het college, om aan de formele-motiveringsplicht te voldoen, op elk afzonderlijk argument antwoordt, uit de formele motivering van zijn beslissing moet toch in ieder geval kunnen worden opgemaakt dat de argumentatie van verzoekster daadwerkelijk bij de besluitvorming is betrokken en waarom de initiële evaluatie niettegenstaande het verweer is behouden. XII-4988-4/7
  9. In de evaluatie van 17 maart 2006 is verzoeksters functioneren getoetst aan vijf doelstellingen. Geen enkele doelstelling wordt geacht “gehaald” te zijn. Geconcludeerd wordt dat verzoeksters functioneren als leidinggevende “ernstige repercussies [heeft] op diverse aspecten van de werking van de bibliotheek”, dat opmerkingen hierover worden genegeerd en een normaal gesprek onmogelijk is, en dat het managementteam de situatie niet langer kan tolereren “omdat op deze manier haar gezag en geloofwaardigheid wordt ondermijnd”. Verzoekster heeft daar in beroep drie documenten tegen aangevoerd, die zij voor de evaluatiecommissie mondeling heeft toegelicht. Zij behelzen onder meer een twee bladzijden tellend verweer waarin de evaluatie “op formele gronden én op inhoudelijke argumenten” wordt aangevochten en een opsomming van onderwerpen waaromtrent de doelstellingen en verwachtingen met betrekking tot verzoekster zogenaamd “constant” gewijzigd werden.
  10. In de bestreden beslissing wordt de oorspronkelijke ongunstige evaluatie gehandhaafd en bevestigd op grond van de overwegingen in het evaluatieverslag en deze in het advies van 3 mei 2006 van de evaluatiecommissie. Uiteraard kon in het oorspronkelijke evaluatieverslag nog geen rekening worden gehouden met de opmerkingen die verzoekster pas in reactie erop zou formuleren. De overwegingen in het advies van de evaluatiecommissie, dan weer, blijven beperkt tot de “Motivatie” dat de commissie “zich aan[sluit] bij de gedetailleerde motivering die de evaluatoren in het evaluatieverslag hebben aangegeven” en tot de conclusie dat verzoekster in 2005 ondermaats presteerde en de gekregen feedback naast zich neerlegde. Met andere woorden doet de bestreden beslissing noch direct, noch indirect ervan blijken dat aan verzoeksters beroep recht is gedaan en dat namelijk haar verweer tegen de initiële ongunstige beoordeling, de aandacht en het onderzoek heeft gekregen die vereist waren. XII-4988-5/7
  11. Het enig middel is alleszins in de besproken mate kénnelijk gegrond. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging
  12. De hierna uit te spreken vernietiging van de bestreden beslissing brengt de verwerping van de vordering tot schorsing ervan mee. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van 1 december 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven om de eindevaluatie “ongunstig” van Daniëlle Hendrickx te handhaven. Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-4988-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig maart 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4988-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.