id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.540 Rolnummer: Zaak: Arrest 169540 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 29/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-03 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 19:03 Fiche Arrest nr 169.540 van 29 maart 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.540 van 29 maart 2007 in de zaken A. 48.917/VII-16.
- 49.055/VII-16.
- 49.061/VII-16.
- 49.083/VII-16.
- In zake : I. het VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN GENEESHEREN- SPECIALISTEN, dat woonplaats kiest bij advocaat W. GONTHIER, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12, bus 13 II. de v.z.w. HET VLAAMS VERBOND VOOR GEPENSIONEERDEN, die woonplaats kiest bij advocaten F. BAERT en V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128 III.
- de v.z .w. VERBOND DER VLAAM SE TANDARTSEN,
- Dirk VAN DE PUTTE, die woonplaats kiezen bij advocaat N. VAN RANST, kantoor houdende te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 270 IV. de burgerlijke vennootschap LABORATOIRE DE BIOLOGIE ET DE RADIO-IMMUNOLOGIE CLINIQUES (BIORIM) (in faling), voorheen gevestigd te 1150 BRUSSEL, Charleroisesteenweg 54 tegen : I + II + III + IV: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het VERBOND DER BELGISCHE BEROEPSVERENIGINGEN VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN op 3 november 1992 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-1/21 besluit van 19 augustus 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 tot uitvoering van artikel 34 quater, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 september 1992 (zaak A. 48.917); Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. VLAAMS VERBOND VOOR GEPENSIONEERDEN op 10 november 1992 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van hetzelfde koninklijk besluit (zaak A. 49.055); Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. VERBOND DER VLAAMSE TANDARTSEN en Dirk VAN DE PUTTE op 10 november 1992 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van hetzelfde koninklijk besluit (zaak A. 49.061); Gezien het verzoekschrift dat de b.v. LABORATOIRE DE BIOLOGIE ET DE RADIO-IMMUNOLOGIE CLINIQUES op 12 november 1992 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van hetzelfde koninklijk besluit (zaak A. 49.083); Gelet op de arresten nrs. 90.847, 90.848, 90.849 en 90.850 van 16 november 2000 waarbij de debatten in voormelde zaken worden heropend; Gelet op het arrest nr. 94.075 van 15 maart 2001 waarbij de debatten in de voormelde zaken worden heropend, de zaken worden gevoegd, en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag, opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 6 februari 2006 die de neerlegging van het aanvullend verslag gelast; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de zaak A. 48.917 en de laatste memorie van de verwerende partij in de zaken A. 49.055, 49.061 en 49.083; VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-2/21 Gelet op de beschikking van 13 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. KAMERS die, loco advocaat W. GONTHIER verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak A. 48.917, van advocaat W. LAMMENS, die verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak A. 49.055, en van advocaat K. RONSE die, loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt:
- De feiten Artikel 34, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, bepaalt het volgende : "De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de voorwaarden en regels vast overeenkomstig welke de rechtstreekse betaling van de verzekeringstegemoetkoming in de door Hem bepaalde geneeskundige verstrekkingen door de verzekeringsinstellingen aan de zorgverstrekkers, de diensten of de instellingen, toegelaten, verboden of verplicht is. Elke overeenkomst die afwijkt van de door de Koning in uitvoering van deze bepaling uitgevaardigde reglementering, is nietig". Op 1 juli 1991 bracht het Beheerscomité van de Dienst voor Geneeskundige verzorging van het RIZIV een advies uit betreffende het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 tot uitvoering van artikel 34quater, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-3/21 Op 4 juni 1992 bracht de afdeling wetgeving van de Raad van State een advies uit over het ontwerp van koninklijk besluit. Het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 geeft, zoals in het opschrift ervan is aangegeven, uitvoering aan artikel 34quater, vierde lid, van de wet van 9 augustus
- Het bestreden koninklijk besluit van 19 augustus 1992 wijzigt het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 en werkt een specifieke derdebetalersregeling uit voor de andere, door geneesheren en tandheelkundigen verleende, geneeskundige verstrekkingen dan die welke zijn bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986, die voorzien in respectievelijk de verplichting en het verbod om de derdebetalersregeling toe te passen. Het bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van de derdebetalersregeling, een regeling die wordt aangevraagd door de zorgverstrekker en die wordt toegekend door de verzekeringsinstellingen, die de regeling ook kunnen intrekken in de in het besluit gepreciseerde gevallen. Dit besluit bepaalt voor welke geneeskundige verstrekkingen en onder welke voorwaarden de rechtstreekse betaling van de verzekeringstegemoetkomingen door de verzekeringsinstellingen aan de zorgverstrekkers, de diensten of de instellingen toegelaten (artikel 4), verboden (artikel 5 en artikel 6) is. Het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 beoogt twee wijzigingen aan te brengen aan het koninklijk besluit van 10 oktober
- Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State van 4 juni 1992 over het ontwerp van het bestreden besluit, omschrijft deze wijzigingen als volgt : “Vooreerst breidt het ontwerp het aantal geneeskundige verstrekkingen waarvoor een verbod van derdebetalersregeling geldt uit met bepaalde geneeskundige verstrekkingen van tandheelkundigen. Daartoe wijzigt artikel 1 van het ontwerp artikel 6, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 oktober
- Vervolgens werkt het ontwerp een specifieke derdebetalersregeling uit voor de door geneesheren en tandheelkundigen verleende geneeskundige verstrekkingen die niet worden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986, welke de derdebetalersregeling verplicht maken, respectievelijk verbieden. Op die wijze onttrekt het ontwerp de betrokken geneeskundige verstrekkingen aan de toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 10 oktober
- Met het oog op die specifieke regeling voegt artikel 2 van het ontwerp een artikel 6 bis in het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 in.” VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-4/21 Het aldus aangevulde koninklijk besluit handelt dus over het derdebetalerssysteem, waarbij de kosten voor geneeskundige verstrekkingen niet door de patiënten, maar wel door de betrokken verzekeringsinstellingen - op voorlegging van de bewijsstukken - rechtstreeks worden betaald aan de zorgverstrekkers of instellingen.
