← België

Arrest 169539 - Milieuvergunningen - 29/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.539 Rolnummer: A. 179295/VII-36786 Zaak: Arrest 169539 - Milieuvergunningen - 29/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 19:03 Fiche Arrest nr 169.539 van 29 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.539 van 29 maart 2007 in de zaak A. 179.295/VII-36.

  1. In zake : de n.v. ECU-PRODUCTS, die woonplaats kiest bij advocaat W. SLOSSE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Brusselstraat 59, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ECU-PRODUCTS op 11 december 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerleg- ging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 9 oktober 2006 waarbij deze de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 maart 2006, dat aan de verzoekende partij de milieuvergunning weigert om haar zeepziederij verder te exploiteren, bevestigt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 januari 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 1 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; VII-36.786-1/18 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE BRUYNE die, loco advocaat W. SLOSSE verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij baat een zeepziederij uit, gevestigd aan de Hoogstraatsebaan 25 te Malle. Op 22 november 2005 dient zij een milieuvergunningsaanvraag in tot het bekomen van een vergunning om haar bedrijf verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding. 1.
  5. In eerste aanleg geven alle adviserende organen, behalve de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg (APSG), een negatief advies. APSG merkt op dat de verzoekende partij momenteel niet wordt uitgebaat conform de Vlarem-voorwaarden, maar omdat ze volgens haar de kans moet krijgen om zich in orde te stellen stelt zij een proefvergunning van één jaar voor. Op 23 maart 2006 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de vergunning. 1.
  6. Op 11 mei 2006 tekent de verzoekende partij beroep aan tegen deze beslissing. Zij argumenteert als volgt : - In werkelijkheid gaat het niet om een uitbreiding van de activiteit, de huidige activiteit is kleiner dan twintig jaar geleden. Er is alleen juridisch sprake van een uitbreiding omdat in 1991 niet alle activiteiten werden gemeld. - De geluidsoverlast die door het bedrijf wordt veroorzaakt is kleiner dan deze die wordt geproduceerd door de omliggende bedrijven. VII-36.786-2/18 - Het oriënterend bodemonderzoek (OBO) van 2003 stelde vast dat er wel een grondverontreiniging is maar zonder ernstige bedreiging voor mens en milieu. - Het brandweeradvies werd uitgebracht zonder voorafgaand plaatsbezoek. - De bezwaren van de omwonenden gaan uit van één enkel persoon en zijn onjuist : er is geen "pikante geurhinder", zoals werd vastgesteld door de Gezondheidsinspectie, er is geen sterfte van planten en bomen in de omgeving door haar activiteiten, er kan geen geluidshinder zijn om 4 uur 's morgens door haar vrachtwagen, er zou bodemverontreiniging zijn op het terrein Hoogstraatsebaan 31 maar het grondwater loopt van dit terrein naar haar terrein, er is geen stofoverlast. - De drie opslagtanks op het dak zijn Vlarem-conform en worden door het continue peilmeetsysteem gelijkgesteld met dubbelwandige tanks zodat inkuiping niet meer hoeft. Er is een procedure uitgewerkt om ook buiten de werkuren te kunnen ingrijpen bij een calamiteit met deze tanks. - Indien het bedrijf niet meer past in het gebied waarin het is gevestigd moet er volgens het bijzonder plan van aanleg "Speelhoven-Akker" worden gestreefd naar verplaatsing wat niet hetzelfde is als onmiddellijke stopzetting. Daarom wordt een vergunning gevraagd voor tien jaar; dan zijn de meeste werknemers pensioengerechtigd. - Er werden reeds voor meer dan 28.000 i verbeteringswerken uitgevoerd maar een aantal punten zijn nog niet in orde (o.a. de opslag van gevaarlijke producten). Voorgesteld wordt deze in orde te brengen tegen uiterlijk 1 november
  7. 1.
  8. Het beroep wordt op 16 mei 2006 volledig en ontvankelijk bevonden. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen geeft een negatief advies : het bedrijf is gelegen in een strook waarin volgens het bijzonder plan van aanleg van 21 april 2004 geen ambachtelijke of industriële constructies zijn toegelaten. De afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid geeft een negatief advies omdat het risico op calamiteiten te ernstig is. De brandweer van Malle deelt het ongunstig advies mee dat zij uitbracht na een nieuw plaatsbezoek op 25 april
  9. VII-36.786-3/18 De afdeling Milieuvergunningen geeft op haar beurt een negatief advies. In dit advies stelt zij : - dat het wel degelijk juridisch om een uitbreiding van de vergunning gaat; - dat de inrichting in zijn geheel is ingedeeld in klasse 1, de aanvraag een uitbreiding inhoudt met meer dan 100 % van sommige activiteiten en dat bijgevolg conform artikel 5.17.1.
  10. van Vlarem II de exploitatie van de inrichting die op minder dan 100 meter van een woongebied ligt niet meer toegelaten is; - dat de directe hinder voor de omwonenden miniem is maar de uitbating niet gebeurt conform de Vlarem II-voorschriften in verband met de opslag van gevaarlijke producten, meer bepaald artikel 5.17.1.
