← België

Arrest 169600 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.600 Rolnummer: A. 180316/VII-36856 Zaak: Arrest 169600 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-12 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:11 Fiche Arrest nr 169.600 van 30 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.600 van 30 maart 2007 in de zaak A. 180.316/VII-36.856 In zake : de n.v. PRO DOMO, die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PRO DOMO op 17 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 13 november 2006 houdende verwerping van het beroep van de verzoekende partij tegen de beslissing van 24 april 2003 van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) waarbij het beschrijvend bodemonderzoek betreffende de percelen gelegen te Hasselt en bij het kadaster gekend als Hasselt, 3de afd., sectie C, nrs. 365t en 365w conform wordt verklaard en wordt beslist dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, §2 of §3 van het Bodemsaneringsdecreet; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2007; VII-36.856-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat J. NIJS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten. De verzoekende partij wordt in 1987 eigenaar van de percelen gelegen aan de Herderstraat 2 te Hasselt. Een oriënterend bodemonderzoek leidt tot de vaststelling dat zowel de bodem als het grondwater zwaar verontreinigd zijn, dat er een drijflaag van olie aanwezig is en dat het om een historische bodemverontreiniging gaat. OVAM geeft dit bij brief van 8 juli 1999 te kennen aan de verzoekende partij. Hierbij stelt zij dat een beschrijvend bodemonderzoek zich opdringt en dat zij zal voorstellen de percelen aan te wijzen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. Bij ministerieel besluit van 13 maart 2001 worden de gronden aangewezen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. Op 10 april 2001 maant OVAM de verzoekende partij op grond van artikel 31, §1, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (Bodemsaneringsdecreet) aan om over te gaan tot het opmaken van een beschrijvend bodemonderzoek. Zij wijst erop dat de verzoekende partij, binnen de dertig dagen na ontvangst van de aanmaning, haar standpunt kan uiteenzetten indien zij meent te voldoen aan de voorwaarden van artikel 31, §§2 en 3 van het Bodemsaneringsdecreet. De verzoekende partij laat in de loop van 2001 en 2002 een beschrijvend bodemonderzoek uitvoeren. VII-36.856-2/6 Op 24 april 2003 wordt dit beschrijvend bodemonderzoek conform verklaard en wordt de verzoekende partij aangemaand tot het opstellen en indienen van een bodemsaneringsproject binnen de 150 dagen. Op 22 mei 2003 tekent de verzoekende partij tegen deze aanmaning beroep aan bij de Vlaamse regering. Zij argumenteert dat zij vooralsnog in aanmerking komt voor een vrijstelling van saneringsplicht met toepassing van artikel 31, §§2 en 3 van het Bodemsaneringsdecreet. In haar verweer schrijft OVAM aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap dat het beroep van de verzoekende partij eigenlijk een aanvraag is tot het bekomen van het statuut van onschuldige bezitter en dat het alsdusdanig niet ontvankelijk is, omdat de aanvraag niet werd ingediend binnen de voorgeschreven termijn van dertig dagen na ontvangst van de aanmaning van 10 april
  3. Ook de adviescommissie Bodemsanering is in haar advies van 23 oktober 2006 dezelfde mening toegedaan als OVAM. Bij ministeriële beslissing van 13 november 2006 wordt het beroep van de verzoekende partij verworpen en wordt de in eerste aanleg genomen beslissing bevestigd. Dit is de thans bestreden beslissing.
  4. Beoordeling. 2.
  5. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan in beginsel geen acht slaan op hetgeen later of ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. 2.