- Rechtspleging De verzoekende partij in de zaak A. 49.083 werd bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel van 3 november 2000 failliet verklaard. Er heeft geen gedinghervatting plaatsgehad. De zaak dient van de rol te worden afgevoerd.
- Ten gronde 3.
- Het ambtshalve middel in de zaken nr. 48.917, 49.055 en 49.061 Dit door de auditeur ingeroepen middel is in essentie gestoeld op de miskenning door het bestreden besluit van de bevoegdheden van de minister bevoegd voor de begroting, doordat het, in strijd met de artikelen 6 en 24 van het koninklijk besluit van 5 oktober 1961 tot regeling van de administratieve en begrotingscontrole, niet werd onderworpen aan het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de begroting behoort. Deze bepalingen luiden als volgt : "Art.
- Aan de Minister van Financiën worden voor akkoord voorgelegd de voorontwerpen van wetten, van besluiten of van beslissingen :
- waarvoor geen of onvoldoende kredieten bestaan;
- waardoor ofwel de ontvangsten beïnvloed kunnen worden, ofwel nieuwe uitgaven kunnen ontstaan;
- die organieke regels inzake het verlenen van toelagen invoeren of wijzigen;
- die betrekking hebben op toelagen die 100.00 frank overschrijden en waarvan de toekenning onder geen enkele organieke regel valt. Dit bedrag mag door het Comité voor financiën en begroting gewijzigd worden". "Art.
- De aanhef van elk koninklijk besluit of ministerieel besluit vermeldt met verwijzing naar de datum, het akkoord van het Comité voor financiën en begroting, van de Minister van Financiën en van de Minister tot wiens bevoegdheid het algemeen bestuur behoort, of het gunstig advies van de inspecteurs van financiën. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-5/21 Indien artikel 11 wordt toegepast, wordt melding gemaakt van de beslissing van de Minister van Financiën of van de Minister tot wiens bevoegdheid het algemeen bestuur behoort"; Zij moeten worden samengelezen met artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 11 februari 1977 houdende vaststelling van de bevoegdheden van de Minister van Begroting en de Minister van Pensioenen binnen het ministerie van Financiën, dat als volgt luidt : "Artikel
- De Minister van Begroting heeft de aangelegenheden in zijn bevoegdheid die behoren tot de Administratie van de begroting en de controle op de uitgaven". Zoals de Raad van State reeds heeft gewezen in zijn arresten nrs. 28.439, van 1 september 1987, inzake VAN LANDUYT en cons., 121.046, van 26 juni 2003, inzake DE MOOR en de BELGISCHE REUMATOLOGENVERENIGING, en 124.831, van 30 oktober 2003, inzake de BELGISCHE BEROEPSVERENIGING DER GENEESHEREN-SPECIALISTEN IN DE MEDISCHE BIOLOGIE, is het akkoord dat de minister bevoegd voor de begroting geeft op grond van het koninklijk besluit tot regeling van de administratieve en begrotingscontrole, een formaliteit die uitsluitend in het belang van het bestuur is gesteld. Particulieren kunnen zich dus, tot staving van een beroep tot nietigverklaring, niet beroepen op het niet vervuld zijn van die formaliteit. Het feit dat de minister bevoegd voor de begroting, in het kader van de regelgeving betreffende de begrotingscontrole, over bepaalde ontwerpen een akkoord moet verlenen, impliceert bovendien niet dat hij ter zake van de in die ontwerpen geregelde aangelegenheden, de materieel bevoegde minister is. Een gebeurlijke miskenning van de regels betreffende de begrotingscontrole impliceert dus niet op zichzelf dat het bestreden besluit is genomen door een onbevoegde overheid, zodat ook de stelling van de eerste auditeur-verslaggever dat de miskenning van de controlebevoegdheid van de minister van begroting de openbare orde raakt, niet kan worden bijgetreden. Uit het voorgaande volgt dat het in de auditoraatsverslagen ambtshalve opgeworpen middel zowel onontvankelijk als ongegrond is. 3.
