← België

Arrest 169601 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 30/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.601 Rolnummer: A. 179096/VII-36772 Zaak: Arrest 169601 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 30/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-30 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 19:11 Fiche Arrest nr 169.601 van 30 maart 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.601 van 30 maart 2007 in de zaak A. 179.096/VII-36.772 In zake : de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, optredend voor de UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaten F. DEWALLENS en A. VIJVERMAN, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 138 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten P. LEGROS en J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile De Motlaan

  1. ------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN op 4 december 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 25 september 2006 tot aanwijzing van de universitaire ziekenhuisdiensten, universitaire ziekenhuisfuncties en universitaire zorgprogramma’s voor het ziekenhuis “Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola” (Belgisch Staatsblad van 4 oktober 2006); Gezien het verzoekschrift dat dezelfde partij op dezelfde datum heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS, op grond van artikel 94 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State VII-36.772-1/5 en op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Gelet op de beschikking van 20 februari 2007, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en oproeping van de partijen om te verschijnen op 22 maart 2007; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BALLET, die loco advocaat F. DEWALLENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. KNOCKAERT, die loco advocaten P. LEGROS en J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten. Met een brief van 30 september 2005 maakt de directeur-generaal van het “Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola” aan de verwerende partij de intentie kenbaar om een erkenning aan te vragen als universitaire ziekenhuisdienst. Met een brief van 30 januari 2006 worden de samenstelling van de klinieken en diensten aan de verwerende partij overgezonden en met brief van 26 juli 2006 de lijst van de dienstchefs. Met een koninklijk besluit van 25 september 2006 worden alle ziekenhuisdiensten van het ziekenhuis “Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola” aangewezen als universitaire ziekenhuisdienst en universitair zorgprogramma. Dit is het bestreden besluit. VII-36.772-2/5
  3. De beoordeling. 2.
  4. De verzoekende partij voert in een tweede middel onder meer de schending aan van artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2004 tot vaststelling van de voorwaarden om te worden aangewezen als universitair ziekenhuis, universitaire ziekenhuisdienst, universitaire ziekenhuisfunctie of universitair zorgprogramma, samengelezen met artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002: “(...) * Conform artikel 4 van de Ziekenhuiswet kunnen ziekenhuizen, ziekenhuisdiensten, ziekenhuisfuncties of zorgprogramma’s als universitair worden aangewezen indien aan een aantal voorwaarden is voldaan en ‘op voorstel van de academische overheid van een Belgische universiteit met een faculteit geneeskunde met volledig leerplan’. Artikel 1, §1 van het KB van 14 november 1978 stelt tevens expliciet dat ‘op voorstel van de academische overheid van een Belgische universiteit (...), na advies van de Ziekenhuisraad’ de hoedanigheid van universitair ziekenhuis of ziekenhuisdienst kan worden verleend. Artikel 1, §1, 2/ alinea van het KB van 14 november 1978 stelt dat dit voorstel aan de Minister van Volksgezondheid moet gericht worden. Ook de bescheiden, die bij dit voorstel moeten worden gevoegd, worden nader gespecificeerd in artikel 1, §1, alinea 3 van het KB van 14 november
  5. Ten opzichte van de aanwijzing van universitaire ziekenhuisdiensten, ziekenhuisfuncties of zorgprogramma’s, wordt deze voorwaarde van een voorstel van de academische overheid van een Belgische universiteit verder uitgewerkt in artikel 2, §2 van het KB van 7 juni 2004 dat het volgende stelt: ‘de voorstellen tot aanwijzing als universitaire ziekenhuisdienst, universitaire ziekenhuisfunctie of als universitair zorgprogramma worden gemotiveerd en door de directeur van het betrokken ziekenhuis gericht aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort. Bij het voorstel dient een verslag, te worden gevoegd, aangevuld met alle nuttige bijlagen dat aantoont dat wordt beantwoord aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1 bis.’ * In casu moet worden vastgesteld dat géén dergelijk voorstel van de academische overheid van een Belgische universiteit met een faculteit geneeskunde met volledig leerplan werd opgesteld, noch werd gemotiveerd, noch werd overgemaakt aan de Minister van Volksgezondheid. Dit maakt derhalve een schending uit van artikel 1, §1 van het KB van 14 november 1978 en van artikel 2, §2 van het KB van 7 juni 2004 juncto artikel 4 van de Ziekenhuiswet. (...).”. 2.
  6. De verwerende partij repliceert dat uit het administratief dossier blijkt dat er wel degelijk een gemotiveerd voorstel tot aanwijzing door de academische overheid van een Belgische universiteit met een volledig leerplan werd opgesteld en ‘overgemaakt’ aan de Minister van Volksgezondheid. VII-36.772-3/5 2.
  7. Artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, bepaalt het volgende: “Met het oog op de toepassing van deze gecoördineerde wet worden als universitaire ziekenhuizen, universitaire ziekenhuisdiensten, universitaire ziekenhuisfuncties of universitaire zorgprogramma’s beschouwd, deze welke, gelet op hun eigen functie op het gebied van patiëntenverzorging, het klinisch onderricht, het toegepast wetenschappelijk onderzoek, de ontwikkeling van nieuwe technologieën en de evaluatie van de medische activiteiten, voldoen aan de voorwaarden gesteld door de Koning en door Hem als dusdanig worden aangewezen op voorstel van de academische overheid van een Belgische universiteit met een faculteit geneeskunde met volledig leerplan. Met toepassing van het eerste lid kan slechts één ziekenhuis per universiteit met een faculteit geneeskunde met volledig leerplan worden aangewezen.” Artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juni 2004 luidt als volgt: “De voorstellen tot aanwijzing als universitair ziekenhuis worden gemotiveerd en gezamenlijk door de faculteit geneeskunde met volledig leerplan en door de directeur van het betrokken ziekenhuis gericht aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort. Bij het voorstel dient een verslag te worden gevoegd, dat is aangevuld met alle nuttige bijlagen, dat aantoont dat wordt beantwoord aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1.” In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert bevindt er zich geen voorstel van de academische overheid van een Belgische universiteit met een faculteit geneeskunde met een volledig leerplan in het administratief dossier, zodat artikel 4 van de wet op de ziekenhuizen geschonden is. Er is evenmin een gemotiveerd voorstel gezamenlijk ingediend door de faculteit geneeskunde met volledig leerplan en de directeur van het betrokken ziekenhuis aanwezig in het neergelegd dossier, zodat ook artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juni 2004 geschonden is. Het tweede middel is kennelijk gegrond. Het kennelijk gegrond bevinden van het tweede middel leidt tot de vernietiging van het bestreden besluit. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dat besluit heeft geen voorwerp meer en moet dus worden verworpen, VII-36.772-4/5 BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 25 september 2006 tot aanwijzing van de universitaire ziekenhuisdiensten, universitaire ziekenhuisfuncties en universitaire zorgprogramma’s voor het ziekenhuis “Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola”. Artikel
  9. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  10. Dit arrest zal worden bekend gemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  11. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-36.772-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.601 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.