← België

Arrest 169529 - Politie - 29/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.529 Rolnummer: A. 64484/XII-1235 Zaak: Arrest 169529 - Politie - 29/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-12 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 18:59 Fiche Arrest nr 169.529 van 29 maart 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Afstand Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.529 van 29 maart 2007 in de zaak A. 64.484/XII-

  1. In zake : Hendrik MOERMAN, die woonplaats kiest bij advocaat J. Lamon, kantoor houdende te Oudenaarde, Brugscheldestraat 25, bus 2 B tegen : de STAD OUDENAARDE, die woonplaats kiest bij advocaten E. De Neve en V. Vandewalle, kantoor houdende te Oudenaarde, Stationsstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik Moerman op 12 juli 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissingen van 8 mei 1995 van de gemeenteraad van de stad Oudenaarde, waarbij, eensdeels, Luc Michels en Ronny Verhaeghe worden bevorderd tot inspecteur van politie en, anderdeels, Luc Van Driessche bevorderd wordt tot hoofdinspecteur van politie; Gelet op het arrest nr. 151.388 van 17 november 2005 waarbij de debatten worden heropend en het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 24 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-1235-1/21 Gelet op de beschikking van 7 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van zijn advocaat C. De Jonghe, die loco advocaat J. Lamon verschijnt, en van advocaat S. Goethals, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Verbetering van het arrest nr. 151.
  4. Overwegende dat bij de redactie van punt 3.2., tweede alinea van het voormeld arrest nr. 151.388, een verschrijving is gebeurd; dat in de vierde zin van die alinea (“dat zulks bezwaarlijk het geval zou zijn indien hij op onwettige wijze werd verhinderd zich kandidaat te stellen”) het woord “bezwaarlijk” moet worden geschrapt;
  5. Het voorwerp van het geding. Overwegende dat in het voormelde arrest nr. 151.388 werd vastgesteld dat verzoeker ter terechtzitting van 4 oktober 2005 afstand deed van zijn beroep in zoverre het de bevordering van Luc Michels betreft; dat het voorwerp van het geding dienvolgens hierna beperkt is tot de bevorderingen van Ronny Verhaeghe en Luc Van Driessche;
  6. Het tussenarrest. Overwegende dat in het arrest nr. 151.388 betreffende de derde exceptie van de verwerende partij werd vastgesteld dat verzoeker zich geen kandidaat stelde voor de door hem bestreden bevorderingen zodat hij er aldus in principe geen belang bij heeft om die bevorderingen te bestrijden maar dat de conclusie betreffende het belang anders zou moeten zijn, indien verzoeker voor zijn XII-1235-2/21 niet-kandidaatstelling over een geldig excuus beschikt, en dat zulks het geval zou zijn indien hij op onwettige wijze werd verhinderd zich kandidaat te stellen hetgeen de strekking is van zijn middelen, zodat een beoordeling van verzoekers belang tot een onderzoek van zijn middelen noodzaakt; dat die middelen daartoe in het aanvullend auditoraatsverslag zijn onderzocht;
  7. De toepasselijke regelgeving. Overwegende dat de regelgeving toepasselijk op de zaak als volgt kan worden geschetst : 4.
  8. In het Belgisch Staatsblad van 5 augustus 1989 verschijnt het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie. Blijkens de nota aan de Koning regelt dat koninklijk besluit voor het eerst op een algemene wijze de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie, en betreft het bevorderingen binnen het betrokken politiekorps waarvoor, ten minste voor wat de bevordering tot de graad van inspecteur van politie betreft, een bijzondere opleidingskwalificatie, namelijk het getuigschrift van inspecteur van politie, vereist is. 4.1.
  9. Naar luid van artikel 1, eerste lid, wordt het getuigschrift van inspecteur van politie aan sommige leden van de gemeentepolitie uitgereikt nadat ze een opleiding hebben gevolgd die is georganiseerd door de erkende trainings- en opleidingscentra en nadat ze zijn geslaagd voor de examens die deze opleiding afsluiten. Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, moeten de gegadigden, om te worden toegelaten tot de opleiding, lid zijn van een gemeentelijk politiekorps en de toestemming hebben van de gemeentelijke overheid, verleend na een met redenen omkleed advies van de korpschef. Volgens artikel 6, eerste lid, moeten voor de bevordering tot de graad van inspecteur van politie ten minste de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1/ lid zijn van het gemeentepolitiekorps; 2/ houder zijn van het getuigschrift van inspecteur van politie; XII-1235-3/21 3/ ten minste zes jaar anciënniteit tellen bij het gemeentepolitiekorps. Naar luid van artikel 6, derde lid, worden vrijgesteld van het getuigschrift inspecteur van politie, de houders van (onder meer) het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie, besproken onder randnummer 4.
  10. Overeenkomstig artikel 7 moet voor de bevordering tot de graad van hoofdinspecteur, de gegadigde bekleed zijn met de graad van inspecteur van politie. Volgens artikel 9, tweede lid, blijven de bevorderingsvoorwaarden tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie, door de gemeenteraad vastgesteld vóór 1 mei 1989, van toepassing voor de betrekkingen die te begeven zijn vóór 31 december
  11. 4.1.
  12. Bij koninklijk besluit van 3 maart 1995, dat in werking treedt op 1 juli 1995, wordt voornoemd koninklijk besluit van 13 juli 1989 gewijzigd in deze zin : - dat het opschrift ervan vervangen wordt door het opschrift “koninklijk besluit betreffende de opleiding en de bevordering tot de graad van inspecteur van politie”; - dat artikel 7 (waarin wordt bepaald dat men voor de bevordering tot de graad van hoofdinspecteur moet zijn bekleed met de graad van inspecteur van politie) wordt opgeheven. 4.1.
