id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.627 Rolnummer: A. 53268/X-9449 Zaak: Arrest 169627 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-25 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 19:31 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 169.627 van 30 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.627 van 30 maart 2007 in de zaak A. 53.268/X-
- In zake :
- Marcel DUYVEJONCK,
- André VERMOORTELE, die woonplaats kiezen bij advocaat J. Ghysels, kantoor houdende te 1050 Brussel, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaten P. Vandecasteele en R. Backaert, kantoor houdende te Harelbeke, Noordstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marcel Duyvejonck en André Vermoortele op 12 augustus 1993 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 juni 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij hem de vergunning wordt geweigerd tot het verkavelen van een perceel grond gelegen te Ingelmunster, Meulebekestraat, kadastraal gekend sectie B, nr. 1232 d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 5 april 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-9449-1/7 Gelet op de beschikking van 8 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 oktober 2006, datum waarop de zaak in voortzetting is uitgesteld tot de terechtzitting van 12 december 2006; Gezien het aanvullend verslag van auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Ghysels, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaten G. Havet en Ph. Declercq, die loco advocaten P. Vandecasteele en R. Backaert verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feitelijke gegevens van de zaak
- Verzoekers dienen op 13 december 1991 bij het college van burgemeester en schepenen van Ingelmunster een aanvraag in tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning voor een perceel grond gelegen te Ingelmunster, Meulebekesteenweg, kadastraal bekend sectie B, nr. 1232 d. Het advies van de gemachtigde ambtenaar is gunstig, onder voorwaarden. Het college van burgemeester en schepenen weigert de vergunning bij besluit van 21 mei 1992 om volgende redenen : “De bestaande vensters in de zijgevel werden dichtgemaakt zonder bouwvergunning. Aldus werd een wachtgevel gecr[e]ëerd. Aangezien er van uitgegaan wordt van een gemiddelde theoretische breedte van een koppelwoning van 9m zou aldus de opvullingsregel van toepassing zijn. Wij vermoeden aldus dat het de intentie is van de aanvragers om onregelmatig de opvulregel
(70m)toe te passen”. X-9449-2/7 De bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen verwerpt het beroep van verzoekers bij besluit van 13 augustus
- Ook het beroep van verzoekers tegen de beslissing van de bestendige deputatie wordt verworpen, met een besluit van 14 juni 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden. Dit besluit overweegt o.m. wat volgt : “Overwegende dat een 3.283 m² grote en aan de straat circa 83,00 m brede grond wordt verkaveld in vier loten; dat het te verkavelen terrein voor de blote eigendom toebehoort aan de heer en mevrouw Marcel Duyvejonck- Vanhauwaert, voor het vruchtgebruik aan de heer André Vermoortele; dat de loten 1, 2 en 3 bestemd zijn voor vrijstaande eengezinswoningen, in te planten op 8,00 m achter de ontworpen rooilijn en op minimum 4,00 m van de zijdelingse perceelsgrenzen; dat de woonst op het lot 4, met eenzelfde gabariet dient te worden aangebouwd aan de bestaande naburige woning; dat samenvoegen van de loten is toegelaten; dat handelszaken of ambachtelijke bedrijven tot een maximale bezetting van 50 % van het totale perceel eveneens zijn toegelaten; dat de gemachtigde ambtenaar aan zijn gunstig advies d.d. 27 januari 1992 de voorwaarde verbond de stedebouwkundige voorschriften als volgt te wijzigen en/of aan te vullen : bestemming : eengezinswoningen; handelszaken en ambachtelijke bedrijven zijn uitgesloten; bij samenvoeging van twee loten worden de bouwvrije zijstroken verdubbeld; Overwegende dat het goed gelegen is in het agrarisch gebied van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgesteld gewestplan Roeselare - Tielt; dat, luidens artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat dergelijke gebieden behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven mogen bevatten; dat de vooropgezette residentiële handels- of ambachtelijke bebouwing afbreuk doet aan de landbouwbestemming die in dergelijk gebied moet gevrijwaard blijven en