  11. dat compartimentering van de opslag van schadelijke producten voorschrijft, dat er ook geen sprake is van een sprinklerinstallatie en er een negatief advies is van de brandweer, dat de exploitant reeds enkele werken heeft uitgevoerd teneinde de inrichting conform te maken maar dat nog veel dient te gebeuren, dat de opslag op het dak van corrosieve en irriterende stoffen gevaarlijk is wegens de moeilijke bereikbaarheid ervan en de rechtstreekse inval van zonnestraling, dat er geen situatieplan is, er te weinig blusapparaten zijn, dat de exploitant in zijn beroepschrift aangeeft de negatieve punten weg te zullen werken tegen 1 november 2006, maar dat er kon worden vastgesteld dat er nog niets was gebeurd om het grootste euvel, de chaotische opslag van de diverse producten, te verhelpen, dat bijgevolg het brandrisico te groot is en het risico op calamiteiten als ernstig wordt ingeschat. Na de verzoekende partij, die in essentie de argumenten van haar beroepschrift herhaalt, te hebben gehoord adviseert ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie unaniem het beroep te verwerpen. Zij neemt daarbij de argumentatie van de afdeling Milieuvergunningen over. 1.
  12. Op 9 oktober 2006 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, de motieven van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie integraal overnemend, het beroep te verwerpen en de vergunning te weigeren. Dit is het bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat binnen de ordeningsmogelijkheden van de betrokken stroken van het bijzonder plan van aanleg op kwestieus eigendom geen ambachtelijke of industriële constructies toegelaten zijn; Overwegende dat de inrichting dateert van vóór het in voege treden van de wetgeving op de stedenbouw

(1962); dat noch de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, noch de afdeling ROHM-Antwerpen over enig gegeven beschikt VII-36.786-4/18 dat hier in de loop der tijd bouwvergunningen of stedenbouwkundige vergunningen afgeleverd werden; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, niet verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat het voorwerp van onderhavige aanvraag de hernieuwing (regularisatie) van de vergunning en de verandering door uitbreiding en wijziging betreft van een zeepziederij; dat meer bepaald de gevraagde wijziging de verplaatsing en de vervanging van een aantal pompen en fabricatie- en bufferketels betreft; dat de gevraagde uitbreiding betrekking heeft op enerzijds de stijging van de opslagcapaciteit van corrosieve en irriterende producten met 4,6 ton, gekoppeld aan een vermindering van de opslagcapaciteit van P4-produkten met 76.667 liter en een vermindering van de opslagcapaciteit van reinigings- en poetsmiddelen met 28 ton en anderzijds de stijging van de opslagcapaciteit van papier en karton (verpakkingen en toiletpapier) van maximaal 15 ton; Overwegende dat de gevraagde vergunning in eerste aanleg geweigerd werd; dat de exploitant tegen deze beslissing in beroep gaat; Overwegende dat de zeepziederij dateert van 1924; dat het een inrichting betreft voor de productie van reinigingsmiddelen (zepen, detergenten en andere) en de verkoop ervan, samen met aangekochte handelsgoederen (waspoeders, borstels, dweilen en toiletpapier); dat de productie gebaseerd is op menging, verzeping en verdunning met water; Overwegende dat er huishoudelijk afvalwater geloosd wordt met een debiet van maximaal 0,5 m³/uur, 1 m³/dag en 300 m³/jaar in de openbare riolering; dat dit afvalwater afkomstig is van de kantine en de sanitaire installaties; dat de vergunning voor het lozen van bedrijfsafvalwater pas verstrijkt in 2011; dat deze activiteit dus niet behoort tot het voorwerp van onderhavige aanvraag; Overwegende dat de exploitant in zijn aanvraag in bijlage 3 een vergunningstermijn van tien jaar vraagt, rekening houdend met de doelstelling van het toepasselijk bijzonder plan van aanleg 'Speelhoven-Akker'; dat voormeld bijzonder plan van aanleg namelijk vermeldt dat, indien een bestaand bedrijf zich zodanig ontwikkelt dat het qua milieubelasting en verkeer- en parkeerhinder niet meer past binnen het gebied, er gestreefd moet worden naar een verplaatsing; Overwegende dat de exploitant in zijn aanvraag weergeeft dat er geen uitbreiding van de activiteiten meer voorzien is; dat er eerder sprake is van een daling aan activiteit; dat de aanvraag evenwel in het kader van de Vlaremwetgeving mede een verandering door uitbreiding inhoudt, daar er geen melding gedaan werd of een vergunning aangevraagd werd voor sommige activiteiten; Overwegende dat de inrichting vergund is voor het opslaan van 107,7 ton schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen, waaronder 58 ton natriumlaurilethersulfaat en 30 ton sulfonzuur in drie bovengrondse houders, 1.080 kg butylglycol, 600 kg amide KDO en 18 ton zepen, detergenten en andere reinigingsmiddelen; dat er bijkomend 4,6 ton zuren en natriumsilicaat opgeslagen worden (regularisatie), zodat de totale opslagcapaciteit 112,3 ton betreft; dat het natriumlaurylethersulfaat en het sulfonzuur op