  13. Bij een ander koninklijk besluit van 3 maart 1995 wordt artikel 1 B, punt 5, van het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie, aangevuld in die zin dat de graad van hoofdinspecteur van politie vanaf 1 juli 1995 nog enkel in een uitdovings- kader kan voorkomen. XII-1235-4/21 4.
  14. In het Belgisch Staatsblad van 5 augustus 1989 verschijnt eveneens het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie. Naar luid van artikel 2, 2/, van het koninklijk besluit van 14 november 1986 houdende de algemene bepalingen betreffende de benoeming tot de graad van hoofdinspecteur eerste klasse bij de stedelijke politie, diende men, om benoemd te kunnen worden tot de graad van hoofdinspecteur eerste klasse, houder te zijn van hetzij het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie, hetzij van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings (brevet OGP). Het onder randnummer 4.
  15. besproken koninklijk besluit van 13 juli 1989 voorzag in een minimum lessenprogramma dat aan het examen, georganiseerd door een erkend trainings- en opleidingscentrum, diende vooraf te gaan. 4.2.
  16. Naar luid van artikel 1, eerste lid, van het onder 4.
  17. vermelde besluit van 13 juli 1989 wordt het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings aan sommige leden van de gemeentepolitie uitgereikt nadat ze een opleiding hebben gevolgd die is georganiseerd door de erkende trainings- en opleidingscentra en nadat ze zijn geslaagd voor de examens die deze opleiding afsluiten. Overeenkomstig artikel 3 moeten de kandidaten, om tot de opleiding te worden toegelaten, lid zijn van een gemeentelijk politiekorps en de toestemming hebben van de gemeentelijke overheid, verleend na een met redenen omkleed advies van de korpschef. 4.2.
  18. Bij koninklijk besluit van 19 oktober 1994 wordt het voormelde artikel 3 gewijzigd in die zin dat de kandidaten, om tot de opleiding te worden toegelaten, tevens hetzij houder moeten zijn van het getuigschrift van inspecteur van politie, bedoeld in het onder randnummer 4.1 besproken koninklijk besluit van 13 juli 1989, hetzij bekleed moeten zijn met de graad van inspecteur van politie; XII-1235-5/21
  19. De feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 5.
  20. Verzoeker was, op het ogenblik dat de door hem bestreden beslissingen werden genomen, politieagent-hoofdbrigadier bij de gemeentepolitie van de stad Oudenaarde. 5.
  21. Op 8 en 13 april 1988 slaagt verzoeker voor het bevorderingsexamen voor inspecteur van politie, georganiseerd door de stad Oudenaarde. Volgens de verklaring van de partijen kon men op basis van dit lokaal brevet worden bevorderd tot inspecteur van politie. Ook na de inwerkingtreding van het voormelde koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie bleef zulks, ingevolge de overgangsregeling in artikel 9, tweede lid van dat besluit, nog mogelijk voor betrekkingen die te begeven waren vóór 31 december
  22. Vanaf 1 januari 1995 kon verzoeker enkel nog tot inspecteur van politie worden bevorderd indien hij houder was hetzij van het getuigschrift van inspecteur van politie, hetzij van het brevet OGP. 5.
  23. Met een nota van 20 juni 1990 deelt de commissaris van politie aan het personeel mee dat de kandidaturen worden ingewacht voor de cursussen inspecteur en “hoofdinspecteur eerste klasse” (lees : de cursus die leidt tot het brevet OGP). Op 30 juni 1990 stelt verzoeker zich kandidaat voor beide cursussen. XII-1235-6/21 5.
  24. Op 27 augustus 1990 beslist het college van burgemeester en schepenen dat twee personeelsleden, onder wie Ronny Verhaeghe, de inspecteursopleiding zullen volgen, gelet op het feit dat zij de hoogste anciënniteit hebben. Uit een brief van 7 december 1991 van verzoeker (zie hierna onder randnummer 5.6) blijkt dat verzoeker zijn kandidatuur voor het volgen van die opleiding introk. 5.
  25. Met een ongedateerde nota deelt de commissaris aan de kandidaten voor het volgen van de cursus OGP mee dat er, aangezien er acht kandidaten zijn, een proef zal worden georganiseerd om de volgorde te bepalen om de cursus te volgen. Op 21 november 1990 deelt de commissaris aan de burgemeester mee dat vier kandidaten geslaagd zijn, in deze volgorde :

(1)Luc Van Driessche,
(2)Jan De Bisschop,
(3)Luc Michels en
(4)verzoeker; hij stelt voor De Bisschop slechts in 1992 de cursus te laten volgen, vermits hij het jaar voordien reeds de opleiding inspecteur van politie volgde. Volgens de verklaring van verzoeker, hierin niet tegengesproken door de verwerende partij, volgen Luc Van Driessche en Luc Michels, op voordracht van de commissaris, in 1991 de cursus OGP. 5.
  1. Met een brief van 7 december 1991 vraagt verzoeker aan de commissaris schriftelijk uiteen te zetten waarom hij de eerstvolgende cursus OGP niet mag of hoeft te volgen, terwijl zulks nochtans was beloofd op het ogenblik dat de andere kandidaten de cursus gestart waren; hij verklaart zich voor een stuk in de kou gezet te voelen, vermits hij op aanraden van de commissaris zijn kandidatuur tot het volgen van de cursus voor inspecteur introk om via een vergelijkend examen te streven naar het volgen van een hogere cursus; in fine van zijn brief stelt hij nogmaals zijn kandidatuur tot het volgen van de eerstvolgende cursus OGP. 5.