- Zaak A. 48.917 Eerste middel
- De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het middel bevat acht onderdelen. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-6/21
- Het eerste onderdeel heeft betrekking op "de mogelijkheid van een arbitrair onderscheid" dat zou gemaakt worden doordat met toepassing van het eerste lid van het door het bestreden besluit in het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 ingevoegde artikel 4bis, de verzekeringsinstellingen de derdebetalersregeling kunnen en niet moeten toepassen of weigeren. De verwerende partij antwoordt dat de term "kan" te verklaren is door de mogelijkheid die aan de zorgverstrekkers geboden wordt om al dan niet de derdebetalersregeling te vragen en dat de toekenning van de derdebetalersregeling slechts onder bepaalde voorwaarden kan gebeuren. In haar memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waarin was voorgesteld het artikel als volgt te redigeren : "... de toepassing van de derdebetalersregeling geschiedt overeenkomstig de in dit artikel bepaalde regelen". In de laatste memorie voegt de verzoekende partij nog toe dat de gewraakte bepaling in se een niet-verantwoorde discriminatie invoert, los van de concrete toepassingen ervan.
- Het louter gebruik van het woord “kan” houdt in se geen schending in van het gelijkheidsbeginsel. Een eventuele ongelijke en een arbitraire behandeling zal alleen kunnen blijken naar aanleiding van de concrete behandeling van elke aanvraag. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op het onderscheid tussen enerzijds "geconventioneerde" en anderzijds "niet-" of ?beperkt geconventioneerde” zorgenverstrekkers, dat niet pertinent is en evenmin beantwoordt aan het evenredigheidsbeginsel.
- In zijn arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 heeft de Raad van State over een gelijkaardig middel geoordeeld, dat de zorgverstrekkers vrij blijven om al dan niet tot de overeenkomst toe te treden en dat zij, naargelang de omstandigheden die eigen zijn aan hun situatie, een keuze behoren te maken waarvan zij de gevolgen kennen, namelijk het al dan niet toepassen van de derdebetalersregeling ten gunste van de patiënten die hen raadplegen. De Raad van VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-7/21 State sluit zich, wat de beoordeling van dit middelonderdeel betreft, daar bij aan. Dit onderdeel is niet gegrond.
- Het derde onderdeel betreft de ongelijkheid tussen de patiënten, die zou worden veroorzaakt door hetzelfde onderscheid als bedoeld in het tweede onderdeel, "doordat de patiënt in een meer of minder gunstige positie wordt gedwongen qua betaling van de verstrekte zorgen naargelang de geneesheer op wie hij beroep heeft gedaan".
- De verzoekende partij, een overkoepelende federatie van geneesheren-specialisten, doet niet van het vereiste belang blijken om het belang van de patiënten, en desgevallend hun recht op vrije keuze te behartigen. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet ontvankelijk.
- In een vierde onderdeel klaagt de verzoekende partij de ongelijke behandeling aan tussen de zorgenverstrekkers die wel en degenen die niet aan het gezag van de Orde van geneesheren zijn onderworpen doordat met toepassing van het nieuwe artikel 4bis, §1, 3/, c van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 de zorgenverstrekker die zijn aanvraag tot het bekomen van de derdebetalersregeling indient gedurende een periode van drie jaar voorafgaand aan zijn aanvraag niet het voorwerp mag hebben uitgemaakt van "een definitieve beslissing tot schorsing van het recht om de geneeskunst uit te oefenenen van tenminste vijftien dagen, uitgesproken door de bevoegde Raad van de Orde der geneesheren, verband houdend met een ongeoorloofde verdeling van erelonen of overconsumptie", terwijl de niet aan dit gezag onderworpen zorgenverstrekkers op grond van dezelfde inbreuken niet kunnen worden uitgesloten van de toepassing van de derdebetalersregeling. De verwerende partij verschaft in haar memorie van antwoord geen specifiek verweer op dit onderdeel van het middel. Ze geeft alleen een algemene uiteenzetting betreffende de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel. Ze besluit dat de gebruikte middelen objectief en evenredig zijn om het gestelde doel te bereiken.
- In zijn arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 heeft de Raad van State geoordeeld dat de derdebetalersregeling risico’s op misbruiken meebrengt die kunnen leiden tot een overmatig beroep op geneeskundige verstrekkingen en dat de VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-8/21 omstreden bepalingen relevant en redelijk zijn. De Raad van State sluit zich, wat de beoordeling van dit middelonderdeel betreft, aan bij die vaststelling. Op grond van die veronderstelling mocht de verwerende partij er redelijkerwijze van uitgaan dat het in hoofdzaak geneesheren zijn die voorschriften verstrekken en dat de door de genoemde instanties opgelegde sancties aantonen dat er vrees is dat de betrokken geneesheer het systeem zou misbruiken. Het vierde onderdeel is niet gegrond.
