← België

Arrest 169533 - O.C.M.W. - 29/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.533 Rolnummer: A. 104817/XII-4688 Zaak: Arrest 169533 - O.C.M.W. - 29/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-12 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 19:00 Fiche Arrest nr 169.533 van 29 maart 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.533 van 29 maart 2007 in de zaak A. 104.817/XII-

  1. In zake : Ludo WEEKERS, wonende te Melsele, Pauwstraat 97 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BEVEREN, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Sterck, kantoor houdende te Stekene, Stadionstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ludo Weekers op 19 mei 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 februari 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Beveren, waarbij hij bij tuchtmaatregel gedurende elf weken wordt geschorst, met inhouding van wedde, vanaf het verstrijken van zijn ziekteverlof; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2007; XII-4688-1\15 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Sterck, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker is sedert 2 oktober 1979 als vast benoemd maatschappelijk werker verbonden aan het OCMW van Beveren. Hij is werkzaam op de sociale dienst. Vanaf 16 maart 2000 is hij ononderbroken op het werk afwezig wegens ziekte. Op 1 september 2000 legt de secretaris van het OCMW aan verzoeker “een voorlopige samenvatting” voor van feiten, die wijzen op bepaalde tekortkomingen van verzoeker in de uitvoering van zijn taken als maatschappelijk werker. De secretaris vermeldt dat dit document nog verder uitgewerkt en vervolledigd zal worden met het oog op het instellen van een tuchtprocedure. Op 16 november 2000 stelt de hoofdmaatschappelijk werker een verslag op waarin hij zijn vaststellingen uiteenzet met betrekking tot de werkhouding van verzoeker tijdens de periode voorafgaand aan zijn afwezigheid. Op 21 november 2000 stelt de secretaris een tuchtverslag op ten laste van verzoeker. In een eerste rubriek schetst de secretaris de manier waarop verzoeker zich gedroeg tijdens de periode voorafgaand aan zijn afwezigheid en legt hij uit hoe hij ertoe gekomen is ten laste van verzoeker een tuchtdossier samen te stellen. In een tweede rubriek vermeldt de secretaris in het algemeen de XII-4688-2\15 tekortkomingen van verzoeker waarop het tuchtdossier betrekking heeft. De secretaris maakt ook meer specifiek melding van het niet indienen of niet teruggeven van belastingbrieven van cliënten, het niet doorgeven van adreswijzigingen, het niet betalen van rekeningen, het onvoldoende gehoor geven aan cliënten en het onvoldoende opvolgen van dossiers. Hij vermeldt daarbij de concrete dossiers waarin die tekortkomingen zijn vastgesteld. In een derde rubriek formuleert de secretaris een schorsing van elf weken met verlies van wedde als voorstel van tuchtstraf, rekening houdende “met sociale motieven zoals zijn familiale situatie, het feit dat betrokkene reeds lang voor het OCMW werkt en de toekomstperspectieven voor betrokkene”. Met een op 29 november 2000 ter post aangetekend verzonden brief delen de voorzitter en de secretaris van het OCMW aan verzoeker mede dat ten laste van hem een tuchtdossier is samengesteld en een tuchtstraf wordt overwogen wegens “het nalaten en/of onvoldoende vervullen van taken die uitdrukkelijk door de wet aan elk maatschappelijk werker werden toegewezen in art. 47 OCMW-Wet waardoor de goede werking van de dienst, de waardigheid van het ambt én van het OCMW in het gedrang werden gebracht”. Voor wat de ten laste gelegde feiten betreft, verwijzen zij naar het bijgevoegde tuchtverslag van 21 november 2000 van de secretaris. Zij roepen verzoeker op om op 18 december 2000 over deze feiten door de raad voor maatschappelijk welzijn te worden gehoord. Na tot twee keer toe te zijn uitgesteld, heeft het verhoor van verzoeker door de raad voor maatschappelijk welzijn uiteindelijk plaats op 23 januari
  4. Verzoeker wordt tijdens dat verhoor bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde die een verdedigingsnota neerlegt. Er wordt een proces- verbaal van het verhoor opgesteld, dat door verzoeker wordt ondertekend. Op 19 februari 2001 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn het thans bestreden besluit om verzoeker bij tuchtmaatregel gedurende elf weken te schorsen, met inhouding van wedde, vanaf het verstrijken van zijn ziekteverlof. Met een aangetekende brief van 26 februari 2001 betekenen de voorzitter en de secretaris een afschrift van dit besluit aan verzoeker. Zij maken melding van een beroepsmogelijkheid bij de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, stedelijk beleid en huisvesting binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van het tuchtbesluit, alsook van de mogelijkheid om XII-4688-3\15 binnen een termijn van zestig