  2. Op 26 juni 1992 richt het C.C.O.D. een brief aan de commissaris, zulks -zo blijkt uit die brief- in aansluiting op een onderhoud met de vaste gemachtigde, waarbij de commissaris de toelating tot het volgen van de cursus inspecteur door verzoeker in het vooruitzicht stelde; vermits evenwel nog steeds de XII-1235-7/21 theoretische mogelijkheid van bevordering tot hoofdinspecteur blijkt te bestaan, dringt het C.C.O.D. aan om verzoeker alsnog de toelating te verlenen tot het volgen van de cursus OGP, zodat zijn mogelijkheden bij eventuele openverklaring niet zouden zijn beknot; in de brief wordt tevens verwezen naar een dienstorder van de commissaris, volgens dewelke verzoeker vóór 1 augustus zijn keuze tussen de beide cursussen zal moeten doen. Met een brief van 29 juni 1992 antwoordt de politiecommissaris : - dat de graad van hoofdinspecteur eerste klasse niet in het kader werd opgenomen; - dat, om tot de graad van hoofdinspecteur -die wel in het kader is opgenomen- bevorderd te worden, men enkel inspecteur moet zijn; - dat men, om tot inspecteur bevorderd te worden, in het bezit moet zijn van het getuigschrift van inspecteur van politie; - dat er in zijn nota geen sprake is van een keuze tot het volgen van de cursus OGP, maar enkel van de cursus inspecteur; - dat de cursus OGP door niemand meer zal worden gevolgd om de eenvoudige reden dat de graad van hoofdinspecteur eerste klasse in het korps niet bestaat en dat het volgen en slagen voor deze cursus tot gevolg heeft dat de betrokkenen ergens anders postuleren, waardoor de stad een investering moet doen die niet rendeert; - dat deze uitleg herhaalde malen aan verzoeker werd gegeven. 5.
  3. Met een nota van 25 augustus 1992 deelt de politiecommissaris aan drie personeelsleden, onder wie verzoeker, mee dat hij ten zeerste verwonderd is over het feit dat hij hun kandidatuur voor de cursus inspecteur niet gekregen heeft; hij vraagt hun ten laatste op 31 augustus 1992 hun beslissing dienaangaande mee te delen. Op 18 september 1992 richt het Nationaal Syndicaat van de Belgische Politie een brief aan de burgemeester, waarin het zich ernstige vragen stelt bij het feit dat de korpschef een kandidaat die reeds in een bevorderingsexamen tot inspecteur slaagde naar de opleiding inspecteur wenst te sturen en niet naar de opleiding OGP. Met een brief van 22 oktober 1992 vraagt verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen de toelating om de cursus OGP te volgen die van start gaat op 4 januari
  4. XII-1235-8/21 5.
  5. Met een brief van 31 mei 1993, gericht aan de commissaris van politie, stelt verzoeker zijn kandidatuur voor het volgen van de cursus inspecteur die van start gaat op 11 oktober 1993; in fine van zijn brief verklaart hij dat hij nog steeds de opleiding OGP voorop stelt, indien dit nog mogelijk blijkt. Met een brief van 17 juni 1993 deelt de politiecommissaris aan verzoeker mee dat hij kennis heeft genomen van zijn kandidatuur, maar dat hij wacht dienaangaande een beslissing te nemen “tot wanneer de gemeenteraad eerstdaags een beslissing zal genomen hebben in het kader van het tuchtdossier”. 5.
  6. Op 14 oktober 1993 legt de burgemeester aan verzoeker de tuchtstraf van inhouding van wedde ten belope van zes dertigsten van de bruto maandwedde op. Met een brief van 22 november 1993, gericht aan de commissaris, stelt verzoeker zijn kandidatuur tot het volgen van de eerstvolgende cursus OGP die van start gaat op 3 januari
  7. Met een brief van 25 november 1993 antwoordt de commissaris “[...]dat er geen cursus hoofdinspecteur eerste klasse meer gevolgd wordt en dit tot nader order”. 5.
  8. Op 20 december 1993 dagvaardt verzoeker de stad Oudenaarde en de commissaris voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, zetelend in kortgeding, teneinde zich te horen veroordelen om hem toelating te verlenen tot het volgen van de opleidingscursus OGP die doorgaat van 3 januari 1994 tot 3 april
  9. Bij beschikking van 30 december 1993 wijst de rechter in kort geding de vordering af; hij overweegt dat bij marginale toetsing van alle gegevens van de zaak niet blijkt dat het optreden van de politiecommissaris kennelijk foutief is, dat de beslissing gesteund is op een aantal objectieve criteria zoals de personeelsbezetting, de vereisten van de dienst, overig cursusaanbod en trainingen, evenals een budgettair aspect, en dat bovendien blijkt dat verzoeker op grond van zijn lokaal behaald brevet zijn rechten hic et nunc kan uitoefenen. XII-1235-9/21 5.