- Een vijfde onderdeel heeft betrekking op het onderscheid dat volgens de verzoekende partij wordt gemaakt tussen enerzijds de "geconventioneerde geneesheer" en anderzijds de geneesheer die ingevolge een eigen keuze en “om redenen hem eigen” zijn medische aktiviteit vrijwillig beperkt tot een aantal uren onder het minimum aantal prestatieuren voorzien in de overeenkomsten bedoeld in artikel 34 van de wet van 9 augustus
- In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat de derdebetalersregeling niet ten behoeve van de zorgenverstrekkers, maar wel ten behoeve van de rechthebbenden werd ingesteld, dat het doel van de regeling is om elke rechthebbende, ongeacht zijn financiële middelen, geneeskundige verstrekkingen te laten genieten, dat de naleving van het gelijkheidsbeginsel t.a.v. de rechthebbenden en niet t.a.v. de zorgenverstrekkers dient te worden beoordeeld, en dat de rechthebbenden die zich laten verzorgen door zorgenverstrekkers die geheel of gedeeltelijk vrije tarieven toepassen worden geacht over voldoende middelen te beschikken om de kosten van de verstrekkingen rechtstreeks te betalen en vervolgens terug te krijgen, terwijl de derdebetalersregeling in de eerste plaats is ingevoerd voor de rechthebbenden die het meest behoeftig zijn.
- De verzoekende partij maakt niet duidelijk welk artikel of onderdeel ervan in het bestreden besluit de door haar aangehaalde discriminatie in het leven roept. Het vijfde onderdeel is onontvankelijk.
- In het zesde onderdeel betoogt de verzoekende partij dat het onderscheid dat werd bekritiseerd in het vierde onderdeel niet pertinent is in het kader van de in de aanhef “van het bestreden besluit gegeven motivering”. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-9/21
- In zijn arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 heeft de Raad van State overwogen: “dat de omstreden bepalingen relevant en redelijk zijn; dat de verruimde bevoegdheid die artikel 34quater, vierde lid, van de wet aan de Koning toekent Hem in staat heeft gesteld die bepalingen uit te vaardigen; dat ze noch een straf vormen in de zin van artikel 9 van de Grondwet, noch een tuchtmaatregel in de zin van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967...”. De Raad van State sluit zich, wat de beoordeling van dit middelonderdeel betreft, aan bij deze overweging. Het zesde onderdeel van het middel is ongegrond.
- Het zevende onderdeel heeft betrekking op de ongelijkheid tussen zorgverstrekkers die voor de inwerkingtreding van het bestreden besluit een sanctie hebben opgelopen als omschreven in het vierde onderdeel van het middel, en zij die na de inwerkingtreding van het bestreden besluit een dergelijke sanctie oplopen. In de laatste memorie preciseert de verzoekende partij dat met dit onderdeel wordt verwezen naar het feit dat de zorgenverstrekker die in het verleden werd vervolgd zijn verweer zal gevoerd hebben binnen het kader van de toenmalig geldende regeling, die geen uitsluiting uit het derdebetalerssysteem voorzag, "wat uiteraard niet het geval zal zijn voor de zorgenverstrekker die vervolgd wordt na de invoering van het gewraakte KB".
- Het door de verzoekende partij aangeduide verschil is niets anders dan de verschillende toestand die ontstaat wanneer een bepaalde feitelijke of juridische toestand door een nieuwe wetgeving of reglementering wordt beheerst. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden louter en alleen doordat een nieuwe regelgeving wordt ingevoerd. De verzoekende partij toont niet aan waarom dit te dezen wel het geval zou zijn. Het zevende onderdeel is niet gegrond.
- Een achtste onderdeel betreft het feit dat met toepassing van het nieuwe artikel 4bis, §5 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1986, in bepaalde omstandigheden het genot van de derdebetalersregeling kan worden ingetrokken VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-10/21 "voor een periode van maximum zes maanden wanneer het een eerste inbreuk betreft of in geval van herhaling binnen twee jaar na het einde van de intrekkingsperiode, voor een nieuwe periode van maximum drie jaar als de vorige intrekking liep over een periode van zes maanden", zonder dat echter enig objectief criterium in dit verband wordt vooropgesteld. Dergelijke arbitraire beoordelingsbevoegdheid is volgens de verzoekende partij strijdig met het gelijkheidsbeginsel. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij nog toe dat de gewraakte bepaling in se een niet-verantwoorde discriminatie invoert, los van de rechtsmiddelen die de betrokkenen kunnen doen gelden bij de arbeidsrechtbank.