het dak gestockeerd worden in drie enkelwandige houders; Overwegende dat de exploitant ervan uitgaat in zijn aanvraag dat de inrichting vergund is voor het opslaan van 3.000 liter P2-producten (voornamelijk zepen en detergenten); dat er bijkomend 408 liter white spirit opgeslagen wordt (regularisatie), zodat de totale opslagcapaciteit 3.408 liter betreft; Overwegende dat de inrichting vergund is voor het opslaan van 140.267 liter P4-producten, zijnde : VII-36.786-5/18 - 30.000 liter sulfonzuur in een bovengrondse houder; - 106.667 liter vetzuren; - 600 liter amide KDO en - 3.000 liter zepen, detergenten en andere reinigingsmiddelen; dat onderhavige aanvraag onder andere de vermindering inhoudt van deze opslag met 76.667 liter vetzuren, waardoor de totale opslagcapaciteit aan P4-producten 63.600 liter betreft; Overwegende dat de aanvraag tevens het opslaan van maximaal 5.000 kg gevaarlijke producten (javel en natriumhydroxide) in eenheidsverpakkingen van maximaal 25 liter of kg inhoudt, alsook de vermindering van de opslagcapaciteit aan reinigings- en poetsmiddelen met 28 ton, waardoor de totale opslagcapaciteit aan reinigingsmiddelen 69 ton betreft; dat tevens de opslag van maximum 15 ton papier en karton aangevraagd wordt; dat zowel de opslag van de gevaarlijke producten in eenheidsverpakkingen, als de opslag van papier en karton voorheen nooit vergund geweest zijn; dat de aanvraag dus een uitbreiding inhoudt van meer dan 100%; dat conform de bepalingen van artikel 5.17.1.2, §1 van titel II van het VLAREM de exploitatie van een in klasse 1 ingedeelde inrichting voor de opslag van andere dan P-producten verboden is op minder dan 100 meter afstand van een woongebied; dat onderhavige inrichting ingedeeld is in de eerste klasse door de opslag van schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen; dat de inrichting gelegen is in een woongebied; dat §2 van voornoemd artikel evenwel stelt dat de verbodsbepalingen van §1 niet gelden voor bestaande inrichtingen, zoals bepaald in artikel 3.2.1.1; dat artikel 3.2.1.1 (laatste lid) stelt dat de vestigingsregels niet gelden voor een verandering van de inrichting op voorwaarde dat de vergroting door deze verandering maximum 100% bedraagt; dat eerder aangetoond werd dat de gevraagde verandering een uitbreiding inhoudt van meer dan 100%; dat zodoende dient gesteld dat de exploitatie van onderhavige inrichting verboden is op de huidige locatie; dat de nota die overhandigd werd door de exploitant op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 24 juli 2006 voorgaande overwegende betwist; dat de exploitant meent dat de voormelde verbodsbepaling niet van toepassing is, daar er sprake is van een uitbreiding van meer dan 100% van een onderdeel van de inrichting, ingedeeld in de derde klasse (de opslag van gevaarlijke producten in eenheidsverpakkingen); dat evenwel de globale inrichting ingedeeld is in de eerste klasse; dat de verbodsbepaling dus wel degelijk van toepassing is op het bedrijf daar : - deze in haar totaliteit is ingedeeld in de eerste klasse, - de aanvraag een uitbreiding van meer dan 100% betreft voor sommige activiteiten; Overwegende dat volgens de aanvraag alle machines met een relevante geluidsproductie in de bedrijfsgebouwen staan opgesteld; dat het laden en lossen van vrachtwagens op eigen terrein enkel overdag gebeurt; Overwegende dat volgens de aanvraag in bijlage 11 de vulzone van de vaste houders, de welke reeds verhard is, verder zal ingericht worden conform de wettelijke bepalingen; dat de houders ten tijde van de aanvraag nog niet uitgerust waren met een overvulbeveiliging; dat bij bijkomend schrijven van 28 december 2005 de exploitant aangeeft dat in december 2005 de drie vaste houders voorzien werden van overvulbeveiligingen; Overwegende dat in eerste aanleg tal van schriftelijke bezwaren neergelegd werden door omwonenden uit de Hoogstraatsebaan, De Speelhoven en de Zijlhovenstraat; dat deze bezwaren ondermeer betrekking hebben op : - geurhinder (irriterende geur), - het feit dat dergelijke inrichting niet thuishoort in een woonzone, dichtbij een school, - bodemverontreiniging, - hinder bij het laden en lossen van de vrachtwagens, VII-36.786-6/18 - stof op terras en tuinmeubels en - de opslag van gevaarlijke producten bovenop het dak; dat in eerste aanleg de plaatselijke brandweer een ongunstig advies uitbracht, gelet op : - de inplanting van dergelijk risicobedrijf in een zonevreemde omgeving, in de onmiddellijke omgeving van een grote school, palend aan een grootwarenhuis en meubelwinkel; - de stijging van de opslagcapaciteit aan corrosieve en irriterende stoffen; - de aard en totale hoeveelheid van producten of stoffen die worden vervaardigd, verwerkt of opgeslagen; - de plaats van opslag (dak) van bepaalde producten; - de aard en de fysische, chemische en toxicologische kenmerken van de opgeslagen producten; - de niet te voorspellen schadelijke gevolgen voor mens, dier en milieu, ingeval van brand of enig ander onheil; - de in het brandweerdossier aanwezige documenten waaruit overduidelijk blijkt dat bewust