  10. In de loop van de maand september 1994 stellen een aantal personeelsleden, onder wie verzoeker, zich kandidaat voor het volgen van de opleiding inspecteur, die doorgaat van 3 januari 1995 tot 17 maart
  11. Met een nota van 21 oktober 1994 deelt de commissaris van politie aan het personeel mee dat Philippe Audooren de cursus inspecteur zal volgen, dat het, gelet op het beperkte personeelsbestand, onmogelijk was om een tweede persoon naar de cursus te sturen en dat Audooren reeds vorig jaar voor de cursus was ingeschreven, maar dat deze toen niet werd georganiseerd. Op 26 oktober 1994 beslist het college van burgemeester en schepenen Philippe Audooren aan te wijzen tot het volgen van de cursus inspecteur van 3 januari tot 17 maart 1995; die beslissing verwijst naar het personeelsgebrek waarmee de politie kampt enerzijds, naar de noodzaak om te voorzien in een voldoend aantal kandidaten inspecteurs anderzijds, en naar het feit dat Audooren in 1993 was aangewezen om de cursus te volgen, maar dat de cursus dat jaar niet kon doorgaan. 5.
  12. Op 9 januari 1995 leidt verzoeker een nieuwe procedure in kort geding in voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, teneinde de stad Oudenaarde en de politiecommissaris zich te horen veroordelen om hem toelating te verlenen tot het volgen van de opleidingscursus OGP, die van start gaat op 3 maart
  13. 5.
  14. Met een brief van 20 februari 1995 roept het college van burgemeester en schepenen de gemeenteraad bijeen op 6 maart 1995 met het oog op de bespreking van de in bijlage gevoegde agenda; agendapunt 11 luidt : “Personeel Politie. Openverklaring van een betrekking van hoofdinspecteur en twee betrekkingen van inspecteur te begeven bij wijze van bevordering”. 5.
  15. Nadat verzoeker zijn vordering gewijzigd heeft in die zin dat hij toelating wenst te krijgen voor het volgen van de cursus inspecteur, wordt de politiecommissaris bij beschikking van 2 maart 1995 veroordeeld om binnen de 48 uur na betekening van de beschikking toelating te verlenen aan verzoeker tot het volgen van de opleidingscursus inspecteur die van start gaat op 5 maart
  16. In die beslissing wordt overwogen dat de toestand die aanleiding heeft gegeven tot de beschikking in kort geding van 30 december 1993 fundamenteel gewijzigd is in die XII-1235-10/21 zin dat thans niet meer kan worden gesteld dat verzoeker op grond van zijn lokaal behaald brevet zijn rechten kan uitoefenen, dat verzoeker, door niet te worden toegelaten tot het volgen van een cursus, in de gegeven omstandigheden gekrenkt is in zijn subjectieve rechten, en dat de enkele verwijzing naar het beperkt personeelsbestand om te wijzen op de onmogelijkheid om een tweede persoon naar de cursus te sturen, terwijl een jongere collega wel wordt gestuurd, geen afdoend objectief criterium is en ten aanzien van verzoeker als discriminerend moet worden aangemerkt. 5.
  17. Op 6 maart 1995 beslist de gemeenteraad van de stad Oudenaarde : - dat er één betrekking van hoofdinspecteur en twee betrekkingen van inspecteur van politie worden open verklaard te begeven bij wijze van bevordering, met ingang van 1 mei 1995; - dat de kandidatuurstellingen gericht moeten worden aan het schepencollege en afgegeven op de secretarie, ten laatste op maandag 20 maart
  18. Die beslissing is gemotiveerd als volgt : “Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 31.5.94 waarbij aan de heer Paul Merchiers ontslag verleend werd uit zijn ambt van hoofdinspecteur van politie met ingang van 1.5.95; Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 7.11.94, waarbij inspecteur Roger Corijn bevorderd werd tot hoofdinspecteur, met ingang van 1.12.1994, en er daardoor een vacature ontstaan is van inspecteur; Overwegende dat door de bevordering van een inspecteur naar hoofdinspecteur een tweede vacature ontstaat van inspecteur; Overwegende dat omwille van de 24-uren permanentie het middenkader degelijk moet kunnen functioneren; Overwegende dat om de politiediensten goed te kunnen laten functioneren er dringende behoefte is aan personeel in het middenkader”; 5.
  19. Met een brief van 7 maart 1995 : - wordt de openverklaring van twee betrekkingen van inspecteur van politie ter kennis gebracht van elk personeelslid dat aan de statutaire voorwaarden voldoet; het betreft in totaal vijf personeelsleden, onder wie Luc Michels en Ronny Verhaeghe; - wordt de openverklaring van een betrekking van hoofdinspecteur van politie ter kennis gebracht van elk personeelslid dat aan de statutaire voorwaarden voldoet; het betreft slechts één personeelslid, met name Luc Van Driessche. XII-1235-11/21 5.
  20. Op 20 maart 1995 beslist het college van burgemeester en schepenen : - dat, wat betreft het bevorderingsexamen voor de betrekking van inspecteur, op 30 maart 1995 een psychotechnische proef zal worden afgenomen en op 21 april 1995 de schriftelijke en de mondelinge proef. - dat, wat betreft het bevorderingsexamen voor de betrekking van hoofdinspecteur, dat examen zal worden afgenomen op 21 april
  21. 5.
  22. Op 4 april 1995 schrijft verzoekers raadsman aan de leden van het college van burgemeester en schepenen en aan de politiecommissaris bij ter post aangetekende brief wat volgt :. “Cliënt stelt vast dat de twee vacatures van politie-inspecteur werden open verklaard. Vermits de cursus ‘Inspecteur’ pas eindigt in juni en normalerwijze omtrent de kandidaturen in mei zal worden beslist, verzoekt cliënt dat de benoemingen zouden worden uitgesteld zodat cliënt samen met de andere kandidaat Audooren Philippe de examens voor de bevordering tot Inspecteur zal kunnen afgelegd hebben. Op deze wijze zal er dan ook geen discriminatie zijn in hoofde van cliënt en de andere kandidaat. Qua tijd is er geen probleem om de benoemingen met 6 maanden uit te stellen”. 5.