dagen een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen. Met een brief van 22 maart 2001 dient verzoeker beroep in bij de voornoemde minister. De minister antwoordt met een brief van 29 maart 2001 dat hij verzoekers beroepschrift voor onderzoek heeft bezorgd aan de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen, die op het tuchtbesluit het algemeen administratief toezicht uitoefent. Met een brief van 9 mei 2001 laat de minister aan verzoeker weten dat hij van de gouverneur heeft vernomen dat de termijn voor deze laatste om in de uitoefening van het algemeen administratief toezicht het desbetreffende dossier bij het OCMW op te vragen, op 26 maart 2001 is verstreken, dat pas op die datum verzoekers beroepschrift bij de minister is ingediend, dat ingevolge het indienen van een bezwaarschrift bij de toezichthoudende overheid juist binnen de toezichtstermijn “de termijn van zestig dagen om beroep in te stellen bij de Raad van State [is] opgeschort met de termijn van administratief toezicht” en dat tegen het tuchtbesluit nog beroep kan worden ingediend bij de Raad van State tot 25 mei
  5. Op 19 mei 2001 dient verzoeker het thans voorliggende beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in; De gegrondheid van het beroep 2.
  6. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert, “Het ontnemen aan verzoeker van de mogelijkheid om een beroep in te stellen in kader van algemeen toezicht (schending van de rechten van verdediging)”; dat hij laat gelden dat het bestreden besluit en het aangetekend schrijven waarmee hem dat besluit werd betekend, melding maakten van een beroepsmogelijkheid bij de minister en van de termijn waarbinnen hij dat beroep diende in te dienen, dat die beroepsmogelijkheid echter niet bestond, dat het bestreden besluit ook niet aan een bijzonder administratief toezicht was onderworpen, maar aan het algemeen administratief toezicht, dat indien hij op de laatste dag van de vermelde termijn beroep had ingediend, de termijn voor de uitoefening van het algemeen toezicht al verstreken zou geweest zijn, dat het bestuur hem derhalve verkeerd heeft ingelicht, dat hij verstoken is gebleven van de mogelijkheid om binnen de termijn van het XII-4688-4\15 algemeen administratief toezicht zijn zaak gemotiveerd ter kennis te brengen van de toezichthoudende overheid, dat zijn rechten van verdediging aldus zijn geschonden; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nog erkent dat het ten onrechte vermelden van een onbestaande beroepsmogelijkheid geen negatieve gevolgen heeft gehad met betrekking tot de ontvankelijkheid van deze zaak voor de Raad van State, maar betoogt dat hij door de handelwijze van het bestuur wel degelijk nadeel heeft geleden, dat hem ingevolge de verkeerde informatie die door de verwerende partij werd verstrekt over de beroepsmogelijkheden tegen het bestreden besluit, de mogelijkheid is ontnomen om zich te wenden tot de toezichthoudende overheid, die in het kader van het algemeen toezicht maatregelen had kunnen nemen welke een beroep op de Raad van State overbodig zouden hebben gemaakt: ofwel waren er toezichtsmaatregelen genomen zodat de zaak eventueel een andere wending kon nemen ofwel werd de zaak door de toezichthoudende overheid afgewezen en zouden deze motieven hem eventueel overtuigd hebben om zijn zaak niet meer aan de Raad van State voor te leggen; 2.
  7. Overwegende dat artikel 307, derde lid, van de nieuwe gemeentewet, dat krachtens artikel 52 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna ook de OCMW-wet genoemd) ook van toepassing is op de vastbenoemde personeelsleden van het OCMW, bepaalt dat in de kennisgeving van de tuchtbeslissing melding wordt gemaakt van “de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen en van de termijn waarbinnen ze uitgeoefend kunnen worden”; Overwegende, nog daargelaten of onder “de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen”, naast de georganiseerde administratieve beroepen en -bij afwezigheid daarvan- het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, ook het facultatief algemeen administratief toezicht moet worden begrepen, dat alleszins nergens uit blijkt dat de wetgever de verplichting om “de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen” uitdrukkelijk te vermelden als een substantieel vormvoorschrift heeft opgevat, waarvan de niet-naleving de wettigheid van het tuchtbesluit zelf aantast; XII-4688-5\15 Overwegende dat derhalve de omstandigheid dat een OCMW bij de betekening van een tuchtbesluit verkeerde en eventueel onvolledige informatie geeft over “de bij de wet bepaalde rechtsmiddelen”, niet kan leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit; dat die tekortkoming ten hoogste gevolgen kan hebben, gelet op het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep tot nietigverklaring; dat te dezen die ontvankelijkheid echter niet wordt betwist; 2.