- In de aangevochten bepaling is geen element aangetoond van “arbitraire beoordelingsbevoegdheid, die strijdig is met het gelijkheidsbeginsel”. Het artikel laat een zekere vrijheid van beoordeling aan de bedoelde organen. De door het bestreden besluit ingevoerde procedures zullen niet kunnen worden gevoerd zonder de elementaire rechten te eerbiedigen die in hoofde van de betrokkenen bestaan, ook al worden ze in de desbetreffende reglementen niet vermeld. Een eventuele discriminatie van de betrokkenen zal in elk concreet geval afzonderlijk moeten worden beoordeeld, en dit zal gebeuren door de arbeidsrechtbank. Het achtste onderdeel is ongegrond.
- Uit het bovenstaande volgt dat het eerste middel deels niet ontvankelijk en deels niet gegrond is. Tweede middel
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 34quater, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963, doordat krachtens die bepaling de Koning de prestaties bepaalt die het voorwerp kunnen uitmaken van de derdebetalersregeling, terwijl in het bestreden besluit geen verstrekkingen doch wel verstrekkers worden aangeduid in wier hoofde de VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-11/21 derdebetalersregeling van toepassing kan zijn, zodat het bestreden besluit niet beantwoordt aan "de aan de Koning toevertrouwde machten en bevoegdheden".
- Zowel in het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, verleend over artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 408 van 18 april 1986, als in de overwegingen van arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 wordt vastgesteld dat de Koning “over de meest uitgebreide bevoegdheden beschikte om de derdebetalersregeling te reglementeren”. In het voornoemde advies is, zoals de verwerende partij terecht laat opmerken, sprake van een integrale regeling van het derdebetalerssysteem door de Koning. De derdebetalersregeling is in wezen een juridische figuur waarbij enerzijds niet alleen de vermelding van de geneeskundige verstrekkingen noodzakelijk is, maar anderzijds ook essentieel drie partijen betrokken zijn, met name : 1/ de zorgverstrekker of de dienstverlener, 2/ de verzekerde en 3/ de verzekeringsinstelling. Een integrale regeling van het systeem kan derhalve niet alleen over de verstrekkingen gaan, die onder de verzekeringstussenkomst vallen, doch, naast de andere betrokken partijen ook over de zorgverstrekkers, die de prestaties leveren. Daaruit volgt dat een “integrale” regeling van het derdebetalerssysteem niet alleen bepalingen kan inhouden over verzekerde verstrekkingen maar ook over één of méér van de drie voornoemde betrokken partijen. Het middel is ongegrond. Derde middel
- In het derde middel roept de verzoekende partij de schending in van artikel 71 van de wet van 9 augustus 1963 doordat volgens dat artikel de rechthebbenden zich, om geneeskundige verstrekkingen te verkrijgen, vrijelijk wenden tot iedere persoon die gemachtigd is een van de takken van de geneeskunst te beoefenen, terwijl die vrijheid van keuze wordt miskend in zoverre het voordeel van de derdebetalersregeling beperkt wordt tot de geneesheer die een volledige conventie heeft aanvaard, en bovendien niet de sancties heeft opgelopen voorzien onder het door het bestreden besluit in het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 ingevoegde artikel 4bis, §1, 3/. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-12/21 In haar memorie van wederantwoord voegt zij daaraan toe dat de verwerende partij uitgaat van de niet-bewezen hypothese dat een niet-geconventioneerde zorgenverstrekker noodzakelijkerwijze een hoger honorarium zal aanrekenen dan zijn geconventioneerde collega.
- In zijn arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 heeft de Raad van State geoordeeld: “dat artikel 14quater, vierde lid, van de wet van 9 augustus 1963, dat de Koning machtigt de voorwaarden en regels inzake de derdebetalersregeling vast te stellen, impliceert dat het beginsel van de vrije keuze kan worden beperkt wanneer de rechthebbende aanspraak wil maken op een regeling die alleen onder bepaalde voorwaarden van toepassing is; dat het middel niet gegrond is.” De Raad van State sluit zich, wat de beoordeling van dit middel betreft, aan bij die zienswijze. Het middel is ongegrond. Vierde middel
- In een vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 34 van de wet van 9 augustus 1963, doordat volgens dit artikel aan de geneesheer de vrijheid wordt gelaten toe te treden tot de akkoorden bedoeld in "titel III van hoofdstuk 4" van die wet, terwijl het bestreden koninklijk besluit een einde stelt aan de mogelijkheid, ingevolge een vrije en niet te motiveren beslissing, niet toe te treden tot de bedoelde akkoorden en bepaalde geneesheren bij weigering van toetreding in de feitelijke onmogelijkheid zullen zijn hun specialisme verder te beoefenen, gezien de hoge kosten, verschuldigd door de patiënt.