  23. Blijkens de betrokken verslagen van 21 april 1995 van de examencommissie : - slagen drie kandidaten voor het bevorderingsexamen van inspecteur van politie, onder wie Luc Michels en Ronny Verhaeghe; - slaagt Luc Van Driessche voor het bevorderingsexamen van hoofdinspecteur van politie. 5.
  24. Bij gemeenteraadsbesluiten van 8 mei 1995 : - worden Luc Michels en Ronny Verhaeghe met ingang van 1 juni 1995 bevorderd tot de graad van inspecteur van politie; - wordt Luc Van Driessche met ingang van 1 juni 1995 bevorderd tot de graad van hoofdinspecteur van politie. De beslissingen tot bevordering van Ronny Verhaeghe tot inspecteur van politie en tot bevordering van Luc Van Driessche tot hoofdinspecteur van politie maken de voorwerpen uit van het onderhavige beroep. XII-1235-12/21 5.
  25. Met een brief van 9 mei 1995 deelt het college van burgemeester en schepenen, in antwoord op de brief van 4 april 1995 van zijn raadsman, aan verzoeker mee wat volgt : “In antwoord op uw schrijven in verband met hogervermelde aangelegenheid, laten wij u weten dat de beslissing tot het openverklaren van diverse vacante betrekkingen (Hoofdinspecteur, Inspecteur, politieagent) door de gemeenteraad werd genomen om de continuïteit van de dienstverklaring bij de politie te verzekeren. Door het onverwachte overlijden van Georges Ardaen, de oppensioenstelling van Paul Merchiers per 01.05.95 kon verder uitstel niet toegestaan worden gezien slechts één inspecteur, van de drie voorziene functies, maar in dienst was. Bij de politieagenten zijn er ook pensioennemingen waardoor het effectief dient aangevuld te worden. Temeer dat de stad een conventie heeft met Binnenlandse Zaken om het aantal effectieven op peil van 01.01.94 te houden; zoniet wordt de stad financieel gesanctioneerd”. 5.
  26. Met een dienstorder nr. 728 van 10 mei 1995 worden de gemeenteraadsbesluiten van 8 mei 1995 aan het personeel meegedeeld. Volgens de verklaring van verzoeker kreeg hij dat dienstorder onder ogen op 24 mei
  27. Eveneens op 24 mei 1995, dient de raadsman van verzoeker tegen het gemeenteraadsbesluit van 8 mei 1995 houdende de bevordering van Michels en Verhaeghe tot inspecteur van politie bezwaar in bij de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. Met een brief van 25 juli 1995 deelt de gouverneur aan het college van burgemeester en schepenen mee dat hij tegen voornoemd gemeenteraadsbesluit geen toezichtsmaatregelen heeft getroffen. 5.
  28. Blijkens een voorlopig getuigschrift van 26 juni 1995, behaalt verzoeker op die datum het getuigschrift van inspecteur overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 1989;
  29. De ontvankelijkheid. De bevordering van Luc Van Driessche tot hoofdinspecteur van politie. XII-1235-13/21 Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring van het gemeenteraadsbesluit van 8 mei 1995, waarbij Luc Van Driessche wordt bevorderd tot hoofdinspecteur van politie, als onontvankelijk moet worden verworpen wegens gebrek aan belang; dat verzoeker in zijn laatste memorie aan die vaststellingen noch ter terechtzitting aandacht besteedt; dat die houding de Raad van State er toe brengt zich aan te sluiten bij de zienswijze van het auditoraatsverslag en verzoeker belang te ontzeggen bij zijn beroep in zoverre dit de bevordering van Luc Van Driessche betreft;