daarom principieel niet kan aanvaard worden; Overwegende dat de gewestplannen verordenende kracht bezitten en bindend zijn zowel voor de particulier die een grond wenst te verkavelen als voor de vergunningsverlenende overheid; dat van een dergelijk plan alleen mag worden afgeweken in de gevallen en in de vormen bepaald door de wet; dat, volgens artikel 23, 1/ van voornoemd koninklijk besluit van 28 december 1972, in alle gebieden niet zijnde woongebieden, met uitsluiting van de industriegebieden, de ontginningsgebieden, de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de overstromingsgebieden, bij uitzondering verkavelingen en bouwwerken kunnen worden toegestaan voor zover deze de goede. plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen, en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp-gewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand; dat een wachtgevel van een bestaande woning met een nieuwe woning mag worden afgewerkt, Overwegende dat het betrokken terrein deel uitmaakt van een nog open stuk agrarisch gebied, dat nog voldoende groot is om voor landbouwdoeleinden in aanmerking te komen; dat de bestaande bebouwing langs dezelfde kant van de straat op die plaats eerder summier is en alleszins niet toelaat om te besluiten X-9449-3/7 dat het hier in casu gaat over een huizengroep waarbinnen de uitzonderings- bepalingen van artikel 23.1 van het voornoemd koninklijk besluit kunnen worden toegepast; dat het in die omstandigheden past het beroep van de particulier te verwerpen”. Het belang van verzoekers
- In hun verzoekschrift voeren verzoekers drie middelen aan, die er elk op neerkomen dat verwerende partij zich bij de toetsing van hun aanvraag aan artikel 23, 1/, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (de zogenaamde opvullingsregel), heeft vergist en hun zodoende ten onrechte het voordeel van de uitzonderingsregeling waarin de bepaling voorziet, heeft onthouden. De betrokken uitzonderingsregeling is intussen evenwel opgeheven bij decreet van 23 juni 1993 houdende aanvulling met een artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals gewijzigd door het decreet van 13 juli
- Terecht geven verzoekers zelf aan dat het de vraag doet rijzen naar hun actueel belang. De opheffing verhindert immers dat het artikel 23, 1/, nog wordt toegepast. Daaruit volgt dat de verwerende partij, wanneer zij zich na een eventuele vernietiging opnieuw dient uit te spreken over de aanvraag, niet anders zou kunnen dan de aanvraag opnieuw te weigeren.
- Volgens verzoekers moet de vraag naar hun belang in die zin worden beantwoord dat zij wél nog van het vereiste belang doen blijken, omdat de voormelde decreten ongrondwettig zijn en er derhalve geen rekening mee gehouden mag worden. Zij verzoeken om het Arbitragehof ter zake een prejudiciële vraag te stellen. Verzoekers blijven daar meer bepaald op aandringen ofschoon nochtans het Arbitragehof zich ondertussen reeds over de grondwettigheid van de decreten heeft kunnen uitspreken en die grondwettigheid heeft aangenomen, meer bepaald in zijn arresten 40/95 van 6 juni 1995 en 24/96 van 27 maart
- Immers menen verzoekers in een zogenaamd “getuigenis uit de eerste hand” van “iemand die betrokken was bij het opstellen van de gewestplannen” het bewijs te mogen vinden “dat het Arbitragehof in zijn arresten X-9449-4/7 waarbij het zich uitspreekt over de grondwettigheid van de afschaffing van de opvullingsregel, uitgegaan is van de verkeerde premisse dat de opvullingsregel een loutere afwijking is van de bestemming en geen onderdeel van het gewestplan dat de bestemming mee bepaalt”. Zij vervolgen: “Men dient zich dan ook de vraag te stellen of het Arbitragehof op dezelfde wijze zou geoordeeld hebben, indien het Hof bij de behandeling van die zaken kennis gehad had van een dergelijke belangrijke getuigenis? In redelijkheid mag gesteld worden dat het Hof met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet op dezelfde wijze zou geoordeeld hebben over de afschaffing van de opvullingsregel. Het is dan ook gerechtvaardigd en noodzakelijk dat het Arbitragehof bij wijze van prejudiciële vraagstelling uitgenodigd wordt om zich opnieuw uit te spreken over de grondwettigheid van de afschaffing van de opvullingsregel. Bovendien is de bevoegdheid van het Arbitragehof sedert de arresten 40/95 en 24/96 uitgebreid”. Tot slot stellen zij voor de ene prejudiciële vraag te stellen die hierna in het dictum wordt overgeschreven.