  8. Overwegende dat het middel niet tot nietigverklaring kan leiden; 3.
  9. Overwegende dat het tweede middel in het inleidend verzoekschrift luidt : “ten onrechte ten laste gelegde feiten”; dat verzoeker daartoe vooreerst aanvoert dat hem feiten ten laste worden gelegd die dateren van na de aanvang van zijn ononderbroken ziekteverlof op 16 maart 2000; dat hij stelt het niet eens te zijn met de motivering van het bestreden besluit dat deze feiten betrekking hebben op dossiers die hij vóór het ingaan van zijn ziekteverlof slecht en ondeskundig heeft beheerd; dat hij dienaangaande laat gelden : - dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat systematisch is ingespeeld op de door hem geuite alarmsignalen, dat het bestuur dus reeds vóór de aanvang van zijn ziekteverlof wist dat er verschillende zaken fout liepen, dat het toch nog maanden heeft gewacht om in te grijpen of zijn dossiers te controleren, - dat sommige dossiers pas na de aanvang van zijn ziekteverlof zijn verergerd of ontspoord, dat dit had kunnen worden voorkomen indien de dienstverantwoordelijken onmiddellijk hadden ingegrepen, dat dit buiten zijn verantwoordelijkheid valt, - dat het bestuur vrij vroeg heeft vastgesteld dat hij onvoldoende gebruik maakte van het schriftelijke rapporteringssysteem, maar niettemin zijn dossiers en inkomende stukken vanaf de aanvang van zijn afwezigheid niet zo spoedig mogelijk heeft onderzocht of betaald, - dat een geautomatiseerd dossieropvolgingssysteem ontbrak, hetwelk zou hebben toegelaten de situatie van elk dossier direct op te volgen en “langdurig uitlopende moeilijkheden” te voorkomen; dat verzoeker acht concrete dossiers opsomt die naar zijn mening zijn “verzwaard” met feiten van na de aanvang van zijn ziekteverlof; XII-4688-6\15 Overwegende dat verzoeker voorts laat gelden dat in de motivering van het bestreden besluit wordt vermeld dat hij op het werk naar drank geroken zou hebben, dat aldus wordt gesuggereerd dat hij onder invloed geweest zou zijn, dat het niet aan de beschuldigde toekomt, maar aan de partij die de tenlastelegging formuleert, om de ten laste gelegde feiten te bewijzen en te staven en dat de verwerende partij op geen enkele wijze bewijst dat hij onder invloed van drank op het werk zou geweest zijn; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat de begeleiding waarvan het bestreden besluit stelt dat hij ze vanwege het bestuur heeft gekregen, al die jaren beperkt was tot “enkele sporadische en toevallige verwijzingen”, dat het bestuur de feiten, waarvan het kennis had, hun beloop heeft gelaten, dat hij heeft kunnen vaststellen dat twee rappels die twee maanden na de aanvang van zijn ziekteverlof zijn ingekomen, nog twee maanden zijn blijven liggen, dat er een gedeelde verantwoordelijkheid is, nu het bestuur alle feiten en tekorten ten laste legt van de zwakste schakel, terwijl het al eerder wist dat verzoeker, gezien zijn eerdere depressies, niet zo sterk stond bij hoge werkdruk en stress; Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat verzoeker ten aanzien van de tuchtoverheid de ten laste gelegde feiten nooit heeft betwist en dat hij dat niet voor het eerst voor de Raad van State kan doen; dat zij voorts laat gelden dat de feiten door het dossier voldoende worden aangetoond, “zowel wat hun materialiteit betreft, als hun herhaling en zwaarwichtigheid”; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat het standpunt van de verwerende partij dat hij de hem ten laste gelegde feiten ten aanzien van de tuchtoverheid niet heeft betwist, “slechts ten dele waar” is, dat hij in zijn verdedigingsnota voor de tuchtoverheid wel degelijk heeft laten gelden dat hem ten onrechte feiten ten laste worden gelegd die zich hebben voorgedaan na het ingaan van zijn ziekteverlof en dat de concrete voorbeelden die hij voor het eerst in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring vermeldt, daarvan slechts een illustratie zijn; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie volhardt dat hem feiten worden ten laste gelegd die zich situeren in een periode van werkonbekwaamheid; XII-4688-7\15 3.