- Zoals de Raad van State in zijn arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 heeft geoordeeld blijven de zorgverstrekkers vrij om al dan niet tot de overeenkomst toe te treden en behoren de geneesheren, naargelang de omstandigheden die eigen zijn aan hun situatie, een keuze te maken waarvan zij de gevolgen kennen, namelijk het al dan niet toepassen van de derdebetalersregeling ten gunste van de patiënten die hen raadplegen. Het middel is niet gegrond. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-13/21 Vijfde middel
- In een vijfde middel roept de verzoekende partij de schending in "van de algemene rechtsbeginselen", meer bepaald het beginsel der rechtszekerheid, minstens het beginsel van de zorgvuldigheid en het goed bestuur, doordat aan in het verleden uitgesproken sancties post factum verregaande gevolgen worden toegewezen die deze uitspraken op het ogenblik dat zij geveld werden niet hadden, doordat aan de organen die krachtens het bestreden koninklijk besluit bevoegd zijn om te oordelen over de aanvragen tot het bekomen van de derdebetalersregeling een arbitraire beoordelingsbevoegdheid wordt verleend, zonder dat enig verder objectief criterium wordt vooropgesteld dat bij de beoordeling moet worden "nageleefd" en doordat met het in het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 ingevoegde artikel 4bis, §5 aan de verzekeringsinstellingen een arbitraire beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend om het voordeel van de derdebetalersregeling in te trekken, zonder dat terzake objectieve criteria worden aangetoond. De verzoekende partij ziet daarnaast ook een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, minstens van het beginsel van goed beheer, in het feit dat de voorwaarden vermeld in het door het bestreden besluit in het besluit van 10 oktober 1986 ingevoegde artikel 4bis, §1, 3/ niet in overeenstemming zijn met de in de aanhef van het bestreden besluit gestelde motivering. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat het woord "kan" in het voormelde artikel 4bis, §1, duidt op de mogelijkheid voor de zorgenverstrekker om de derdebetalersregeling aan te vragen.
- Het rechtszekerheidsbeginsel is niet geschonden. De aangeklaagde toestand is in feite niets anders dan een verschillende situatie, die ontstaat, wanneer een bepaalde feitelijke of juridische situatie door een nieuwe wetgeving of reglementering wordt beheerst. De overige grieven, weergegeven in de eerste alinea van nr. 25, werden reeds beantwoord bij het onderzoek van de andere middelen en zijn dienvolgens ongegrond. Wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel betreft heeft de Raad van State in zijn arrest nr. 45.559 van 18 maart 1994 geoordeeld dat artikel 4bis, §3, dat door het bestreden besluit is ingevoegd in het koninklijk besluit van 10 oktober 1986, blijkt dat de derdebetalersregeling wordt VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-14/21 toegekend na een uitgewerkte procedure die dus geenszins summier is, dat tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, dat in de §§4, 5 en 6 van artikel 4bis de intrekking van de derdebetalersregeling is geregeld, dat die bepalingen de voorwaarden vastleggen volgens welke tot de intrekking kan worden beslist, de duur van de intrekking bepalen, voorzien in de verplichting voor de verzekeringsinstellingen om de zorgverstrekker in kennis te stellen van hun bedoeling om de derdebetalersregeling in te trekken en in de mogelijkheid voor de zorgverstrekker om zijn opmerkingen kenbaar te maken aan de verzekeringsinstellingen, dat de beslissingen tot intrekking voor de arbeidsrechtbank kunnen worden gebracht en dat het zich laat aanzien dat de procedures die worden geregeld door het bestreden besluit voldoende waarborgen bieden ten aanzien van de bepalingen en de beginselen waarvan de schending wordt aangevoerd. De Raad van State sluit zich, wat de beoordeling van deze grief betreft, hierbij aan. Het middel is ongegrond. Zaak A. 49.055
- Een vereniging moet blijkens haar statuten de kwaliteit bezitten om de vernietiging van de door haar bestreden beslissing te vorderen. Meer bepaald dienen haar statutaire bepalingen betreffende het maatschappelijk doel voldoende precies te zijn om aan te tonen dat het voorwerp van het beroep direct en specifiek past binnen het door de verzoekende partij betrachte doel. Artikel 3 van de statuten van de verzoekende partij omschrijft het maatschappelijk doel als volgt: “(...) het bieden van vormingsmogelijkheden die erop gericht zijn de veelzijdige persoonsontwikkeling van de op rust gestelden met het oog op een beter begrip van zichzelf, en van hun levenssituatie in de maatschappij, als lid van de derde leeftijdsgroep, en hun volwaardige participatie met aan hun leeftijdsgroep aangepaste normen en vereisten bij het maatschappelijk gebeuren. In ondergeschikte maar niet minderwaardige volgorde komen: het streven naar een menswaardig bestaan van de op rust gestelden, o.m. door maatschappelijke hulp, aangepaste woningen en gezonde ontspanning. Dit gebeurt op basis van lokale groepsaktiviteiten en met medezeggenschap van de leden, zoals geregeld bij huishoudelijk reglement.” Het aanvechten van een reglementering inzake de derdebetalersregeling kan niet worden ingepast in het hierboven aangehaalde maatschappelijk doel dat in wezen gericht is op het bieden van VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-15/21 vormingsmogelijkheden en lokale groepsactiviteiten. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de verzoekende partij niet beschikt over het rechtens vereiste belang. Zaak A. 49.061 Eerste middel
- Het eerste middel van de verzoekende partijen heeft betrekking op de niet-naleving van substantiële vormvoorschriften, "minstens miskenning en dus schending van de wet", doordat de Koning, overeenkomstig artikel 34quater, vierde lid van de wet van 9 augustus 1963, vooraleer de regels en voorwaarden in het kader van de derdebetalersregeling vast te stellen, het advies moet inwinnen van het Beheerscomité van het RIZIV, terwijl het "koninklijk besluit" niet aan het Beheerscomité werd voorgelegd, de verwijzing naar een verslag van 1 juli 1991 de indruk geeft dat dit wel gebeurde en op de vergadering van het Beheerscomité van die datum enkel een oud ontwerp van koninklijk besluit werd besproken, dat door de vroegere Minister van Sociale Zaken was voorgelegd.