bedrijf in het verleden al meerdere malen bezocht werd door diverse overheidsinstanties met als gevolg meerdere ongunstige adviezen; - het in het brandweerdossier aanwezige faxbericht van de vorige gemeentelijke milieuambtenaar waarin enerzijds gemeld wordt dat de juridische toestand van het bedrijf onduidelijk is en anderzijds de boodschap van de afdeling Milieu-inspectie meegegeven is dat de gemeente een dergelijk bedrijf niet kan tolereren in een woonzone; dat tevens dient opgemerkt te worden dat onderhavige aanvraag geen gewag maakt van enige brandbestrijdingsmiddelen aanwezig in de inrichting; Overwegende dat na telefonisch contact met de brandweer van de gemeente Malle gebleken is dat onderhavige inrichting reeds tientallen keren bezocht werd door de brandweerdienst; dat het laatste plaatsbezoek dateert van 25 april 2006; dat dit bewezen wordt door het schrijven van 2 mei 2006 van de brandweerdienst aan de burgemeester van de gemeente Malle; dat dit plaatsbezoek de bovenvernoemde bevindingen bevestigt en besluit dat de brandweerdienst adviseert om, na overleg met de toezichthoudende overheid inzake milieuvergunningen, over te gaan tot een onmiddellijke stopzetting van de diverse productieprocessen en een volledige ontmanteling van het bedrijf te laten uitvoeren; Overwegende dat tijdens een plaatsbezoek op 12 juli 2006 door een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen gebleken is dat de directe hinder naar de omwonenden miniem is, daar er geen sprake was van enige geluids-, geur- en/of stofhinder; dat evenwel dient opgemerkt te worden dat de inrichting zich in een zeer verouderde en rommelige staat bevindt; dat het, vooral gelet op de opslag van de ontvlambare en schadelijke, corrosieve en irriterende producten, van uitermate belang is dat de inrichting ordelijk uitgebaat wordt; dat er tot op heden geen sprake is van enige compartimentering in het bedrijf (handelsgoederen, eindproducten, karton en containers worden door elkaar heen opgeslagen); dat dit verplicht is volgens de bepalingen van artikel 5.17.1.5 van titel II van het VLAREM; dat tevens §4 van voornoemd artikel aangeeft dat de verplaatsbare lege gecontamineerde recipiënten die gevaarlijke producten hebben bevat, dienen opgeslagen te worden op een hiervoor behouden plaats die duidelijk aangegeven is; dat dit niet gebeurt op betreffende inrichting; dat de verschillende opslagplaatsen binnen de inrichting grotendeels in elkaar overlopen en onvoldoende kunnen afgesloten worden; dat er zodoende een groot brandrisico heerst in de inrichting; Overwegende dat in hetzelfde kader dient opgemerkt te worden dat de bepalingen van artikel 5.33.0.3, §3 stellen dat het verboden is andere brandbare, ontvlambare of ontplofbare stoffen op te slaan in lokalen waar ook papier opgeslagen wordt; dat hierboven reeds werd aangetoond dat aan deze bepaling VII-36.786-7/18 niet voldaan wordt; dat er ook geen sprake is van enige compartimentering, een sprinklerinstallatie en/of een gunstig advies van de brandweerdienst (dit zijn de alternatieve maatregelen en voorzorgen die normaliter dienen toegepast te worden als er toch een dergelijke opslag gebeurt); Overwegende dat de exploitant reeds enkele werken had uitgevoerd en/of aangevat teneinde de inrichting conform de Vlaremwetgeving te maken, zoals de aanleg van goten onder de vulopeningen van de tanks; dat evenwel nog veel dient te gebeuren om de inrichting conform te maken met de Vlaremwetgeving; Overwegende dat het natriumlaurylethersulfaat en het sulfonzuur opgeslagen wordt op het dak van de inrichting in drie enkelwandige houders; dat deze stoffen schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen betreffen; dat meer bepaald natriumlaurylethersulfaat volgens de veiligheidsfiche irriterend is voor de ogen en de huid; dat sulfonzuur (dodecylbenzeensulfonzuur) corrosief is, brandwonden veroorzaakt en schadelijk is bij opname door de mond; dat het dak een gevaarlijke plaats vormt om dergelijke producten op te slaan (moeilijker bereikbaar, sterke inval van zonnestraling); dat het potentieel verontreinigd hemelwater van het dak rechtstreeks afgevoerd wordt naar de openbare riolering; Overwegende dat de exploitant geen situatieplan, zoals bedoeld in de bepalingen van artikel 5.17.1.3, §2 van titel II van het VLAREM, kon voorleggen; dat dit een noodzakelijkheid is als er zich een calamiteit zou voordoen, zodat de hulpdiensten accuraat kunnen optreden; dat nergens in de inrichting kenbaar gemaakt wordt dat er sprake is van de opslag van gevaarlijke producten; dat er brandblusapparaten aanwezig waren op de inrichting, doch te weinig om efficiënt te zijn; dat temeer artikel 5.17.1.8 van titel II van het VLAREM aangeeft dat het bepalen en aanbrengen van de brandbestrijdingsmiddelen onafhankelijk van de milieuvergunning in overleg gebeurt met de bevoegde brandweer; dat het voormelde ongunstige advies van de brandweerdienst van de gemeente Malle hieromtrent geen gegevens verschaft; dat zodoende kan aangenomen worden dat dergelijk overleg niet heeft plaatsgevonden; Overwegende dat de inrichting