← België

Arrest 169537 - Kansspelen - 29/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.537 Rolnummer: A. 148170/XII-4069 Zaak: Arrest 169537 - Kansspelen - 29/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-16 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 19:02 Fiche Arrest nr 169.537 van 29 maart 2007 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.537 van 29 maart 2007 in de zaak A. 148.170/XII-

  1. In zake :
  2. de NV CASINO KURSAAL OOSTENDE,
  3. de NV CASINO DE SPA,
  4. de NV CHAUDFONTAINE LOISIRS,
  5. de NV EXPANSA,
  6. de NV MIDDELKERKE CASINO KURSAAL,
  7. de NV BLANKENBERGE CASINO KURSAAL,
  8. de NV E.C.K., die woonplaats kiezen bij advocaat Ph. Vlaemminck, kantoor houdende te Gent, Gebroeders Vandeveldestraat 68
  9. de NV SOCIETE D’ANIMATION TOURISTIQUE DE DINANT, die woonplaats kiest bij advocaten E. Gillet en F. Van Acker, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpsesteenweg 178 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door :
  10. de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat 106
  11. de minister van Begroting,
  12. de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te Oostende, E. Beernaertstraat 106
  13. de minister van Financiën,
  14. de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
  15. de minister van Economie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Casino Kursaal Oostende, de NV Casino de Spa, de NV Chaudfontaine Loisirs, de NV Expansa, de NV Middelkerke Casino Kursaal, de NV Blankenberge Casino Kursaal, de NV E.C.K. en de NV Société d’Animation Touristique de Dinant op 27 februari 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit XII-4069-1/7 van 22 december 2003 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 24 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de achtste verzoekster en de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Holmens, die loco advocaat Ph. Vlaemminck verschijnt voor de eerste tot en met de zevende verzoekster, van advocaat P. Slegers, die verschijnt voor de achtste verzoekster, en van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST :
  16. Luidens artikel 19 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers bepaalt de Koning de XII-4069-2/7 bijdrage van de houders van een vergunning klasse A, B, C en E in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie, en legt hij aan de wetgevende kamers een ontwerp van wet voor dat gericht is op de bekrachtiging van dit besluit. Bij besluit van 22 december 2003 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E stelt de Koning de bijdragen van de kansspelinrichtingen voor het kalenderjaar 2004 vast. Het koninklijk besluit wordt op 4 juli 2004 bekrachtigd bij de wet tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 22 december 2003 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen A, B, C en E.
  17. In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat ten gevolge van de bekrachtiging door de wet, de Raad van State niet meer bevoegd is. Geconcludeerd wordt dat het beroep moet worden verworpen.
  18. De eerste zeven verzoeksters hebben nagelaten binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de verwerping van het beroep wordt voorgesteld een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen. Zulks niettegenstaande de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, en van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State. Bijgevolg geldt te hunnen aanzien, overeenkomstig artikel 21, zesde lid, van de genoemde gecoördineerde wetten, een vermoeden van afstand van het geding.
  19. De achtste verzoekster, daarentegen, betoogt in de laatste memorie dat de bekrachtiging hoofdzakelijk tot doel heeft om het verloop van de procedure voor de Raad van State in een voor verwerende partij gunstige zin te beïnvloeden, derwijze dat de gelijkheid van de procespartijen doorbroken wordt doordat “de XII-4069-3/7 wettigheidskritiek van de achtste verzoekende partij, zoals geformuleerd in het derde en het vierde middel, aan het oordeel van de Raad van State wordt onttrokken”. Zij vraagt terzake aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag te stellen : “Schendt artikel 2 van de wet van 4 juli 2004 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 22 december 2003 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, gelezen in onderlinge samenhang met art. 13 en 146 van de Grondwet alsook met art. 6.1 EVRM, alsook met de algemene principes van het eerlijk proces, de rechtszekerheid, het redelijkheidsbeginsel en het gewettigde vertrouwen van de bestuurden in de overheid, doordat die bepaling ertoe zou strekken en/of tot gevolg zou hebben dat aan lopende jurisdictionele procedures een beslissende wending wordt gegeven ten gunste van de openbare macht en ten nadele van de bestuurden en doordat die bepaling een discriminatoir, en derhalve ongeoorloofd, verschil in behandeling uitmaakt van de casino’s ten opzichte van de speelautomatenhallen ?”. Verwerende partij verzet zich tegen de vraagstelling. Het standpunt van achtste verzoekster in de laatste memorie is verrassend. Niet alleen omdat achtste verzoekster in de memorie van wederantwoord nog expliciet verklaarde zich met betrekking tot de wettelijke bekrachtiging “naar de wijsheid van uw Raad” te gedragen, maar ook en vooral omdat zij in haar verzoekschrift tegen het koninklijk besluit als eerste onwettigheid net de “onbevoegdheid van de Koning ratione materiae tot het bepalen van de grondslag en het tarief van belastingen - schending van artikel 170 van de Grondwet” inbrengt. In essentie betoogt zij in het eerste middel dat de vastgestelde retributies in feite belastingen zijn, dat het invoeren ervan op exclusieve wijze aan de wetgevende macht is toegekend en dat de eerbiediging van de bevoegdheidsregels zelfs van openbare orde is. Waar achtste verzoekster aldus zelf een optreden van de wetgever -zoals overigens uitdrukkelijk in het vooruitzicht wordt gesteld door de wet van 7 mei 1999- noodzakelijk acht en bepleit, kan zij niet met goed recht en zonder met zichzelf in tegenspraak te komen, beweren dat, wanneer dan de wetgever effectief optreedt, het hem “in hoofdorde” erom te doen zou zijn een lopende procedure bij de Raad van State te manipuleren. XII-4069-4/7 Achtste verzoekster ontzegt zodoende zelf ernst aan het uitgangspunt van de prejudiciële vraag die zij gesteld wil zien. Weliswaar is het mogelijk, zoals de betrokken verzoekster opmerkt, dat de wet van 4 juli 2004 “evenzeer sommige bepalingen en beginselen schendt die, zoals opgeworpen in het derde en het vierde middel van de achtste verzoekende partij, werden geschonden door de bestreden beslissing”. Het kon er haar eventueel toe hebben aangezet om op die grond tegen de wet bij het Arbitragehof een vernietigingsberoep in te stellen. Maar het verantwoordt niet dat in de onderhavige procedure over die schending een prejudiciële vraag wordt gesteld onder het voorwendsel dat de wet “in hoofdorde tot doel had om het verloop van de (annulatie)procedure voor de Raad van State in een voor de verwerende partij gunstige zin te beïnvloeden”. De prejudiciële vraag wordt niet gesteld.
  20. Aangezien de Raad van State niet bevoegd is om een bij wet bekrachtigd koninklijk besluit te vernietigen, dient, wat de achtste verzoekster betreft, het beroep te worden verworpen.
  21. De afstand, respectievelijk de verwerping van het beroep zijn het gevolg van het optreden van de Belgische Staat. Derhalve past het de kosten te zijnen laste te leggen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Wat de eerste zeven verzoeksters betreft wordt de afstand van het geding vastgesteld. Artikel
  23. Het beroep wordt verworpen wat de achtste verzoekster betreft. XII-4069-5/7 XII-4069-6/7 Artikel
  24. De kosten van het beroep, bepaald op 1.400 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4069-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.537 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.