- In zijn arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 heeft de Raad van State geoordeeld dat de Minister van Sociale Zaken het ontworpen besluit heeft voorgelegd aan het Beheerscomité op 4 juni 1991, dat dit comité zijn advies heeft gegeven binnen een termijn van één maand die is bepaald in artikel 15 van de wet van 25 april 1963 en dat het feit dat dit advies is uitgebracht meer dan een jaar voordat de bestreden akte is aangenomen, niet relevant is, alsook uit het dossier, namelijk de notulen van de vergadering van het comité van 24 juni 1991, het “standpunt van de partijen” samengevat door de dienst voor geneeskundige verzorging op 27 juni 1991 en de notulen van de vergadering van het comité van 1 juli 1991, blijkt dat de belangrijkste wijzigingen die in het ontwerp aangebracht zijn het resultaat zijn van de opmerkingen van het comité, en dat uit de voormelde documenten eveneens blijkt dat het ontwerp grondig en uitvoerig is besproken, zodanig dat niet ernstig kan worden volgehouden dat het comité zich niet met kennis van zaken heeft uitgesproken. De Raad van State sluit zich, wat de beoordeling van dit middel betreft, aan bij die zienswijze. Het middel is ongegrond. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-16/21 Tweede middel
- Het tweede middel heeft betrekking op verscheidene vormen van ongelijkheid en op de "schending van bepaalde grondwettelijke vrijheden", en bestaat uit meerdere onderdelen.
- De verzoekende partijen roepen een eerste discriminatie in tussen de geconventioneerde en de niet-geconventioneerde tandheelkundigen, doordat het bestreden besluit niet redelijk verantwoord is en strijdig is met o.m. artikel 71 van de wet van 9 augustus 1963, dat betrekking heeft op de vrijheid van de patiënt.
- Om de redenen aangehaald bij de bespreking van het derde middel in de zaak nr. 48.917 dient dit eerste onderdeel te worden verworpen.
- In een tweede, derde en vierde onderdeel roepen de verzoekende partijen een discriminatie in tussen respektievelijk de niet-geconventioneerde tandheelkundigen, de geconventioneerde tandheelkundigen en de patiënten.
- Het tweede en derde middelonderdeel is niet ontvankelijk wegens gebrek aan precieze aanduiding, in het verzoekschrift, van de bepalingen welke het gelijkheidsbeginsel schenden. Het vierde onderdeel is niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De derdebetalersregeling uit het bestreden besluit is immers in het belang van de patiënt ingesteld, en de verzoekende partijen tonen niet aan hoe zij te dezen de belangen van de patiënt zouden kunnen behartigen.
- In een vijfde onderdeel ten slotte, zien de verzoekende partijen een schending van de vrijheid van vereniging en van de vrijheid van tandartsen om al dan niet tot een nationaal akkoord toe te treden.
- Dit middelonderdeel is analoog aan het vierde middel in de zaak nr. 48.917 en dient om dezelfde reden te worden verworpen. Het middel is deels niet ontvankelijk deels niet gegrond. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-17/21 Derde middel
- In een eerste onderdeel roepen de verzoekende partijen de schending in van artikel 34, §1, van de wet van 9 augustus 1963 doordat de Koning de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen om een "uitspraak" had moeten verzoeken over de aspecten behandeld in het bestreden besluit, terwijl de voormelde bepaling voorziet dat "de financiële en administratieve betrekkingen tussen de geneesheren of tandheelkundigen en de rechthebbenden geregeld worden door de bedoelde akkoorden".
- De Raad van State heeft in zijn arrest nr. 46.559 van 18 maart 1994 dit middel ongegrond verklaard in zoverre het betrekking heeft op de bevoegdheid terzake van de organen van de zorgverstrekkers en de verzekeringsinstellingen om akkoorden af te sluiten aangaande hun financiële en administratieve betrekkingen. De Raad van State treedt in de huidige zaak dit oordeel bij. Voorts is nergens bepaald dat de koning de “uitspraak” van de genoemde commissie had moeten vragen. Het eerste onderdeel is niet gegrond.