tot op heden niet uitgebaat wordt conform de Vlaremwetgeving; dat er nog veel inspanningen moeten geleverd worden om dit te realiseren; dat de exploitant aangeeft in zijn beroepschrift de negatieve punten weg te werken tegen 1 november 2006; dat er evenwel kon vastgesteld worden dat er nog geen maatregelen waren getroffen om het grootste euvel uit de wereld te helpen, namelijk de chaotische opslag van de diverse producten; dat het brandrisico hieromtrent te groot is; dat het temeer verboden is onderhavige inrichting te exploiteren op basis van de bepalingen van artikel 5.17.1.2 en 3.2.1.1 van titel II van het VLAREM; dat het risico op calamiteiten momenteel als ernstig ingeschat wordt; dat het zodoende opportuun is, met het zicht op de veiligheid van mens en omgeving, onderhavige aanvraag te weigeren; Overwegende dat de aanspraken en bezwaren aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - in onderhavig dossier dienen enkel de hinderaspecten van de betreffende inrichting beoordeeld te worden, en niet deze van omliggende bedrijvigheden; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; ...";
  1. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden VII-36.786-8/18 aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist en genomen werd met een schending van het "motiveringsbeginsel" daar de precieze reden voor de weigering niet in de beslissing af te lezen valt; dat zij betoogt dat de motivering uiterst onduidelijk en niet rechtlijnig is omdat ze lijkt te steunen op de actuele toestand van het bedrijf wat betreft de chaotische opslag van de diverse producten, hetwelk evenwel een probleem van toezicht lijkt te zijn, dat haar bezwaren heel kort worden weerlegd met de overweging dat "in onderhavig dossier (...) enkel de hinderaspecten van de betreffende inrichting beoordeeld (dienen) te worden, en niet deze van omliggende bedrijvigheden" en dat de verschillende adviezen zeer onvolledig worden geciteerd, onder meer het advies van de brandweer waaruit niet blijkt op welke feiten het zou zijn gebaseerd; 2.1.
  3. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de vergunningverlenende overheid over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de risico's voor de veiligheid en de hinder voor mens en milieu, dat zij de adviezen, die allemaal ongunstig waren, heeft gevolgd, dat duidelijk uit het besluit blijkt op grond van welke motieven de vergunning werd geweigerd, dat alzo het bedrijf niet verenigbaar is met de toepasselijke stedenbouwkundige en ruimtelijke voorschriften, met name deze van het bijzonder plan van aanleg, dat er ook meerdere redenen van milieuhygiënische aard zijn waardoor de exploitatie van de inrichting niet langer mogelijk is in woongebied, dat er een brandrisico bestaat zoals blijkt uit het advies van de brandweer, dat er gebrek is aan compartimentering voor de opslag van goederen van diverse aard, waaronder brandbare en schadelijke stoffen, dat er schadelijke stoffen op een gevaarlijke manier worden opgeslagen op het dak van de inrichting, dat er geen situatieplan is hoewel dit is voorgeschreven en dat er onvoldoende andere maatregelen voorhanden zijn om accuraat te kunnen optreden bij een calamiteit; dat zij doet gelden dat niet kan worden aangenomen dat de chaotische opslag eerder een probleem is van toezicht, dat de overheid vermocht te oordelen dat de bewering van de verzoekende partij dat zij de gevaarlijke stoffen voortaan conform de reglementering zou opslaan niet opweegt tegen het gebrek aan compartimentering in de verouderde inrichting, wat niet conform Vlarem II is en bovendien het negatief advies van de brandweer versterkt; dat, voorts, zij betoogt dat VII-36.786-9/18 het evenmin zo is dat de bezwaren die de verzoekende partij in haar beroepschrift liet gelden slechts kort werden weerlegd, dat deze bezwaren betrekking hadden op de stedenbouwkundige en op de milieutechnische motieven van de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen en ook een vergelijking inhielden met inrichtingen uit de onmiddellijke omgeving, dat het bestreden besluit meerdere stedenbouwkundige en milieutechnische motieven bevat die de weigering kunnen verantwoorden en die een antwoord bieden op de bezwaren van de verzoekende partij, dat het loutere feit dat er in het bestreden besluit in verband met de door de verzoekende partij gemaakte verwijzing naar de hinder veroorzaakt door andere ondernemingen in de onmiddellijke omgeving wordt gesteld dat deze verwijzing bij de voorliggende milieuvergunningsaanvraag niet aan de orde is, geen afbreuk doet aan het feit dat de bezwaren wel degelijk door het bestreden besluit werden tegemoet gekomen; dat zij er ten slotte op wijst dat het advies van de brandweer tot stand is gekomen na meerdere plaatsbezoeken, wat door de verzoekende partij niet wordt ontkend, dat het feit dat de verwerende partij telefonisch contact heeft opgenomen met de brandweer om na te gaan of het advies dat in de procedure in eerste aanleg werd gegeven nog actueel was enkel getuigt van de zorgvuldigheid waarmee de aanvraag werd beoordeeld; 2.1.