- Verwerende partij van haar kant meent dat de vraag niet pertinent en niet nodig is voor de oplossing van de zaak, en dat er al door het Arbitragehof uitspraak over gedaan is.
- Zoals sub
- gezien, is er grond om vanwege de afschaffing van de reeds vernoemde opvullingsregel het beroep van verzoekers bij gebrek aan actueel belang als niet-ontvankelijk te verwerpen - hetzij dus om redenen ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Voorts staat in de huidige stand van de procedure, gelet op de nieuwe gegevens waarmee verzoekers de vraag omkleden, onvoldoende vast dat het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag met een identiek of volkomen gelijk onderwerp. Er is bijgevolg grond om met toepassing van artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, aan dat hof de door verzoekers geformuleerde en in het dictum overgeschreven vraag te stellen. X-9449-5/7 OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : “Schendt artikel 2 van het Gecoördineerde Stedenbouwdecreet (het vroegere artikel 87, vierde lid van de Stedenbouwwet, zoals ingevoerd bij decreet van 23 juni 1993 en gewijzigd bij decreet van 13 juli 1994) de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet en artikel 1 EP EVRM door de opvullingsregel (artikel 23, 1/ koninklijk besluit van 28 december 1972) af te schaffen zonder dat vooraf een openbaar onderzoek werd georganiseerd en met uitsluiting van de vergoeding voor planschade, terwijl, zoals blijkt uit de getuigenis van Prof. Marc Boes (M. Boes en S. Verbist, ‘Plannen en verordeningen in de rechtspraak van het Arbitragehof’, in S. Lust (ed.), Het Arbitragehof en het ruimtelijke ordeningsrecht, Brugge, die Keure, 2006,
(41), 52) als nauw betrokkene bij het opmaken van de gewestplannen volgt dat de opvullingsregel een geschreven regel is van het gewestplan, met dezelfde reglementaire kracht als de grafische regels en die dus samen met de grafische regels de bestemming bepaalt, zodat zoals voor iedere gewestplanwijziging een openbaar onderzoek moet gebeuren en planschade dient te worden toegekend en terwijl er geen objectief criterium is om de eigenaars van gronden waarvan de bestemming mede bepaald wordt door de opvullingsregel bij de wijziging van die bestemming anders te behandelen dan de eigenaars van wie de bestemming van hun gronden enkel bepaald worden door de grafische voorschriften van het plan, dat het criterium dat het bestuur veel te veel toepassing maakt van de opvullingsregel, terzake alleszins geen deugdelijk criterium van onderscheid is en terwijl het uitsluiten van de planschade bij de afschaffing van de opvullingsregel onevenredige gevolgen heeft voor de eigenaars van de goederen waar deze regel toepassing vond, omdat op het ogenblik van de afschaffing van de opvullingsregel de mogelijkheid om planschade te vragen, zoals ten deze (gewestplan Roeselare- Tielt K.B. 17 december 1979) verjaard is en de betrokken eigenaar voor die afschaffing gelet op de gelding van de opvullingsregel niet over het vereiste belang beschikte om planschade te vragen?”. X-9449-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. BOVIN. X-9449-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.627 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.364 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div