  6. De verzoekende partij zet omtrent het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende uiteen : VII-36.856-3/6 “Uit vaststaande rechtspraak van Uw Raad wordt de schorsing van een expliciete weigeringsbeslissing aanvaard. De vordering tot schorsing heeft daarenboven nut voor verzoekende partij, nu de overheid door een schorsingsarrest ertoe zal aangezet worden om de zaak opnieuw te onderzoeken in het licht van het gestelde in het schorsingsarrest, en in voorkomend geval de aangevochten beslissing in te trekken en opnieuw over de aanvraag te beschikken (R.v.St., ANCIAUX Henry DE FAVEAUX, nr. 34.018, 8 februari 1990). Hiervoor kan verwezen worden naar hetgeen reeds hoger is beschreven onder het belang onder punt
  7. Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft kan gesteld worden dat in voorliggend geval het zonder enige twijfel is dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een ernstig nadeel voor verzoekende partij veroorzaakt dat moeilijk te herstellen is, meer bepaald te situeren in de periode die voorafgaat aan het vellen door Uw Raad van State van een arrest ten gronde. Aldus zou een vernietigingsarrest na verloop van de normale duur van een annulatieprocedure voor de verzoekende partij nog een louter ‘platonische waarde’ hebben. Minstens zal de schorsing van het bestreden besluit aan verzoekende partij meer duidelijkheid verschaffen omtrent de ernst van de middelen en de mogelijkheid tot vernietiging van het bestreden besluit Hierbij dient tenslotte ook te worden gesteld dat het ernstig bevinden van de middelen, ook de ernst van het aangevoerde nadeel moet beïnvloeden (R.v.St. BOOGAERTS, nr. 51.202, 19 januari 1995; R.v.St. n.v. GEBROEDERS DELHAIZE en Cie "De Leeuw", nr. 42781, 4 mei 1993). Indien er geen schorsing wordt bevolen van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit dan zal er op het ogenblik van de uitspraak over het annulatieverzoek noodzakelijkerwijze reeds een volledige sanering hebben plaatsgevonden van de verontreinigde gronden. Alsdan is de kans zeer groot dat zelfs bij een latere eventuele vernietiging van het weigeringsbesluit, de administratrieve overheid geen vrijstelling van saneringsplicht meer zal toekennen aangezien de verontreiniging inmiddels reeds gesaneerd is, derhalve het verzoek zonder voorwerp is geworden. Verzoekende partij lijdt minstens hierdoor een moeilijk te herstellen, ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel zal zij niet meer kunnen herstellen aangezien door de uitvoering van deze gehele sanering, haar verzoek tot vrijstelling van saneringsplicht na een eventueel vernietigingsarrest door Uw Raad, hoedanook zal afgewezen worden gelet op het feit dit zonder voorwerp geworden is en/of de verzoeker geen actueel belang meer heeft.”. 2.
  8. De verwerende partij merkt op dat de verzoekende partij geen enkele concrete aanduiding geeft betreffende de inhoud van het beweerde nadeel. Zij stelt dat de beschouwingen van de verzoekende partij aangaande het beweerde nadeel voorbarig en hypothetisch zijn, temeer nu niet valt in te zien op welke manier het feit dat de gronden zouden gesaneerd zijn en dus in waarde zullen toenemen, de verzoekende partij enig nadeel zou berokkenen. De verwerende partij merkt op dat de verplichting om over te gaan tot het opstellen van een bodemsaneringsproject, in beginsel geen moeilijk te herstellen nadeel veroorzaakt en dat het nadeel dat de verzoekende partij kan leiden hoogstens van financiële aard is, wat in beginsel geen moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt. Ten slotte stelt de verwerende partij dat zelfs VII-36.856-4/6 indien het middel ernstig wordt bevonden, dit niet tot gevolg heeft dat hiermee het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangetoond. 2.
  9. De bewering dat de schorsing meer duidelijkheid zou verschaffen omtrent de gegrondheid van de middelen en de mogelijkheid tot vernietiging van het bestreden besluit en de overheid door een schorsingsarrest ertoe zal aangezet worden om de zaak opnieuw te onderzoeken in het licht van wat in het arrest wordt gesteld, beschrijft een aantal voordelen van de schorsingsprocedure, maar geen nadeel dat moet worden ondervangen en dat verbonden is aan de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Het feit dat er ernstige middelen zouden zijn aangevoerd, betekent niet dat er daarom ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is. Het zijn immers twee afzonderlijke voorwaarden. Zelfs als het juist is dat er geen vrijstelling van saneringsplicht meer zal worden toegekend omdat de sanering reeds is uitgevoerd, dan nog legt de verzoekende partij niet uit wat het daaraan voor haar verbonden nadeel is. De verzoekende partij toont bijgevolg niet aan dat zij een uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voortkomend moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan. Er is niet voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. VII-36.856-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-36.856-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.600 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.