← België

Arrest 169599 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.599 Rolnummer: A. 179485/VII-36801 Zaak: Arrest 169599 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-12 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 19:10 Fiche Arrest nr 169.599 van 30 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.599 van 30 maart 2007 in de zaak A. 179.485/VII-36.801 In zake :

  1. de b.v.b.a. LE BLEU,
  2. Diego BOONE, die woonplaats kiezen bij advocaat C. DE BEIR, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : de Burgemeester van de stad GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  3. ------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. LE BLEU en Diego BOONE op 18 december 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de burgemeester van de stad GENT van 12 oktober 2006 waarbij de ogenblikkelijke stopzetting wordt bevolen van de exploitatie van het lokaal met dansgelegenheid aan de Overpoortstraat 60 in Gent, totdat de exploitant beschikt over een rechtsgeldige milieuvergunning; Gezien het verzoekschrift dat dezelfde partijen op dezelfde datum hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; VII-36.801-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op de beschikkingen van 12 februari 2007, houdende bevel tot neerlegging van de verslagen en oproeping van de partijen om te verschijnen op 15 maart 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. COTTENIE, die loco advocaat C. DE BEIR verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat L. VAN FRAECHEM, die loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De feiten. Diego BOONE, tweede verzoeker, is de zaakvoerder van de b.v.b.a. “Le Bleu”, eerste verzoekende partij, een horecazaak die wordt geëxploiteerd aan de Overpoortstraat 60 te Gent, in een drukke uitgaansbuurt. Op 5 april 2006 richt het stadbestuur van Gent een aangetekend schrijven naar de tweede verzoeker waarin wordt gesteld dat de exploitatie van de inrichting “Le Bleu” een milieuvergunning klasse 2 vereist en een milieuvergunningsaanvraag moet worden ingediend vóór 5 juli
  5. Op 2 mei 2006 wordt door de ambtenaar van de stad Gent een proces-verbaal opgemaakt naar aanleiding van een geluidsmeting van 28 april 2006 kort na middernacht. In de inrichting blijkt er een dansvloer aanwezig te zijn, waarbij in het midden van die dansvloer een geluidsdruk van 97,2 db wordt VII-36.801-2/6 vastgesteld, zonder dat er evenwel op gedanst wordt. Tevens wordt vastgesteld dat de inrichting vergunningsplichtig is en niet beschikt over een geldige milieuvergunning. Op 12 en 14 september 2006 worden opnieuw twee processen- verbaal opgemaakt, naar aanleiding van een controle van 9 september
  6. In het eerste P.V. wordt opnieuw vastgesteld dat de inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd. In het tweede P.V. wordt een geluidsdruk van 103,2 db vastgesteld, terwijl er nu wel wordt gedanst. Op 9 oktober 2006 wordt tweede verzoeker gehoord. Tijdens zijn verhoor beweert hij geen milieuvergunningsaanvraag te hebben ingediend, omdat de Milieudienst hem heeft aangeraden dit pas te doen, na uitvoering van het akoestisch onderzoek. Op 12 oktober 2006 brengt de Burgemeester het thans bestreden bevel uit waarbij de activiteiten van de eerste verzoekende partij moeten worden stopgezet, tot een milieuvergunning klasse 2 wordt bekomen. De verzoekende partijen voeren vanaf oktober 2006 een procedure tot opschorting van het bevel bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Gent en tot tweemaal toe wordt hun verzoek verworpen.
  7. De ontvankelijkheid. 2.
  8. De verwerende partij voert een eerste exceptie aan en stelt dat verzoeker in zijn verhoor van 9 oktober 2006 zelf heeft toegegeven dat de inrichting vergunningsplichtig is. De verzoekende partijen beweren dat zij hun inrichting via herbouwingswerken verkleind hebben tot een oppervlakte van minder dan 100 m². Zij beweren eveneens dat er maar occassioneel wordt gedanst, zodat de inrichting niet vergunningsplichtig zou zijn. 2.