  4. Overwegende dat uit een vergelijking van de uitgebreide motivering van het bestreden besluit met de verschillende uitgebrachte adviezen blijkt dat deze zo goed als volledig -bijna woordelijk- worden hernomen; dat tevens blijkt dat alle adviezen die in het kader van de beroepsprocedure werden uitgebracht ongunstig waren; dat dan ook niet valt in te zien waarin het gebrek aan rechtlijnigheid in de motivering zou zijn gelegen; dat de verzoekende partij dienaangaande niet de vereiste verduidelijking geeft; Overwegende dat uit de motivering blijkt dat inderdaad een overwegend motief wordt gevonden in het brandrisico dat er in het bedrijf bestaat tengevolge van de chaotische opslag van diverse goederen, waarbij brandbare en schadelijke stoffen in overtreding met de bepalingen van Vlarem II in niet- gecompartimenteerde ruimten worden opgeslagen tezamen met andere producten terwijl er geen sprinklerinstallatie is, er onvoldoende brandblusapparaten aanwezig zijn en de brandweer een ongunstig advies heeft gegeven; dat op het eerste zicht dit een aanvaardbaar motief vormt om een vergunning te weigeren aan een bedrijf dat gelegen is in een woonzone naast een warenhuis en in de onmiddellijke nabijheid van een school; VII-36.786-10/18 Overwegende, voorts, dat het onjuist is te stellen dat de minister de bezwaren van de verzoekende partij slechts zou hebben weerlegd met de overweging dat "in onderhavig dossier (...) enkel de hinderaspecten van de betreffende inrichting beoordeeld (dienen) te worden, en niet deze van omliggende bedrijvigheden"; dat, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, de bezwaren van de verzoekende partij betrekking hadden op de stedenbouwkundige en op de milieutechnische motieven van de beslissing van de bestendige deputatie en zij ook een vergelijking inhielden met inrichtingen uit de onmiddellijke omgeving; dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de essentiële bezwaren van de verzoekende partij werden besproken : zo wordt er geantwoord op de opwerping dat het niet om een uitbreiding zou gaan, ook wordt er toegegeven dat er geen geluids- of geurhinder is, werd er met de opmerking in verband met het brandweerverslag rekening gehouden door telefonisch de actualiteit van het verslag te laten bevestigen en werd er ook ingegaan op de stedenbouwkundige opmerkingen; dat het bestuur in het kader van de motiveringsplicht niet gehouden is een antwoord te geven op alle diverse feitelijke en juridische argumenten welke een belanghebbende naar voren brengt, zodat niet systematisch geantwoord moet worden op de verschillende argumenten aangevoerd in de beroepsakte; dat het volstaat dat uit de motivering impliciet of expliciet blijkt dat deze argumenten in de besluitvorming betrokken werden en dat hieruit kan worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard; dat de opgegeven motieven inzake het niet in orde zijn met de Vlaremvoorschriften en het daaruit voortkomende brandgevaar en het verbod om een uitbreiding van meer dan 100 % voor opslagactiviteiten van andere dan P-producten op minder dan 100 meter van een woongebied te aanvaarden, voldoende aangeven waarom de vergunning werd geweigerd en dus ook waarom de argumenten van de verzoekende partij niet als doorslaggevend werden beschouwd; Overwegende, ten slotte, dat de kritiek die de verzoekende partij uit op het advies van de brandweer, namelijk dat niet blijkt op welke feiten het zou zijn gebaseerd omdat er geen plaatsbezoek aan vooraf is gegaan, in het bestreden besluit wordt tegengesproken : de verwerende partij beschikte over stukken waaruit zij vermocht af te leiden dat de actualiteit van het brandweeradvies door een plaatsbezoek van 25 april 2006 was bevestigd; Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; VII-36.786-11/18 2.2.
  5. Overwegende dat in het tweede middel de verzoekende partij aanvoert dat het weigeringsmotief dat steunt op de onverenigbaarheid van de inrichting met de ruimtelijke ordening, een schending inhoudt van het decreet Ruimtelijke Ordening, van artikel 5.1.
  6. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van de bestemmingsbepalingen van het gewestplan "Turnhout" vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, van het ministerieel besluit van 21 april 2004 houdende vaststelling van het bijzonder plan van aanleg "Speelhoven-Akker", van het gelijkheidsbeginsel en van het vereiste van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; dat zij uiteenzet dat overeenkomstig artikel 5.1.
  7. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf zijn toegelaten in woongebieden voor zover ze, ten eerste, bestaanbaar zijn met de woonfunctie van het gebied, en, ten tweede, verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving, dat het bestreden besluit zonder afdoende motivatie stelt dat het bijzonder plan van aanleg op de plaats waar het bedrijf zich bevindt geen ambachtelijke of industriële constructies toelaat, dat er onvoldoende wordt uitgelegd wat de kenmerken van het woongebied zijn om te stellen dat de inrichting in haar geheel onverenigbaar zou zijn, dat in het bijzonder plan van aanleg "Speelhoven-Akker" uitdrukkelijk wordt vermeld dat, indien een bestaand bedrijf zich zodanig ontwikkelt dat het qua milieubelasting en verkeer- en parkeerhinder niet meer past in het gebied, er gestreefd moet worden naar verplaatsing, dat de minister er te weinig rekening mee houdt dat het om een "streven" gaat wat onder andere kan betekenen dat er alternatieven voorhanden moeten zijn en/of aangeboden worden, zodat het niet correct is om, op basis van het bijzonder plan van aanleg, te spreken over een onverenigbaarheid; dat zij nog doet gelden dat nergens wordt aangeduid dat door de aangevraagde vergunning er sprake is van meer milieubelasting of meer verkeer- en parkeerhinder en dat er evenmin sprake is van een uitbreiding met meer dan 100 %, dat trouwens de motivering die daarover in het besluit te vinden is onbegrijpelijk is en geenszins aangeeft dat het bedrijf ook feitelijk meer hinder zou veroorzaken; 2.2.