  10. Overwegende dat verzoeker in zijn verdedigingsnota voor de raad voor maatschappelijk welzijn reeds heeft aangevoerd dat hem in verschillende dossiers feiten ten laste worden gelegd die zich hebben voorgedaan ná het ingaan van zijn ziekteverlof; dat verzoeker bijgevolg hoe dan ook geen verwijt treft als hij de desbetreffende problematiek bij de Raad van State insgelijks aan de orde brengt; 3.
  11. Overwegende dat verwerende partij aan verzoeker een lakse, ongemotiveerde houding en wanbeheer ten laste legt; dat zij in het bestreden besluit die houding van verzoeker en zijn ziekteverlof op de volgende wijze met elkaar in verband brengt : “Na lezing van het tuchtdossier blijkt duidelijk dat de feiten, die zich voordeden na het ingaan van de ziekteperiode van de heer Weekers, betrekking hebben op dossiers die door hem voor zijn ziekteperiode slecht en ondeskundig werden beheerd. Door het toekomen van rappels of telefoons of door bezoeken van onbeholpen cliënten, moesten inderdaad tal van dossiers nog afgewerkt worden. Deze zaken tonen juist aan dat Ludo Weekers zijn functie onbehoorlijk heeft uitgeoefend. Dit argument telt des te meer wanneer men vaststelt dat in de laatste maanden voor zijn afwezigheid door Ludo Weekers bijna geen dossiers meer werden afgewerkt”; Overwegende dat het bestreden besluit aan verzoeker een tuchtsanctie oplegt voor een algemeen laakbare houding en gedrag, veeleer dan voor welbepaalde concrete feiten; dat de tuchtoverheid die algemeen laakbare houding en dat gedrag vermocht bewezen te bevinden wanneer ze afdoende bleken uit een voldoende aantal concrete feiten die dateren van vóór de aanvang van verzoekers ziekteverlof; dat in het verslag van de secretaris van 21 november 2000 het gebrek aan werkijver van verzoeker, zijn ongewettigd verlaten van de dienst en de verwaarlozing -zowel kwantitatief als kwalitatief- van zijn dossiers, effectief uitvoerig wordt geïllustreerd aan de hand van vele concrete dossiers en gebeurtenissen, die niet door verzoeker worden ontkend; dat noch uit het tuchtverslag noch uit het bestreden besluit blijkt dat de tuchtstraf specifiek gesteund wordt op of verzwaard wordt door latere feiten; dat de “feiten, die zich voordeden na het ingaan van de ziekteperiode” door verwerende partij slechts te berde worden gebracht omdat zij precies een gevolg zijn van de tekortkomingen waaraan verzoeker zich vóór de aanvang van zijn ziekteverlof schuldig heeft gemaakt en als illustratie van die ten laste gelegde tekortkomingen; dat verzoeker hoe dan ook niet ontkracht dat die feiten, mocht hij zijn dossiers naar behoren hebben opgevolgd, zich niet of minstens niet in dezelfde mate zouden hebben voorgedaan; dat de kritiek van verzoeker dan ook niet kan overtuigen, aangezien ze geen afbreuk er aan doet XII-4688-8\15 dat hij in de door hem concreet aangewezen dossiers ook vóór de aanvang van zijn ziekteverlof blijk heeft gegeven van het hem ten laste gelegde wanbeheer; 3.
  12. Overwegende dat aan de tekortkomingen die aan verzoeker zelf ten laste zijn gelegd ook geen afbreuk wordt gedaan door de bewering dat de gevolgen van zijn houding en wanbeheer zouden zijn versterkt door inertie van het bestuur, daargelaten nog of het beweerd in gebreke blijven van het bestuur wel afdoende is aangetoond, dat verzoeker in het bijzonder niet aannemelijk maakt dat het ontbreken van een geautomatiseerd dossieropvolgingssysteem een degelijk beheer van de door hem te behandelen dossiers in de weg zou hebben gestaan; 3.