  30. Het onderzoek van de middelen. De bevordering van Rony Verhaeghe tot inspecteur van politie. 7.
  31. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit “schending van art. 84 Gemeentewet, schending van een substantiële vorm,” verzoeker aanvoert dat de bestreden besluiten geen melding maken van zijn verzoek om de bevorderingen uit te stellen, dat hij bij nazicht van het administratief dossier heeft vastgesteld dat zijn verzoek zich niet eens in het dossier bevond, dat artikel 84 van de nieuwe gemeentewet nochtans voorschrijft dat geen akte en geen stuk betreffende het bestuur aan het onderzoek van de raadsleden mag worden onttrokken, en dat de raadsleden derhalve over de bevorderingen hebben beslist zonder kennis te hebben van zijn uitdrukkelijk verzoek om die bevorderingen uit stellen tot na de afloop van de cursus inspecteur die hij op dat ogenblik volgde; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat, ingevolge het door verzoeker ingeroepen artikel, ieder raadslid moet beschikken over de nodige elementen om met kennis van zaken de titels en verdiensten van de kandidaten voor een benoeming te kunnen vergelijken, dat verzoeker evenwel geen kandidaat was omdat hij niet aan de voorwaarden voldeed, dat de vraag tot uitstel daarenboven totaal irrelevant is, dat een personeelslid zich niet zomaar kan inlaten met het beleid, dat het dossier tot openverklaring van de vacatures reeds werd ingediend vóór 16 februari 1995, dat het gemeenteraadsbesluit van 6 maart 1995 in de nodige motivering voorziet en dat geen verder uitstel geduld kon worden; Overwegende dat verzoeker antwoordt dat de verwerende partij moet toegeven dat zijn vraag tot uitstel aan de raadsleden werd onttrokken, dat haar verweer naast de kwestie is, dat, zelfs al was er geen uitstel meer mogelijk, dan nog XII-1235-14/21 de verwerende partij niet het recht heeft om de vraag tot uitstel achter te houden en de raadsleden niet toe te laten om de vraag te onderzoeken, en dat het feit dat verzoeker geen kandidaat was al evenzeer een drogreden is om te besluiten dat de raadsleden zijn verzoek tot uitstel niet hoefden te kennen, vermits de essentie van de vraag tot uitstel juist ligt in het feit dat verzoeker zich nog kandidaat wilde stellen; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie na het aanvullend verslag nog betwist dat de vacantverklaring op 6 maart 1995 de continuïteit diende en de personeelsbehoefte tegemoet diende te komen; Overwegende dat overeenkomstig artikel 84 van de nieuwe gemeentewet, geen akte of stuk betreffende het bestuur aan het onderzoek van de raadsleden mag worden onttrokken; dat die bepaling, die ook betrekking heeft op stukken aangaande punten die op de dagorde van de raadsvergadering zijn ingeschreven, niet alleen inhoudt dat er een dossier over een bepaald agendapunt moet voorhanden zijn, maar ook dat het dossier de raadsleden moet toelaten kennis te nemen van de belangrijke gegevens die van invloed kunnen zijn op de te nemen beslissing; dat de verwerende partij niet ontkent dat, toen de gemeenteraad op 8 mei 1995 diende te beraadslagen en te beslissen over het agendapunt “benoeming bij wijze van bevordering van twee inspecteurs van politie”, de brief van verzoekers raadsman van 4 april 1995, waarin wordt gevraagd “dat de benoemingen zouden worden uitgesteld zodat cliënt samen met de andere kandidaat Audooren Philippe de examens voor de bevordering tot inspecteur zal kunnen afgelegd hebben”, zich niet in het dossier over dat agendapunt bevond; dat echter, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker lijkt aan te nemen, die vaststelling op zich niet volstaat om het gemeenteraadsbesluit van 8 mei 1995 waarbij Ronny Verhaeghe wordt bevorderd tot inspecteur van politie nietig te verklaren wegens de schending van artikel 84 van de nieuwe gemeentewet; dat daartoe, zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, vereist is dat verzoekers vraag om uitstel van de bevorderingen beschouwd kan worden als een belangrijk gegeven dat van invloed kon zijn op de te nemen beslissing; Overwegende dat te dezen op 6 maart 1995 de gemeenteraad niet alleen besliste dat twee betrekkingen van inspecteur werden open verklaard, maar ook dat de kandidaatstellingen ten laatste op 20 maart 1995 dienden te zijn gericht aan het schepencollege; dat in dit gemeenteraadsbesluit wordt overwogen dat het middenkader omwille van de 24-uren permanentie degelijk moet kunnen werken, XII-1235-15/21 en dat er, om de politiediensten goed te kunnen laten functioneren, dringende behoefte is aan personeel in het middenkader; Overwegende, in de eerste plaats, dat de betwisting die verzoeker in zijn voornoemde laatste memorie opwerpt betreffende die motivering, aan zijn middel een nieuwe invulling geeft terwijl niet blijkt dat hij die grief niet reeds in zijn inleidend verzoekschrift had kunnen aanbrengen, noch dat hij de openbare orde raakt; dat die nieuwe grief niet ontvankelijk is; Overwegende voorts, dat op het ogenblik dat de gemeenteraad diende te beraadslagen en te beslissen over het agendapunt “benoeming bij wijze van bevordering van twee inspecteurs van politie”, - het college van burgemeester en schepenen, in uitvoering van het gemeenteraadsbesluit van 6 maart 1995, het examenprogramma had vastgesteld en de examencommissie had samengesteld; - het bevorderingsexamen voor de betrekking van inspecteur was afgenomen; - voor dat examen twee kandidaten niet waren geslaagd, en drie kandidaten geslaagd; dat aldus, opdat verzoeker zich alsnog kandidaat zou kunnen stellen, het niet volstond dat de gemeenteraad op 8 mei 1995 zou beslissen de bevorderingen tot inspecteur van politie uit te stellen tot verzoeker zijn examens voor het behalen van het getuigschrift “inspecteur” zou hebben afgelegd; dat immers, teneinde een ontvankelijke kandidaatstelling van verzoeker mogelijk te maken, de gemeenteraad ook had moeten beslissen dat hij terugkwam op zijn beslissing van 6 maart 1995, althans in zoverre op die datum werd beslist dat de kandidaatstellingen ten laatste op 20 maart 1995 moesten gebeuren, terwijl die datum nochtans door de gemeenteraad was vooropgesteld omwille van een dringende behoefte aan personeel in het middenkader; dat de beslissing om de uiterste datum van de kandidatuurstellingen alsnog naar een later tijdstip te verschuiven, dan weer tot gevolg zou hebben gehad dat het schepencollege, ter uitvoering van die beslissing, een nieuw examen had moeten organiseren, waarbij niet meteen duidelijk is op welke wijze in die hypothese de gelijke behandeling van kandidaten had moeten worden gewaarborgd : ofwel hetzelfde examen voor verzoeker, ofwel een nieuw examen voor verzoeker, ofwel een nieuw examen voor alle kandidaten; XII-1235-16/21 Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat, gelet op de motivering van het gemeenteraadsbesluit van 6 maart 1995 enerzijds, en gelet op de reeds ondernomen stappen in het bevorderingsdossier anderzijds, niet mag worden aangenomen dat verzoekers vraag “om de benoemingen uit te stellen” een gegeven was dat dermate van invloed had kunnen zijn op de beraadslaging en beslissing over het agendapunt “benoeming bij wijze van bevordering van twee inspecteurs”, dat het aan het dossier dat de raadsleden ter beschikking stond, had moeten zijn toegevoegd op gevaar af artikel 84 van de nieuwe gemeentewet te schenden; dat het eerste middel niet gegrond is; 7.2.