- In een tweede onderdeel wordt de schending aangevoerd van artikel 79 van de wet van 9 augustus 1963 doordat, kort samengevat, artikel 4bis, §1, 3/, a, dat door het bestreden besluit wordt ingevoegd in het koninklijk besluit van 10 oktober 1986, de derdebetalersregeling voor de zorgenverstrekker uitsluit in geval van "een definitieve administratieve sanctie van ten minste vijftien dagen uitgesproken door de Beperkte kamer of door de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering", terwijl alleen de Beperkte kamer belast is met de toepassing van de bepalingen van artikel 79, 9/ en 10/ van de wet van 9 augustus 1963, die als volgt luiden : "Art.
- Het comité van de dienst voor geneeskundige controle is er mede belast : (...) 9/ naar de in het vijfde lid bedoelde beperkte kamers de vaststellingen te verwijzen gedaan ten laste van personen of inrichtingen die gemachtigd zijn om geneeskundige verstrekkingen te verlenen en tegen wie de in artikel 90 bedoelde straffen kunnen worden uitgesproken; VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-18/21 10/ in hoger beroep de geschillen van geneeskundige aard tussen adviserend geneesheren en geneesheren-inspecteurs te beslechten, behoudens die waarbij de rechten van de rechthebbenden in het geding komen"; De verzoekende partijen wijzen erop dat de Beperkte kamer en de Commissie van beroep straffen kunnen uitspreken die een verbod van verzekeringstegemoetkoming gaande van vijf dagen tot één jaar inhouden, wat eveneens en automatisch een verbod op derdebetalersregeling inhoudt, terwijl de artikelen 4bis, §1, 3/, a en 4bis, §4, 2/ "van het koninklijk besluit van 19 augustus 1992" (sic!) aan de verzekeringsinstellingen de bevoegdheid geven "op eenzijdige en discretionaire wijze" uit te maken of een sanctie van de Beperkte kamer of de Commissie van beroep al dan niet verlengd wordt met een verbod tot toepassing van de derdebetalersregeling gedurende drie jaar, dat artikel 34quater, vierde lid van de wet van 9 augustus 1963 aan de Koning niet de bevoegdheid heeft gegeven om een inbreuk die enkel door de paritair samengestelde kamers kan beoordeeld worden, aan de beoordeling van de verzekeringsinstellingen te onderwerpen, dat de uitspraken van de Beperkte kamer en de Commissie van beroep in essentie definitief zijn en dus "door de bewoordingen van het koninklijk besluit en de mogelijkheid van beroep bij de arbeidsrechtbank tegen een beslissing tot toekenning of tot intrekking van de derdebetalersregeling, opnieuw kunnen beoordeeld worden door de arbeidsrechtbanken, het arbeidshof en eventueel door het Hof van Cassatie ..." en, ten slotte, dat het voormelde artikel 4bis, 2/ inconsequent is met artikel 4bis, §1, 3/ doordat in het eerste geval de tandarts die een administratieve sanctie van meer dan vijftien dagen oploopt zijn recht op toegang tot de derdebetalersregeling verliest voor een periode van drie jaar, terwijl in het tweede geval het verval van de derdebetalersregeling slechts geldt voor de duur van het verbod uitgesproken door de Commissie van beroep, dit alles zonder enige objectieve reden voor de "inconsequente en ongelijke behandeling".
- In het arrest nr. 46.559 van 18 maart 1992 wordt gesteld dat de desbetreffende maatregelen “noch een straf vormen in de zin van artikel 9 van de Grondwet, noch een tuchtmaatregel in de zin van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1976; dat ze geenszins (on-?) bestaanbaar zijn met de artikelen 90 en 90bis van de wet van 9 augustus 1963; dat het middel niet opgaat.” De Raad van State sluit zich, wat de beoordeling van dit middel betreft, daar bij aan. Het tweede onderdeel is niet gegrond. Het middel is niet gegrond. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-19/21 Vierde middel
- In het vierde middel sommen de verzoekende partijen een aantal schendingen op van het redelijkheidsbeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die verband houden met de beleidsdoelstellingen van het bestreden besluit of met vermeende interpretatieproblemen.
- Het middel komt neer op een op ongeordende wijze geformuleerde kritiek van het bestreden besluit, die in wezen opportuniteitskritiek betreft waarvoor de Raad van State niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. BESLUIT: Artikel
- De zaak A. 49.083 wordt van de rol afgevoerd. Artikel
- De beroepen, gekend onder de nrs. A. 48.917, A. 49.055 en A 49.061, worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, gekend onder de nrs. A. 48.917, A. 49.055 en A. 49.061, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen in de voormelde zaken, elk voor een derde. De kosten van het beroep, gekend onder het nr. A. 49.083, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de failliete boedel van de verzoekende partij. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig maart tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.976, 16.977, 16.978 en 16.975-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.540 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.