  13. Overwegende dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat de tuchtoverheid bewezen acht dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan “drankmisbruik” en dat dit als een bijkomende tenlastelegging mede tot de opgelegde tuchtsanctie heeft geleid; dat het tuchtbesluit louter ten overvloede vaststelt dat verzoeker het feit dat hij naar drank rook, dat in het tuchtdossier verschillende keren werd aangebracht, niet heeft ontkend; 3.
  14. Overwegende dat in zoverre verzoeker betoogt dat de begeleiding die hij vanwege verwerende partij heeft gekregen, beperkt is gebleven, niettegenstaande deze kennis had van zijn zwakte bij hoge werkdruk en stress, hij -wederom- tekortkomingen aan verwerende partij poogt toe te schrijven die zijn eigen falen niet vermogen te rechtvaardigen; 3.
  15. Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen kan worden aangenomen; 4.
  16. Overwegende dat verzoeker een derde middel put uit de verjaring van de ten laste gelegde feiten; dat hij aanvoert dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat “heel wat feiten” die hem ten laste worden gelegd reeds geruime tijd bij de verschillende instanties van het OCMW bekend waren en dus volgens de tuchtwetgeving verjaard zijn; dat hij betoogt dat, gezien de tuchtprocedure tegen hem formeel werd opgestart met de oproepingsbrief van 29 november 2000, de kennisname van de hem ten laste gelegde feiten door de bevoegde instanties zich “ten laatste op 29 mei 2000” moet situeren, dat echter volgens de motivering van het bestreden besluit reeds lang werd ingegaan op de alarmsignalen van verzoeker en de secretaris en de hoofdmaatschappelijk werker XII-4688-9\15 verzoeker meermaals op zijn tekortkomingen hebben gewezen, dat derhalve ervan moet worden uitgegaan dat de bevoegde instanties al vroeger kennis hadden van de feiten, maar hebben laten begaan “tot het een jaren oud dossier was”, dat het verslag van 16 november 2000 van de hoofdmaatschappelijk werker in die richting wijst, dat de klachten, vragen, rappels en tussenkomsten van advocaten, deurwaarders, cliënten en instellingen of privé-personen over dossiers die door verzoeker dienden te worden behandeld, wellicht ook aan de bevoegde instanties gericht zijn geweest, dat die dan over zes maanden beschikten om het onderzoek te verrichten en de tuchtprocedure op te starten, dat dit voor een aantal van de ten laste gelegde dossiers niet is gebeurd, zodat ze op 29 november 2000 verjaard waren, dat het voorleggen van het register van inkomende en uitgaande briefwisseling van het OCMW over de periode 1998 - mei 2000 een bewijs zou kunnen opleveren van het feit dat de raad voor maatschappelijk welzijn of minstens de voorzitter reeds langer kennis moeten hebben gehad van bepaalde aan hem ten laste gelegde feiten; Overwegende dat verzoeker er in zijn latere memories bij blijft dat inzage van het register van inkomende briefwisseling de juistheid van zijn stelling zou kunnen reveleren; 4.