  8. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het besluit wordt gedragen door meerdere motieven en dat het hoofdmotief gelegen is in de chaotische opslag van diverse producten met als gevolg ernstige risico's op brand en calamiteiten met daarbovenop meerdere onverenigbaarheden met de Vlarem II- voorschriften, dat de andere aangehaalde motieven waaronder de planologische onverenigbaarheid slechts bijkomende en dus overtollige motieven zijn, dat het VII-36.786-12/18 middel aldus is gericht tegen een overtollig motief en alzo onontvankelijk is; dat zij in ondergeschikte orde stelt dat de schending van artikel 5.1.
  9. van voornoemd koninklijk besluit niet aan de orde is vermits er moest worden getoetst aan de planologische bestemmingsbepalingen van het geldende bijzonder plan van aanleg; dat, wat betreft het argument dat de overheid moet streven naar een verplaatsing van het bedrijf indien dit niet langer past in het gebied waarin het is gevestigd, de verwerende partij betoogt dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het feit dat de overheid moest oordelen over een milieuvergunning en niet over een bouwvergunning en dat voor het overige uit de motivering blijkt dat de inrichting wel degelijk milieubelasting teweegbrengt voor het woongebied; 2.2.
  10. Overwegende dat het bestreden besluit uitgebreid is gemotiveerd en op meerdere motieven steunt; dat de eindconclusie in het bestreden besluit luidt als volgt : "Overwegende dat de inrichting tot op heden niet uitgebaat wordt conform de Vlaremwetgeving; dat er nog veel inspanningen moeten geleverd worden om dit te realiseren; dat de exploitant aangeeft in zijn beroepschrift de negatieve punten weg te werken tegen 1 november 2006; dat er evenwel kon vastgesteld worden dat er nog geen maatregelen waren getroffen om het grootste euvel uit de wereld te helpen, namelijk de chaotische opslag van de diverse producten; dat het brandrisico hieromtrent te groot is; dat het temeer verboden is onderhavige inrichting te exploiteren op basis van de bepalingen van artikel 5.17.1.2 en 3.2.1.1 van titel II van het VLAREM; dat het risico op calamiteiten momenteel als ernstig ingeschat wordt; dat het zodoende opportuun is, met het zicht op de veiligheid van mens en omgeving, onderhavige aanvraag te weigeren"; dat daaruit blijkt dat de aanvraag geweigerd wordt "met het zicht op de veiligheid van mens en omgeving" en dat dit een decisief weigeringsmotief lijkt te vormen; dat dergelijk motief de bestreden weigering lijkt te kunnen schragen; dat de planologische onverenigbaarheid aldus slechts een overtollig motief vormt; dat een eventuele fout in een overbodig motief zonder invloed is op het afdoend karakter van de motivering; dat dienvolgens het tweede middel niet ernstig is; 2.3.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel aanvoert dat de motivering dat de inrichting wegens de inplantingsregels niet langer op de desbetreffende locatie in het woongebied kan worden geëxploiteerd, een schending uitmaakt van de artikelen 4 en 9, § 4, van het milieuvergunningsdecreet en van de artikelen 5.17.1.
  12. en 3.2.1.
  13. van Vlarem II; dat zij betoogt dat de verbodsbepaling van artikel 5.17.1.
  14. niet geldt voor bestaande inrichtingen, zelfs niet bij hernieuwing van de vergunning, en ook niet voor gevaarlijke producten die in een dusdanige fysicochemische toestand verkeren dat zij geen eigenschappen bezitten die VII-36.786-13/18 een zwaar ongeval met zich meebrengen; dat zij benadrukt dat de gevaarlijke producten worden opgeslagen in eenheidsverpakkingen van maximum 25 kg; dat zij er aan toevoegt dat het besluit een verkeerde lezing geeft van artikel 3.2.1.
  15. dat geen § 2 vermeldt; dat, in ondergeschikte orde, zij nog stelt dat er niet duidelijk wordt gemotiveerd waarom er sprake zou zijn van een 100 %-uitbreiding; dat, voorts, zij van oordeel is dat uit de bepalingen van de artikelen 4, §§ 1 en 2 en 9, § 4, van het milieuvergunningsdecreet volgt dat de minister als overheid bevoegd voor de inrichtingen van de eerste en de tweede klasse, in zijn beslissing geen overweging mag laten gelden over de onderdelen van de inrichting die tot klasse 3 behoren en dat hij dus geen argument kon putten uit de wijze waarop de gevaarlijke producten waren opgeslagen in het bedrijf, daar de opslag van gevaarlijke producten in eenheidsverpakkingen een klasse 3-activiteit is; 2.3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat uit de gehanteerde bewoordingen in de eerste paragraaf van pagina 13 van het bestreden besluit overduidelijk blijkt dat het hoofdmotief voor de weigering gelegen is in de chaotische opslag van de diverse producten, met als gevolg ernstige risico's op brand en calamiteiten, met daarbij de onverenigbaarheid met de Vlarem II-wetgeving en dat het motief met betrekking tot de inplantingsregels derhalve slechts een overtollig motief is en het middel aldus niet ontvankelijk is; 2.3.