  9. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve een exceptie opgeworpen. De auditeur stelt dat het belang van de verzoekende partijen onwettig is “in de mate dat een beroepsindiener nastreeft (om) zijn onwettige exploitatie VII-36.801-3/6 ongestoord verder te kunnen zetten”. De auditeur komt tot de vaststelling dat de wetgever met “dansgelegenheid” in rubriek 32.1 van bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), niet enkel doelt op de locatie waar wordt gedanst en wat haar oppervlakte is, maar eveneens de dansactiviteiten inhouden die deel uitmaken van de door voornoemde rubriek bedoelde inrichting. Te dezen zouden deze dansactiviteiten wel degelijk in aanmerking komen om onder de toepassingsvoorwaarden te vallen van bovenvermelde rubriek 32.1 van Vlarem I. Dit zou betekenen dat de verzoekende partijen wel degelijk een milieuvergunning klasse 2 dienen te bekomen om rechtsgeldig de kwestieuze inrichting te kunnen exploiteren. Ten slotte beslist de auditeur tot de kennelijke onontvankelijkheid van het beroep wegens het ontbreken van een wettig belang. Hij voert hiervoor drie argumenten aan : ten eerste zijn de verzoekende partijen door eigen handelen in een onwettige situatie terechtgekomen, ten tweede hebben zij het tijdelijk gedogen van de verwerende partij niet benut om een milieuvergunningsaanvraag in te dienen en ten derde pogen zij de thans onwettige exploitatie te hervatten, middels een beroep bij de Raad van State dat fundamenteel gebaseerd is op “bewust leugenachtige misleiding”. 2.
  10. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren werd vastgesteld dat er in de zaak een dansvloer is ingericht. Dit blijkt ook uit de publicitaire gegevens die de eerste verzoekende partij op haar website vermeldt en die in het auditoraatsverslag worden weergegeven. Die vaststellingen en gegevens worden als dusdanig niet betwist door de verzoekende partijen die zich ter terechtzitting gedragen “naar de wijsheid van de Raad”. Er kan geen redelijke twijfel over bestaan dat “Le Bleu”, zoals deze werd en wordt geëxploiteerd, een lokaal is dat een dansgelegenheid omvat, in de zin van rubriek 32.1 van de indelingsrubriek van Vlarem I. Aangezien de verzoekende partijen nergens een ander belang aanduiden dan het belang dat er in zou bestaan de voor het publiek toegankelijke oppervlakte weer te vergroten tot boven de drempel van 100 m², zonder de daartoe vereiste milieuvergunning, kan hun belang niet anders dan als onwettig worden beschouwd. Wanneer het effectief om een vergunningsplichtige inrichting gaat, is de exploitatie hoe dan ook verboden op grond van artikel 4 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, en voegt het bevel tot stopzetting VII-36.801-4/6 wat dit betreft niets toe. In de mate dat een beroepindiener nastreeft zijn onwettige exploitatie ongestoord verder te kunnen zetten, streeft hij een onwettig belang na, en is zijn beroep onontvankelijk. Opdat zijn beroep ontvankelijk zou kunnen worden bevonden, zal hij moeten kunnen aantonen dat zijn inrichting niet vergunningsplichtig is, of dat hij wel degelijk over de vereiste vergunning beschikt, of zal hij een ander belang dan de voortzetting van de onvergunde exploitatie moeten kunnen aantonen. 2.
  11. In zijn verslag acht de auditeur het beroep kennelijk onrechtmatig en stelt hij voor een geldboete van 750 i per verzoekende partij op te leggen. Te dezen zijn er echter onvoldoende ernstige gegevens voorhanden die het opleggen van deze sanctie wettigen. 2.
  12. Het beroep is kennelijk onontvankelijk en moet worden verworpen. Dienvolgens moet de vordering tot schorsing, als accessorium van het annulatieberoep eveneens worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. Het annulatieberoep en de vordering tot schorsing worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-36.801-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-36.801-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.599 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.