  17. Overwegende dat de tuchtoverheid luidens artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, dat overeenkomstig artikel 52 van de OCMW-wet te dezen van toepassing is, geen tuchtrechtelijke vervolging meer mag instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisneming van de strafbare feiten; Overwegende dat, zoals de Raad van State reeds nader heeft toegelicht in onder meer het arrest nr. 63.857, Van Rompuy, van 8 januari 1997, die verjaringstermijn aanvangt van zodra enig orgaan waaraan de wet de bevoegdheid heeft opgedragen een tuchtstraf aan de betrokkene op te leggen, de tuchtrechtelijk strafbare misdraging vaststelt of ervan in kennis wordt gesteld; dat die tuchtoverheden in de huidige zaak uitsluitend de raad voor maatschappelijk welzijn en het vast bureau van het OCMW van Beveren zijn; dat daarenboven feiten die wijzen op een tekortkoming van een personeelslid aan zijn beroepsplichten, door de tuchtoverheid slechts nuttig in een tuchtprocedure tegen dat personeelslid aangewend mogen worden, zodra zij over voldoende bewijskrachtige gegevens met betrekking tot de feiten beschikt; dat pas dan die feiten geacht kunnen worden ter kennis te zijn van de tuchtoverheid of door die tuchtoverheid te zijn vastgesteld, XII-4688-10\15 zodat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet kan ingaan; dat aldus wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens, een tuchtprocedure wordt aangevat; Overwegende dat in het bestreden besluit is te lezen “dat er tekortkomingen zijn die dateren van vóór de periode van juni 1999, maar die aan het licht zijn gekomen na de afwezigheid van Ludo Weekers”, dat bepaalde tekortkomingen “niet eerder [konden] worden opgespoord”, dat “pas wanneer de aan Weekers gerichte briefwisseling wordt geopend -na ingang van zijn ziekteperiode- [...] de omvang van de chaos duidelijk werd” en verzoeker “al die tijd [...] erin geslaagd [is] om zijn gedrag [...] te verdoezelen”; Overwegende dat noch uit het bestreden besluit, noch uit het overgelegde dossier blijkt, dat de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau van het OCMW van Beveren meer dan zes maanden voordat de tuchtprocedure tegen verzoeker bij aangetekende oproepingsbrief van 29 november 2001 werd ingeleid, kennis hebben genomen van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten; dat de omstandigheid dat de secretaris en de hoofdmaatschappelijk werker in het verleden aan verzoeker reeds opmerkingen hebben moeten maken over de tekortkomingen in zijn werkzaamheden, niet impliceert dat ook de tuchtoverheid daarvan kennis heeft gehad; dat verzoeker, op wie te dezen de bewijslast rust, niet aantoont dat dit wel het geval geweest zou zijn; Overwegende dat het middel ongegrond is; 5.
  18. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel, dat luidt “Gebruik maken van verkeerde en niet ter zake doende motivatie door de Raad van het OCMW. Gebruik maken van informatief opgenomen stukken (verslag hoofdmaatschappelijk werker) als motiverend element in de beslissing”, uiteenzet de overwegingen van het bestreden besluit met betrekking tot de werkdruk te willen relativeren; dat hij stelt dat de personeelsformatie van de sociale dienst pas is uitgebreid naar aanleiding van “de feiten die in [zijn] dossier [...] zijn voorgevallen” en dat het bestuur geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij “er in het verleden reeds tussenuit is gegaan ingevolge overbelasting”; XII-4688-11\15 Overwegende dat verzoeker voorts argumenteert dat de hoofdmaatschappelijk werker in een informatief verslag van 16 november 2000, dat in het tuchtdossier is opgenomen en waaruit in de motivering van het bestreden besluit wordt geciteerd, gewag ervan maakt dat zijn inzet en prestaties in het verleden reeds te wensen overlieten, dat destijds nochtans iedereen heeft nagelaten daarover een nota op te maken en dat derhalve geen enkel bewijs daarvan voorligt en zijn thans voorliggend tuchtdossier er enkel door wordt belast; dat verzoeker nog betoogt dat het verslag van 16 november 2000 van de hoofdmaatschappelijk werker “informatief” in het dossier is opgenomen, maar dat de motivering van het bestreden besluit ernaar verwijst, dat het desbetreffende verslag ofwel effectief tot het tuchtdossier behoorde ofwel een informatief stuk was dat buiten de motivering van het bestreden besluit diende te worden gehouden; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat om reden van het feit dat het verslag van 16 november 2000 van de hoofdmaatschappelijk werker als “informatief” in het tuchtdossier werd opgenomen, hij er doelbewust niet heeft op gereageerd “om het op die wijze te beperken tot een louter informatief stuk” en dat de feiten die erin worden vermeld zo ver in de tijd teruggaan dat ze als verjaard moeten worden beschouwd en dan ook niet als motivering kunnen en mogen worden gebruikt; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie een analogie bespeurt met de zaak die de Raad heeft beslecht met arrest nr. 109.990 van 3 september 2002 : ook in die zaak is volgens verzoeker niet aanvaard dat feiten uit het verleden worden aangebracht om aan te tonen dat het gedrag en de houding continuïteit vertonen; 5.