  17. Overwegende dat, zoals reeds gewezen bij het onderzoek van het tweede middel, de aanvraag in essentie geweigerd werd "met het zicht op de veiligheid van mens en omgeving" wegens de onveilige wijze waarop de uitbating geschiedt en dat de andere motieven zoals de planologische onverenigbaarheid of de niet-naleving van de afstandsregels slechts overtollige motieven zijn; dat, voorts, de verzoekende partij het voorstelt alsof de verwerende partij zich enkel heeft laten leiden door de chaotische opslag van producten die in de klasse 3 zijn ingedeeld, terwijl uit het bestreden besluit en uit de stukken van het administratief dossier wel degelijk blijkt dat de geviseerde onveilige opslag ook andere producten betrof dan deze die tot de klasse 3 behoren, zoals karton, eindproducten en andere producten; dat papier blijkbaar samen met andere brandbare, ontvlambare of ontplofbare stoffen werd opgeslagen, dit in strijd met de bepalingen van artikel 5.33.0.3, § 3, van Vlarem II en dat er geen sprake is van enige compartimentering, hetgeen een ernstig risico op calamiteiten meebrengt; dat overigens met het bestreden besluit de melding van de in derde klasse ingedeelde onderdelen van de inrichting, waaronder de opslag VII-36.786-14/18 van maximaal 5.000 kg gevaarlijke producten in kleine verpakkingen, zonder voorwerp wordt verklaard; dat het middel niet ernstig is; 2.4.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij in het vierde middel de schending aanvoert van het "motiveringsbeginsel"; dat zij betoogt dat het bestreden besluit steunt op argumenten die enkel betrekking hebben op de wijze waarop de inrichting thans is ingericht, en dat het niet redelijk is dat zij reeds aan alle voorschriften van uitbating zou moeten voldoen nog alvorens zij een vergunning heeft bekomen; dat zij herhaalt dat verschillende bezwaren uit het beroepschrift van 11 mei 2006 in het besluit niet ter sprake kwamen; dat zij ten slotte stelt dat de minister niet uitlegt waarom het probleem met de 5.000 kg gevaarlijke producten noodzakelijkerwijze moest leiden tot een volledige weigering van de vergunning en er ook niet werd gemotiveerd waarom een tijdelijke vergunning voor tien jaar niet mogelijk was; 2.4.
  19. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partij er ten onrechte van uitgaat dat de vergunningverlenende overheid in het bestreden besluit een antwoord moest geven op alle door de verzoekende partij in haar beroepschrift aangevoerde argumenten, dat het noodzakelijk doch voldoende is dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de argumenten van het beroepschrift niet werden gevolgd; dat dit in casu het geval is; dat, vermits de vergunningverlenende overheid gemotiveerd tot het besluit kwam dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de werking van de inrichting niet konden worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau, ze de vergunning ook niet voor een korte termijn kon verlenen; 2.4.
  20. Overwegende dat de vergunning die werd aangevraagd een hernieuwing is van een vergunning die tevens een uitbreiding en een verandering inhoudt; dat uit de neergelegde stukken blijkt dat de uitbreiding eerder een regularisatie dan een werkelijke uitbreiding betreft zodat de vergunning in hoofdzaak tot doel heeft de feitelijke toestand nu reglementair vergund voort te zetten; dat de verzoekende partij dus reeds aan de milieuwetgeving en -reglementering onderworpen was en reeds verplicht was de regels ervan na te leven; dat uit het dossier blijkt dat reeds in 1993 opmerkingen werden gemaakt in verband met onder andere de wanordelijke opslag van de diverse producten en het gebrek aan VII-36.786-15/18 compartimentering van de verschillende opslagruimtes; dat de verzoekende partij dus alle tijd heeft gehad om zich in regel te stellen maar dit blijkbaar niet of tot nog toe slechts op een onvoldoende wijze heeft gedaan; dat niet valt in te zien waarom er bij het verlenen van een nieuwe vergunning daarmee geen rekening zou mogen worden gehouden; Overwegende, voorts, dat zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel werd gewezen het bestuur in het kader van de motiveringsplicht niet gehouden is een antwoord te geven op de diverse feitelijke en juridische argumenten welke een belanghebbende naar voren brengt, zodat niet systematisch geantwoord moet worden op de verschillende argumenten aangevoerd in de beroepsakte; dat het volstaat dat uit de motivering impliciet of expliciet blijkt dat deze argumenten in de besluitvorming betrokken werden en dat hieruit minstens impliciet kan worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard; Overwegende, ten slotte, dat aangezien de vergunningverlenende overheid gemotiveerd tot het besluit kwam dat de risico's voor brand en calamiteiten te groot waren, het niet onredelijk is dat zij oordeelde dat de vergunning ook niet voor tien jaar kon worden verleend; dat, immers, dergelijk risico elke dag aanwezig is; dat dit dan ook geen afzonderlijke motivering behoefde; Overwegende dat het vierde middel niet ernstig is; Overwegende dat niet voldaan is aan de eerste schorsingsvoorwaarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  22. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-36.786-16/18 VII-36.786-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en zeven, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-36.786-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.539 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.