  32. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel, afgeleid uit machtsafwending, aanvoert dat door middel van de bestreden besluiten het benoemingsrecht niet werd gebruikt met het oog op de goede werking van de dienst, maar wel om de belangen van bepaalde andere kandidaten te bevorderen en elke mogelijke bevordering van verzoeker uit te sluiten; dat hij ter ondersteuning van dat middel, samengevat, laat gelden wat volgt : - er is geen enkel verklaarbaar argument om het feit te rechtvaardigen dat verzoeker, hoewel hij sedert november 1990 geslaagd was en als vierde gerangschikt in de proef ter voorbereiding van de cursus OGP, niettegenstaande zijn herhaalde verzoeken, nooit de mogelijkheid heeft gekregen om ofwel de cursus inspecteur ofwel de cursus OGP te volgen en dit in tegenstelling tot zijn jongere collega’s; toen verzoeker aan de beurt was voor het volgen van de cursus OGP, werd hem simpelweg meegedeeld dat deze cursus tot nader order niet meer gevolgd werd; eind 1994 werd aan Philippe Audooren, die 10 jaar minder anciënniteit heeft dan verzoeker, toelating verleend om de cursus inspecteur te volgen, niettegenstaande verzoeker voor de zoveelste maal zijn kandidatuur had gesteld; de regel van de anciënniteit die werd gehanteerd om onder meer Ronny Verhaeghe naar de inspecteursopleiding te sturen werd dus volkomen miskend; - wanneer verzoeker zich genoodzaakt ziet om via een procedure in kort geding de toelating te bekomen om de cursus inspecteur te kunnen volgen, beslist de stad Oudenaarde op 6 maart 1995 gauw om drie plaatsen vacant te verklaren; - niettegenstaande de formele vraag van verzoeker om de benoemingen uit te stellen tot na afloop van zijn cursus inspecteur, wordt zijn vraag op 9 mei 1995, dus daags nadat de benoemingen reeds door de gemeenteraad waren goedgekeurd, op nietszeggende wijze afgewezen; dat volgens verzoeker dit alles van een verregaande vorm van bevoordeling en favoritisme getuigt, met als duidelijk opzet zijn kandidatuur te verhinderen; XII-1235-17/21 Overwegende dat verzoeker in een derde middel, ontleend aan de “schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, namelijk de fairplay, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel”, aanvoert, verwijzend naar dezelfde feitelijke omstandigheden die hij ter ondersteuning van zijn tweede middel aanvoert, “dat op evidente wijze een onjuist gebruik werd gemaakt van het beleid om bij wijze van bevordering 3 betrekkingen open te verklaren en 3 personen te benoemen bij wijze van bevordering, op een ogenblik dat verzoeker zich wegens een aanhoudend discriminerend optreden geen kandidaat kon stellen” en “dat onfatsoenlijke middelen werden gebruikt om verzoeker te hinderen in het uitoefenen en verkrijgen van zijn rechten”; 7.2.
  33. Overwegende, het tweede en het derde middel samengenomen, dat uit de neergelegde stukken blijkt dat verzoeker zich driemaal kandidaat stelde voor het volgen van de cursus “inspecteur van politie”, namelijk : - op 30 juni 1990; verzoeker trok die kandidatuur echter in; - op 31 mei 1993; die kandidatuur werd in beraad gehouden ingevolge een hangende tuchtprocedure die uiteindelijk resulteerde in een aan verzoeker opgelegde -en door hem niet aangevochten- tuchtstraf; - in de loop van de maand september 1994; aan die kandidatuur werd geen gevolg gegeven, enerzijds omdat het personeelslid dat het jaar voordien was aangewezen de cursus toen niet had kunnen volgen, anderzijds omdat het beperkte personeelsbestand niet toeliet een tweede persoon naar de cursus te sturen; Overwegende dat het, enerzijds, inderdaad zo is dat verzoeker zich in 1990 als vierde rangschikte om de cursus OGP te kunnen volgen en dat twee van de vóór hem gerangschikte kandidaten die cursus ook effectief volgden in 1991, maar dat, anderzijds, hem nadien, in tegenstelling tot hetgeen hij in zijn verzoekschrift betoogt, niet simpelweg werd meegedeeld dat de cursus tot nader order niet meer gevolgd zou worden; dat immers, vooraleer de commissaris van politie zulks met een brief van 25 november 1993 aan verzoeker meedeelde naar aanleiding van zijn kandidaatstelling op 22 november 1993, - verzoeker zich reeds kandidaat had gesteld op 7 december 1991, - het CCOD met een brief van 26 juni 1992 bij de commissaris was tussen- gekomen opdat verzoeker alsnog de toelating zou krijgen tot het volgen van de cursus OGP en de commissaris met een brief van 29 juni 1992 wel degelijk de redenen had opgegeven waarom hij hierop, niet alleen wat betreft verzoeker maar in het algemeen, niet wenste in te gaan, meer bepaald omdat de graad van XII-1235-18/21 hoofdinspecteur eerste klasse in het korps niet bestaat, omdat men, om tot de graad van hoofdinspecteur bevorderd te worden, enkel inspecteur moet zijn en men, om tot inspecteur bevorderd te worden, in het bezit moet zijn van het getuigschrift van inspecteur van politie, en omdat het slagen voor de cursus OGP tot gevolg heeft dat de betrokkenen elders gaan kandideren; dat uit die motivering alleszins niet blijkt dat de commissaris zijn adviesbevoegdheid heeft aangewend met -zoals vereist om machtsafwending