  19. Overwegende dat verzoeker vooreerst niet aantoont dat de tekortkomingen die hem ten laste worden gelegd, worden gerechtvaardigd door de werkdruk die hem was opgelegd; dat zijn kritiek op de overwegingen van het bestreden besluit met betrekking tot die werkdruk niet dienstig is; dat overigens uit de overwegingen van het bestreden besluit blijkt dat de personeelsformatie van de sociale dienst niet alleen is uitgebreid kort voor en tijdens zijn ziekteverlof, zoals verzoeker beweert, maar tevens en gestaag tijdens de jaren daaraan voorafgaand; XII-4688-12\15 Overwegende dat er voorts geen betwisting over bestaat dat het verslag van 16 november 2000 van de hoofdmaatschappelijk werker over diens vaststellingen aangaande de werkhouding van verzoeker tijdens de periode voorafgaand aan zijn afwezigheid, in het tuchtdossier van verzoeker was opgenomen; dat verzoeker er derhalve kennis van heeft kunnen nemen; dat er dan ook geen bezwaar tegen is dat de tuchtoverheid in het bestreden besluit naar dit stuk verwijst en eruit citeert; Overwegende dat reeds bij de bespreking van het derde middel is vastgesteld dat geen verjaring van de feiten aan de tuchtoverheid kan worden tegengeworpen; dat overigens de enkele vaststelling in het verslag van de hoofdmaatschappelijk werker dat verzoekers gedrag ook volgens de vroegere secretaris te wensen overliet, nog niet gelijk staat met een tuchtrechtelijke tenlastelegging; Overwegende dat het vierde middel evenmin gegrond is; 6.
  20. Overwegende dat verzoeker ten slotte als vijfde middel de straf “niet in verhouding” noemt, “gezien er geen opmerkingen in het persoonlijk dossier zijn”; dat hij beklemtoont dat sedert zijn indiensttreding bij het OCMW in zijn persoonlijk dossier geen enkele nota is opgenomen die hem op enige tekortkoming wijst, dat er derhalve geen enkel bewijs voorligt van de bewering van het bestuur dat hij in het verleden verschillende keren op zijn tekortkomingen is gewezen, dat het bestreden besluit hem een eerste sanctie oplegt nadat jaren niets was ondernomen, dat de verantwoordelijken toegeven dat zij alles op hun beloop hebben gelaten, dat nochtans alleen verzoeker een sanctie krijgt, niettegenstaande duidelijk blijkt dat het om een gedeelde verantwoordelijkheid gaat; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herhaalt dat in het verleden geen enkele negatieve nota in zijn dossier is opgenomen, dat enkel in het informatief verslag van de hoofdmaatschappelijk werker gewag wordt gemaakt van vroegere gesprekken tussen verzoeker, de secretaris en de hoofdmaatschappelijk werker, dat “[dit] informatief stuk [...], gelet op de aard ervan, door de verdediging niet [is] behandeld zodat het niet het karakter krijgt van een te[n] laste gelegd stuk”; XII-4688-13\15 6.
  21. Overwegende dat de tuchtoverheid discretionair oordeelt over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf; dat aan de Raad van State slechts een wettigheidstoezicht is opgedragen en hij zich bij het beoordelen van de even- redigheid van een tuchtmaatregel niet in de plaats mag stellen van de tuchtoverheid; Overwegende dat de raad voor maatschappelijk welzijn in de bestreden beslissing overwoog dat verzoeker “normaal gezien” een zwaardere sanctie diende te worden opgelegd maar dat rekening kon worden gehouden met de door de secretaris in het tuchtverslag aangehaalde verzachtende omstandigheden, waaronder de lange staat van dienst van verzoeker; dat dan nog de opgelegde tuchtstraf een zware straf is, maar ook de door verzoeker gepleegde feiten niet licht zijn; dat verzoeker ernstig blijkt te kort zijn gekomen aan zijn beroepsverplichtingen; Overwegende voorts, voor zover het al van enig belang zou zijn of het bestuur verzoeker reeds eerder op zijn tekortkomingen heeft gewezen, dat verzoekers stelling dat de verantwoordelijken toegeven dat zij alles op hun beloop hebben gelaten, niet meer is dan een blote bewering, die in schril contrast staat tot de concrete en met specifieke verwijzingen gestaafde verklaringen van de secretaris in diens tuchtverslag van 21 november 2000 en van de hoofdmaatschappelijk werker in diens verslag van 16 november 2000; Overwegende dat de Raad van State alles bij elkaar genomen er niet toe kan komen aan te nemen dat de opgelegde sanctie zonder redelijk verband van evenredigheid is met het ernstig wanbeheer dat aan verzoeker wordt kwalijk genomen; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4688-14\15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4688-15\15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.533 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.