aan te nemen als- enig onwettig doel de bevorderingskansen van verzoeker te fnuiken; dat verzoeker -zowel in zijn verzoekschrift als in zijn memorie van wederantwoord- over die motivering het zwijgen bewaart; dat verzoeker nochtans die motieven kende op het ogenblik dat hij zich tot de Raad van State wendde, zoals blijkt uit de besluiten die hij neerlegde in het kader van de op 23 december 1993 door hem ingeleide procedure in kort geding; dat hij aldus niet aannemelijk maakt dat, door hem niet toe te laten om de cursus OGP te volgen, de door hem vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden; Overwegende voorts, dat uit de motieven die aan het niet in aanmerking nemen van zijn twee kandidaturen ten grondslag liggen, ook niet blijkt dat hetzij de commissaris van politie, hetzij het college van burgemeester en schepenen hun bevoegdheid hebben aangewend met als -enig- onwettig doel de bevorderingskansen van verzoeker te fnuiken; dat al evenmin valt in te zien om welke reden het motief dat aan het niet aanvaarden van zijn op 31 mei 1993 gestelde kandidatuur ten grondslag ligt, tot de conclusie zou moeten leiden dat de door hem vermelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur werden geschonden; dat ten slotte verzoeker, hoe dan ook, niet kan beweren dat hij nooit de mogelijkheid heeft gekregen de cursus “inspecteur van politie te volgen”, nu uit de neergelegde stukken blijkt dat de commissaris in 1992 het voornemen had om hem naar die cursus te sturen, dat hij hem zelfs expliciet wees op het feit dat hij zich nog geen kandidaat had gesteld, maar dat verzoeker toen blijkbaar niet geïnteresseerd was in het volgen van de cursus inspecteur, maar enkel in het volgen van de cursus OGP; Overwegende, ten slotte, dat de agenda van de gemeenteraads- zitting van 6 maart 1995, met daarop het agendapunt “openverklaring van een betrekking van hoofdinspecteur en twee betrekkingen van inspecteur”, met een brief van 20 februari 1995, dus op een ogenblik dat verzoeker nog niet via een procedure in kort geding de toelating had gekregen om de cursus “inspecteur” te volgen, aan de gemeenteraadsleden werd bezorgd; dat die vaststelling alleen al ontkracht : XII-1235-19/21 - hetgeen verzoeker in zijn overzicht van de feiten beweert, met name dat de plaatsen werden vacant verklaard onder druk van de politiecommissaris en als tegenzet voor de bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg geleden nederlaag; - hetgeen hij bij de uiteenzetting van zijn tweede middel beweert, met name dat “de stad Oudenaarde”, nadat hij de toelating had gekregen om de cursus te volgen, “gauw” besliste om drie plaatsen vacant te verklaren; dat voor het overige verzoeker niet verduidelijkt -en al evenmin spontaan valt in te zien- op welke wijze uit de motivering van het gemeenteraadsbesluit van 6 maart 1995 zou moeten worden afgeleid “dat op evidente wijze een onjuist gebruik werd gemaakt van het beleid”; dat in zoverre verzoeker uiteindelijk machtsafwending of een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ontwaart in het feit dat de bestreden beslissingen werden genomen ondanks zijn formeel verzoek om die beslissingen uit te stellen tot na de afloop van de door hem gevolgde cursus, die grieven bij de bespreking van het eerste middel niet werden aanvaard; Overwegende dat het tweede en het derde middel dienvolgens niet gegrond zijn; 7.2.
  34. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog uitgebreid kritiek levert op de voormelde brief van 29 juni 1992 van de commissaris; dat echter verzoeker die kritiek niet verwoordde in zijn inleidend verzoekschrift, terwijl uit zijn besluiten in kort geding blijkt dat hij de motieven ervan wel degelijk kende op het ogenblik dat hij zijn annulatieberoep indiende; dat die nieuwe grief dienvolgens niet ontvankelijk is nu niet blijkt dat deze leidt tot een schending van een rechtsregel die beoogt de openbare orde te beschermen; 7.
  35. Overwegende dat geen van verzoekers middelen tot de conclusie noopt dat verzoeker op onrechtmatige wijze verhinderd werd zijn kandidatuur te stellen voor de in het geding zijnde bevordering; dat dienvolgens moet worden aangenomen dat hij niet deugdelijk heeft verantwoord waarom hij zich geen kandidaat heeft gesteld voor die bevordering; dat zijn belang bij het beroep dienvolgens niet wordt aanvaard; dat de exceptie moet worden bijgevallen; dat het beroep niet ontvankelijk is, XII-1235-20/21 BESLUIT: Artikel
  36. In arrest nr. 151.388 van 17 november 2005, punt 3.2., tweede alinea, dient de vierde zin te worden gelezen als volgt : “dat zulks het geval zou zijn indien hij op onwettige wijze werd verhinderd zich kandidaat te stellen;”. Artikel
  37. De afstand van het geding wordt vastgesteld in zoverre het beroep de bevordering van Luc Michels betreft. Artikel
  38. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  39. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1235-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.529 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.388 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.